Table of contents

[binding_recto] [interleaf] [interleaf] [interleaf]
[titlePage_recto]
GRONDBEGINSELEN
DER
NATUURKUNDE
VAN DEN
MENSCH
Uit het Latijn
door
G. J. WOLFF,
Meester der vrye Konsten en Doctor in de
Wijsbegeerte en Geneeskunde.

MET PLAATEN.

met eene voorreden
van

R. FORSTEN.

harderwyck
by j. van kasteel

1791
.
[titlePage_verso]

VOORREDEN.

[[III]]

Onder de voorschriften om de Natuur wel
te kennen, en haare werkingen te ontvouwen,
weleer door den beroemden baco opgegeven,
telt men mijns bedunkens te recht in de eer-
ste plaats dit volgende: ‘„De Mensch, de
dienaar der Natuur en haare uitlegger doet
en verstaat zo veel, als hy van de orde
der Natuur door proeven of bespiegeling
heeft opgemerkt, verder weet hy niets en
kan ook niets.“’

Immers een ieder, die de wijsheid van
den Godlyken Maaker der Natuur, de vol-
maaktheden van dit Wezen, welke zich in ’t
geschaapen alom ten toonspreiden, grondig,
[Seite IV] en behoorlijk wil na gaan; een ieder, die,
op dat hy zich zelven, of anderen nuttig zy,
vermaak schept in de Natuurgeheimen na te
spooren, zal in deze bondige stelregel van
verulamius een richtsnoer vinden, waar
door hy, met vermyding van dwaalingen, tot
zijn doel kan geraaken.

Een recht geaart Natuuronderzoeker,
die zich bevlytigt, om in haare diepste schuil-
hoeken door te dringen, die haare verborgen-
ste werkingen tracht te kennen, deze moet
zyne kunde niet haalen uit Stelsels (Systemata),
dikwerf, hoe zeer ze op het gezag van eer-
bied wekkende naamen steunen, of verdicht,
of althands op al te losse gronden gebouwd:
neen, hy hebbe steeds de vermaaning voor
oogen van den straks genoemden wijsgeer:
‘„Men moet niet verdichten of verzinnen,
maar opmerken, en uitvinden, wat de Na-
tuur verricht en doet.“’ Min verkleeft aan
het gezag van anderen onderzoeke hy zelf
naarstig, hy neeme de werkende Natuur onbe-
vooroordeeld waar, slaa de handen aan ’t werk,
om door proefnemingen en herhaalde poogin-
gen de Natuur uit te lokken, ja zelf te dwin-
[Seite V] gen, dat zy zich openbaare. Door proeven
en waarnemingen, en door uit het waargeno-
mene omzichtig te redeneeren, bouwe hy een
stelsel, ’t welk als een heldere spiegel het on-
vervalscht gelaat der Natuur, als eene and-
woordende Echo haare stem weeromkaatst.

Deze weg, welken ik, met baco veru-
lamius,
in het algemeen aanprees, als ’t
meest geschikt, om in het beoeffenen der Na-
tuurkunde met wisse schreden te vorderen;
deze zelfde moet betreeden worden in de Na-
tuurkunde van den Mensch, dat edel voord-
brengsel der Scheppende Almagt, ’t welk de
oude Wijsgeeren, daar het de rijkdommen der
Natuur, als in een kort begrip bevat, niet
te onrecht het wonderwerk van ’t geschaape-
ne noemden.

Hier vindt de onderzoek-minnende een
zeer uitgestrekt veld voor zyne bemoeijingen;
doch tevens een veld, niet minder moeijelijk
en met veele kronkelpaden, en onzekere we-
gen bezet: in het welk te doorwandelen, hy,
wil hy niet dwaalen, maar gelukkig voordgaan,
getrouwe waarnemingen en herhaalde proefne-
mingen tot gidsen kiezen moet.

[Seite VI] Hier wordt niet alleen eene genoegzaame
kennis van het maaksel des lichaams in ’t al-
gemeen gevorderd, maar ook moet hy de by-
zondere werktuigen kennen, die op het kun-
stigst onderling verbonden, door hunne te zaa-
menspannende werkingen één geheel, de huis-
houding naamlijk van ons dierlijk lichaam, uit-
maaken.

Hier biedt de vergelykende Ontleedkunst,
waar door men het maaksel der deelen en hun-
ne natuurlyke verrichtingen in geheel het Die-
renrijk naspeurd, hulp: vooral kan men de Na-
tuur haare geheimen als ontwringen, wanneer
men in derzelver noch levende lichaamen proe-
ven in ’t werk stelt, en daar uit, doch omzich-
tig, tot den mensch besluit.

Hier kunnen de zogenoemde Natuurspee-
lingen in de vorming van ons lichaam, of dat
der dieren licht verschaffen, ja zelf hebben
ook de wanschepsels, zo in het menschelijk
geslacht, als in andere dieren waargenomen,
niet zelden nevelen opgeklaard.

Hier kan de beschouwing der Natuur,
daar ze met ziekte worstelt, dienstbaar zijn,
en de waare werking, welke in den gezonden
[Seite VII] staat plaats heeft, doen kennen; ja het ont-
leedmes, daar het gebezigd wordt, om na te
gaan, welke veranderingen en verwoestingen
de doodelyke ziekte veroorzaakt hebbe, baant
niet zelden den weg tot de voortreffelijkste
ontdekkingen voor de Natuurkunde van den
Mensch.

Eene yverige en wel bestuurde beoeffe-
ning eindelijk der Natuurkunde in ’t alge-
meen, het zy wy met den weetgierigen reizi-
ger den aardbol door kruisschen, verschillende
volken leeren kennen, hunne byzondere le-
venswyze nagaan, den invloed van het lucht-
gestel, van hunne gebruikelyke voedsels, ge-
woontens, opvoeding naspooren; ’t zy wy in
eenen meer beperkten kring, de Natuur, haa-
re werking, en de wetten waar aan zy ver-
bonden is, doorzoeken, natuur-en scheikun-
dige proefnemingen ten dien einde in het werk
stellen, zulk eene beoeffening der Natuurkun-
de brengt ons in de kennis van s’ menschen
natuur ’t grootste nut aan; en naar mate de
opgetelde hulpmiddelen yveriger beoeffend en
aangekweekt zijn, naar maate men daar van
gebruik heeft gemaakt in de Physiologie, naar
[Seite VIII] die maate zijn ook de vorderingen aanmerke-
lyker geweest, en de kennis van s’menschen
natuur uitgebreider en zekerer.

Ik had my gevleid ten hoofd onderwerp
dezer voorreden te maaken een kort, doch
zaaklijk tafereel, waar in ik den gang van het
geneeskundig vernuft in oudere en nieuwere
tyden schetste, en, zo veel ’t my vergund
ware, opspoorde: hoe de beroemdste opbou-
wers en bevorderaars dezer edele weetenschap
tot die stappen, die als zo veele tijdvakken in
derzelver geschiedenis kunnen aangemerkt wor-
den, geraakt zijn? Eene pooging die by dit
werk en handboek van den Heer blumen-
bach,
’t welk thands verduitscht myne Ne-
derlandsche Kunstgenooten wordt aangeboden,
noch overbodig, noch onnuttig zoude kunnen
gereekend, terwijl daar uit ook ’t straks ge-
zegde middag klaar zoude bevestigd wor-
den. Dan de ledige uuren, my schaars ver-
gund, daar toegewijd, zijn my eerst door
andere, niet te verschuivene bezigheden van
ampt en plicht, ontfutseld, en straks daar na
geheel benomen, toen ’t mijn lot wierd, om
het onderwyzen der Ontleed-en Beschouwen-
[Seite IX] de Geneeskunst, sins 16. jaaren, myne ge-
liefkoosde bezigheid aan deze Academie, te
verwisselen tegens de Ziektekunde en Beoef-
fenende Geneeskunst, welke beide aller ge-
wigtigste takken al den tijd, die my van het
beoeffenen der Geneeskunst overig is, geheel-
lijk vorderen.

Ik moet my thands vergenoegen, Le-
zer, ’t een en ander ter staaving van mijn
gezegde kortlijk, als met den vinger aan te
stippen.

Slaan wy het oog op den grondlegger der
Geneeskunst, om niet te gewaagen van ande-
re Natuurkundigen, die of voor of tevens met
hippocrates geleefd hebben, deze heeft
geene byzondere, immers geene hoogst aan-
merkelyke stappen in het Physiologische gedaan.
Zijn onsterflyke roem en groote verdiensten
zijn meer gevestigt op zuivere, onbenevelde,
zeer naauwkeurige waarnemingen van ziekten
en ’t geen in den geheelen omtrek de ziekte
vergezeld. Die onvergelijklyke waarnemer
der Natuur by ’t ziekbed, konde onmogelijk
gissen, ’t geen verscheiden eeuwen na hem
ontdekt wierd, zyne kennis van ’t menschlijk
[Seite X] lichaam schijnt noch zeer naauwkeurig, noch
uitgebreid geweest te zijn, en daarom waren
de denkbeelden, welke hy zich vormde van
de dierlyke huishouding van ons lichaam, van
de werking der deelen, zeer gebrekkig en vol
vooronderstellingen.

galenus, die bykans zes eeuwen na
hem leefde, een man van uitmuntende ver-
mogens en verdiensten in de Ontleedkunst,
verre boven zyne tijdgenooten daar in bedree-
ven, die zelf proefnemingen ook op levendi-
ge dieren in ’t werkstelde, deze maakte zeer
aanzienlyke vorderingen in de kennis van s’ men-
schen Natuur, zyne gevoelens hielden bykans
14. eeuwen stand in de Physiologische school,
’t was als ’t ware heiligschennis te twyfelen aan
de uitspraaken van galenus; ja uit de schrif-
ten van dezen zijn wel eens denkbeelden, wel-
ke hy wat onduidelijk te boek sloeg, door laa-
tere Schryvers ontleend en voor nieuwere vin-
dingen opgedischt. Dan, daar nog zeer veel
betreklijk het maaksel en te zaamenstel van ons
lichaam voor hem verborgen bleef, daar hy
verstooken was van opgeklaarde wijsbegeerte,
raakte zyne Physiologie opgevuld met vooron-
[Seite XI] derstellingen en gedrochten van eene spoot-
bijstere verbeelding.

Na galenus, geraakte de Ontleedkunst
in verval, ja in verachting, met de verwaarloo-
zing van de moeder der Physiologie, ging ook die
van de dochter gepaard: de Natuurkunde van
den Mensch wierd zodaanig opgevuld met ge-
drochtelyke herssenvruchten, dat het onkruid
als het ware, ’t goede zaad verstikte.

In de 15. eeuw eindelijk, by de herstel-
ling der Weetenschappen, wierd de Ontleed-
kunst ook te rug geroepen. a. vesalius
was het, die, bezield met eenen ongemeenen
yver en liefhebbery voor deze weetenschap,
alle vooroordeel en bygeloof overwon, de Ont-
leedkunst herstelde, beoeffende, verbeterde.
Hy had veele navolgers, die niet minder ge-
lukkig slaagden, onder welke voor al b. eu-
stachius
moet geteld worden.

Het maaksel van ons lichaam wierd dus
van dag tot dag ontwikkeld, de eene ontdek-
king bragt de andere voord, en tevens met
de opgeklaarde denkbeelden, betreklijk het
maaksel en de te zaamenhang der deelen wier-
den ook de paalen van de Physiologje uitgezet,
[Seite XII] dagelijks deed men stappen voorwaards, on-
der welke boven allen anderen uitmunt, die
van den beroemden w. harvey, waar door
hy in ’t jaar 1728, den omloop van het bloed
ontdekte, en met zulke overtuigende proeven
bewees, dat nijd, afgunst en twistzucht zy-
ner tijdgenooten verstomden, en de Physiologie
eene geheel andere gedaante kreeg.

Dagelijks voer men met yver voord, om
zo door het Ontleedmes, als door opspuitin-
een der vaten van ons lichaam (eene kunst
van swammmerdam afkomstig, in ’t eerst
door r. de graaff, doch voor al door
ruysch met roem geoeffend,) en andere
handgreepen het maaksel der deelen te ontwik-
kelen, om dus doende met wissere schreden
in de Physiologie voord te gaan: men begon
vervolgends de vergelykende ontleedkunst, in
levendige dieren voor al, voord te zetten, nam
proeven ter ontdekking van sommige dingen,
welke andersins niet gekend konden worden:
Honden, Katten, en Konynen vooral, op de
Ontleedtafel kunstkundig onderzogt, maakten
ons veele wonderen, door de Natuur in het
Dierenrijk verspreid, bekend, waar van wy
[Seite XIII] zonder zulke ondernemingen, of geheel geen,
of een zeer gebrekkig denkbeeld zouden heb-
ben. Een zeer spreekend bewijs van het ge-
wigtig nut der Ontleedkunstige proeven, door
opspuiting of opvulling der vaten, in de Phy-
siologie
kan het gestel der watervaten opleve-
ren. Dit zonderling vaatgestel, waar van men
by de Oudheid zeer duistere spooren vindt,
’t welk in sommige deelen door de Ontleedkun-
digen dervoorige eeuw gekendis, wierd in on-
ze dagen vooral (ter zyde geschooven zijnde,
misschien door de algemeene drift der Ontlee-
ders in ’t naspooren van ’t zenuwgestel) we-
der ter baane gebragt, en is als ’t ware thands
het stokpaardjen van veelen der Ontleedkundi-
gen. Na den beroemden meckel, hebben
hewson, cruikshank, sheldon,
werner, feller, mascagne, j. g.
hase,
en andere zich door ’t naspooren van
dit vaatgestel eenen onsterfelyken roem verwor-
ven.

Wat voordeel uit dezen nieuweren stap,
(op dat ik van geenen anderen gewaage) in de
Physiologie is, en eerlang zal ontstaan, konde
ik gemaklijk met verscheiden bewyzen staaven;
[Seite XIV] dan ik behoef mynen Lezer slechts te verzoe-
ken om de XXXIV. Afdeeling van ’t werk van
den Heer blumenbach te leezen, om gee-
ne andere plaatsen by te brengen, en hy zal
daar omtrent voldaan zijn, en met my wen-
schen, dat de beoeffenaars der Ontleedkunst
zich verder bevlytigen in ’t naspooren van de-
zen taak, en in plaats van zich te vergenoegen
met de voortreffelyke Plaaten der straks ge-
melde, vooral van mascagne, met sene-
ca
liever zeggen: ‘„Veel is ’er wel verricht
door onze voorgangers; maar ’er schiet noch
veel werk over, en ’er zal altijd nog veel
overblyven.“’

Heeft dus de Physiologist groote verplich-
ting aan den beoeffenaar der Ontleedkunst,
hy heeft ze niet minder aan den natuur-en
scheikundigen. De voortreffelyke ontdekkin-
gen der hedendaagsche beoeffenaaren dier wee-
tenschappen hebben zeer veele nevelen, waar
door sommige werkingen van ons lichaam noch
omzwagteld waren, opgeklaard, of althands den
weg gebaand van die eindelijk eens te ken-
nen: raadpleeg eenen hedendaagschen schei-en
natuurkundige in het bepaalen van het waare
[Seite XV] nut der ademhaaling, in ’t ontvouwen van den
oorspronk der dierlyke warmte, en andere
werkingen meer, hoe gemaklyk laaten zig dan
sommige dingen verklaaren, waar omtrent
voorheen verschillende gevoelens gekoesterd
en beweerd wierden.

Indien wy nu met behoorlyke opmerking
de dagelijksche vorderingen, welke in de ver-
schillende takken der Natuurkunde gemaakt
worden, gadeslaan, indien wy overreed zijn
van den invloed, welke deze hebben kunnen
in de Physiologie, zal het ons gemaklijk vallen
een denkbeeld te vormen van de veranderin-
gen en verbeteringen, die in deze weetenschap
van tijd tot tijd moeten komen, en wy zul-
len tevens de verdiensten van zulk eenen hoog-
schatten, die door eigen oeffening bekwaam,
de bouwstoffen, onderscheiden aangebragt en
daargesteld, met oordeel weet te gebruiken,
om daar uit een welgeordend gebouw te zaa-
men te stellen; wy zullen, schoon het aan
geene Systemata Physiologica mangelt, met ver-
maak zulk een ontvangen, waar in alles, wat
tot de Menschkunde kan bydraagen, oordeel-
kundig en met vlijt is aangewend.

[Seite XVI] Hier toe brenge ik de Institutiones Physio-
logicae
van den Hofraad en Hoogleeraar aan
Göttings Hoogeschool j. f. blumenbach.

Op het voetspoor van boerhaave en
haller, gelijk hy in zyne voorreden schrijft,
vond hy zich genoodzaakt dit stuk tot eenen
leidraad voor zyne lessen te vervaardigen. In
eene zeer gepaste orde verhandelt hy alles,
wat tot de kennis van de dierlyke huishouding
van den mensch behoort. Overal maakt hy
gebruik van de nieuwste ontdekkingen en waar-
nemingen der Natuuronderzoekeren: hy
beoordeelt de eerste vrymoedig, en toetst de
laatste aan de ondervinding en de Natuur
zelve.

Hy toont zich geensins een blinde yver-
aar voor het gezag der Ouden, veelmin laat
hy zich vervoeren door het schoonschynende
van het nieuwe; hy wikt en weegt het een
en ander; hy eerbiedigt de Oudheid, en
stelt de laatere ontdekkingen op behoorlyken
prijs.

Overal by het behandelen van de wer-
king der deelen, geeft hy de bronnen op,
waar uit de leergierige lezer meer kan schep-
[Seite XVII] pen ter uitbreiding en beter verstand van zijn
gezegde.

Hy maakt geene vertooning van beleezen-
heid door eene talryke menigte van Schryvers te
noemen, maar met zeer veel omzichtigheid kiest
hy uit veele sommige, en wel de voornaamste,
die ’t een of ander gedeelte der Natuurkunde
van den mensch hebben opgehelderd; dikwerf
voert hy schriften aan, die zijns erachtens
niet genoeg in dit vak gekend zijn.

Dit stuk van den Heer blumenbach,
met zo veel lof in Duitschland ontvangen*),
met zo veel vermaak en toejuiching door de
Geleerden in ons Vaderland geleezen, zal mijns
bedunkens in een Nederduitsch gewaad ge-
kleed ook welkom zijn: U vooral kweekelin-
gen der Heelkunde! wie het voornaamelijk te
doen is om grondige kennis te hebben van ’t
menschelijk lichaam en zyne werkingen, en
[Seite XVIII] geensins de edele Heelkunde enkel als Empy-
rici
wilt oeffenen.

Hier om konde ik onzen Boekverkoper Joh.
van Kasteel,
daar hy my raadpleegde over de
vertaaling van dit stuk, niet afraaden zijn ont-
werp te volvoeren: ik nam zelf op my, om
de vertaaling tegens het oorspronglyke na te
zien, en wel te gereeder, daar een myner
waardigste Leerlingen, de Heer. Gysb. Jac.
Wolff,
een jongeling van groote verwachting,
die na alhier met veel lof behoorlyke gronden
gelegd te hebben, ter zyner verdere beoeffe-
ning van de beroemde Göttingsche Hooge-
school, ook nog eenigen tijd gebruik gemaakt
heeft, de taak op zig nam, om het stuk van
blumenbach ter zyner oeffening en bekwaa-
ming uit het Latijn te vertaalen.

Ik gaf intusschen den beroemden Auteur
kennis van dit ontwerp, en vroeg tevens of
hy ook ’t een of ander ’er by te voegen, of
te veranderen hadde?

Zeer spoedig kreeg ik een allervriende-
[Seite XIX] lijkst antwoord: de Auteur min gestigt over
de Hoogduitsche vertaaling van dit zijn werk,
door J. Eyerel uitgegeven, beloofde my zy-
ne aanmerkingen en veranderingen ten spoe-
digsten te zullen mededeelen, gelijk ook ge-
schied is. De Taalkundige Leezer zal dus,
deze Nederduitsche uitgave met de Latijnsche
vergelykende hier en daar veranderingen ont-
dekken, en uit het gemelde de oorzaak daar
van kunnen opmaaken.

In ’t eerst was ik bezig om hier en daar
by wyze van eene aanteekening, ’t een en an-
der by te voegen, ’t welk tot nadere ophel-
dering of beoordeeling der voorgedraagene stel-
lingen van onzen Schryver konde strekken,
dan, ik hebbe, dewijl die Byvoegselen te
omslagtig wierden, van dat voornemen afge-
zien om het stuk niet al te zeer te vergroo-
ten: de Byvoegsels echter door J. Eyerel by
de Hoogduitsche vertaaling gevoegd, hebbe
ik hier eene plaats willen geven.

Ik vleije my, dat myne bemoeijing in de-
ze myne Landgenooten, die vermaak schep-
[Seite XX] pen in de beoeffening der Natuurkunde van den
Mensch, en de Latijnsche taal niet verstaan,
aangenaam zijn zal; dat zy de Physiologie van
den Heer blumenbach met zo veel nut
en vermaak zullen leezen, als ik betuig ge-
daan te hebben.

R. FORSTEN.
harderwyck
Herfstmaand
  1791.


VOORREDEN
van den
SCHRYVER.

[[1]]

Die zelfde redenen, welke weleer boerhaa-
ve
, en daarna haller hebben aangespoord tot
het uitgeven van een
Physiologisch handboek, heb-
ben my ook het besluit doen nemen, om dit stuk door
den druk gemeen te maaken
.

boerhaave naamelijk zegt, ‘„dat door
de ontvouwing van zyne eigen gedachten de
leeraar meer vordert, dan dat hy op zig neme
[Seite 2] het werk door een ander geschreeven te ver-
klaaren, dat de leeringen duidelyker zijn, en
het onderhoud doorgaans levendiger is
“’ enz.

haller zegt, ‘„dat schoon hy te vooren het
boek van
boerhaave tot een richtsnoer voor
zyne lessen gebruikt heeft“ hy echter naderhand
volgends zijn eigen opstel heeft begonnen te onder-
wyzen, om dat zedert dien tijd, de Ontleedkunst
zodaanig is verrijkt geworden, dat ze geheel
van gedaante veranderd is
.“’

Dat het geene toen ter tijd door haller
van de Ontleedkunst gezegd is, ook hedendaags
nog meer omtrent de
Physiologie gelt, hoopen
wy, dat door niemand zal worden in twyfel ge-
trokken, als men maar slechts alleenlijk die aller-
gewigtigste hoofdstukken dezer weetenschap, wel-
ke over het voornaamste nut der ademhaaling en
over de dierlyke warmte handelen, gelijk ook over
[Seite 3] de spijsverteering, den waaren aart van de gal,
en ’t nut derzelve, het stuk der voordteeling, en
andere meer, in overweeging neemt.

Het is dierhalven minder aan den Schryver,
dan w el aan de eeuw waar in hy leeft toe te
schryven, ’t geen hy na de nieuwste vorderingen
in de
Physiologie beter en meer overeenkomstig
met de Natuur in dit handboek voorstelt, dan het
zyne verdienstvolle voorgangers gebeuren mogt te
doen.

Hoe veel ik echter uit mijn eigen voorraad
hier en daar, ’t zy nieuw, ’t zy op een andere wy-
ze, als tot hier toe geschied is, voorgesteld of
verklaard heb, zullen kundige en billyke leezers
gemakkelijk zien: voor al uit de aanteekeningen
,
in welke ik wel eens wat naauwkeuriger en op-
zettelyker, dan in den korten tekst mogelijk was,
over sommige stukken van dezen aart gehandeld heb.

[Seite 4] Ik heb my ook zo veel mogelijk bevlytigd om-
een verband in ’t geheele werkjen te houden, op
dat naamelijk de Afdeelingen in eene natuurlijke
orde en met een zeker gemak malkander opvolg-
den, en het een als het ware uit het andere zou-
de schynen te vloeijen.

Ik heb geen lastige menigte van Schryvers
aangevoerd; maar alleen eenige uitgezochte. Hier
uit stelde ik my eene dubbele nuttigheid voor. Voor
eerst heb ik ten nutte der eerstbeginnende, de voor-
naamste Schryvers bygebragt, of wel die, welke
sommige byzondere stukken der
Physiologie met
meerder naauwkeurigheid en opzettelijk behandeld
hebben, verder ook, en wel dikwerf heb ik min
bekende bronnen aangewezen, die tot hier toe, zo
als ’t my is voorgekomen niet naar verdiensten in de

Physiologie waren gebruikt; gelijk Reisbeschry-
vingen, Natuurkundige enz.

[Seite 5] De beste Ontleedkundige Plaatwerken, heb
ik aangeweezen, en uit die wel ’t meest de Plaa-
ten van
eustachius, om dat ik derzelver uit-
gave door
albinus, als een allerrijkst en zeer
volkomen werk in die soort schat, dat niet genoeg
aangepreezen kan worden, en dat ik met recht
wensche, dat jongelingen der Artzenykunde toe-
gewijd, in handen hadden.

Ik heb echter by dit boek sommige van myne
eigen Plaaten gevoegd, en wel van zulke deelen,
van welke of geheel geene, of geene juiste afbeel-
dingen onder de Plaaten van
eustachius ge-
vonden wierden.

Eindelijk is in allen opzichte mijn eerste en
voornaamste bedoeling geweest
, om eene getrouwe
beknopte en gemakkelijk te bevatten opgave der grond-
beginselen van die weetenschap te doen, die de
aangenaamste niet alleen, maar ook de gewig-
[Seite 6] tigste en nuttigste der gantsche Geneeskunst is;
indien het waar is, gelijk het is, ’t geen de on-
sterflyke
galenus, in ’t begin van zijn boek
over de
Geneeswyze zegt: ‘„Iedere ziekte is na
die evenredigheid groot, naar maate zy van den
natuurlyken staat afwijkt, – hoe groot deze af-
wyking zy, kan die alleen weeten, welke de
natuurlyke gesteldheid behoorlijk doorziet en
kent
.“’

goettingen,
den 15 van Slachtmaand.
    1786.


KORTE INHOUD
der
AFDEELINGEN.

[[7]]

I. AFDEELING
over
het levend menschelijk lichaam
in ’t algemeen.

[Seite 1]

§. 1.

In het levend menschelijk lichaam, wiens wer-
kingen tot de natuurkundigeleer (Physiologie) behoo-
ren, zijn drie dingen te overwegen*), te we-
ten deszelfs vaste, of bevattende deelen; vervol-
gends de vloeibaare, welke door die vaste deelen be-
vat worden; ten laatsten, en wel voornaamelijk, de
levens krachten,
door welke de vaste deelen zoo wel
[Seite 2] tot het gewaar worden van den aandrang der voch-
ten, en het voordstuuwen van dezelve, als tot
het volvoeren van andere bewegingen, worden be-
kwaam gemaakt, en die in ’t algemeen als ’t ware
het wezenlyke van ’t werktuiglijk, lichaam uit-
maaken.

§. 2.

Deze drie, schoon zy onderling in de daad
van elkanderen onderscheiden zijn, en daarom
afzonderlijk hier vermeld worden, zijn echter in ’t
levend lichaam, waar omtrent de geheele natuur-
kunde van den mensch (physiologie) eeniglijk en al-
leen verkeert, door eenen zo naauwen band met el-
kanderen verbonden, dat naauwlijks, ja zelf byna ge-
heel niet, het eene zonder het verband van ’t ander,
kan begrepen worden.

Immers de helderste vochten van ons lichaam,
bezitten evenwel in eene ruime maate hunne aard-
achtige hoofdstoffen: de vaste deelen daarentegen,
behalven dat zy eerst uit die zelfde vochten voord-
gebragt worden, of schoon zy ons ten hoogsten
droog toeschynen, bevatten echter een zeker wa-
terachtig vocht: eindelijk kan men, zo wy ons
niet bedriegen, zeggen, dat naauwlijks één vezeltjen
in ons levend lichaam ten eenemaal ontbloot zy
van zyne levenskracht.

§. 3.

[Seite 3]

Wy zullen over deze drie dingen afzonderlijk
handelen, en wel voor eerst, over de vloeibaare
deelen, als welke wel verre het grootste*), en ’t
eerst aanwezig zijnde gedeelte van ons lichaam
uitmaaken.


II. AFDEELING
over
de vochten van ’t menschelijk
lichaam in ’t algemeen
en over
het bloed in ’t byzonder.

[Seite 4]

§. 4.

Al het vocht, het welk ons lichaam bevat,
schijnt gemakkelijk tot drie hoofdsoorten gebragt
te kunnen worden.

Want het is of A) een rauw (crudus) vocht, ge-
lijk men zegt, waartoe voornaamelijk de gijl behoort,
die in de zo genoemde eerste wegen gevonden wordt,
en tot bloed moet overgaan; vervolgends ook voch-
ten, welke, opgeslorpt zijnde door de uitwendige
oppervlakte des lichaams, naa het zelve toegevoerd
worden;

Of B) het bloed zelf;

Of eindelijk C) het uit het bloed wederom af-
gescheiden (secretus
) vocht; het welk of tot zeker
gebruik geschikt in ’t lichaam te huis hoort of nut-
teloos zijnde alleen tot uitwerpselen moet gebragt
worden.

§. 5.

Van de eerste en derde dezer soorten, zul-
[Seite 5] zullen wy gelegenheid hebben, op eene andere
plaats te spreken, wanneer wy tot de gijlbereiding,
tot de afscheiding, en tot andere werkingen zullen
gekomen zijn, waar toe byzondere vochten be-
hooren.

Ter dezer plaats zullen wy nu over het bloed han-
delen, als het voornaamst, edelst, en waar levens-
vocht, het welk met recht de bron van alle de overige
vochten verdiend genoemd te worden; waarin naame-
lijk het rauwe (crudus) vocht, gelijkwy het noem-
den, veranderd wordt: waaruit alle de overige vochten
tot één toe afgekleinst worden, en hunnen oorsprong
vinden: en ’t welk, uitgezonderd eenige weinige
deelen van ’t lichaam, hoedaanig de opperhuid is, het
spinnewebben vlies (arachnoïdea tunica) en het bin-
nenste vlies van ’t ey (amnion) enz. als ook de ver-
glaasde zelfstandigheid der tanden enz. zich wijd en
zijd door het gantsch te zaamenweefsel des lichaams
verspreidt.

§. 6.

Dit bloed is een eigenaartig vocht van eene be-
kende, meer of min donkere, koleur: lijmachtig op
het gevoel, en warm: tot nochtoe onder de gehei-
men der natuur te stellen, dewijl tot dus verre de
kunst geen vocht, ’t welk aan dit gelijk is, heeft
kunnen vervaardigen.

§. 7.

Dit vocht, uit een levend mensch versch af-
[Seite 6] getapt, en in eene kom opgevangen, levert voor-
naamelijk de volgende verschijnselen op*):

Voor eerst stijgt, inzonderheid zo lang het
bloed nog warm is, een waassem uit het zelven op,
dewelke, in eene klok opgevangen, gelijk daauw tot
droppels te zaamen vloeit, van eenen waterachtigen
aart, vry gelijk aan gemeen of fontein water, uit-
gezonderd, dat het een walgelijke reuk heeft, die
eigenaartig is, (sterker in ’t bloed van vleesch-eeten-
de dieren) en met recht dierlijk genoemd word,
hoedaanig eenen reuk ook de pis, nog warm zijnde,
of de holte van de borst, of van den onderbuik in
een terstond na de dood opengesneden lichaam op-
geeft. Van dit waterachtig vocht blijft intusschen ook
veel te rug, vermengd zijnde met de overige bestand-
deelen van ’t bloed, waarover wy spreken zullen.

§. 8.

Ondertusschen, terwijl het bloed allengskens
in het vat bekoelt, begint het zich in twee deelen
te scheiden. Eerst naamelijk gaat het over tot een
stremsel, uit welks oppervlakte straks van alle kan-
ten als ’t ware een vocht zweet, het welk eenig-
sins geelachtig rood is; ’t geen men de wey (serum)
van het bloed noemt; hoe meer van deze wey by
verloop van tijd uitzweet, des te meer wordt ook
[Seite 7] dit stremsel te zaamen getrokken, en kleiner van
klomp, men noemt die het dikke (crassamentum),
of ook, zo wegens eenige gelijkheid van koleur, als
breekbaarheid van weefsel, de bloedlever of de
koek, en, dewijl het in de, daarom heenlopende,
wey drijft, ook het Eiland.

§. 9.

Deze zelfde koek gaat door eene gemakkely-
ke handgreep, naamelijk door het schudden of door
eene dikwijls herhaalde afspoeling, eindelijk tot
twee bestanddeelen over; te weten tot het roode ge-
deelte des bloeds (cruor), het welk aan ’t gantsche
bloed de purperen koleur mededeelt, en door
afspoeling zich scheidt van ’t vezelachtige gedeelte
des bloeds (lympha), ’t welk het tweede, en wel
het vaster gedeelte is, weshalven men het ook den
grondstag van het dikke noemt, aan ’t welk het
roode gedeelte meer verbonden is dan aan de wey,
gelijk zelfs daar uit blijkt, om dat het niet, dan na
het aanwenden van eenig geweld, van dien grond-
slag zich afscheidt. De lympha zelve door die af-
scheiding van dat roode bloed (cruor) beroofd zijn-
de, wordt meer en meer bleek, tot dat zy eindelijk
de vertooning maakt van een wit, en vry sterk klee-
vend stremsel.

§. 10.

En deze zijn de vier hoofddeelen van ’t bloed,
het waterachtig vocht, naamelijk (aquosus latex);
[Seite 8] verder de wey (serum), dan het roode bloed, (cruor)
en eindelijk de lympha; welke alle nochtands, zo
lang zy met hunne behoorlyke levenswarmte voor-
zien en ten naauwsten onderling vermengd zijn een
gelijkvormig en gelijksoortig vocht uitleveren.

Wy zullen thands over de drie laatsten een wei-
nig naauwkeuriger handelen; want het waterachtig
vocht, waarvan wy gesproken hebben, schijnt niets
byzonders opteleveren, en van een te gering be-
lang om ons daar by langer optehouden, ja ’t is
zelfs niet meer eigenaartig aan ’t bloed dan de lucht,
welke zo wel hier, als in de overige deelen van ’t
lichaam plaats heest, waarvan wy echter beneden
nog kortelijk handelen zullen.

§. 11.

De wey (serum) dan is een lijmachtig vocht,
het welk wel voornaamelijk de lijmachtige eigen-
schap aan ’t geheele bloed mededeelt, in ’t alge-
meen zeer gelijk zijnde aan het wit van eijeren*);
want blootgesteld aan eene warmte van 150 graaden
(volgends de schaal des thermometers van Fahren-
heit) verandert het in een wit snybaar stremsel,
gelijk aan gekookt eywit, hoedaanig iets ook, schoon
langzaamer, en eerst na verloop van 20 uuren gebeurt,
Indien men, zo als de beroemde moscati ge-
[Seite 9] toond heeft*), ongebluschte kalk daar mede ver-
mengt. Doch de langzaam opgedroogde, en
voor het overige aan zich zelve overgelaaten wey,
verandert in eene doorschynende, en, volgends het
uiterlijk aanzien, in eene, naar de arabische gom
gelykende, zelfstandigheid, welke allengskens,
even gelijk het gedroogde eywit doet, in talryke
klooven van eene gekrulde en geheel zonderlinge
gedaante, van een splijt.

§. 12.

Voords is behalven andere eigenschappen der wey,
wel inzonderheid dat geen aanmerkelijk, het welk
ik, onderricht zijnde door de proefnemingen†)
van den zeer beroemden priestley, zo dikwijls
bewaarheid heb gevonden, te weten de gemaklijk-
heid, waarmede de lucht, aan welke eene kom,
met bloed gevuld, bloot wordt gesteld, op de met
wey bedekte bloedkoek werken, en derzelver koleur
veranderen kan, terwijl integendeel die zelfde wer-
king der lucht op het dikke (crassamentum) veel
moeilyker gemaakt, of geheel belet wordt, indien
hetzelve in plaats van in wey, in een ander vocht,
by voorb. water of olie, enz. ja zelf in een an-
[Seite 10] dersoortig vocht van het menschelijk lichaam,
speeksel by voorb. of pis bedolven wordt.

§. 13.

Het roode bloed (cruor) maakt een ander, en zeer
aanmerkelijk, deel van het bloed uit, het welk,
zo wegens deszelfs koleur, en de figuur der deelt-
jens, als ook wegens de hoofdstoffen, welke het ge-
weld van ’t vuur uit het zelve trekt, zeer veel by-
zonders oplevert. Het schijnt tot de meest be-
werkte sappen des lichaams te behooren, daar het
in eene tedere vrucht naauwlijks voor de vierde
week na de bevruchting, en niet voor het 40ste uur
in gebroeide hoender eijeren wordt gezien; en ein-
delijk, na een aanmerkelijk verlies van bloed, het
moeilijkste van alle de overige hoofddeelen des
bleeds hersteld wordt.

§. 14.

Het bestaat uit bolletjens, gelijk leeuwen-
hoek
het eerst heeft waargenomen, wier besten-
dige gedaante in het versche bloed zo wel, als ge-
lijkvormige groote, terwijlze in geen ander vocht
gevonden worden (de melk alleen uitgezonderd,
wier bolletjens eenigsins daar aan gelyken) geenen
twyfel overlaaten, of zy maaken een ten hoog-
sten wezenlijk, en van de overige bestanddee-
len des bloeds, waarvan wy gesproken hebben,
ten eenemaal verschillend deel uit, ofschoon der-
zelver gedaante veel eenvouwiger schyne, dan be-
[Seite 11] roemde Mannen dezelve opgegeven hebben. Want,
opdat ik van derzelver zesvouwige te zaamenstelling
door leeuwen hoek verzonnen, zwyge, betuige
ik noch de gedaante der ringen, welke de beroem-
de della torre aan dezelve heeft toegeschree-
ven*); noch die van blaasjens met eene ondoorschij-
nende kern voorzien, te hebben bespeurd, hoedaa-
nig een blaasachtige gedaante hewson zegt, dat
hij daarin gevonden heeft†), maar ik hebze niet
anders dan in eene bolronde gedaante, en, zo ik
het wel gezien hebbe, onder het voorkomen van
eene vaste lijmstoffe waargenomen. De lensvormi-
ge gedaante, welke de waarnemers aan dezelve
toekennen, wil ik niet loochenen; doch ik heb de-
zelve niet zo onbetwistbaar waargenomen, dat ik
voor derzelver aanwezen durve instaan.

Men heeft getwist, of deze bolletjens hunne
gedaante veranderen konden, wanneer zy door een
zeer eng vaatjen gaan moesten; dat zy als dan uit
[Seite 12] bolrond, eyrond worden, en naderhand, wanneer
zy weder in een wyder vat gekomen zijn, hunne
oude bolronde gedaante wederom aannemen, wil ik
met de nauwkeurigen waarnemer reichel*) ge-
looven, ofschoon het my nog niet heeft mogen ge-
beuren zulks te zien.

Derzelver bolronde gedaante wordt niet, dan
in levend, of ten minsten versch afgetapt bloed ge-
zien, want na verloop van tijd, vergaat die, zo
dat dan de bolletjensals ’t ware schynen te smelten.

§. 15.

In ’t bepaalen van de grootte dezer bolletjens
verschillen de Natuurkundigen (Physiologi). hales
heeft beweerd, dat zy ’t 1/3240 gedeelte uitmaken van
de middellijn van eenen duim. senac brengtze
tot omtrent het 1/3300 gedeelte; anderen hebben we-
der eene andere berekening.

§. 16.

De koleur dezer bolletjens is rood, ja de rood-
heid van ’t gantsche bloed schijnt van dezelve te
moeten afgeleid worden; doch op veelerleie wyzen
verschilt de sterkte van die koleur, zy is ten min-
sten bleeker in de dieren, die slecht gevoed zijn,
[Seite 13] of die zwaare bloedstortingen geleden hebben; in
de slagaders is de koleur lichter rood, ook als
het bloed aan de lucht van den dampkring, doch
wel voornaamelijk, aan lucht, welke van brandstof
is beroofd (aër dephlogisticatus), blootgesteld is ge-
weest; donkerer is de koleur in de aderen, en ook
wanneer het bloed word blootgesteld aan vaste, of
ontvlambaare lucht (aër inflamabilis).

§. 17.

In ’t algemeen zijn de oorzaaken, welke de
roode koleur des bloeds vermeerderen en verster-
ken, vry bekend, doch waar van daan de eerste
geschiktheid tot die koleur zy afteleiden, is moeie-
lijk te beflissen. haller meent, dat dezelve van
den yzer-saffraan (crocus martis) afhangt, om dat
in het bloed meer yzerdeeltjens, dan in de beende-
ren, of andere deelen des lichaams gevonden wor-
den, schoon derzelver hoeveelheid gering zy, ja
zelf door verschillende schryvers zeer verschillende
wordt opgegeven: dus stelt by voorb. men-
ghinus,
derzelver evenredigheid tot de geheele
masse van ’t bloed, als 1. tot 110. De beroemde
rhades integendeel, als 1. tot 427. Ja zelf in
andere proefnemingen, als 1. tot 503. en zo ver-
volgends.

Maar dit is zeer opmerkenswaardig, dat dit
yzer zich niet vertoont, dan na de verkalking van
bet dikke bloed; daar integendeel, indien dit lang-
[Seite 14] zaam gedroogd, en tot een fijn poeier gewre-
ven, gestrooid wordt of op water, of op levendi-
ge kwik, niets hoe genaamd door de Magneet
wordt aangetrokken, gelijk de ondervinding my
geleerd heeft.

§. 18.

Ten laatsten moeten wy van de bestanddee-
len, die het bloed uitmaaken, nog de lympha be-
schouwen, van sommigen de grondslag van ’t dik-
ke bloed, van anderen het slijm, of lijmachtig ge-
deelte, van anderen wederom het vezelachtige des
bloeds genoemd.

Dit deel is wel eer te onrecht met de wey
van ’t bloed verward, van welke het echter hemels-
breedte verschilt, dewijl het aan de lucht, voor-
al wanneer die wat koud is, blootgesteld, te zaa-
menstremt, doch door de bymenging van levendige
kalk, waar door de wey, gelijk wy gezegd hebben,
stremt (§. 11.), vloeibaar gehouden, of, zo het
reeds gestremd is, door dit bymengsel wederom
ontbonden wordt.

§. 19.

De manier, waar op zy van ’t dikke bloed kan
afgescheiden worden, hebben wy boven reeds aan-
geroerd (§. 9.). Door andere kunstgreepen intus-
schen, by voorb. door de lympha met rijsjens te
kletsen, vormt zy eene soort van vlies, het welk
[Seite 15] men, naar deszelfs uitvinder, het ruischiaansch*)
vlies noemt.

De gelijkheid, welke tusschen diergelijk een
vlies, door konst bereid, en sommige opmerkings-
waardige verschijnsels in ziektens, vooral in die,
welke van eenen ontstekenden aart zijn, plaats
heeft, toont ook, dat die zelfde verschijnsels aan
de te zaamgestremde lympha, van welke wy hande-
len, moet toegeschreven worden.

Daartoe behooren, op dat ik uit veelen eenige
weinigen uitkippe, de zogenoemde pleuritische
korst, welke het dikke van ’t bloed, in een bek-
ken opgevangen, en gestremd, zomtijds bedekt;
voords ook soortgelijke schijnvliezen, welke uit
ontstoken ingewanden pleegen uit te zweeten, en
dezelve te omgeven, als ook in zeker opzicht het
vlokachtige vlies van hunter (membrana caduca),
het welk in de holte der bevruchte, en door het ve-
nerisch vuur geprikkelde, lijfmoeder uitzijpt; ver-
der ook de celachtige vliezen, door wier tusschen-
komst, na eene longontsteeking, de longen met het
borstvlies dikwerf te zaamengroeien; of na groote
bloedstortingen, in de holte van den onderbuik ge-
boren worden, en hoedaanigen, ik zelf, om maar een
enkel voorbeeld daar van by te brengen, in een ver-
steend kind, lang in den onderbuik gedragen met de
[Seite 16] rabygelegen ingewanden ten sterksten heb verbon-
den gezien*). Eindelijk schynen ook de vleesch-
proppen, en soortgelijkete zaamenstremsels hiertoe
te behooren.

§. 20.

Deze verschijnsels, welke wy opgeteld heb-
ben, en andere in ’t vervolg te vermelden, teo-
nen ten klaarsten het groot gewigt, en de voortreffe-
lijkheid van dit lymphatisch deel, dewijl het zelve,
indien het op de zo even vermelde wyzen van de
overige bestanddeelen des bloeds afgescheiden
wordt, het vormings en levens beginsel vertoont,
het welk onlangs vry algemeen tot het gantsche
bloed op zich zelf beschouwd, ten onrechte pleegt
gebragt te worden†).

§. 21.

Dat er behalven de tot hiertoe opgetelde voor-
naame bestanddeelen des bloeds, ook noch andere
inmengsels gevonden worden, hebben wy reeds
herinnerd (§. 10.)

[Seite 17] Hier toe behoort inzonderheid de lucht, die
men gewoonlijk wil, dat 1/33 van de geheele masse des
bloeds zoude uitmaaken, welke echter in het bloed
van een gezond en levend mensch zich niet vry
noch met haare gewoone veerkracht voorzien, be-
vindt; maar als ’t ware t’ondergebragt, en ’er inge-
lijfd, niet gemakkelijk daar van weder afgescheiden
kan worden.

Ja door proefnemingen heb ik geleerd; dat een
zeer klein gedeelte van de allerzuiverste lucht in de
kropader van eenen hond gebragt, de hevigste toe-
vallen verwekte, als hartkloppingen, bedwelming,
stuiptrekkingen, en, indien de hoeveelheid, wel-
ke men ’er ingiet wat groot is, zelfs de dood ver-
oorzaakt*).

§. 22.

De opgetelde bestanddeelen verschillen ten
sterksten in eene betrekkelyke evenredigheid, naar
de verscheidenheid van ouderdom, voedsel, en an-
dere soortgelyke omstandigheden, welke de byzon-
dere eigene gezondheid van ieder mensch uitmaa-
ken.

§. 23.

Men kan ook niets zekers, en bepaaldelijk nopens
[Seite 18] de betrekkelyke hoeveelheid van ’t bloed tot het
geheele lichaam vaststellen. haller is van ge-
voelen, dat in een volwassen mensch 30 of 36 pon-
den bloed aanwezig zijn; anderen bepaalen dit an-
ders.


III. AFDEELING
over
de vaste deelen van ’t menschelijk
lichaam in ’t algemeen,
byzonderlijk echter over het
celachtig weefsel.

[Seite 19]

§. 24.

De vaste deelen*) ontstaan uit de vochten zel-
ve; zodaanig dat in ’t eerste beginsel van de gelei-
achtige vrucht, de vaste deelen op hunne byzon-
dere plaatsen, langzaamerhand aanvang nemen,
door oneindig verschillende trappen†) in hunnen
zaamenhang van elkanderen onderscheiden, van de
allerweekste en bykans papächtige beginselen af,
hoedaanig by voorb. de mergachtige zelfstandig-
heid van de hersenen is, tot de hardste deelen
toe, van welke soort de glasächtige schors is,
die de kroon der tanden omgeeft.

§. 25.

In alle deze vaste deelen is meer of min over-
[Seite 20] vloed van den aardachtigen grondslag die van ee-
nen kalkachtigen aart is, zijnde met zuur deelen
(voornaamelijk met het phosphorisch en ’t suiker-
zuur) verbonden. Behalven de wyze van ’t ge-
weefsel zelfs, wordt ook de te zaamenhang bevor-
derd, zo wel door de hoeveelheid*) van lucht,
welke daar ingelijfd is, en die zo veel te aan-
merkelyker is (gelijk de groote hales proefon-
dervindelijk betoogd heeft) naar maate de deelen
vaster zijn, als ook door het dierlijk lijm, zo als
men dat noemt, gelijk zijnde aan ’t gewoone
lijm der schrijnwerkers, ’t welk uit de vaste deelen
van dieren getrokken wordt. De oorsprong van
dit lijm is uit het geen wy van den lijmachtigen
aart des bloeds gezegd hebben, gemakkelijk opte-
maaken.

Het yzerachtig beginsel, waaraan men door-
gaans zeer veel, als bevorderende den te zaamenhang
der vaste deelen in ’t menschelijk lichaam toe-
[Seite 21] schrijft, kan by my naauwlijks in aanmerking ko-
men, als ik lette op deszelfs zeer geringe hoe-
veelheid, zo dat zelfs twee ponden der hardste dee-
len, by voorb. der beenderen, naauwlijks 1/5 ge-
deelte van een grein yzer bevatten.

§. 26.

Een groot gedeelte der vaste deelen van ons
lichaam vertoonen een vezelachtig weefsel, uit meer
of min gelijkstandig geplaatste draaden te zaamge-
steld. Zulks is te zien in de beenderen voornaa-
melijk van onvoldragen kinderen, gelijk ook in de
spieren, trekkers, banden, trekkerachtige uit-
breidsels, en sommige vliezen, by voorb. het
harde hersenvlies enz.

§. 27.

Andere deelen integendeel bezitten een weef-
sel, geheel van het bovengemelde verschillend,
zodaanig, dat men niets van het vezeldraadige in
hetzelve kan onderscheiden, maar wel een ander
en eigenaartig byzonder zaamenstel, het welk de
Grieken parenchyma noemden, en dit is byzonder
eigen aan de ingewanden, welke ter afscheiding
geschikt zijn. Dit geweefsel is verschillend in
de Nieren, verschillend in de Lever enz.

§. 28.

Dan, tusschen alle deze soorten van geweef-
[Seite 22] sels, het zy dezelve vezeldraadig van aart zijn,
’t zy ze tot een byzonder parenchyma behcoren,
is een algemeen weefsel geplaatst, het welk men
het celachtige noemt, en gebragt moet worden tot
de eerste, voornaamste en aanmerkingswaardigste
bestanddeelen van ons lichaam*).

§. 29.

Voor eerst immers zijn verscheiden vaste dee-
len van ’t menschelijk lichaam bykans geheel en
al uit zulk een weefsel te zaamgesteld, waartoe by
voorb., de meeste vliezen en kraakbeenderen be-
hooren, als welke men door eene aanhoudende
rotting wederom in een slap en celachtig weefsel
kan oplossen. Tusschen andere deelen is dit celach-
tige zodaanig ingeweeven, dat het als ’t ware ee-
ne bewaarplaats en steunsel vormt voor de ande-
re bestanddeelen, die daarin gevonden worden;
dus bestonden by voorb. de hardste beenderen
voorheen uit kraakbeen, ’t welk het op eengepakt
celachtig weefsel zelf was, dat daarna, door by-
komend beensap, tot een slapper celachtig weef-
sel uitgezet, en met het zelve als ’t ware bezwan-
gerd wierd. Dit weefsel schijnt zelfs naauwlijks
aan eenig vast deel van ons lichaam te ontbreken,
uitgezonderd aan de glasachtige schors, welke de
[Seite 23] kroon der tanden omvat, waar in het my niet
gelukt is iets van dat weefsel te ontdekken, hoe
zeer ik dezelve aan de werking van een zeer scherp
zuur blootstelde.

§. 30.

Voords is dit weefsel als een afscheidsel tus-
schen de naast elkanderen gelegen deelen, voor-
naamelijk tusschen de spieren en vliezen geplaatst;
andere deelen strekt het tot een steunsel, voor-
al de vaten en zenuwen: Voor ’t overige ech-
ter vormt het eenen algemeenen band, waar door
alle de deelen, geene uitgezonderd, met de naast
bygelegen verbonden zijn.

§. 31.

Hieruit kan men deze twee gevolgen trek-
ken:

Het eerste is, dat dit zelfde celachtig weef-
sel van ’t geheel zaamenstel onzes lichaams in zo
verre den grondslag vormt, dat, wanneer wy in
onze verbeelding dat alles, wat niet tot hetzelve
behoort, als weggenomen, en het celachtige ge-
heel in zijne ligging overig gelaaten, ons kon-
den voorstellen, echter nog de gantsche gedaante
van ’t geheel lichaam, en van deszelfs deelen zou-
de voordduuren.

Het ander gevolg is, dat door middel van de-
zen uit het celachtig weefsel gevormden grond-
slag, een verband en zekere weg tusschen alle de
[Seite 24] deelen des lichaams plaats hebben, schoon zy
voor ’t overige grootelijks van aart verschillen,
of op een’ zeer verre afstand van elkanderen ge-
plaatst zijn; het welk, wil men den woorden-
strijd, betrekkelijk den gemeenschappelyke te zaa-
menhang der vliezen, wegnemen, en veelvuldige
verschijnselen in ziekten ontvouwen, verdient op-
gemerkt te worden.

§. 32.

Gelijk nu dit celachtig weefsel aan de meeste
vaste deelen des lichaams eenen grondslag ver-
schaft, zo schijnt ook dit zelfde weefsel aan het
lymphatisch gedeelte van ’t bloed, gelijk wy het
noemden zynen oorsprong verschuldigd te zijn,
alzo ik gezien hebbe, dat dit vocht uit eene ont-
stoken long zweetende in een soortgelijk weefsel
veranderde, het welk ras schijnvliezen vormen-
de, die ingewanden met het borstvlies pleegt te
verbinden.

§. 33.

Het zy genoeg dit van den aart en de voor-
treffelijkheid van het celachtig weefsel in ’t alge-
gemeen gezegd te hebben. Nu een woord over
eenig onderscheid dat in het zelve plaats heeft.

Men moet dan in de eerste plaats weten, dat
deszelfs dichtheid verschillende zy.

Want in ’t algemeen schijnt aan ’t menschelijk
lichaam een allertederst celachtig weefsel gegeven
[Seite 25] te zijn, indien wy hetzelve met het celachtig
weefsel in andere dieren vergelyken: ja, zo ik
my niet bedriege, behoort deze zelfde weekheid
van ’t celachtig weefsel tot de voornaamste voor-
rechten van den mensch, waar door hy zelf be-
kwaamer gemaakt wordt, zo ter ontwaarwording
van fyner prikkelingen, als om bewegingen en
andere werkingen met meer volmaaktheid uit te
oeffenen.

Dan de slapheid of vastheid van dit weefsel
in verschillende menschen, is ook grootlijks on-
derscheiden, zo ten opziehte der jaaren als kunne
levenswyze, luchtsgesteldheid enz.

Eindelijk is ook de vastheid van dit weefsel
verschillende, naar gelang der deelen van ’t lichaam,
tusschen welke het geplaatst is: het is dus by
voorb. slapper tusschen de oogleden en de voor-
huid, vaster rondom de ooren, enz.

§. 34.

Verder moeten wy nog een ander gebruik van
het celachtig weefsel, dan, het welk het zelve in
’t algemeen, gelijk wy zeiden, aan ’t lichaam ver-
schaft (§. 29. en §. 30.) aanduiden; dat naamelijk
de celletjens, welke het vormt, geschikt zijn om
verschillende soorten van vochten te bevatten.

En wel voornaamelijk bevat het eenen weyach-
tigen waassem of water, waarmede alle de deelen
van ons lichaam, geene uitgezonderd, besproeid
en glibberig gehouden worden; en welk vocht dit
[Seite 26] weefsel*), gelijk eene vochtige spons schijnt op-
teslorpen.

§. 35.

Daarenboven dient ook het celachtig weefsel
van sommige deelen des lichaams, om sommige
andere vochten te ontvangen. Dus is by voorb.
het celachtig weefsel, het welk het glasachtig
lichaam van ’t oog vormt, met het vocht van de-
zen naam bezwangerd; doch dat, ’t welk het
mergvlies der beenderen (dat men gewoonlijk,
doch ten onrechte, het inwendig beenvlies noemt)
vormt, bevat het merg.

[Seite 27] Voords bevat een groot gedeelte van ’t zelve
dat tusschen de weeke deelen geplaatst is, het
overig vet.

§. 36.

Zie hier dan weder eene drievouwige opmer-
kingswaardige verscheidenheid:

Voor eerst zijn ’er deelen des lichaams, wier
celachtig weefsel, hoe zeer week en slap dat ook
is, echter nimmer in een gezond mensch met
vet opgevuld wordt, als by voorb, dat, het welk
tusschen de oogleden ligt, en aan de mannelijke
roede geplaatst is, enz.

Verder is ook het vet op zeer veele plaatsen
door het lichaam, dan meer dan min verspreid,
en schijnt in celletjens van dien zelfden aart*)
geplaatst te wezen, welke anders tot het bevatten
van weyachtig water, gelijk wy zeiden, geschikt
zijn.

Eindelijk nog is het vet op sommige plaatsen
altoos aanwezig, en, zo ik my niet bedriege, in
zekere en bepaalde vakjens geplaatst, tot bepaal-
de en byzondere gebruiken dienstig, waartoe ik
by voorb. het vet zoude brengen, het welk de
Venusheuvel aan ’t vrouwelijk schaamdeel vormt,
[Seite 28] en alwaar het eenen byzonderen en bepaalden
klomp, mijns bedunkens*), uitmaakt.

§. 37.

Het zy my geoorlooft hier kortelijk nog iets
van het Vet†) by te voegen, om dat het my voor-
komt deze de geschikste plaats te zijn, om daar
over te handelen.

Het vet is eene oly, niet ongelijk§) aan de
smeerige olyen van ’t planten rijk, niet scherp,
zonder reuk, ligter dan water, bestaande uit brand-
stof (phlogiston)**), welke met het waterachtigdeel
[Seite 29] (phlegma) door middel van een eigenaartig zuur
verbonden is.

§. 38.

Zeer spade vertoont het zich in eene onge-
boren vrucht, zo dat men naauwlijks voor de vijf-
de maand na de bevruchting zekere blyken van
het zelve kan bespeuren.

Deszelfs vastheid is op verschillende plaatsen
zeer onderscheiden, vloeibaarder is by voorb.
dat vet, het welk in de oogkuilen geplaatst is,
harder in tegendeel, en zelf ongelachtig, ’t welk
rondom de nieren gevonden wordt.

§. 39.

Men heeft getwist over de afscheiding van
het vet: of deze naamelijk door byzondere klie-
ren geschiedde, gelijk gu. hunter beweerd heeft,
dan of het alleen uit de verwyderde slagaderen
zweette? Dit laatste gevoelen komt ons, om van
andere bewyzen niet te gewaagen, hierom waar-
schijnlyker voor, om dat zelf dikwijls, tegen de
gewoone orde der Natuur, vet is gevonden op
zulke plaatsen, welke anders daarvan verstoken
zijn, dit schijnt immers gemakkelyker uit eene
verplaatsing, veroorzaakt door eene kwaade ge-
steldheid der vaten, dan uit tegennatuurlyke en
nieuwlings gevormde klieren, ontvouwd te kun-
[Seite 30] nen worden: dus is by voorb. soms vet gevon-
den in den oogbol zelven, en een soortgelijk vet
neemt gewoonlijk de plaats in van den teelbal als
men dien heeft weggenomen; ja, naauwlijks is
’er eene holte van ’t lichaam, waar in niet wel eens
een vetgezwel waargenomen is.

Daarenboven behooren in ’t algemeen de Klie-
ren, waar aan sommigen de afscheiding van ’t vet
hebben toegekend, tot dus verre onder de voord-
brengsels van eene spoorbijstere verbeelding. Het
mag ondertusschen zijn zo als het wil, dit is ze-
ker, dat zo wel de afscheiding, als de opslor-
ping van het vet zeer schielijk kan geschieden.

§. 40.

Veelerlei is ’t nut van het Vet:

Het maakt de vaste deelen glad, en bevor-
dert de beweging. Het verdooft de altegroote
gevoeligheid. Het keert de koude af. En einde-
lijk bevordert het, om dat het eene gelijkmaatige
uitzetting der huid te weegbrengt, de schoon-
heid.

Van de byzondere nuttigheden van het vet,
aan sommige daartoe geschikte plaatsen, by voorb.
van het beenmerg enz. wil ik hier geene melding
maaken. Tot voeding van een gezond mensch*)
[Seite 31] schijnt het my naauwlijks iets toetebrengen.


IV. AFDEELING
over
de levenskrachten in ’t algemeen
en in ’t byzonder
over
de te zaamentrekkings kracht.

[Seite 32]

§. 41.

Nu zijn wy tot eene moeielyke taak gekomen,
tot het levend vaste deel*), en tot de optelling
der levenskrachten, waarmede de deelen van ons
lichaam als ’t ware bezield zijn, en zo wel worden
bekwaam gemaakt ter ontwaaring van aanprikkeling
als ter verrichting van bewegingen.

§. 42.

In de eerste plaats moeten wy over het levend
[Seite 33] vaste deel zullende handelen, deszelfs grenzen
bepaalen, terwyl het gemakkelijk blijkt, dat wy
even zo min hier spreken van zulke krachten,
welke het menschelijk lichaam met de overige
lichaamen in het rijk der Natuur gemeen heeft,
gelijk by voorb. de veerkracht, [wier nuttighe-
den andersins in de dierlyke huishouding veelvul-
dig zijn] als van die, welke der ziele toekomen,
ofschoon wy vertrouwen, dat niemand, derzelver
grooten invloed op de lichaamelyke krachten van
het levendig vaste deel zal in twyfel trekken.
Wy zullen alleenlijk van die krachten handelen,
welke in verschillende soorten van stof onzes be-
werktuigden lichaams gevonden worden, en; in-
dien ik my niet grootelijks bedriege, tot de vol-
gende soorten voornaamelijk kunnen gebragt wor-
den.

§. 43.

De eerste en algemeenste dezer levenskrach-
ten, en die in den laagsten rang met opzicht tot
de andere geplaatst kan worden, is het te zaamen
trekkings vermogen (contractilitas), te weten de
eenvouwige pooging om zich te zaêm te trek-
ken. Deze kracht is, althands naar het my voor-
komt, in ’t geheel celachtig weefsel aanwezig,
en is dus even zo uitgestrekt als dit weefsel zelf,
waarom men zeggen kan, datze bykans door ’t
geheele lichaam zich uitstrekt. En men zoude
[Seite 34] misschien deze kracht niet te onrecht de kracht van
het celachtig weefsel
kunnen noemen.

§. 44.

De tweede dezer levenskrachten noemt men
de Halleriaansche irritabiliteit (irritabilitas), welke
alleenlijk aan spiervezelen eigen is, en daarom ook
spierkracht genoemd wordt. Deze vertoont zich
door eene zeer zonderlinge slingerende, en als ’t
ware trillende beweging, ook hier in van enkele
te zaamentrekking onderscheiden, dat zy door ’t
aanwenden van allerlei scherpe prikkelingen het al-
lergemakkelijkst kan worden opgewekt.

§. 45.

De derde is de gevoeligheid (sensilitas) ook,
dewijl zy alleen eigen is aan het zenuwachtig
merg, ’t welk met de hersenen gemeenschap heeft,
zenuwkracht (vis nervea) genaamd, deze is de oor-
zaak, waar door de deelen, welke met die kracht
bezield zijn, door prikkelingen, op dezelve wer-
kende, aangedaan, die gewaarwording (sensorium)
aan de hersenen mededeelen.

§. 46.

Dit drietal van levenskrachten kan men met
de naam van Gemeenschappelyke (communes) bestem-
pelen, terwijl zy meer of min of bykans aan al-
len, of ten minste de meeste deelen van ’tlichaam,
[Seite 35] welke de oude gelijkaartige (similares) genoemd
hebben, eigen zijn.

§. 47.

Dan, behalven deze, moet ik noch een vier-
de vermelden, naamelijk het eigenaartig leven (vita
propria
); onder welke benaaminge ik die krachten
verstaa, welke aan sommige byzondere, tot eigen-
aartige werkingen geschikte, deelen behooren, en
tot geene der vorige algemeene soorten gebragt
kunnen worden.

Dat nu zulke deelen, welke in weefsel, maak-
sel, en geheel byzondere werking van andere ver-
schillen, ook met byzondere krachten ter uitoeffe-
ning van die eigenaartige werkingen door de Na-
tuur beschonken zijn, strijdt geensins in den eer-
sten opslag met de gezonde reden.

Dan by nader onderzoek en naaukeurige waar-
neming der Natuur blijkt, dat ’er waarlijk deelen
zijn, voornaamelijk ingewanden, welke zulke
zonderlinge bewegingen uitoeffenen, dat ze ter
naauwernood van de eene of andere der algemee-
ne levenskrachten, gelijk wyze noemden, kunnen
afgeleid, maar aan een eigenaartig leven schynen
toegekend te moeten worden.

Ten voorbeelde strekt de beweging van de
Regenboog (iris); de opzwelling der tepel aan de
vrouwelyke borst; de beweging van het lofwerk
(simbriae) der trompetten van Fallopius; de wer-
king der moederkoek, der lijfmoeder in de ver-
[Seite 36] lossing; het neerzakken der Teelballen (testes) in
de mannelyke vrucht; en, zo ik my niet bedrie-
ge, voor het grootst gedeelte ook het geheele
werk van afscheiding (secretio).

§. 48.

Eindelijk, en ten vijfden, moet ik de vor-
mingskracht (nisus formativus
) melden, welke als de
uitoeffenende oorzaak van het geheele voordtee-
lings werk (in den uitgebreidsten zin genomen,
zo dat het de voeding en herstelling als modifi-
catien bevatte), beschouwd moet worden, daar
ze maakt, dat de stof ’t zy tot voordteeling ’t zy
tot voeding op bepaalde plaatsen ontvangen, en
tot behoorlyke rijpheid gebragt, de noodige ge-
daante aanneemt, en zulke deelen vormt, welke
naderhand met de opgetelde krachten, naamelijk
of met de te zaamentrekkingkracht, of met de
spierkracht, of met het gevoel of eindelijk met het
eigenaartig leven voorzien worden.

§. 49.

Van deze vormingskracht, zullen wy breed-
voeriger handelen, wanneer wy in ’t vervolg o-
ver het voordteelings werk zullen moeten spre-
ken.

Van de spierkracht zullen wy by de beweging
der spieren gewaagen.

Over de gevoeligheid by de werking van het
zenuwstelsel.

[Seite 37] Over het eigenaartig leven, nu en dan naar
de gelegenheid zulks vordert.

Over het te zaamentrekkend vermogen intus-
schen is het hier de plaats het een en ander nog
kortelijk voor te dragen.

§. 50.

Ik heb gezegd, dat deze door ’t gantsche
lichaam bykans zich uitstrekte, voor zo ver naa-
melijk het celachtig weefsel verspreid is.

Zy is dierhalven in de eerste plaats in die dee-
len aanwezig, welke geheel en al uit een celach-
tig weefsel zijn te zaamgesteld, in de vliezen by
voorb. want dat deze een te zaamtrekkend vermo-
gen bezitten, zal niemand loochenen, die aan de
tezaamentrekking van het huidvlies (dartos) denkt,
of zijn oog vestigt op kramptrekkingen van de
huid, of penszak (peritonaeum), welke laatste
soms alleen, gelijk de ondervinding geleerd
heeft, het ingewand in eene breuk heeft ver-
stikt. Verder is ze in die ingewanden, welke
voor her grootst gedeelte uit soortgelijk weefsel
zijn te zaamgesteld, waar toe by voorb. de lon-
gen behoren, wier uitwendige oppervlakte, ge-
lijk herhaalde ontleedkonstige nasporingen in le-
vendige dieren my geleerd hebben, zeer te zaa-
mentrekkend is; nooit echter vond ik die waar-
lijk spierkrachtig gelijk varnier onlangs heeft
willen beweeren. Ja, dat zelve de te zaêm-
trekkingskracht niet geheel in de beenderen ont-
breekt, toonen niet alleen de tandkassen, welke
[Seite 38] na het uitvallen der tanden, zich te zaamentrek-
ken, gelijk algemeen bekend is, maar ook het
ziekelijk versterf (necrosis), by ’t welk men waar-
neemt, dat na de uitneming van het verstorven
been het nieuwe been, het welk het doode voor-
heen omringde allengskens en bykans tot de natuur-
lyke dikte en gedaante zich te zaamentrekt.

Gelijk intusschen de glasachtige schors der
tanden, zo als ik boven (§. 29.) aanmerkte, geen
celachtig weefsel heeft, zo komt het my waar-
schijnlijk voor, dat deze ook geene te zaêmtrek-
kingskracht bezit, te meer, om dat een gedeelte
daarvan, of door bederf wegknaagt, of by geval
gebroken zijnde, het geen ’er van overig blijft,
niet te zaêmgetrokken wordt, gelijk ik straks zei-
de, dat omtrent de tandkassen plaatsgreep, maar
altijd een onherstelbaare spleet blijft.

§. 51.

Deze zelfde te zaamentrekkingskracht van het
celachtig weefsel, schijnt verder tot de eerste en
voornaamste steunsels van krachten en gezondheid
gebracht te moeten worden, en hier in schijnt de
spanningskracht (tonus) der deelen door den schran-
deren stahl zo opgevyzelt, gelegen te zijn.
Want dit weefsel, om maar een voorbeeld op te
noemen, slorpt in een gezond mensch waterachtig
vocht op, waar van ik gesproken heb, gelijk een
spons, en drijft het daarop door zijn te zaêmtrek-
kendvermogen in de watervaten; in den ziekelyken
[Seite 39] staat integendeel van zyne kracht beroofd en ver-
slapt, wordt het met stilstaand water opgevuld,
en doet waterachtige zwellingen, en andere soort-
gelyke vochtontaartingen geboren worden.

§. 52.

Eindelijk blijkt uit de algemeene verspreiding
van deze te zaamentrekkingskracht door het gant-
sche lichaam deszelfs invloed, en als ’t ware ver-
menging met de overige levenskrachten, verder
blijkt ook uit deszelfs onbepaalde wyze en graaden
in verschillende menschen des zelfs groot vermo-
gen ter vorming van de aan iederen mensch eige-
ne gezondheid, en eigenaartige gesteldheid (tem-
peramentum).


V. AFDEELING
over
de gezondheid
en de
menschelyke natuur
.

[Seite 40]

§. 53.

Deze drie (§. 1.) wier behandeling ons tot hier-
toe heeft bezig gehouden, werken in het levend
menschelijk lichaam zonder ophouden onderling
op elkander. De vloeibaare deelen naamelijk,
werken als prikkelen op de vaste deelen, deze
intusschen zijn door haar levensbeginsel toege-
rust om zoo wel de werking der prikkelingen ont-
waar te worden, als om op de prikkelende voch-
ten te rug te werken. En in een gezond mensch,
zijn deze werking en tegenwerking geheel en al
in een zeker en bepaald evenwigt.

§. 54.

Hier by komt verder de wonderbaare te zaa-
menstemming (consensus) der deelen, zelf der zul-
ke, die het verste van elkander afgelegen zijn en
[Seite 41] ook deze vloeit niet uit eene bron voord*).

Want eene andere oorzaak behoort tot de ze-
nuwen en tot derzelver verwonderlyke netvormi-
ge vereenigingen, zo wel als tot de ingewikkel-
de vorming van derzelver vlechten en zenuw-
knoopen (ganglia), door welk middel de aandrift
der prikkelingen aan het algemeen gewaarwor-
dings werktuig (sensorium commune) mede gedeeld
wordt, vervolgends wederom kunnen werken op
de verafgeleegene delen.

Eene andere wederom moet men brengen tot
beiderlei soorten van vaten, te weten tot de bloed-
voerende, zo wel als tot de water opslurpende
vaten.

Eene andere eindelijk tot eene zekere gelijk-
heid van maaksel, en de daaruit ontstaande sym-
pathie, op dat ik van het celachtig weefsel zwy-
ge, het welk, gelijk wy gezien hebben, zo wel
den gemeenen band van het gansche lichaam uit-
maakt, als het ook ten sterksten de te zaamen-
stemming der deelen behulpzaam is, gelijk gemak-
lijk kan bevroed worden.

§. 55.

Eindelijk ook behoort hiertoe het grootste ge-
[Seite 42] heim der Natuur, de vereeniging naamelijk van
de ziel met het lichaam, en het veelvuldig en
groot vermogen van deze op elkanderen; dewijl
wy nu hier over in het vervolg breedvoeriger
zullen handelen, zal het hier voldoende zijn,
alleen maar zo kort doenlijk te hebben aange-
merkt, dat ’er behalven de blijkbaare heerschappy
der wil over de meeste spieren, ook nog andere
vermogens gevonden worden, welke hunne kracht
op het lichaam oeffenen zelf zonder eenig behulp
van den wil.

Hier toe behooren by voorb. de blinde en
enkel ingeschaapene dierlyke driften (instinctus),
hoedaanig die is, welke aanprikkelt tot de darte-
le liefde.

Wyders hebben de inwendige gewaarwordin-
gen, en wel voornaamelijk de verbeelding en de
hartstochten, welke door middel der verbeelding
geschraagt worden, eene uitgestrekte heerschappy
in het lichaam.

Het lichaam eindelijk heeft door tusschen-
komst van de zelve, ook eene gemeenschap en
wederkerige invloed op de edelste en verheven-
ste zielsvermogens.

§. 56.

Door deze veelvuldige te zaamenstemming,
zo wel der vaste en vloeibaare deelen, als der lee-
venskrachten (§. 53.), door de sympathie der
[Seite 43] deelen (§. 54.), en door de naauwe verbintenis
der ziel met het lichaam (§. 55.), vloeit het leven
en de gezondheid voord, welke echter geensins
ten allen tyde eenstemming zijn, maar in oneindige
graaden van elkanderen verschillen.

§. 57.

De verschillende trappen immers van het
leven, worden als tusschen de twee uiter-
stens, waarvan het eene ’t grootste leven; ’t
andere het kleinste leven genoemd wordt, ge-
plaatst.

Het grootste leven noemd men die staat, wan-
neer de werkingen des lichaams in den bloei des
levens haar hoogste toppunt van volmaaktheid be-
reikt hebben, het welk de Grieken genoemd heb-
ben ἀκμην; men zoude het ook kunnen noemen
de worstelaars staat.

Het kleinste daarentegen wordt genoemd, wan-
neer de werkingen eenigsins langzaamer verrigt
worden, schoon zulks voor het overige naar de
bepaalde omstandigheden op het volmaakst vol-
gends de Natuur geschiedt; hoedaanig is het leven
der vrucht in de baarmoeder, en het welk des te
kleiner is, naar, maate de vrucht tederer en na-
der by zijn beginsel is, dus is ook in’t algemeen
het leven minder in een slaapend, dan waakend
mensch, en minder in eenen ouden man, dan in
[Seite 44] iemand, welke zich in de mannelyke jaaren be-
vindt, en zo verder.

§. 58.

’Er is ook geen minder verschil in de Gezond-
heid,
ja zelf kan men zeggen, dat elke mensch
zyne eigene en byzondere gezondheid heeft*),
dewijl die geene, welke wy de gezondste noemen,
echter naar de verschillende gesteldheid van het
bloed, en verder naar de verscheidenheid der
spanninge, en der overige leevenskrachten op vee-
lerlei wyzen van elkanderen verschillen, waardoor
de een op eene andere wyze door dezelfde prik-
kels op het lichaam werkende aangedaan wordt,
als de andere.

Misschien heeft ook elk mensch zyne eigen
natuurgesteldheid, alhoewel dezelve naauwlijks
bespeurd kan worden, en elk heeft iets in zyne
natuur uit kracht der gewoonte, het welk strijdt
tegen eenige dingen, die hy niet kan verdraagen,
alhoewel dezelve voor het overige onschadelijk
zijn; een ander kan wederom ligtelijk andere din-
gen verdraagen, hoe zeer die hem ongewoon zijn,
ja zelf heeft hy ’er somtijds trek toe.

§. 59.

[Seite 45]

Dit zelfde schijnt ook de spil te zijn, waarop de
Natuur en verscheidenheid der gestellen (temperamen-
ten),
zo dikwijls behandelt draayt, als welke zoowel
bestaat in de evenredigheid zelve en de vermen-
ging (§. 22.) der deelen, welke het bloed uitmaa-
ken, als in de verschillende sterkte der levens-
krachten, waarvan wy gehandeld hebben, en in
de daaruit ontstaande verschillende wyze van wer-
ken op de ziel, en het terugwerken van dezelve
op het lichaam, waaruit niet alleen een byzonder
gevoel jegens de prikkelingen als eene byzondere
meer of min grooter gemakkelijkheid voordvloeit
om de bewegingen te volbrengen.

§. 60.

Hier van daan is het dat ’t verschil der natuurge-
steldheden indedaad onbepaald is, en nooit tot ze-
kere en bepaalde soorten kan gebragt worden. Zo
wy echter dezelve eenigsins willen verdeelen,
kunnen wy gemaklijk in de vier bekende verdee-
lingen van dezelve berusten, als waarin zy onder-
scheiden worden, te weten in een slijmachtige
(phlegmaticum), bloedryke (sanguineum), galach-
tige (cholericum), en zwartgallige (melancholicum),
gesteldheid.

§. 61.

[Seite 46]

Want deze verdeeling, schoon galenus de-
zelve op een ongeschikt fundament gebouwd heeft,
als ontleend zijnde van kwalijk vastgestelde hoofd-
stoffen des bloeds, schijnt echter, hoewel men
afwyke van dien onvoegzaamen grondslag, voor het
overige genoegzaam overeen te stemmen met de
natuur, zo dat de verschillende gesteldheden,
niet alleen van elk mensch in ’t byzonder, als van
alle menschen in het gemeen, naar hunne verschil-
lende ouderdom geschikt, kunnen gebragt worden
tot die IV. hoofdonderscheidingen.

Want wy mogen aan den leeftijd van een teder
kind een slijmachtig: aan de jongelingschap een
bloedrijk: den mannelyken jaaren een galachtig,
en den ouderdom eindelijk een zwartgalachtigge-
stel toekennen.

Dan, het verschil van de trappen en vermen-
gingen in de gestellen, is, gelijk wy reeds opge-
merkt hebben zo onbepaald, dat die geene, welke
lust hebben veelerhande te zaamenvoegingen en
onderschedingen te maaken, voor zich een zeer ruim
veld geopend zien.

§. 62.

De gantsche te zaamenloop van alle de vermo-
gens en wetten, welke wy tot hiertoe aangeroerd
hebben, door welke de werkingen van het men-
[Seite 47] schelijklichaam geduurende den gantschen loop des
levens tot aan den dood toe bestierd en verricht
worden, noemt men de menschelyke natuur, van
waar het leerstuk, ’t welk wy behandelen den
naam gekreegen heeft van Natuurkunde (Physio-
logia.
)

§. 63.

Die zelfde werkingen intusschen zijn niet ten
onrechte in vier verdeelingen verdeelt; en deze
verdeeling, schoon ze niet zonder uitzondering
is, en geensins zo volmaakt met de natuur strookt,
kan echter gevoeglijk tot hulp van het geheugen
aangenomen worden.

En wel bevat de Iste van dezelve de levens ver-
richtingen (vitales),
dus genaamd, om dat derzel-
ver onafgebroken en ongeschonden werking boven
allen noodig is tot onderhoud van het leven; waar-
toe men derhalven brengt den omloop des bloeds,
en, in een geboren mensch, de ademhaaling.

De IIde bevat de dierlyke werkingen (animales),
waardoor voornaamelijk de dieren onderscheiden
worden van de bewerktuigde lichaamen van een
ander rijk; waartoe by voorb. in een mensch be-
hooren de gemeenschap van de ziel met het
lichaam, inzonderheid het gevoel en de spierbe-
weging.

De IIIde bevat de natuurlyke verrichtingen
(naturelles),
welke dienen om het lichaam te voe-
den.

[Seite 48] De IVde bevat de voortteelings verrichtingen,
welke verkeeren omtrent de voordplanting van
elke soort.

Laaten wy nu elk van dezelve in het byzon-
der beschouwen; en een begin met de levensver-
richtingen
maaken.


VI. AFDEELING
over
de beweging van het bloed
in het algemeen.

[Seite 49]

§. 64.

Het bloed, gelijk wy gezien hebben, geeft
aan de voornaamste deelen van het lichaam den
naasten oorsprong, doch aan de overige een ge-
duurig voedsel, en daarom moet het door de in-
wendigste zo wel als de uiterste plaatsen van het ge-
heele lichaam, zo ver het zich uitstrekt, ver-
spreid worden, zeer weinige uitgezonderd (§. 5.);
en dat indedaad zulks geschied, leeren wy zo
wel door eene behendige opspuiting der vaten,
als door de gemeene onderhouding, waaruit het
blijkt, dat ’er naauwlijks eenige deelen van ons
lichaam zijn, of het bloed zal ’er uit te voorschijn
komen, zodra zy gewond zijn, al was het slechts
door de punt van eene naalde.

§. 65.

Dan dit levensvocht loopt niet, gelijk de Ou-
den meenden, in aderen van den zelfden rang
heen en weder met eene ebbe als ’t ware en vloed;
maar het wordt door zynen omloop gelijk men
zegt, dus in het rond gevoerd, dat het gebracht
[Seite 50] zijnde van hart in de slagaderen door het geheele
lichaam, van daar, door de aders ontvangen zijn-
de, wederom naar het hart wordt te rug gevoerd.

§. 66.

willem harvey heeft dezen omloop van
het bloed bewezen, na weinige en onzekere re-
deneeringen van zyne voorzaaten*), in zijn on-
[Seite 51] sterflijk werk, uitgegeven in het jaar 1628*).

Doch by het vervolg van tijd is de omloop
van het bloed wel inzonderheid buiten allen twy-
fel gesteld†), niet alleen door beschouwing met
het Microscoop§); maar ook, om dat men zag
dat het wasch, of soortgelyke masse in de slagade-
ren ingespoten een’ en denzelfden weg liep; verder
is dezelve ook nog bevestigd door de heldhaftige
ondernemingen om het bloed uit het eenen lee-
[Seite 52] vendig dier in het anderen, of in een’ mensch over
te gieten; als ook door andere proefnemingen,
welke in levendige dieren kunnen werkstellig ge-
maakt worden.

§. 67.

Welke de vastgestelde maate van snelheid de-
zer beweging in een’ gezond mensch zy, kan op
geenerlei wyze bepaald worden. Want hierin
verschilt niet alleen de eene mensch van den an-
deren; maar ’er heeft ook nog een groot verschil
omtrent dit stuk plaats ten opzichte van den leef-
tijd; ja zelf ook ten opzichte van de verschil-
lende deelen van het lichaam.

Het bloed in de aderen schijnt in het alge-
meen ook een weinig langzaamer te loopen, dan
in de slagaderen; en sneller, wanneer het gedre-
ven wordt door de stammen der vaten, dan wan-
neer het door de kleinste vaatjens loopt, alhoe-
wel eertijds de Natuurkundigen deze verschillend-
heden der snelheid at te groot gemaakt hebben.

Ondertusschen stelt men gemeenlijk de mid-
delbaare snelheid van het bloed zodaanig te zijn,
dat het door de groote slagader (aorta) loopen-
de, in elken polsslag de ruimte van omtrent 8 dui-
men doorloopt, ’t geen op omtrent 50 voeten uit
zoude komen in elke minuut.

§. 68.

[Seite 53]

De bolletjens van het roode bloed schynen
den as (axis) te kiezen, en men wil dat deze
rasser voordgedreeven worden dan de overige be-
standdeelen des bloeds. Ik weet niet of zulks
steunt op eene ontegenzeglyke proeve, dan
of dit alleen rust op de bekende waterloopkundi-
ge wetten, ten onrechte op den omloop van het
bloed toegepast; ik zegge ten onrechte, dewijl
het in het algemeen dwaasheid zoude zijn, de
beweging van het levensvocht, waardoor het
bloed gevoerd wordt door de levendige kanaalen
van een bezield lichaam, te willen brengen enkel
tot die werktuiglyke wetten, door welke het wa-
ter in de waterloopkundige werktuigen voordge-
stuuwd wordt. ’t Heeft my althands noch niet mo-
gen gebeuren dat voorrecht der roode bolletjens
duidelijk te zien.

§. 69.

Veel zekerer ben ik overreed, dat die bol-
letjens dryvende in het vocht, ’t welk de overi-
ge bestaandeelen van het bloed maaken, alleen
voordrollen, en geensins tevens om hunnen ei-
gen as draaien; doch dat ’er in ’t algemeen behal-
ven die voordgaande (progressivus) beweging van
het bloed, waar van wy spreken, ook nog eene
naauwlijks bepaalde beweging van eene andere soort
in het bloed plaats heeft, welke men eene
[Seite 54] inwendige (intestinus) noemt; alhoewel ’er geen twyfel
is, of de hoofdstoffen des bloeds worden somtijds
meer of min onder elkander vermengd, wanneer
zy naar de verschillende richting of verdeeling
der vaten, of naar derzelver onderlinge inmondi-
gingen verschillend voordgedreven worden.

§. 70.

Dit zy genoeg in het algemeen over de be-
weging van het bloed.

Daar wy thands nu overgaan zullen tot nader
onderzoek van dezelve, denken wy ’t best te
zullen doen, indien wy alvoorens over de vaten,
waarin het bloed bevat wordt, handelen, en dan
de krachten naspeuren, door welke die vaten be-
zield worden om het bloed voordtestuuwen en te-
ontvangen.


VII. AFDEELING
over
de slagaderen
.

[Seite 55]

§. 71.

De vaten, welke het bloed, van het hart ont-
vangen, door het gantsche te zaamenstelsel van het
lichaam verspreiden, worden slagaderen (arteriae)
genoemd*).

Deze zijn in het algemeen zo wijd niet als
de aderen; maar wegens haar veel vaster en meer
in eengedrongen weefsel, zijnze zeer veerkrach-
tig, en gelijk door de proefnemingen van win-
tringham
gebleken is, zeer sterk.

§. 72.

Zy bestaan uit drie laagen van Vliezen†).

[Seite 56] Het Iste te weten het buitenste vlies, ’t welk
haller den eigenlyken celachtigen rok noemde,
albinus den zenuwachtigen, en vesalius wel
eer den kraakbeenigen, andere den peesachti-
gen, enz. bestaat uit een celachtig in eenge-
drongen weefsel, dat van buiten losser, doch hoe
nader aan het volgend vlies des te meer op een ge-
pakt is; aldaar is het doorweeven met bloed vaat-
jens*); in het algemeen geeft het aan de slagader
de meeste spanning en veerkragt.

Het IIde vlies bestaat uit dwars over elkan-
der liggende vezelen, van een halve maans of
zijssens gedaante; het is als ’t ware een vleesach-
tige zelfstandigheid, en hier om draagt het den
naam van spierachtigen rok; in dezen schijnt de
leevenskracht der slagaderen boven anderen plaats
te hebben.

Het IIIde, zijnde het binnenste vlies, bekleedt
de holte der slagader met eene gepolijste en zeer
gladde oppervlakte.

Dit te zaamenstelsel is in de stammen, en groo-
ter takken genoeg te onderscheiden; doch minder
in de tedere takjens.

§. 73.

[Seite 57]

Alle de slagaders, welke in het menschelijk
lichaam gevonden worden, nemen uit eenen van
beide hoosdtronken haaren oorsprong, van welke
de eene de long-slagader is (arteria pulmonalis),
die, uit de voorste holligheid van het hart ge-
sproten, naar de longe gaat. (Plaat I. f. g. h.).

De andere is de groote slagader (aorta). De-
ze neemt haaren oorsprong uit de agter holligheid
van het hart, en voorziet het gantsche lichaam
(– Plaat I. n. t. –).

Deze stammen verdeelen zig in takken, de
takken, wederom in takjens enz.

§. 74.

Gemeenelijk stelt men, dat door het gantsche
bloedvoerend vaatgestel, de takken by elkande-
ren genomen, meer bevatten kunnen dan de stam,
waaruit zy ontsproten zijn. Doch ik vrees, dat
men dit al te ruimschoots staande houdt, ja zelf
dat somtijds de Schryvers, die zulks beweerd heb-
ben ten onrechte de maat van de middellijn
met die van het vlak verward hebben; my ten
minsten is meer dan eens voorgekomen, daar ik
proeven nam, niet in de vaten met wasch sterk
opgevuld, welke beroemde Natuurkundigen tot
die soort van Proefneemingen misbruikt hebben,
[Seite 58] maar, gelijk het de zaak schijnt te vereisschen,
in ongeschonden vaten van pas gestorven lichaa-
men, [by voorb. in de ongenoemde slagader
(innominata), in de regter krop-slagader (ca-
rotis),
in de regterondersleutelbeens-slagader (sub-
clavia),
welke uit dezelve haaren oorsprong ne-
men, als ook in de arm-slagader (brachialis), en
in de kleine elleboogspijp-slagader (radialis), en
in de elleboogsslagader (cubitalis) waarin zy ver-
deeld wordt] dat de middellijn van den stam, en de
middellynen van de takken eenen regthoekigen
driehoek vormden, wiens treklijn het vierkant,
volgends den zeer bekenden stelregel van pytha-
goras,
gelijk was aan de bereekening der vier-
kanten van de basis en van de regtstandige lijn*).

Ja haller zelf heeft in de slagadertjens van
de kleinste soort meerder wijdte aan de stammet-
jens, dan aan de takjens toegekend; zo dat voor
het minst die gemeene bereekening gantsch niet
algemeen schijnt door te gaan, maar, zo immer,
dan ten minsten wel degelijk tot een klein gedeelte
van het vaatgestel moet bepaald worden.

§. 75.

Men schrijft gemeenelijk aan elken stam en tak
[Seite 59] eene kegelvormige gedaante toe, als of naamelijk
de basis tegen over het hart wyder ware dan het
uiterste, dat van ’t hart afgekeert is; maar ook dit
schijnt eene veronderstelling te wezen: dewijl de-
zelve naauwkeurig beschouwd in ’t algemeen eene
waare rolronde gedaante hebben: en ’er voorbeel-
den voor handen zijn van eenige slagaderen, wel-
ke voordloopende wyder worden. Waartoe by
voorb. de inwendige borst-slagaderen (A. mamma-
riae internae
) behooren, ja ook de boog zelf van
de groote slagader (aorta), welke by haaren oor-
sprong naauwer is. In ’t algemeen schynen de
slagaders zich ook een weinig te verwyden, ten
minsten de grootere, voor dat zy zich in takken
verdeelen, zodaanig echter, dat de wijdste der
takken te zaam genomen naar die verdeeling we-
derom gelijk zy met de wijdste van den stam.

§. 76.

Wanneer men in overweging neemt de groo-
te verscheidenheid, waarmede de slagadertjens in
verschillende deelen van het lichaam, inzonder-
heid in de ingewanden enz. of schielyker, of eerst
na verscheiden rangen van verdeelingen hunne
uiterste grenzen bereiken, dan zal men ligtelijk
gewaar worden, dat het getal der verdeelingen
van den slagaderlyken stam in de voordgaande
reeks van takken, en takjens tot de uiterste eind-
[Seite 60] paalen van dezelve met geene mogelijkheid in ’t
algemeen kan bepaald worden. Hier van daan
’t verschil der Schryvers, welke vermaak gevon-
den hebben in zodaanige bereekeningen te maa-
ken; zo telt by voorb. keil omtrent 50., hal-
ler
slechts 20. van diergelyke verdeelingen.

§. 77.

Na veelerhande diergelyke verdeelingen en
inmondingen (anastomoses) der Vaten, waarmede
de nabuurige takken der slagaderen onderling ver-
bonden worden, komen zy eindelijk tot haare
eindpaalen, waar door zy naamelijk overgaan in
de oorsprongen der aderen (venae), zo dat zy
langs eenen onafgebroken weg, wiens grenspaalen
niet wel kunnen bepaald worden, in dezelve over-
gaande te rugkeeren, zo dat het bloed thands ader-
lijk geworden zijnde, het welk zo even slagader-
lijk was, weder naar het hart te rug gevoerd wordt.

§. 78.

Dan schoon deze achtervolgende onmiddelyke
vereeniging van de vaten van beiderlei soort op
menigvuldige plaatsen van het lichaam duidelijk
blijkt, schijnt het nogthands twyfelachtig te zijn,
of dit de eenigste overgang zy van de slagaderen,
in de aderen, dan of behalven deze die overgang
[Seite 61] van het bloed uit de uiterste grenzen der slagadert-
jens in de beginselen der aderen geschiede, ten
minsten op sommige plaatsen, door middel van
eenig bloed doorlaatend ingewand (parenchyma)?

’Er zijn waarlijk eenige verschijnsels, waar-
toe by voorb. de oprichtingen der anders slappe
deelen behooren; en waartoe ook misschien het
schaamrood worden moet gebracht worden, wel-
ke zulk een middenverband der vaten van bei-
de de soorten, ten minste niet onwaarschijnlijk
maaken.

§. 79.

Verder schynen ’er nog vaatjens van eene ge-
heele andere soort uit de slagadertjens overal hun-
nen oorsprong te nemen; en deze zijn voornaame-
lijk van tweederlei aart. Te weten weyvoerende (se-
rosa),
welke zo naauw zijn, dat zy in een’ ge-
zond mensch geene bolletjens van rood bloed, maar
alleen de wey, waar in de roode bolletjens dryven
(69), kunnen bevatten; als mede de afscheidende
(secretoria),
welke niet dan bepaalde vochten uit
de masse van het slagaderlijk bloed naar zich trek-
ken om aftezonderen (§. 4.).

§. 80.

Wat de eerstgenoemde betreft, welke wy weyvoe-
rende (serosa
) genaamd hebben, daar omtrent moeten
[Seite 62] wy den lezer berichten, dat wy geensins beoogen de
verdichte rangen der geele en witte vaten van
boerhaave, welke men wel eer toegepast had
op de even zo verdichte leeuwenhoekse zes-
vouwige bereekening der bloedbolletjens; noch
dan hier ook wordt gesproken van de zenuw-
waterachtige vaten (neuro-lymphatica vasa) van
vieussens en ferrein, waaruit naar de mee-
ning van deze Mannen de ingewanden voor ’t
grootst gedeelte zouden bestaan, welk gevoelen
echter mede op geenen vasten grond schijnt te
steunen.

Maar wy spreeken hier van ongekoleurde va-
ten, welke niet dan door het geweld van het
bloed, het welk in sommige ontstekende ziektens
ten sterksten perst; of ook door middel van een
tot de ontleedkunde geschikte spuit, in navolging
der Natuur, zigtbaar worden; zodaanige zijn, by
voorb. de vaten van het hoornachtig vlies (cor-
nea),
welke naauwlijks kunnen opgespoten wor-
den met wasch, ten zy in het lijk van een’ mensch,
die aan eene zeer zwaare oogontsteking (chemosis)
sukkelende gestorven is.

§. 81.

Daarentegen schynen de afscheidende (secre-
toria
) van deze te verschillen, en zijn wel in-
zonderheid eigen aan de afscheidende ingewanden,-
en de te zaamgerolde kliertjens, welke insgelijks
[Seite 63] door eene behendige inspuiting kunnen te voor-
schijn gebracht worden, wanneer b. v. ’t geen
in de slagader van de oorklier (parotis) is inge-
spoten, door den Stenoniaansche buis weder-
om uitvloeit. Maar wy zullen gelegenheid heb-
ben, hier over in ’t vervolg met opzet te han-
delen.


VIII. AFDEELING
over
de bloedvoerende aderen
.

[Seite 64]

§. 82.

Het bloed, dat door middel van de slagaderen door
het gantsche lichaam verspreid wierdt, moet ver-
volgends naar het hart te ruggevoerd worden door
middel der aderen.

Deze aderen gelijkze zeer verschillen in
werking, zo zijn zy ook in maaksel van de slag-
aderen, indien men de kleinste ’er van uitzon-
derd, wier verschil met de slagaderen niet zo zigt-
baar is, zeer onderscheiden.

§. 83.

Want de aderen zijn, uitgenomen de long-
ader, in het algemeen wyder dan de slagaderen,
ook meer getakt; en in hunnen loop, en ten opzich-
ten van hunne verdeelingen, veel onstandvastiger;
daar by zijn zy zachter van weefsel, veel minder
veerkrachtig, doch zeer taay, en zonderling rek-
baar.

§. 84.

Haare rokken zijn dunner, zo dat het daarin
bevatte bloed ’er eenigsins doorheen schijnt, ook
[Seite 65] zijn zy daarin weiniger in getale, dan in de slag-
aderen, dewijl zy alleen bestaan uit eenen zekeren
celagtigen rok, die ten minste eenigsins gelijk is
aan den zenuwrok der slagaderen, en uit eenen in-
wendigen gladden rok, hoedaanig ook doorgaans
die der slagaderen is.

De spiervezelachtige rok bevindt zich ner-
gens dan in stammen, welke het naaste by het
hart zijn.

§. 85.

Die inwendige rok intusschen, vormt in ver-
re de meeste der wyde aderen, wier middellijn
naamelijk iets grooter is dan eene lijn, overal
klapvliezen van een zeer fraai maaksel, welke zeer
gedwee en zakvormig, en gemeenlijk eenvouwig,
niet zelden tweevouwig, ja zomtijds drievouwig
zijn, en zo geplaatst, dat de bodem van het zakjen
naar den oorsprong van de ader gekeerd, doch de
zoom tegens over het hart geplaatst is.

Deze klapvliezen worden in de aderen van
zommige deelen niet gevonden, als by voorb. in
die van het hersengestel, van de longen enz. als
mede niet in het gantsche te zaamenstel der poort-
ader (vena portarum).

§. 86.

De takjens der aderen, (welke men liever de
[Seite 66] worteltjens behoorde te noemen) loop en te zaa-
men tot takken; en deze weder tot zes hoofd-
stammen, te weten tot twee holle aderen (ve-
nae cavae),
waarvan de eene de bovenste (Plaat
I. a.), de tweede de benedenste holle ader is
(Plaat I. b.), en tot vier stammen der longader
(Plaat I. i.).

De poertader alleen heeft dit byzondere, dat
de stam van dezelve, daar zy in de lever gaat,
eerst zich in takken verdeelt byna op de wyze van
eene slagader, van welke de uiterste spruitjens
overgaan in de worteltjens van de holle beneden-
ste ader, en dus op nieuws zich tot eenen stam
vereenigen.

§. 87.

Het geen van de slagaderen gezegt is §. 74. 75.
met opzicht tot het gemeen gevoelen nopens de
ruimte der te ruimschoots aangenomen takken, dat
zy naamelijk wyder zijn, dan de ruimte van den
stam, of aangaande de kegelvormige gedaante van
de byzondere vaten, zulks kan ook eenigermaate
op de aderen worden toegepast.

’Er zijn ook onder deze aderen zeldzaame
voorbeelden van vaten, die ruimer zijn op eenen
verderen afstand van het hart, hiertoe by voorb.
behoort de knie-ader (poplitea), waar zy langs
de deyknokken (condylus) loopt.

[Seite 67] Dus zal men ook ’t boven gezegde omtrent de
eindpaalen der slagaderen (§. 77. 78. 80.), met
de noodige veranderingen brengen kunnen tot de
oorsprongen der aderen.


IX. AFDEELING
van het hart.

[Seite 68]

§. 88.

Wy hebben dan dus gezien dat ’er eene dubbele
gemeenschap plaats heeft, (§. 65.) tusschen de
aderen en slagaderen, waar van naamelijk de eene
zich bevind in de uiterste einden der vaten van
beiderleie soort (§. 77.); de tweede in de ge-
meenschappelyke bron, naamelijk het hart, alwaar
de hoofdstammen van het geheel bloed voerend
zaamenstel te zaamenkomen.

§. 89.

Het hart nu is als het ware de eerste drijf-
veer en beweegrad van het geheel menschelijk
lichaam, dewijl het met eene onafgebroken, en
waarlijk wonderbaare kracht, tot het bevorderen
van de voornaamste levens verrigting, te weten
van den omloop des bloeds, dient, welke ten
minste reeds met de vierde week na de bevruch-
ting begint, en duurt tot aan het uiterste eind van
het levensperk.

§. 90.

Want beurtelings ontvangt het ’t bloed en drijft
hetzelve wederom uit, zo dat het eerst ’t bloed
[Seite 69] uit het gansche lichaam ontvangt in de voorste
boezem (sinus anterior), (– c. –) en het daar
aan gehegt oor (– c. –) door beide de holle
aders, de bovenste naamelijk (Plaat I. a.), en
de benedenste ader (Plaat I. b.), en ook uit zijn
eigen vleesch door den gemeenen mond der kroon-
aderen (venarum coronarium) (– w. x. –), wel-
ke voorzien is met een byzonder klapvlies*),
en van daar het zelve in de holligheid van de
zelfde zyde voordstuuwd.

§. 91.

Het bloed wordt uit deze voorste, of gelijk
die wel eer na de legging van het hart der die-
ren wierd genoemd, door de regter holligheid
der longslagader (– f. g. h. –), welke de Ou-
den de slagaderlyke ader noemden, gedreven naar
de longen, van waar het wederkeerende in vier
longaders loopt (– i. –), by de Ouden ader-
lyke slagaders genaamd, en voords vloeit in
den gemeenschappelyken boezem (– k. –), en
het hier aan vastzittend oor (– l. –), ’t welk
men eertijds het slinker, thands beter het agterste
oor noemt.

§. 92.

[Seite 70]

Vervolgends gaat het bloed voord naar de hol-
ligheid van dezelfde zyde (– m. –), van waar
het zich ten laatste in het algemeen slagaderlijk te
zaamenstel van het overig gedeelte des lichaams
door de groote slagader (– n. t. –), en tevens*)
door de kroonslagaders in de zelfstandigheid van het
hart verdeelt.

§. 93.

Voords weder uit de laatste takjens van dat te zaa-
menstelsel overgegaan zijnde tot de eerste worteltjens
van het aderlijk te zaamenstel, gaat het wederom in
beide de holle aderen, doch uit de kroonslagade-
ren van denzelfden naam, en hervat aldus den
gantschen omloop, welken wy aangetoond hebben.

§. 94.

Deze rondvoering intusschen van het bloed
door de holligheden van het hart, en deszelfs regel-
maatige en opvolgende bewegingen, worden bestuurd
door de klapvliezen (valvulae), welke geschikt zyn,
om den ontstuimigen te ruggang van het zelve te ver-
hoeden, deze klapvliezen omringen de voornaamste
monden, naamelijk de randen van de holligheden, waar
[Seite 71] zy het naaste by hunne boesems zijn, als mede de
twee groote slagaderlyke monden, die uit dezelf-
de holligheden ontstaan.

§. 95.

Dus schijnt de ring of aderlyke trekker, wel-
ke de grensscheiding van den boezem en van de
voorste holligheid uitmaakt, in deze holligheid
afdaalende in drie peesachtige klapvliezen uitte-
loopen*), aan elk van welke men eertijds drie
punten toeschreef, en uit dien hoofde de driepun-
tige klapvliezen (triglochines s. tricuspidales) noem-
de, welke aan de vleeschbalkjens, gemeenelijk
tepelspieren genoemd, vastzitten.

§. 96.

Op gelyke wyze maakt eene diergelyke soort
van ring de grenzen van den boezem en de agter-
holligheid uit, welke uitloopt op twee klapvliezen†),
die men mytervormige (mitrale), wegens eenige
gelijkheid van gedaante, genoemd heeft.

§. 97.

Wyders zit aan den mond van de longslagader
als mede aan de groote slagader een drietal klap-
vliezen, gelykende na eene halve maan, of een
[Seite 72] grieksche sigma, zijnde veel kleiner in omtrek,
maar van eene fraaije gedaante, en voorzien met
vleeschvezelen.

§. 98.

Men ziet ondertusschen ligtelijk, hoe ’er
gezorgd is door deze in soort verschillende klap-
vliezen, dat het bloed niet weder te rug kan loo-
pen met eene gestoorde en verwarde beweging in
die holligheden, waaruit het gekomen is, want ge-
dweezijnde, wyken zy voor het toevloeijend bloed,
doch beletten dat het zelve niet weder te rug kan
keeren, om dat ze door dat te rugkeerend bloed
zelve, gelijk een zeil gespannen en uitgezet wor-
den, en op die wyze de monden sluiten.

§. 99.

Het klapvlies van eustachius, ’t welk in
de vrucht gespannen is voor den mond van de
holle opklimmende ader, wordt in een geboren
mensch verre den meesten tijd al langzaamer-
hand meer of min vernietigd, zo dat het dan ter
verdere uitoeffening van zyne voorige verrichtin-
gen, onbekwaam gemaakt wordt; en indedaad is ’er
dit klapvlies niet meer noodig, dewijl de weg voor
het bloed door de longen gebaand is, en deszelfs te
ruggang uit die ingewanden, door de halvemaans-
wyze klapvliezen, welke wy beschreven hebben,
belet wordt, en het bloed het geen van achteren
aandringt niet anders dan het voorgaande kan vol-
[Seite 73] gen. Indien het echter gebeurt, dat het bloed
uit de rechter holligheid van het hart niet kan
overgaan tot de longen wegens eenig beletsel, dan
wordt het opgehouden bloed door eene te rug-
gaande beweging uit den rechter boezem te rug-
gedreven naar de holle aders, gelijk de aderslag
leert, welke alleen in het bovenste gedeelte van
de ader buiten de orde der natuur, als dan be-
speurd kan worden.

§. 100.

Men heeft getwist, of de halfmaanswyze
klapvliezen toelaaten, dat de holligheden volko-
men en ten eenenmaal ontledigd worden, dan of-
’er liever eenig gedeelte van het bloed, door de
ruimer uitspanninge onderschept zynde, te rugloo-
pe*).

De waarnemingen in het werkgesteld in kik-
vorschen, ja zelfs in het hartjen van een uitge-
broeid kieken, leeren dat het hart in die dieren
[Seite 74] ten eenemaal ontledigd wordt. Doch of de zaak
zich dus toedrage in den mensch zelf en wel
in een gezond mensch, blijkt nog niet ze-
ker, ja wat meer is zoude het tegendeel waar-
schynelyker schynen te zijn, indien men alleen
op het maaksel, en het werktuigelyke dezer klap-
vliezen, zo als ze zich in een opgesneden hart
vertoonen, in de Natuurkundige ontvouwing te
letten had.

§. 101.

Het weefsel van het hart is ten eenemaal by-
zonder, wel vleeschachtig maar zeer vast en te
zaamengedrongen, en zeer ver afwykende van
de gewoone gesteldheid der spieren. Het bestaat
uit bundeltjens van vezeldraden, die meer of min
schuins loopen, hier en daar op eene byzondere
wyze getakt, in eene verschillende en wonder-
baare rigting gekronkeld en gedraaid, en bestaan-
de uit zekere ryen van beddingen, welke op el-
kanderen liggen in het middenschot van beide de
holligheeden ten naauwste verbonden, omringd
omtrent de basis der holligheden met vier kraak-
beenige draaden, welke even gelijk het geheel
vezeldraadig weefsel van het hart, door de vlijt van
den beroemden wolff naauwkeuriger zijn aan ’t
licht gebragt*), en welke de vleeschachtige te
[Seite 75] zaamenvoeging der holligheden onderstutten, en
als het ware van de vezels der boezems onder-
scheiden.

§. 102.

Deze vleeschachtige vezeldraaden nu, worden
zo wel door hunne zeer weeke zenuwen als ook
door een zeer groot stel van vaten, ontspruitende
uit de kroonvaten, met oneindige takjens door-
weeven, zo dat ruysch ons het gantsche maak-
sel van het hart zo beschreven heeft, dat het en-
kel schijnt te zaamen geweeven te zijn uit bloed voe-
rende pijpjens, die zich ’er overal bevinden*).

§. 103.

Door dit maaksel nu (§. 90. en volg.) en weef-
sel (§. 101. en volg.) wordt het hart bekwaam.
gemaakt tot zyne onafgebroken en gelyke bewe-
gingen, die in het algemeen daarop uitkomen,
dat nu de boezems, dan de holligheden beurte-
lings te zaamen worden geperst door de toetrek-
king, en dan eens weder uitgezet worden door
de ontsluiting.

§. 104.

Zy houden zulk eene orde in die beurtwisse-
ling van te zaamentetrekken en uittezetten, dat
[Seite 76] zo dikwijls de boezems zich te zamentrekken om
het bloed, uit de longen en holle aderen weder-
keerende, na de holligheden te dryven, deze op
dien zelfden tijd verslapt en bekwaam gemaakt ge-
worden tot het ontvangen van dien zelfden bloed-
stroom, doch het volgend oogenblik, wanneer’t
dan de beurt is van de holligheden, die nieuwe-
lings vervuld zijn, om zich te zaamentetrekken en
het bloed voordtedryven naar de twee slagader-
lyke stammen, dan verslappen ondertusschen de
boezems wederom en zwelgen op nieuw als het wa-
re het nieuw aankomend aderlijk bloed in.

§. 105.

De te zaamentrekking (systole) van de hollig-
heden, waartoe men stelt, dat 1/3 van den gant-
schen tijd eener klopping van hart vereischt wordt,
geschiedt voornaamelijk op deze wyze, dat de bul-
tenste zyden van de holligheden naar den kant
van het middelschot, ’t welk de regterholligheid van
de linker afzondert, zich te zaamentrekken, wel-
ke te zaamentrekking, indien men de kegelvor-
mige gedaante van deze holligheden in overwe-
ging neemt, genoeg schijnt in staat te zijn tot ont-
lediging van de zelve.

Dan daarenboven wordt ook in die te zaa-
mentrekking de punt van het hart, naar deszelfs
basis getrokken, gelijk niet alleen zo dikwijls
[Seite 77] zo wel in koudbloedige dieren*), als in die warm
bloed hebben, bespeurd; maar zelf ook in een
levendig mensch gezien is.

De gemeene ondervinding nogthands, welke het
tegendeel schijnt te bewyzen, als volgends welke de
punt van het hart in zyne te zaamentrekking de
linker borst schijnt te slaan, en daarom liever zich
schijnt te verlengen, moet hier geensins in aanmer-
king by eenen natuuronderzoeker komen, dewijl die
slagen alleen ontstaan uit den aandrang van het loopend
aderlijk bloed in de boezems van het hart, als
mede uit den aandrang van het slagaderlijk bloed,
’t welk uit de holligheden gedreven wordt, waar-
door het gantsche hart naar die plaats der ribben
wordt gedreven.

§. 106.

De drift van het uitgedreven bloed, welke
in die te zaamentrekking van het hart te wege
[Seite 78] gebragt wordt, wordt aan het slagaderlijk gestel,
’t welk het bloed ontvangt, zo medegedeelt,
dat elke te zaamentrekking van het hart op eene
byzondere wyze kan bespeurd worden, in die
slagaderen van het overig gedeelte des lichaams,
welke of door ’t gevoel kunnen onderzocht wor-
den, en ten minsten 1/6 van eene lijn de middellijn
van haare wijdte overtreffen, of wier klopping
op eene andere wyze kan vernomen worden, zo
als by voorb. binnen in het oor en het oog ge-
maklijk geschieden kan, welke klopping men
de ontsluiting van de slagaderen noemt. Van wel-
ke in het vervolg nader zal gesproken worden, of
zy naamelijk aan de werking der slagaderen zelve
moet toegeschreven worden.

§. 107.

Hoe het ’er intusschen ook mede zy, dit leert
de ondervinding, dat de polsslag der slagaderen
zo als men dien noemt, in een gezond mensch
naauwkeurig overeenkomt met de wyze, op welke
het hart bewogen wordt, en volmaakt met de-
zelve gelijktydig zy; ja, dat zelf in eenen zieke-
lyken stilstand van den polsslag op een en het zelf-
de oogenblik ook de orde van het hart en van de
slagaderen ophoudt, en wederom op het zelfde
oogenblik voordgaat.

§. 108.

[Seite 79]

Het getal der kloppingen van het hart intus-
schen verschilt in een gezond mensch op onein-
dig veelewyzen, en alhoewel voornaamelijk ten op-
zichte van den ouderdom, nogthands ook ten op-
zichte van andere omstandigheden, welke in al-
lerlei jaaren de gezondheid aan elk mensch eigen
uitmaken, zo dat het onmogelijk zy daar om-
trent eene vaste bepaaling te maken. Ik zal ech-
ter dat geene te berde brengen, het welke ik in
onze luchtstreeken*) in menschen van verschillen-
de jaren in het algemeen waargenomen heb, waar
ik in de eerste dagen na de geboorte in een pas
geboren kind, het welk gerust sliep, in eene mi-
nuut omtrent 140 polsslagen geteld heb:

Het 1ste jaar ten eindelopende omtrent 124.

Het 2de jaar omtrent 110.

Het 3de en volgende jaren omtrent 96.

In den ouderdom waarin de melktanden plegen
uittevallen omtrent 86.

Ten tyde van de huwbaarheid omtrent 80.

In den mannelyken ouderdom tot 75.

Omtrent het zestigste jaar des ouderdoms 60.

Doch ik heb naauwlijks twee menschen ge-
[Seite 80] vonden van eenen hoogeren ouderdom, in welke
in den zelfden trap van ouderdom het zelfde ge-
tal van polsslagen gevonden wordt.

§. 109.

In het vrouwelijk geslacht zijn de polsslagen
in ’t algemeen genomen menigvuldiger dan in het
mannelijk geslacht.

En zo men in aanmerking neemt het gestel
van het lichaam, heb ik in groote menschen min-
der polsslagen bespeurd dan in kleine, ’t geen ik
ook bevonden hebbe plaats te hebben in de Dwer-
gen en Reusen.

§. 110.

Doch aangaande het verschil der polsslagen het
welk uit de zogenaamde niet natuurlyke dingen (res
non naturales
), voordvloeid, moet men opmerken dat
een koude luchtstreek dezelve langzaamer maakt, zo
dat by voorb. het hart van de Groenlanders, die voor
’t overige gezond zijn, niet meer dan tusschen de
30 en 40 slagen in eene minuut zal geven*).

[Seite 81] Het is een bekende zaak, dat na den eeten de
polsslagen meenigvuldiger zijn, zo wel als na het
verlies van het zaad, als ook na het nachtwaken,
of na lichaams oeffeningen, of na eene gemoeds-
aandoening.

§. 111.

Tot dus verre over den gezonden polsslag,
wiens behandeling voegzaamer schijnt te moeten
gebracht worden tot het hart, als zyne voornaam-
ste bron, dan wel tot de slagaderen, waar in men
dezelve gewoon is te onderzoeken.

En dus slaat het hart met eenen onafgebroken
gang tot aan den laatsten levensadem; ja dan
zelfs houden alle deszelfs deelen nog niet te ge-
lijk op; maar deszelfs rechter holligheid met den
daar aan hangenden boezem heeft dit voorrecht,
dat het eenigsins het linker gedeelte overleeft*).

[Seite 82] Want wanneer na de laatste ademhaaling de
gewoone weg voor het bloed, dat door de holle ade-
ren wederkeert naar de longen, welke dan te zaam
gevallen zijn, toegestopt wordt, en intusschen dat
bloed, het welk zy een weinig te vooren aan het
linkergedeelte van het hart hadden weder gegeven,
reeds door de groote slagader uitgedreven is, en
van achteren op het aderlijk bloed aandringt, kan
het niet anders zijn, dan dat dit bloed driftig
stroomende naar het hart, en als stormloopende, op
[Seite 83] den rechter boezem denzelven prikkelt: en dat hier-
om deze zelfde boezem tegens den aanval van het
zelve nog eenigen tijd worstele, na dat reeds het
linkergedeelte van het hart gestorven is.

§. 112.

Uit deze laatste verzaameling van bloed naar
den rechterkant van het hart, by de zieltooging,
vloeit nu de reden van zelf, waarom de grootere
slagaders na den dood zich minder vervuld vertoo-
nen*).

[Seite 84] Aan die zelfde oorzaak heeft ook de beroem-
de sabatier*), na weiss†) de grooter uit-
gestrektheid van het rechter gedeelte van het hart
willen toeschryven, waarmede het voornaamelijk
in het lijk van een volwasschen mensch het lin-
kergedeelte van het hart overtreft§).

§. 113.

Ter bepaaling eindelijk en beteugeling van de
beweging van het hart, tot hiertoe door ons na-
gespoord, dient het harte zakjen (pericardium) in
’t welk het hart als in zynen kerker doch ruim
opgesloten zit.

Het is een vliesachtigezak van de middelschot-
ten ontstaande, vry ruim en geschikt naar de ge-
daante van het hart, dat daarin besloten is**):
deze zak ofschoon hy vry teder schijnt te we-
zen, is echter zo taai, dat hy volgends de
proefnemingen van wintringham alle andere
soortgelyke vliezen in het menschelijk lichaam in
sterkte ver te boven streeft.

[Seite 85] Dat het harte zakjen behoore tot de deelen van
het hoogste gewicht, kan men zelf daar uit op-
maaken, om dat het zich even zo wijd schijnt uit-
testrekken onder de classen der Dieren, welke van
rood bloed voorzien zijn, als het hart zelf*),
en naauwlijks heeft men een of twee voorbeelden
van het menschelijk hart, het welk geheel en al
tegen de Natuur aan ontbloot was van het harte
zakjen, hoedaanig dat is, waar van dinkler meld†).

§. 114.

[Seite 86]

Het hartezakjen is vochtig van weyachtigen
daauw, welke de slagaderlyke vaatjens van het hart
zelve schynen uit te waassemen, en een diergelijk
vocht schijnt op de zelfde wyze door te zypelen in
de holligheden zelve van het hart, en aldaar de
wanden te besmeeren.

Beide die vochten, zijn in eenen gezonden staat
van eene weyachtigen aart, waarop niet anders dan
wanneer het hart ontstoken is, ook een uitzype-
lend stremmend water volgt, ’t welk op de buitenste
oppervlakte van het hart, de zo genaamde haairen,
en de te zaamengroejingen van het harte zakjen met
het hart zelf, en in deszelfs binnenste holten de
waare zo genoemde bloedproppen (polypi) voord-
brengt.


X. AFDEELING
over
de krachten, die het bloed
voordstuuwen
.

[Seite 87]

§. 115.

Tot dus verre de werktuigen, waarin het bloed
bevat wordt overwogen hebbende, moeten wy nu
van de krachten, waar mede die werktuigen voor-
zien zijn, om den omloop van het bloed te be-
vorderen, handelen.

En wel voor eerts zullen wy die krachten na-
spooren, welke in het hart zijn, en buiten twy-
fel voor de voornaamste en verre de grootste van
allen gehouden moeten worden. Daar na zul-
len wy overgaan tot die van de tweede soort, en
tot de hulp aanbrengende, welke wy zien zullen
dat de werkingen van het hart niet weinig onder-
schraagen.

§. 116.

Dat de krachten van het hart niet naauwkeu-
rig kunnen bereekend worden, zal ligtelijk bly-
ken, wanneer men aanmerkt, dat noch de
stroom door het in eenen polsslag uitgedreven
bloed, noch de uitgestrektheid, welke deze uit-
gedreven stroom doorloopt, noch de rasheid van
[Seite 88] tijd, welke hy in zynen loop beezigt, naar den
eisch kunnen bepaald worden, en dat veel min-
der noch eene vaste reekening kan opgemaakt wor-
den van de beletselen, welke wederom veel aan
de krachten van het hart ontnemen enz.

§. 117.

Het vermogen van het hart kan evenwel ten
naasten by beoordeeld worden, wanneer men te
zaamen vergelijkt, ’t geen wy aangaande alle deze
dingen, met eene waarschynelyke gissing weten;
dus b. v. indien wy den middelweg (§. 23.) hou-
dende de hoeveelheid van het bloed stellen op
33 = 396 oncen; en het getal der polsslagen
brengen tot = 75 in ééne minuut, of 4500 in elk
uur (§. 108.): en wy gelooven, dat by elke te
zaamentrekking van de linker holligheid van de-
zelve uitgedreeven worden 2 oncen bloeds; dan zal
volgen, dat de geheele masse van het bloed by-
kans in ieder uur 22 3/4 maal door het hart heenen
loopt.

De kracht nu, waarmede dit doorloopend
bloed voordgedreven wordt door het te zaamen-
trekkend vleesch van het hart, kan men ten naas-
ten by nagaan uit het ontzaglijk geweld en de aan-
merklyke hoogte, waar mede het bloed, wan-
neer de dicht by het hart liggende slagader ge-
wond is, uit dezelve springt, het welke ik b. v.
uit de kropslagader (carotis) van een volwasschen
[Seite 89] mensch by de eerste te zaamentrekkingen van het
hart, ten minste boven de vijf voeten hoog heb
zien springen*).

§. 118.

Maar by aldien men wyders de bronnen wil
ontdekken, welke aan het hart zo groot en eene zo
onafgebroken en zo langduurige kracht mededeelen,
[Seite 90] dan zal men de eerste en voornaamste oorzaak in des-
zelfs prikkelbaarheid (irritabilitas) moeten zoeken
(§. 44.), waar door naamelijk, gelijk bewezen
is*), met opzicht tot de langduurigheid van de-
zelve (§. 89.), het alle de overige spierachtige
deelen van het menschelijk lichaam verre weg zal
overtreffen.

En wel dat de wanden der holligheden zelve
door eenen aangevoerden bloedstroom gaande ge-
maakt en aangezet worden tot het ondergaan van
eene te zaamentrekking, blijkt door de beroem-
de proefneming van haller, waar van wy
voorheen in het voorbygaan gewag gemaakt heb-
ben (zie bladz. 81. noot *)) en by welke hy naar
willekeur, ’t zy aan de rechter, ’t zy aan de lin-
ker deelen van het hart, de beweging langer kon-
de gaande houden, naar maate hy naamelijk aan
de deelen van de eene of andere zyde ’t eerst
derzelver prikkel, te weten het bloed, ontnomen
had†).

§. 119.

[Seite 91]

De hoeveelheid van het bloed behoorlijk, en
de hoedaanigheid daar van ongeschonden zijnde,
gaat de werking van het zelve op het hart, en
de terugwerking van het hart op het bloed zo
gelijkvormig en met zulk eene regelmaatige ge-
makkelijkheid voord, dat een zich in rust bevin-
dend mensch, naauwlijks eenig gevoel van den om-
loop des bloeds hebben kan.

Maar by aldien het hart overstelpt wordt door
te veel bloeds, of gebrek heeft aan het zelve,
voornaamelijk, wanneer ’er vreemde stoffen van
allerlei aart b. v. ziekelyke smetstoffen, of eene
veerkrachtige lucht, of artzenyen in de aderen
gespoten enz. met dat levensvocht vermengd zijn,
wordt het hart daardoor of sterk tegen natuurlijk
aangedreven, of verzwakt, en onbekwaam ge-
maakt tot het behoorlijk waarnemen van zyne
verrichting en wijkt dus op veelderleie wyzen
van den bestemden weg zyner beweginge af, ja
zelf kunnen zulke vreemde dingen, als lucht in
de aderen geblazen enz. het werkeloos hart van
een pas gestorven dier wederom in beweging bren-
gen.

§. 120.

Ondertusschen is men het zelf nu nog niet eens
of die groote prikkelbaarheid (irritabilitas) van
het hart, in deszelfs vleeschvezelen zy geves-
[Seite 92] tigd, dan of zy veel eer moet worden afgeleid
van eene bykomende oorzaak, en wel, gelijk ee-
nige beroemde mannen gemeend hebben, van den
invloed der zenuwen op de zelve? Wy zullen
beneden gelegenheid hebben, om overdat gehee-
le verschil te handelen, wanneer wy aan het leer-
stuk van de prikkelbaarheid der spieren zullen ge-
komen zijn, waarop het zyne naaste betrekking
heeft. Het zy ondertusschen hier genoeg, te mel-
den, dat wy dagelijks meer en meer overreed
worden, dat de prikkelbaarheid eene geheele by-
zondere soort van levenskracht is, die alleen aan
de spiervezels eigen is, en wel degelijk moet on-
derscheiden worden van de kracht der zenuwen
(§. 44. 45.) en dat van de andere kant het buiten
allen twyfel schijnt te wezen, dat de zenuwen
ook boven dien nog een vrij groot vermogen heb-
ben op de werking van het hart, ’t welk blijkt zo
wel uit de byzondere gesteldheid van de hart-
zenuwen, en derzelver weekheid, naaktheid als
het ware, en byzondere schikking haarer vlech-
ten*), daar en boven ook voornaamelijk uit de
[Seite 93] zeer groote overeenstemming van het hart, met
verre de meeste verrichtingen, zelf van geheel
verschillende aart, in het menschelijk lichaam.

Om nu zulks te bevestigen zal het, om kort
te gaan, genoeg zijn, alleen maar op te noemen
de oogenblikkelyke medelydenheid (sympathia)
met het hart in alle de gemoedsaandoeningen tot
een toe, zelf in den gezondsten mensch, als mede
die van de eerste wegen in veele soorten van ziek-
ten.

§. 121.

Maar behalven deze levenskrachten van het
hart, heeft het ook nog een werktuigelijk ver-
mogen, afhangende van deszelfs maaksel, ’t welk
insgelijks niet weinig schijnt toetebrengen tot het
ondersteunen van den omloop des bloeds. Want
de holligheeden van het hart door haare te zaa-
mentrekking vernaauwd, en het bloed daar uitge-
dreven zijnde, onstaat ’er een ledig ruim, in
het welk volgends de bekende wet van afleiding,
het naast by zijnde bloed moet loopen: want de-
wijl de klapvliezen het terugloopen van den voord-
gedreeven stroom beletten, schiet ’er niets ove-
rig, dan dat zy het bloed uit de stammen der ade-
ren komende, inzwelgen als het ware en opslik-
ken*).

§. 122.

[Seite 94]

Thands zijn wy nu gekomen tot het onderzoek,
welke krachten de overige werktuigen, die, be-
halven het hart zelf, tot de rondvoering des bloeds
geschikt zijn bezitten (dusdaanige mogen wy reeds
by bespiegeling gelijk men het noemd, vermoe-
den, daar het weinig waarschynelijk schijnt te we-
zen, dat de Natuur de hoofd verrichting, waar van
het leven der bloedbezittende dieren het naast
afhangt, alleen maar aan één werktuig zoude toe-
vertrouwd hebben, wiens gebreken als dan al te
ligt noodlottig hadden moeten zijn voor dezelve):
Want het aanwezen van diergelyke krachten, wei-
te men behulpzaame kan noemen, en die de wer-
kinge van het hart verlichten of somwylen byna ge-
heel kunnen vergoeden, wordt door meer dan een
bewijs betoogt, hiertoe by voorb. behoord de be-
weging van het bloed in zulke deelen, tot welke
de krachten van het hart zelf ter naauwernood
zullen kunnen doordringen, hoedaanig de beweging
is, die men in het aderlijk stelsel van de lever,
of in de moederkoek bespeurt; opdat ik niet spreeke
van zeer veele voorbeelden van vruchten, welke
zonder eenig bewijs van het hart geboren zijn*) enz.

§. 123.

[Seite 95]

Hier toe schynen ook inzonderheid de ver-
richtingen van de slagaderen te behooren, wier
vermogen in het bevorderen van den omloop des
bloeds niet gering is, alhoewel de waare wyze en
manier van werken op het bloed nog niet duide-
lijk genoeg kan betoogd worden.

Want in het algemeen hebben de slagaderen
geene geringe overeenkomst met het hart zelf:
b. v. dat zy eenen spierachtigen rok hebben, zulks
is zeer bekend (§. 72. 2.).

Verders kan men niet onkundig zijn, door de
voortreffelyke proeven van den beroemden ver-
schuir,
dat zy eene prikkelbaare natuur heb-
ben*).

En gelijk de harts-zenuwen met betrekking
tot het hart zelf in byzonder verband staan, zo
worden ook hier en daar†) de voornaamste tak-
[Seite 96] ken van de slagaders omringd door wonderbaare
netten van zagte zenuwen*).

§. 124.

Eindelijk is ’t niemand onbekend, dat de slag-
aders kloppen en wel zo hevig slaan, dat by
voorb. de polsslag der knieslagader, indien wy de
eene knie op den anderen leggen niet alleen de
knie zelf kan doen opspringen, maar ook een nog
veel grooter gewigt te gelijk met dezelve oplig-
ten; ja ook wordt sinds langen tijd de plotselyke
te zaamentrekking zo wel als de schielyke ver-
slapping aan dezelve toegeschreven, welke men
zegt, dat met de beurtelingse beweging van het
hart in verband staat.

Doch alschoon men gemeenlijk denkt, dat dit
laatste bevestigt wordt door de bloote getuigenis
der zinnen, zelf is het evenwel niet buiten allen
twyfel, inzonderheid†) wanneer men vraagt, of
deze opspringing, welke men gewaar wordt, als
men met de vinger voelt, zy toe te schryven aan
aan de eigenlyke kracht van de slagaderen, dan
alleen aan den aandrang van het hart, zo dat de
beweging van de slagader, alleen afhange van dat
[Seite 97] geweld, waar door het bloed uitgedreven wordt in
de groote hartader, en derzelver zyden drukt.

De ontleedingen van levendige dieren zijn niet
genoegzaam om dit geschil te beslissen, want het
gebeurt somtijds by deze proefnemingen in levendi-
ge dieren, die warm bloed hebben, dat grotere slag-
aders dan eens kloppen, dan wederom op eenen an-
deren tijd geheel onbeweeglijk gezien worden*).
Somtijds heeft men gelegenheid gehad van op te-
merken, dat in een levend mensch zelf, de naast
elkander gelegen stammen van de groote slagader
en van de longslagader geene beweging hadden:
dan in een gedrochtelijk maaksel, ’t geen men in ’t
oog moet houden, had zulks plaats. ’Er zijn ook
slagaderen, die wy dikwijls geweldig voelen slaan,
daar ze evenwel, gelijk de ontleedkunde leert, on-
beweeglijk zijn, hoedaanige de brein-kropslag-
ader (carotis cerebralis), in de buis van het steen
been (os petrosum) vastgehegt, is.

§. 125.

Alles dan rypelijk overwogen zijnde, schijnt
de zaak daarop uit te komen, dat de uitzetting
aan de groote slagaders uit haaren aart eigen zy,
en dat dezelve toeteschryven zy aan het bloed,
’t welk met hevigheid aanstroomt, waar door der-

[Seite 99]

[Seite 98 fehlt in der Vorlage]dige inzonderheid whytt*), vast stelden, dat
de krachten van het hart in geenen deele konden
komen tot de bloedvoerende vaaten van de kleinste
soort, te weten tot de uiteindens van de slagaderen,
en de worteltjens van de aderen, schreven zy den
voordgang van het bloed in dat gedeelte van het
vaatgestel aan eene zekere slingering van de klein-
ste bevattende vaten toe, waar door het bevatte
wierd voordgedreven, ook hebben zy die zelfde
vezelachtige beweging niet ongeschikt gebruikt,
om de natuur van de ontsteeking te ontvouwen enz.

En waarlyk ’er zijn ook verschijnsels van meer
dan eene soort zo wel natuurkundige, daar wy van
gewaagen zullen by het behandelen van de dierlyke
warmte, als ook ziektekundige, die in kramptrek-
kingen, vooral die in de koorts plaats hebben, op-
gemerkt kunnen worden, welke zulk een slinge-
rend vermogen schynen te begunstigen, ofschoon
men daarvan zelf met een vergrootglas niets kan
ondekken in de ontleeding van levende dieren.

§. 127.

Nu blijft ’er nog overig om te onderzoeken
de hulpmiddelen, welke de aderen, behalven der-
zelver worteltjens, nog opleveren om het bloed ein-
[Seite 100] [Fehlbindung in der Vorlage. Textchronolgie wurde im XML korrigiert.]delijk naar het hart te rug te voeren. En het
schijnt in den eersten opslag, dat zich in de aderen
veel minder werkende krachten bevinden, dan in
de overige deelen van het bloedvoerend gestel;
ja zelf wat meer is, dat het terugloopen naar het
hart van het levensvocht in dezelve bevat, wel
inzonderheid aan den aandrang van het slagaderlijk
bloed, dat van agteren aankomt zetten, en aan het
klapvliezig maaksel van dezelve, het welk den te-
rugloop van het bloed belet, moet toegeschreven
worden, dewijl de kracht van die klapvliezen om
den stroom des bloeds te bevorderen, blijkbaar
is uit den stilstand en de opproppingen, wel-
ke eigen zijn aan die adergestellen van den onder-
buik, die geene klapvliezen hebben*), maar ook
wordt het door meer dan een bewijs waarschyne-
lyker, dat ’er zich des niettegenstaande in de stam-
men der aderen mede eenige levenskrachten be-
vinden, gelijk blijkt uit het voorbeeld van de le-
ver aders, en die van de moederkoek (§. 122.) enz.

Ook is het niemand onbekend, dat de proef-
nemingen door den beroemden verschuir hes
eerst werkstellig gemaakt voor de levenskracht der
aderen pleiten. En dat in de daad zich zo een spier-
achtige laag in de hoofdstammen der aderen zoude
bevinden, hebben wy boven (§. 84.) aangestipt.

[Seite 101]

§. 128.

Dit nu zijn wel de voornaamste krachten, die
het bloed voorddryven, afhangende van het
maaksel zelf der vaten, die het bloed bevatten:
want ik zwijg van die krachten, welke by voorb.
de zwaarte of de aantrekking of andere diergely-
ke aan de lichaamen gemeen zijnde eigenschappen
op het zelve kunnen uitoeffenen.

Ook wil ik niet spreken van de meer verwy-
derde ondersteuningen van deze verrichting, wel-
ke in een mensch na de geboorte ontstaan, uit an-
dere werkingen zyner natuur, by voorb. uit de
ademhaaling of beweging der spieren.


XI. AFDEELING
over
de ademhaaling
en derzelver
voornaamste nuttigheid.

[Seite 102]

§. 129.

De longen welke zeer naauw verknocht zijn met
het hart zo wegens de nabyheid van plaats*), als
wegens de onderlinge gemeenschap van werking,
zijn twee ingewanden, welke in een geboren
mensch zeer groot zijn, maar ligt naar maate van
de grootte, zo dat zy op het water dryven, be-
staande uit een sponsachtig, en als het ware schuim-
achtig, doch tevens vry taai, weefsel (parenchy-
ma
)†).

§. 130.

[Seite 103]

De longen vervullen beide de borsthollighe-
den, zy leggen naast aan de zakken van het rib-
bevlies*), na welke zy zich zo wel als na de
overige in de borstholligheid gelegen deelen, even
als na haare vorm voegen en schikken.

§. 131.

[Seite 104]

Zy hangen als het ware aan de luchtpijp, ge-
meenelijk de luchtader (aspera arteria) genoemt,
welke, behalven de binnenste rok besmeerd met
slijm, en de daar onder liggende zenuwachtigen
rok, die zeer gevoelig is, ook nog bestaat uit den
spierachtigen rok, welke den zenuwachtigen rok
omvat, en, behalven het agterstegedeelte met ge-
kromde kraakbeenige boogen van een onbepaald
getal voorzien is.

§. 132.

Deze luchtader nu, na dat zy in de borst-
holte ingetreden is, splitst zich eerst in tweeën,
en verdeelt zich in de stammen van de longpijp-
jens (bronchia),
doch deze, naar dat zy dieper in
de kwabben en kwabbetjens der longen indringen
gaan by eene herhaalde verdeeling al langzaamer-
hand over in takken, en deze weder in takjens:
terwijl de kraakbeenige ringen tevens zo wel als
de spierrok verdwynen, tot dat zy ten laatsten
aan hunne uiterste einden in die zelfde celletjens
eindigen, welke de grootste, de voornaamste zelf-
standigheid der longen uitmaaken, als welke beur-
telings den adem, dien wy haalen, ontvangen en
uitlaaten.

§. 133.

Deze luchtcelletjens intusschen, schynen noch
[Seite 105] eenerlei gedaante, noch grootte*) te hebben, de
gedaante is gemeenlijk veelzydig, de grootte,
indien men let op het bestek van derzelver op-
pervlakte kan naauwlijks bepaald worden†). Maar
zo men de vatbaarheid beschouwd, zal dezelve in de
longen van een volwasschen mensch die sterk, in-
adem duitkomen op omtrent 60 cubioque duimen,
want de buitenmaatige grootheid, waartoe de op-
geblaazen longen in de geopende borst zich kunnen
uitzetten, komt hier niet te pas.

§. 134.

Deze luchtcelletjens worden omgeven en met
elkanderen verbonden door dat zelfde zeer teder cel-
achtige weefsel, ’t welke wy weten dat den gemee-
nen band uitmaakt van het geheele lichaam; doch men
moet de celletjens van beiderlei soort wel degelijk
onderscheiden. Ik heb die luchtcelletjens in gezonde
en zeer versche menschen longen zo onderscheiden
gezien, dat de lucht in het dunste takjen van de
longpijpjens voorzichtig geblaazen zijnde, een by-
zondere plek van celletjens uitzettede, doch geen-
[Seite 106] sint daarom doordrong tot in de daar naastgele-
gen celletjens, of de gemeene celachtige webbe,
welke tusschen die luchtcelletjens gelegen is.
Maar zo men de lucht sterkt aanperst, zal zy na
het barsten van de luchtcelletjens en het verwar-
ren van dezelve met de hen omringende celach-
tige webbe, gemakkelijk van zelf door dezelve
gaan, en in dit geval zal de gantsche long schy-
nen opgeblazen te worden.

§. 135.

Door dit allertederst celachtig vlies, ’t welk
tusschen de luchtcelletjens der longen inlegt, krui-
pen tallooze takjens van long vaten van beiderlei
soort, te weten van de slagader (Plaat I. f. g. h.)
en van de vier aderen (Plaat I. i.) wier takken de
takken der longpypen vergezellen*), maar daarna
loopen zy by eene zo menigmaal herhaalde ver-
deeling ten laatsten uit op een zeer groot getal van
netsgewyze inmondingen (anastomoses) van een zeer
groote fijnheid. Deze netjens, welke van een
wonderbaar maaksel zijn, dringen van alle kanten
door die celachtige web heen, omringen ten naauw-
sten de luchtcelletjens, zo dat de aanmerkelyke
masse van bloed, welke met eenen onafgebroken
gang die vaatjens doorloopt, alleenlijk door zeer
dunne vliesjens, (welke hales stelt, dat naauw-
lijks het duizendste gedeelte van eenen duim in de
[Seite 107] dikte haalen) afgescheiden zy van de aanraaking der
ingeademde lucht.

§. 136.

Maar gelijk wy gezien hebben dat elk tak-
jen van de longpijpjens een eigen tros als het
ware hebbe van luchtcelletjens (§. 134.) zo schijnt
ook elk celletjen van ieder takjen een eigen te
zaamenstel als het ware van bloedvoerende vaat-
jens te bezitten, wiens takjens onderling wel in
die wonderbaare netjens gevestigt zijn, doch wel-
ke naauwlijks eenige gemeenschappelyke inmon-
ding schynen te hebben met de vaatjens van de
nabygelegen trosjens. Dit leeren, zo ik my niet
bedriege, zo wel de Microscopische waarneemin-
gen op de longen van levendige Kikvorschen en
Slangen in het werk gesteld, als de behendige
opspuitingen van menschen longen; zelfs leeren
dit ook de verschijnselen in ziekten, welke men
kan bespeuren in zweeren en andere soortgelyke
plaatselyke gebreken der longen.

§. 137.

Eindelijk moet ik noch melding maaken van
een aanzienlyke toestel van watervaten, welke wel in
zonderheid den gemeenen rok, die de longen omgeeft
netsgewyze bekleeden, en waartoe talryke water-
klieren (conglobatae) behooren, wel degelijk van
eene andere soort van nabuurige klieren, welk men
de longepijpjens klieren noemt, te onderscheiden,
[Seite 108] waar mede zy gemeenelijk, doch verkeerd, ver-
ward worden*).

§. 138.

De borst (thorax) welke de longen bevat, be-
staat uit eenen grondslag van been en kraakbeen,
eenigsins gelijk aan een kouw, ’t welk in ’t al-
gemeen vry sterk en vast is, zodaanig echter, dat
deszelfs meeste deelen, meer of min gedwee, be-
kwaam zijn tot de bewegingen, welke de adem-
haaling vordert†).

[Seite 109] Dit heeft voornaamelijk plaats in de zes paa-
ren van de waare ribben, welke onder het bo-
venste paar geplaatst zijn en dies te bewegelyker
zijn, hoe laager of hoe langer zo wel hunne lichaa-
men zelve als derzelver kraakbeenige aanhang-
sels zijn, door welke zy aan beide de zyden
met de randen van het borstbeen door eene twy-
felachtige gelediging (amphiarthrosis), vereenigd
zijn.

§. 139.

Tusschen de randen van deze ribben ligt een
dubbelde laag van tusschenribbige spieren wel
verschillend in richting van vezelen, doch vol-
komen tot een en dezelfde werking zaamenspan-
nende.

Onder de basis intusschen van de gantsche
kouw, is op de wyze van een gewelf het mid-
delrif (diaphragma) gespannen*), eene aanmerk-
lyke spier, en die, op dat ik de woorden van
haller gebruike, na het hart ver de voornaamste
[Seite 110] is, wiens verrichtingen ten opzichten van het werk-
tuigelyke der ademhaaling, gelijk de groote gale-
nus
*), door zyne uitmuntende ontleedingen van
levendige dieren, reeds voor lang betoogd heeft,
inzonderheid schynen aftehangen van de middelrift
zenuwen (nervi phrenici)†).

Doorgaans werkt het door eene beurtelings te-
genstrydige beweging met de onderbuiksspieren,
inzonderheid met de schuinsche (obliqui) van beide
de soorten, en met de dwarsche (transversi).

§. 140.

De borst in deze gesteldheid dan zijnde,
wordt in een levend mensch beurtelings by elke
inademing verwijd, doch by de daarop volgende
uitademing, wederom vernaauwt, en zy wordt
wel inzonderheid by de inademing zydelings, en
nederwaards verwijd, zo dat de lichaamen van
die ribben, waar van wy gesproken hebben (§. 138.)
[Seite 111] opgeheven worden en der zelver beneden rand ee-
nigsins naar buiten wordt gekeerd; doch zo dat het
gewelf van het middenrif tevens een weinig neer-
gedrukt en vlakker wordt; doch dat het borst-
been op dien zelfden tijd met zijn onderst ge-
deelte voorwaards zoude worden uitgezet, gelijk
men beweeren wil, zulks heb ik in de geruste
ademhaaling van een gezond mensch nooit kunnen
bespeuren.

§. 141.

Deze beurtelingse beweging nu van de borst-
holte, heeft in een gezond en onbelemmerd
mensch, van het geboorte uur tot aan den laat-
sten levensadem toe, geduurende het gantsche le-
ven ten dien einde plaats, op dat de longen zelve
door eene insgelijks onafgebroken beurtwisseling
ter ontvanging van de lucht uitgezet, en daar na
ter weder uitlaating van dezelve zouden kunnen
genoodzaakt worden.

§. 142.

De mensch immers ligt met de overige dieren,
welke warm bloed hebben, onder die noodzake-
lijkheid, dat hy de ingeademde lucht niet lang
kan inhouden, maar dezelve een weinig daarna
wederom moet uitlaten en verwisselen met eene
versche teug van dit levensvoedsel, gelijk van de
[Seite 112] oudste tyden af de lucht reeds genoemd wierd*).

Want het blijkt uit de dagelijksche onder-
vinding, dat de ingeademde en in de longen be-
sloten lucht, ofschoon dezelve zeer zuiver was,
in een oogenblik tijds zulke aanmerkelyke veran-
deringen ondergaat, dat zy daar door ten eene-
maale besmet, en, niet ververscht zijnde, voor
eene herhaalde inademing ongeschikt wordt ge-
maakt†).

§. 143.

[Seite 113]

Maar de vraag is, van welken aart dan deze
veranderingen zijn, welke de ingeademde lucht
in de longen ondergaat, en die men geensins,
gelijk eertijds geschiedde, ik weet niet uit welk
verlies van veerkragt (elater), maar uit eene ont-
binding van de hoofdstoffen, zal mogen afleiden.
Want de dampkrings lucht, welke wy in ade-
men, is een gantsch zonderling mengsel van groo-
telijks van elkanderen verschillende soorten van
hoofdstoffen, als welke (op dat ik zwyge van zo
veele vreemde (heterogenea) dingen, hoedaanige
by voorb. zijn, de lucht gelykende zaadtjens van
de eenvoudigste plantjens, derzelver geurige uit-
vloeiselen, het bloemmeel, en duizend andere
dingen, die gemeenlijk in den dampkring zwee-
ven) altoos meer of min bezwangerd is met wa-
terachtige dampen, en nooit ontbloot is van electri-
sche en magnetische stof; en die zelf eindelijk,
ofschoon men alle het gemelde voorby ziet, ech-
ter wederom uit eene luchtvormige zelfstandig-
heid van meer dan eene soort, naamelijk uit eene
van brandstof ontbloote (dephlogisticatus) en met
brandstof bezwangerde (phlogisticatus) en vaste
(fixus) lucht, is te zaamgesteld.

De evenredigheid intusschen van deze hoofdstof-
fen verschilt veel naar het verschil der plaatsen, en
[Seite 114] naar gelang der lichaamen, inzonderheid der
bewerktuigde lichaamen, welke in dezelve leven:
men stelt ondertusschen gemeenlijk dat ’er door-
gaans in de lucht van den dampkring omtrent
1/4 gedeelte van gedephlogisteerde, en 11/16 deelen ge-
phlogisteerde, en 1/16 vaste lucht*) aanwezig zijn.

§. 144.

Want het is bekend, dat by iedere ademhaa-
linge, dat vierde gedeelte van de gedephlogi-
steerde lucht ontbonden, en voor een groot ge-
deelte met gephlogisteerde en vaste lucht ver-
wisseld wordt; zodaanig, dat de wederom uitge-
ademde lucht in een glas behoorlijk opgevangen,
de vlam of gloeiende koolen, daarin geworpen, ten
schielijksten uitbluscht, kalk uit deszelfs water
[Seite 115] nederploft, en de lucht van den dampkring vet
in specifique zwaarte overtreft*) enz.

§. 145.

[Seite 116]

Het is waarschynelijk, dat de vuurdeeltjens
der gedephlogisteerde lucht, door die ontbinding
in de longen vrygelaaten, zich in het slagaderlijk
bloed begeven, en dus door het lichaam heen
gevoerd worden, en dat de basis integendeel van
de vaste lucht met de brandstof (phlogiston), en,
het aderlijk bloed na het rechter hart wordt te rug
gevoerd, en als roetdamp (gelijk de Ouden plagten
te spreeken) door de longen wordt uitgedreven*).

Het levendiger rood van het slagaderlijk
bloed†), de donkerer koleur integendeel van het
aderlijk bloed, en de overeenkomst der koleuren,
welke aan het bloed medegedeeld worden, indien
het aan de soorten van lucht, waar van wy hande-
[Seite 117] len (§. 16.) wordt blootgestelt, strooken met dit
alles uitmuntend wel.

§. 146.

Wyders is in ’t algemeen het bloed van bei-
derleie soort minder verschillend van elkanderen
in eene vrucht, dan in een mensch, welke reeds
adem gehaald heeft, om dat de eerstgemelde noch
door zyne eigen longen geene, met vuur voorziene,
lucht geschept heeft. Dan, na dat het kind gebo-
ren is, schynen het nieuw gevoel van de onge-
woone hoofdstof, waarin het tot hier toe in ’twa-
ter levend dier gebragt wordt, en zo veele andere
ten eenemaal nieuwe prikkelingen gelegenheid te
geven tot de nieuwe lichaams bewegingen, en wel
inzonderheid tot de uitzetting van de borsthollig-
heid, en dus tevens tot de eerste inademing.

De longen intusschen door deze eerste inade-
ming uitgezet zijnde, wordt ’er voor het bloed
eenen nieuwe weg door dezelve gebaand, zo dat
het van de navel vaten afgeleid naar de borsthol-
ligheid gevoerd wordt.

Door dien echter die ingeademde lucht, door
de gemelde ontbinding van haare hoofdstoffen
schaadelijk, en voor de longen hinderlijk gemaakt
wordt, schrijf ik aan de eenvoudigste poogingen
der zich genezende Natuur, de daarop volgende
beweging toe, waar door zy de besmette, en als
’t ware bedorven, lucht wederom uitdrijft, en
verwisselt met eene versche teug van lucht.

[Seite 118] Dit bygebrachte, inzonderheid zo men be-
denkt het groot vermogen van de ademhaaling ten
opzichte van den omloop des bloeds, ’t geen zelfs
uit de zeer bekende proeve van hooke*) be-
wezen is, schijnt my toe het voorstel van har-
vey
†) veel beter te verklaaren, dan meest
alle de andere poogingen, door welke de Na-
tuurkundigen dien knoop hebben zoeken lostema-
ken§).


XII. AFDEELING
over
de stem en spraak
.

[Seite 119]

§. 147.

Het voornaamst gebruik van de ademhaaling,
hebben wy afgehandeld. Want het geen deze
toebrengt ter vermenging van de gijl met het bloed,
en in verschillende andere opzichten tot de ge-
heele classe van natuurlyke werkingen, zal op eene
andere plaats behandeld worden. Nu zullen wy
overgaan tot derzelver overige nuttigheden.

En wel voor eerst tot de stem, welke aan een
geboren mensch*) eigen is, en uit de longen
voordkomt, gelijk aristoteles reeds voor lang
met recht heeft aangemerkt, daar hy aan geene die-
ren geluid toekent, dan aan dezulke, die met de
longen ademhaalen. Want het geluid komt eigen-
lijk voor onder den naam van stem, die door mid-
del van de uitgeblaazen lucht wordt gevormd in
een werktuigjen vol van groote kunst, ’t welk op
[Seite 120] de luchtpijp geplaatst is, even als een capiteel op
eene zuil*).

§. 148.

Dit werktuigjen bestaat uit verschillende kraak-
beenen, in den vorm als ’t ware van een kast-
jen te zaamen vereenigd†), welke met een’ groo-
ten en wonderbaaren toestel van spieren voorzien
zijnde§), zo wel alle by elkanderen genomen,
als eenige van dezelve afzonderlijk, naar de ver-
scheidenheid van stem, beweegbaar gemaakt zijn.

§. 149.

Doch het voornaamste deeltjen, boven ande-
ren dienende, om de stem te maken, is de gor-
gelspleet (glottis), de vernaauwde mond van de lucht-
pijp, waar voor het strotlapjen (epiglottis) als ’t
[Seite 121] ware hangende geplaatst is. Want dat lucht uit
de longen gedreven en tegen de randen van deze
opening behoorlijk aanstootende, geluid maakt, lijdt
geen de minste tegenspraak.

§. 150.

Maar hier over is eigenlijk verschil, welke
veranderingen het gorgelspleetjen zelf ondergaat
om de stem te buigen? of ’t naamelijk beur-
telings verwijd, en wederom vernaauwd wordt?
welk gevoelen, na galenus door dodart be-
weerd is, dan wel of de verscheidenheid van stem af-
hange van de spanning en ontspanning der banden van
’t zelve, gelijk ferrein heeft staande gehouden.

De laatsgemelde vergeleek dan het werktuig
van de stem by een snaartuig, de eerstgemelde by
eene fluit, of orgelpijp.

Dan alles wel met elkanderen vergeleken heb-
bende, geloove ik, dat de stemvormende gorgel-
spleet de veranderingen van beiderleie soort onder-
gaat, zo echter, dat de veranderingen, welke door
de spanning van de banden, inzonderheid van de
onderste zijdlingse banden van de luchtpijp (thyreo-
aritenoidea inferiora
) (welke de stemsnaaren van fer-
rein
zijn) worden veroorzaakt, de voornaamste
schynen te wezen*).

§. 151.

[Seite 122]

Doch dat al die beweeglijkheid van de gor-
gelspleet, van welken aart dezelve ook zy, door
talryke spieren, die tot den gorgel behooren, be-
stierd wordt, blijkt uit de fraaie proefneming, waar
door men naamelijk, ’t zy door de terugloopende
(recurrentes), ’t zy door de zwervende (vagi) ze-
nuwen te binden of door te snyden, de stem der
dieren of verdooven, of geheel benemen kan*).

§. 152.

De mensch heeft het gepiep met de zingende
vogels gemeen. Deze hebben ten dien einde het
strottenhooft in beide de uiterstens van de long-
pijp in tweeën verdeelt: dan de mensch, alhoewel
hy slechts met een algemeen strottenhooft voor-
zien is, heeft echter, zo het my voorkomt, door
[Seite 123] de vernaauwing der lippen die diertjens leeren
nabootsen*).

§. 153.

Wat het gezang betreft, ’t welk te zaamen-
gesteld is uit de spraak en eene overeenstemmende
(harmonische) buiging der stem, deze zoude ik
zeggen, dat den mensch eigen ware, en houden
voor het voornaamste voorrecht der werktuigen
van deszelfs stem. Het gefluit immers is der vo-
gelen aangeboren. Ook leeren soms zeer veele
vogels, ja zelfs ook honden eenigsins woorden
uitspreken. Dan of zulks omtrent het waare zin-
gen wel ooit in de redelooze dieren gelukt zy,
daar aan twyfel ik zeer, terwijl ik integendeel
geloove, dat ’er bykans geen volk, hoe woest
ook, in wezen zy, aan het welk het zingen niet
eigen is†).

§. 154.

[Seite 124]

De spraak zelve is eene byzondere buiging
van de stem, wanneer dezelve, wel inzonderheid
met behulp van de tong, als mede door middel
ten deele van de lippen, tanden, gehemelte en de
neus, gebogen wordt, tot de formeering van let-
teren.

Hier uit blijkt het onderscheid tusschen de
stem, en de spraak, daar de stem geformeerd wordt
in het strottenhooft zelf; doch de laatsgemelde
wordt, zo men eenige weinige voorbeelden van
Volken uitzondert (by voorb. de Chineezen, by
welke de letters zo ’t schijnt onderscheiden wor-
den door een hooger of laager buiging van toon)
gevormd door eene byzondere werking der ove-
rige werktuigen, waar van wy gesproken heb-
ben.

Wyders hebben de redelooze dieren de stem
gemeen met den mensch, ook is zy eigen aan
een pasgeboren mensch, zelf heeft ze plaats in
ongelukkige kinderen, welke onder de wilde bees-
ten zijn opgevoed; en in die geene, welke doof
[Seite 125] geboren zijn, ontbreekt ze niet geheel en al.
Dan de spraak volgt intusschen alleen de beschaafd-
heid van het verstand, en het gebruik, en daarom
is zy niet minder, dan de stem zelve, den mensch
alleen in het geheele rijk der dieren, als een voor-
recht, eigen. Voor de dieren immers is de Na-
tuurdrift (instinctus), waarmede zy van de Natuur
voorzien zijn genoeg, doch den mensch, die ont-
bloot is van deze en andere hulpmiddelen, om het
leven door eigen krachten te onderhouden, is het
voorrecht van de reden en spraak vergund, door
welker behulp hij, gebruik makende van het ge-
zellig leven, waar toe hij van de Natuur geschikt
is, zyne begeertens kan bekend maaken, en daar
aan voldoen.

§. 155.

De bewerking intusschen zelve zo van de spraak
als vorming der letteren, is in de daad bewonderens
waardig, naar de uitmuntende proefnemingen van
franc. merc. van helmont*), inzonder-
heid door de verdere naspooringen van jo. wallis†)
[Seite 126] en jo. conr. amman*), in veel helderer dag-
licht geplaatst.

Vooral schijnt de verdeelinge der letteren door
amman, I. klinkers (vocales). II. halve klinkers
(semivocales), en III. medeklinkers (consonantes)
overeenkomstig met de Natuur.

I. De klinkers†) verdeelt hy in
α) enkele (simplices) a, e, i, ij, o, u.
En β) gemengde (mixtae) ä, ö, ü.

II. De halve klinkers zijn by hem

α) of neus letters m, n, ng (dat is n, voor de
hoogduitsche g.)

Of β) mond (of tongletters) r, l.

III. De mede klinkers verdeelt hy wederom
in α) siefelende (sibilantes): (of die by opvol-
ging uitgesproken enkele worden) letters h, g,
ch, s, sch, f, v, ph.

β) In die welke men uitspreekt by wyze van
uitstoting (explosivae) k, q, d, t, h, p.

En γ) in dubbelde (duplices) of te zaamengestel-
de x, z.

§. 156.

[Seite 127]

Eindelijk moeten wy ook gewag maaken van
eenige andere buigingen der menschelyke stem,
welke somtijds toevallig, of na eenige gemoeds-
driften, of door heviger aandoeningen van de
werktuigen der ademhaaling pleegen veroorzaakt te
worden: en waarvan de meeste, gelijk het lag-
chen en schreijen, den mensch schynen eigenaar-
tig te zijn.

§. 157.

De meeste van dezelve zijn aan elkanderen
zeer naauw verwant, zo dat de eene dikwils o-
vergaat in de andere: en de meeste vertoonen
zich op meer dan eene wyze enz. In het alge-
meen echter volgen elkanderen in het lagchen,
korte, en als ’t ware afgebrokene nitademingen*).

Het geween verwekt diepe inademingen, wel-
ke schielijk afwisselen met langere en by wylo
afgebroken uitademingen†).

Het gezugt ontstaat uit eene lange en sterke
inademing, terwijl de daarop volgende uitademing
met gesteen (gemitus) soms vergezeld wordt§).

De hoest is een schielyke en een geluidmaken-
[Seite 128] de uitademing, volgende op eene diepe inade-
ming*).

Het niezen is eene geweldiger, en byna stuip-
achtige uitademing, voor welke eene korte en he-
vige inademing was gegaan†).

De hik bestaat, integendeel uit eene geluidge-
vende, zeer korte, en tevens als het ware stuipach-
tige inademing§).

Ook zal men hier toe het geeuwen (oscitatio)**)
kunnen brengen, ’t welk door eene volle, lang-
zaame, en lange inademing met eene gelyke daar-
op volgende uitademing verricht wordt, terwijl
zich tevens de mond wijd openspert, zo dat de
lucht, in de verwyde keel geschept, in de trom-
petten van Eustachius doordringt. Daar en boven
heeft het geeuwen dit eigenaartige, dat het ligt
ter naarvolginge aanzet; waarvan de oorzaak zon-
der twyfel moet gezocht worden in de herden-
king van het aangenaam gevoel uit het geeuwen
gesproten.

XIII. AFDEELING
over
de dierlyke warmte
.

[Seite 129]

§. 158.

En levend mensch heeft met de andere zoo-
gende dieren, en met de vogels dit byzondere boven
de overige dieren, dat derzelver natuurlyke warm-
te van ’t lichaam de gewoone warmte van den
dampkring, waarin zy gewoon zijn te leven, ver-
re overtreft. Dit echter is in den mensch op-
merkelijk, dat hy wel degelijk minder natuurlyke
warmte bezit, dan de andere dieren van de bo-
vengemelde classe, zo dat deze warmte in onze
luchtstreek gemeenelijk omtrent de 90ste graad op
de schaal van Fahrenheit pleeg te teekenen, daar zy
in andere zoogende dieren, en nog meer in de vo-
gelen, dien graad niet weinig te boven gaat*).

§. 159.

[Seite 130]

En die trap van natuurlyke warmte is in een
gezond mensch wel zo bestendig, en zo onafge-
broken, dat ’er in het algemeen, naar de gezond-
heid, welke aan elk eigen is, slechts een gering
verschil van weinige graaden plaats hebbe, of-
schoon ook een mensch blootgesteld zy zelf aan
de koude van het allerkoudste luchtsgestel; of
aan de hitte van eene verzengde luchtstreek, want
de meening van boerhaave, dat de mensch niet
zoude kunnen leven in zulk eenen dampkring,
die in hitte deszelfs natuurlyke dierlyke warmte
te boven gaat, is naar de uitmuntende opmerkin-
gen van den beroemden reiziger, en wel eer Gou-
verneur van Georgien, h. ellis*), van zeer
veele geleerde natuurkundigen met opzet door bij-
zondere proefnemingen†) wederlegt§), ja zelf
[Seite 131] heeft de mensch daarin een groot voorrecht, dat
hy, aan geene waereldstreeken (zonae terrarum) ge-
bonden, de gantsche aarde met de zee, zo ver zy
zich uitstrekt, kan bewoonen, en zo wel de strenge
koude van de Hudsons Baai, waar het kwikzilver
van zelfs bevriest*), of die van Nova Zembla†),
als de brandende hitte van de Kust van Senegal
kan verdraagen.

§. 160.§)

Thands moeten wy onderzoek doen naar den
oorsprong, van dat wonderlijk vuur, waar mede
[Seite 132] wy doortrokken warm zijn: ’t welk, op dat ik
van de droomen der Ouden daar omtrent zwyge,
sommige der laater Schryveren van de electrische
stof, en de zenuwen*), andere, uit de wryving
die uit eene voortgaande beweging van het bloed
sproot†), anderen van de schuuring der vaste
hoofdstoffen§); anderen weder van andere oor-
zaaken, hebben willen afleiden.

§. 161.

Dan alle deze veronderstellingen (hypotheses),
hebben even zo veel moeilijkheid veroorzaakt,
als het leerstuk daar en tegen door zyne eenvou-
wigheid en byzondere welvoeglijkheid met de Na-
tuur verschijnselen zich aanbeveelt, ’t welk de
longen, als de haardstede van de natuurlyke warm-
te, en het gedephlogisteerde gedeelte van de lucht
(§. 143.), welke wy inademen, als deszelfs voed-
sel beschouwt. Van welk leerstuk de beroemde
jo. mayou, als het ware de eerste denkbeelden
[Seite 133] gegeven heeft, doch ’t welk in onze dagen door
den beroemden crawford*) verbeterd, ver-
meerderd, en daar en boven toegelicht is.

§. 162.

Het hoofdzaakelyke van crawfords theo-
rie komt daarop neer, dat de ademhaaling, niet min-
der dan de verbranding, tot de phlogistische be-
werkingen (processus), gelijk men ze noemt, behoo-
re; waar door het phlogiston, in de lichaamen zit-
tende, door het bykomen van het vrye of gevoe-
lig vuur (’t welk van het ingesloten, tot hiertoe
onmerkbaar vuur, wel degelijk moet onderscheiden
worden) wordt uitgedreven.

Want de brandstof (phlogiston) en de vuurstof
zijn twee met elkanderen strydige hoofdstoffen, en
hoe meer ’er van de eene in de lichaamen zit, zo veel
te minder bevind ’er zich van de andere hoofdstoffe
in; by voorb. de vaste lucht bevat, naar men zegt,
alleen maar 1/67 gedeelte van dat vuur, ’t welk in
een evenredig gewigt in de lucht des dampkrings
is enz.

Want het blijkt door proefnemingen, dat de
lucht van den dampkring naauwer betrekking heeft
met het phlogiston, dan met het vuur, zo dat zy
zich zeer gaarne met het phlogiston vereenigt, en in
[Seite 134] deszelfs plaats het vuur, ’t welk tot noch toe in
het zelve besloten zat, thands bevrijd zijnde, los
laat.

§. 163.

Indien wy dierhalven met dit gemelde de ver-
schijnselen van de ademhaaling vergelyken, zo
schijnt het zeer waarschynelijk, dat de dierly-
ke warmte uit eene soortgelyke bewerking ont-
spruit.

Want de lucht, gelijk wy gezien hebben,
die wy uitademen, verschilt ten hoogsten van die,
welke wy voorheen inademden, dewijl zy beroofd
van haar vuurgedeelte, integendeel bezwangerd
wordt met het phlogiston, en met de basis van
de vaste lucht (§. 145.).

§. 164.

Het is dus waarschynelijk, dat het vuurge-
deelte der lucht, welke wy inademen, in de lon-
gen overgaat tot in de fijnste bloedvoerende va-
ten, welke alleen maar door de dunste schotjens
van de bewaarplaatsen der lucht zelve zijn afge-
scheiden (§. 135.) en van daar door het aderlijk
stelsel der longen gebragt worden tot het slagader-
lijk stelsel van de groote slagader, en van daar
verder verspreid door het gantsche lichaam. Als
dan echter, en voornaamelijk in de kleinste vaat-
jens wordt het met het phlogiston, het welk over-
al voorhanden is, verwisseld. Dit phlogiston in-
[Seite 135] tusschen in deszelfs plaats met het bloed vermengd,
wordt door het aderlijk vaatgestel naar het rech-
ter hart, en door de longslagader naar de long ge-
voerd, alwaar het, volgends die wetten van ver-
wantschap, welke wy zo even aangeroerd hebben,
door de op nieuw ingeademde lucht wederom ont-
vangen wordt, en eene nieuwe vuurstof, door des-
zelfs bykomst bevrijd, op nieuw in het bloed
overgaat.

§. 165.

Hier mede komt overeen, dat geene, het welk
wy op verschillende plaatsen gezegt hebben omtrent
het verschil tusschen het slagaderlijk en het ader-
lijk bloed; wyders komt hier mede overeen, het
geen men zegt van beider verschillende eigenaartige
warmte*), als welke men in het slagaderlyke
bloed gelijk steld aan 11 1/2, in het aderlyke in te-
gendeel aan 10. Zo ook koomt hier mede over-
een, ’t geen wy noopens de werkinge van de al-
[Seite 136] lerkleinste bloedvoerende vaatjens boven aan ge-
stipt hebben (§. 126.).

§. 166.

Want het schijnt zeer waarschynelijk, dat ook
deze zelfde kleinste vaatjens hier hun deel heb-
ben; door wier werking, ’t zy aangezet of vermin-
dert, die verwisseling van het vuur element door
het lichaam heen gebragt, met het phlogiston,
’t welk in het lichaam zit, en de daar uit ont-
spruitende dierlyke warmte vermeerderd of ver-
minderd worde: want de aanmerkelyke verschijn-
selen, waarby het blijkt, dat de dierlyke warmte
(zo zy naamelijk onderzocht wordt door den ther-
mometer, maar niet geschat naar het bedriegelijk
gevoel) in het algemeen zich zelve altoos gelijk
blyve*), naauwlijks vermeerderd worde door de
zomer warmte, byna niet verminderd worde door
de winter koude; ja zelf door welke bevonden is
dat de warmte van het lichaam somwylen aan-
groeit, indien wy in het koude water gedompelt
worden†), schynen dit te bewyzen, dat ’er naar
maate van de verschillende warmte van dien damp-
kring, waarin wy verkeeren, ook eene verschillen-
de werkinge is van het te zaamenstel der aller-
[Seite 137] kleinste vaatjens, zo dat zy aan de koude bloot-
gesteld (waar door derzelver spanning waarschy-
nelijk opgewekt wordt) eene grooter hoeveelheid
van de vuurstof met phlogiston verwisselen, en ee-
ne grootere warmte verwekken, doch eene min-
der graad van warmte daarstellen, zo dikwijls zy,
geplaatst in eenen krachteloozen (asthenicus) en
slapmakenden dampkring, loom en traag worden.


XIV. AFDEELING
over
de uitwaasseming
van de huid
.

[Seite 138]

§. 167.

De verrichtingen van de huid, waarmede het
menschelijk lichaam overtogen is, zijn zo zeer
verschillende, dat de behandeling daarvan naauw-
lijks op eene gepaste wyze in een en het zelf-
de hoofddeel kan voorgesteld worden, maar veel
geschikter schijnt elk derzelver gebragt te kun-
nen worden tot die classe van werkingen, waartoe
zy betreklijk zijn.

Want in de eerste plaats is de huid het werk-
tuig van het gevoel, waar over wy spreeken zul-
len, wanneer wy over de dierlyke verrichtingen
zullen handelen (functiones animales).

Wyders is de huid het werktuig van de in-
waaseming, in zo ver dezelve behoort tot het op-
slorpend te zaamenstel der watervoerende aderen
(venae lymphaticae) waar van gesproken zal wor-
den by de ontvouwing der natuurlyke verrich-
tingen (functiones naturelles).

De huid eindelijk is ook het werktuig van
[Seite 139] de uitwaaseming (perspiratio), en uit dien hoofde
komt dezelve op veelerleie wyze over een met de
werking der ademhaaling, en ’t is my niet onge-
schikt toegescheenen, dat dezelve het naaste moest
volgen in onze verhandeling.

§. 168.

Men kan zeggen, dat de huid uit een drie-
vouwig vlies bestaat, te weten uit het vel (co-
rium
) en uit de opperhuid (cuticula), welke het
zelve overdekt, terwijl een netachtig weefsel
(reticulum) tusschenbeide geplaatst is. Wy zul-
len van elk in het byzonder handelen.

§. 169.

De opperhuid (epidermis)*) is het buitenste
deksel van het lichaam, blootgesteld aan de
lucht, welker aanraaking andere deelen des lichaams
naauwlijks zonder hinder kunnen verduuren, indien
men het verglaasd gedeelte der tanden, de we-
gen van de ademhaalinge, en de tot bereiding van
het voedsel behoorende buis (tubus alimentaris)
uitzondere.

§. 170.

[Seite 140]

Het weefsel van de opperhuid is allereenvou-
digst, en ontbloot van vaten, zenuwen en zweet-
gaten, in het algemeen naauwlijks werktuige-
lijk, dan echter zeer byzonder*), en naar zy-
ne halfdoorschynende dunheid wonderbaarlijk
vast, zo dat het de verweeking in water, en an-
[Seite 141] dere soorten van bederf zeer langen tijd kan te-
genstaan.

§. 171.

Derzelver oorsprong is tot nog toe aan twy-
felingen onderhevig. Het is intusschen waarschy-
nelijk, dat dezelve tevens met de bolletjens van
de haairen uit het daar onder gelegen vel spruit;
aan het welk zy daarenboven met ontelbaare, en
wel zeer dunne vezeltjens, vastzit*).

Van alle de gelijkvormige deelen van het men-
schelijk lichaam, groeit zy het gemakkelijkst we-
der aan.

§. 172.

De waardigheid van dezelve ten opzichte
van de huishouding der werktuiglyke lichaamen
wordt zelfs door die algemeenheid betoogt, waar-
mede zy in beide de ryken van dezelve gevonden
wordt; ja wat meer is, men ziet haar ook in de
tedere onvolmaakte vrucht reeds van de derde
maand af na de bevruchting gevormd.

§. 173.

[Seite 142]

Dan onder de opperhuid is een slijmachtig
vliesjen uitgebreid, ’t welk men naar de meening,
welke de uitvinder daar van had*), het netvlies
(reticulum
) van malpighius noemt.

Het maakt de vertooning van een slijm, wel-
ke ligt opgelost wordt, en kan naauwlijks dan
alleen in de balzak (scrotum) van eenen Neger van
de opperhuid zo wel, als van het vel, ongeschon-
den afgescheiden, en in zyne eigen waare aartige
vliesige gedaante vertoond worden†).

§. 174.

Het maakt de voornaamste zitplaats van de
couleur der menschen§): want alle menschen
hebben een blank vel: de opperhuid is byna in
[Seite 143] alle menschen witachtig en half doorschynende,
de negers alleen hebben dezelve een weinig don-
ker grijs; doch het slijmachtig netvlies is verschil-
lende in een geboren mensch naar de verschei-
denheid van jaaren, levenswyze en luchtstreek:
ja zelfs in eene ongezonde gesteldheid, is dezelve
verschillende*).

Dus is by voorb. onder de vijf verscheidenhe-
den, waarin mijns bedunkens het menschelijk ge-
slacht het best verdeeld kan worden, in de eerste,
tot welke, behalven de Europeaanen, ook de in-
wooners van het Westergedeelte van Asien en het
Noordergedeelte van Africa behooren, het net-
vlies meer of min witachtig.

In de tweede, waartoe de overige inwooners
van Asien, vooral van het Noordelijk gedeelte van
America behooren, is het bruinachtig naar den
olijfkoleur zweemende.

In de 3de waartoe de Negers behooren, is
het zwartachtig†).

In de 4de of by de inwooners van het overi-
[Seite 144] ge gedeelte van America, is het byna koperko-
leurig.

In de 5de eindelijk, waar onder ik de inwoo-
ners van de gantsche Stille Zee telle, is het meer
of min bruin.

Doch alle deze byzondere verscheidenheden
van koleur niet minder dan de overige, waarmede
het eene mensch van het andere, en het eene
Volk van het andere schijnt te verschillen, vloeijen
zodaanig als het ware onder elkanderen te zaamen,
en gaan zo onder elkanderen over, de eene in de
andere, dat het naauwlijks noodig is te zeggen,
dat zy geene andere dan willekeurige verdeelin-
gen en classen uitmaaken.

§. 175.

Het vel, zelf aan ’t welk het netvlies met de
opperhuid tot een deksel verstrekt, is een vlies
van zijne eigen soort, vol gaatjens*) taai en zeer
rekbaar van eene verschillende dikte, doch in het
algemeen te zaamengesteld uit een celachtig, op
een gepakt, weefsel, en wel zeer digt in de bui-
tenste oppervlakte; losser aan de binnenkant,
waarmede het (weinige plaatsen van het lichaam
uitgezonderd (§. 36.)) doorgaans het gemeene vet
bevat.

§. 176.

[Seite 145]

Doch het vel is, behalven met zenuwen en op-
slorpende aderen,
waar van wy op eene andere plaatse
spreeken zullen, ook met ontelbaare bloedvoerende
vaatjens vervuld, welke tot aan deszelfs buitenste
oppervlakte doordringen, en, gelijk eene geluk-
kiger inspuitinge leert, hetzelve als met de klein-
ste netjens, die van een allertederst weefsel zijn,
bedekken.

§. 177.

Wyders is ook door het zelve van alle kan-
ten heen eene overgroote menigte van allerleie
soort van smeerachtige bolletjens (folliculi sebacei) ver-
spreid, welke de huid met eene zeer dunne en
heldere bezwaarlijk opdroogende*) oly, besmee-
ren†).

Deze oly moet men niet verwarren met het
gewoone smeer, noch met dat smeersel, ’t welk
eenen bokken reuk heeft, en waar mede slechts
sommige deelen van het lichaam voorzien zijn.

§. 178.

[Seite 146]

Eindelijk is ook byna de gantsche huid bezet
met haairen*) van verschillende soort, en wel in-
zonderheid met korte, dunne, meer of min wol-
lige haairen, van welke, behalven de oogleden,
de mannelyke roede, de handpalmen, en voet-
zoolen, bykans geen deel ten eenen maal vry is;
verder is ook de huid op verscheiden plaatsen
van het lichaam met langer haairen bezet, geschikt
tot byzondere gebruiken; met het hoofdhaair, met
wenkbraauwen, met de haairen der oogleden, met
de neushaairen, met de knevels, de baard, en
met die haairen, welke onder de oksels en aan de
schaamdeelen groeijen.

§. 179.

In het algemeen is de mensch doorgaans on-
der de overige zoogende dieren het minst haai-
rig. Dan echter heeft hier ook een groot on-
derscheid plaats tusschen de verscheidene vol-
keren. Want, op dat ik zwyge van die vol-
, die tot heden toe, of de baard of de haai-
van sommige andere deelen zorgvuldig uit-
[Seite 147] trekken, worden ’er noch andere gevonden, wel-
ke als van natuur haairloos schynen te zijn, waar-
toe by voorbeeld de Tungusen en de Buräten be-
hooren, gelijk bekend is. Van den anderen kant
hebben wy van zeer geloofwaardige Reisbeschry-
vers vernomen, dat de inwooners van Nadigsda,
welke behoren tot de Zuider Kurilikasche Eilan-
den, op eene zonderlinge wyze met haair begroeid
zijn*).

§. 180.

Geene mindere verscheidenheid, bespeurt men
ook in derzelver lengte, buigzaamheid, kroes-
heid, en inzonderheid in de koleur, die zo wel
van den invloed van het luchtsgestel, van de jaaren,
en andere natuurlyke oorzaken, als somwylen ook
van eene ziekelyke gesteldheid, gelijk in de half
zwarte (leucaethiopes) af hangt, en die doorgaans
overeenkomt met de koleur der oogen.

§. 181.

[Seite 148]

Wyders is de richting der haairen in sommige
deelen van het lichaam byzonder, zy is by voorb.
gedraaid op de kruin, naar boven en van een wyken-
de boven het schaamdeel; aan de achterzyde van
den arm loopen ze bykans, gelijk in eenen Baviaan
(simia satyr), in eene tegenstrydige richting naar
den elleboog (naamelijk van de schouder neder-
waards, doch van de voorhand naar om hoog);
op dat ik van de wenkbrauwen en ooghaairen
zwyge.

§. 182.

De haairen intusschen ontspruiten uit de bin-
nenste oppervlakte van het vel, die met
veel vet vervuld is, en zitten door middel van
een eigen bolletjen zeer vast in het zelve*).

[Seite 149] Deze bolletjens bestaan uit een dubbeld vlies*)
het buitenste is vaatachtig en eirond; het binnen-
ste cylinder vormig, het welk, zo het schijnt,
eene verlenging van de opperhuid is†), en aan
de veerkrachtige draadjens, waar uit het haair is
te zaamengesteld, en waar van 5-10 geteld wor-
den tot eene scheede verstrekt.

§. 183.

De haairen zijn altoos doortrokken van eene
olyachtige waassem, en zijn byna onverdervelijk;
ook schynen zy van alle de deelen des menschly-
ken lichaams het meest idio-electriek te zijn. Der-
zelver voeding is insgelijks zeer gemakkelijk, ja
zelf ook de weder aangroeijing van dezelve na
het uitvallen, ten ware de huid zelve tevens
kwaalijk gesteld ware.

§. 184.

Alle deze bekleedsels van het lichaam, be-
halven de andere gebruiken waartoe zy dienen,
behooren wel voornaamelijk tot de zuiverende werk-
tuigen van het lichaam, door welke alles wat
[Seite 150] vreemd is, en ’t geen binnen blyvende schaadelijk
zoude wezen, uit de voornaamste masse van vocht
kan worden uitgedreven, en naar buiten ge-
voerd*).

Dit toonen de smetstoffen, onder de gedaante
van puisten derwaards gevoerd; zulks bewijst ook
de reuk van look, muskus en andere diergelyke
ingenomen dingen, welke door de huid uitwaas-
semd; zulks blijkt eindelijk uit het zweet, en
andere diergelyke verschijnselen.

§. 185.

Doch voornaamelijk waassemt door deze we-
gen dat vocht uit, ’t welk naar den scherpzinni-
gen man, die het eerst de waardy daar van met
opzet heeft zoeken natespooren, de doorwaasse-
ming stof van sanctorius (perspirabile sanctoria-
num
) genoemd wordt138).

Het zy my intusschen geoorloofd aan te mer-
[Seite 151] ken, dat men gemeenlijk geheel verschillende uit-
werpselen, van eenen gantsch anderen aart, on der die
algemeene benaaming pleeg te verstaan, welke ech-
ter wel degelijk van elkander moeten onderschei-
den worden. Het zweet is vooral van de waare
doorwaassemings stof wel te onderscheiden. Want
het zweet is een waterachtig, en eenigsins zout
vocht, ’t welke byna nooit van zelf uit een ge-
zond, en in rust zich bevindend lichaam, voord-
komt.

De uitwaassemings stof integendeel, waar van
wy hier alleen spreeken, is een luchtvormige
vloeistof, duurzaam veerkrachtig en zeer gelijk
aan dat geen, het welk wy door de longen uit-
waassemen*).

§. 186.

Want het is mede bezwangerd met phlogi-
ston, en werpt den kalk uit deszelfs water, ins-
gelijks is het ongeschikt om de vlam te voeden,
zo wel als om de ademhaaling te ondersteunen
enz.

§. 187.

[Seite 152]

De hoeveelheid van dit vocht, ’t welk uit de
oppervlakte des lichaams, (welke in een volwas-
schen mensch van eene behoorlyke grootte om-
trent 15 vierkante voeten kan haalen) uitdampt,
kan naauwlijks tot eene vaste berekening gebragt
worden.

Want men kan ligtelijk uit dat geen, ’t welk
wy zo even, noopens de veelerhande stoffe gezegd
hebben, die behalven de uitwaassemingsstof door
de huid heen dringen, opmaaken, dat de weegingen*)
welke sins den tijd van sanctorius uitgedagt
zijn om de zwaarte van het lichaam te onderzoe-
ken, aan dit oogmerk slegt voldoen.

Dan men heeft al lang bevonden, dat de hoe-
veelheid van de uitwaasseming zeer verschillende is
in byzondere menschen: in’t algemeen intusschen
is het buiten allen twyfel gesteld door de berichten
van de geloofwaardigste Schryvers, betreklijk de by-
zondere en eigenaartige reuk, welke de Caraiben†),
[Seite 153] Groenlanders*), Aethiopiers†) en andere woe-
ste Volkeren door de huid uitwaassemen, dat ook
eene zekere volks verscheidenheid in die stuk plaats
hebbe.

§. 188.

Uit de vergelyking nu van het geen voorge-
draagen is noopens het vaatachtig maaksel der huid
(§. 176.), en noopens de overeenkomst, die ’er is
tusschen de doorwaassemingsstof en de uitgeadem-
de lucht (§. 186.); als mede op eene andere
plaats (§. 166.), betreklijk het vermogen van de
kleinste vaatjens om de dierlyke warmte te verwek-
ken, zal het een ieder, die de zaak wat dieper
doordenkt, zeer waarschynelijk voorkomen, dat
’er tusschen de werking der longen, en de uit-
waasseminge van de huid eene groote gelijkvormig-
heid, en eene wederkeerige overeenstemming plaats
hebbe; zo dat men stellen kan, dat de eene de
andere eenigermaten behulpzaam zijn kan, en ver-
[Seite 154] ligten; ja zelf, indien een in wanorde geraakt
is; dezelve eenigsins ten minsten kan vergoe-
den.

§. 189.

Met dit gevoelen strooken waarlijk verschijn-
selen van meer dan eene soort, die zo wel in ee-
nen gezonden, als ongezonden staat kunnen worden
waargenomen.

Die by voorb. waar door de menschelyke
vrucht, en die van de overige zoogende dieren
verschild van een kieken dat uitgebroeid wordt*).

[Seite 155] Wyders de zonderlinge koude van zommige
deelen in dieren die warm bloed hebben, (gelijk
de neus van de honden); welk verschijnsel niet te
onrecht van de mindere werking van het phlogi-
ston in sommige vaatjens, waar mede zy vervuld
zijn, schijnt afgeleid te moeten worden, gelijk
in tegendeel van de vermeerde werkingen dier
vaatjens in sommige deelen, sommige verschijn-
selen in ziektens gemakkelijk zouden zijn te ver-
klaaren, gelijk by voorb. de byzondere hitte in
de handpalmen by teeringachtige Lyders waar te
nemen.

Ook schijnt de wederkeerige vergoeding waar-
van wy gesproken hebben, waar door het waar-
schynelijk is, dat de werkingen van de longen
en van de huid zich onderlinge hulp bieden,
eenig licht by te zetten aan die ziektekundige
verschijnselen, waar by geboren en volwasschen
menschen, de longen byna geheel vergaan zijnde
door de teering, of door een ander ongemak on-
gesteld geworden, evenwel eenigen tijd daarna ge-
leefd hebben; ja zelf zijn ’er geweest, die ver-
[Seite 156] scheiden jaaren het gebruik van de ademhaaling
ten eenenmaal bykans gemist hebben*).

§. 190.

Eindelijk ook schijnt het niet onwaarschyne-
lijk, dat de binnenste oppervlakte van het spijs-
canaal (tubi alimentaris) behalven deszelfs overige
voornaame verrichtingen geen ongelyke werking ten
opzichten van het phlogiston uitoeffend.

Want dit is het eenigste deel van het inwen-
dig lichaam, voor het welk, behalven de longen,
de lucht van den dampkring openstaat; immers het
behoeft bykans geen betoog, dat die open staat,
en dat wy eene groote hoeveelheid van lucht in-
slokken. Dat intusschen die opgeslokte lucht by-
na op gelyke wyze als in de longen veranderd
worde, bewijst derzelver aart, daar zy beslooten
is in het gantsche spijscanaal†).

Daar en boven komt met alle deze dingen o-
vereen de verbaazende menigte van bloedvoerende
[Seite 157] vaatjens, door zo groot eene inwendige opper-
vlakte van de darmen als ’t ware uitgebreid, wel-
ke men gemeenelijk gelijk stelt met de uitwendi-
ge oppervlakte van het geheele lichaam.


XV. AFDEELING
over
het gewaarwordingswerktuig
en de zenuwen
.

[Seite 158]

§. 191.

Wy zijn thands gekomen tot de tweede classe
van de verrichtingen des menschelyken lichaams,
welke de dierlyke werkingen (animales functiones)
bevat (§. 63. II.) door welke de gemeenschap
tusschen het lichaam, en de vermogens der ziele
onderhouden wordt, en welke daarom, om dat
zy, gelijk de zaak zelve het mede brengt, al-
leen geschikt zijn voor de bezielde werktuigely-
ke lichaamen, doch tevens wyder dan de levens-
verrichtingen door het gantsch dierlijk rijk heer-
schappy voeren, met eenig recht zich haaren
naam schynen toe te eigenen.

§. 192.

De werktuigen, welke voornaamelijk tot het
uitoeffenen van die verrichtingen geschikt zijn,
bestaan uit de hersenen van beiderleie soort, met
[Seite 159] het daar aan vastzittend rugmerg, en uit de ze-
nuwen, uit deze drievouwige bron*) spruitende.
Alle deze kunnen geschiktelijk tot twee hoofdclas-
sen gebracht worden, naamelijk tot die van het
gewaarwordingswerktuig (sensorium) en der zenuwen,
waar van het eerstgemelde al dat geen bevat,
het welk behalven de zenuwen en die deelen,
welke de naaste betrekking hebben op de oor-
sprongen van de zelve in dat gantsch te zaamen-
stelsel overig blijft, en eene naauwere betrek-
king heeft op den band, door welken de verrich-
tingen zelve van de zenuwen verbonden zijn met
ons edeler gedeelte, naamelijk met de vermogens
van de ziel.

§. 193.

De fraaie waarneming†) van den beroemden
[Seite 160] sömmerring, steunt op die verdeeling, daar hy
aanmerkt, dat de betrekkelyke grootte van die werk-
tuigen tot beide de classen behoorende, in zulk
een verband staan met de vermogens van de ziel,
dat, hoe dunner de zenuwen der dieren zijn, ten
opzichte van de deelen van den anderen rang,
welke wy begrypen onder den naam van gewaar-
wordings werktuig, des te meer uitmunte door
die voortreffelijkheid der vermogens van den geest:
en dat in dit opzicht de mensch gezegt kan wor-
den de grootste herfens te hebben, indien men
derzelver massa met de dunheid van de zenuwen,
welke daar uit ontstaan, vergelyke; doch niet
wanneer wy het gewicht van dezelve met de zwaar-
te van het geheele lichaam, vergelyken.

§. 194.

De hersens zelve*) worden, behalven het bek-
keneel met een drievouwig vlies gedekt; met het
harde (dura mater), en dunne (pia mater) her-
senvlies, en het spinnewebsvlies (tunica arachnoi-
dea
), ’t welk tusschen beide ligt.

§. 195.

[Seite 161]

Het harde hersenvlies (dura meninx)*), ’t
welk even als het beenvlies de holligheid voor de
hersenen bekleedt, in verscheiden afscheidselen
als het ware zich uitstrekkende, scheidt niet alleen
als door eene zeisvormig uitbreidsel de half ronde
gedeeltens van de groote hersenen, maar ook de kleine
hersenen, doch ondersteunt tevens door een tent-
vormig uitbreidsel†), de agter kwabben van de
[Seite 162] groote hersenen, en verhoedt dat zy de kleine
hersenen niet drukken.

Wyders bevat dit door zyne verschillende ver-
dubbelingen de zo genaamde aderlyke boezems
(sinus)*), ondersteunt dezelve tevens en belet
dat ze niet gedrukt worden: door deze loopt het
bloed van het hersengestel na het hart te rug:
men wil dat dit bloed eenen byzonderen aart be-
zit†), en dat het zeer aanmerkelijk is door zy-
ne hoeveelheid, welke men ten minsten gelijk
stelt aan het tiende gedeelte van de gantsche masse
van het bloed.

§. 196.

Op het harde hersenvlies volgt het spinne-
websvlies (arachnoïdea tunica), dus genoemd van
zyne tederheid, dit heeft geen bloedvoerende va-
ten (§. 5.) en dringt even zo min als het harde
vlies in de sleuven en groeven, die de hersenen
onderscheiden, maar het dekt en omgeeft alleen
derzelver gantsche klomp.

§. 197.

[Seite 163]

Geheel anders is het met het binnenste her-
senvlies gelegen, ’t welk by de oude het dunne
hersenvlies (pia mater
) genaamd wierd. Dit om-
kleedt van alle kanten de schors (cortex) van de
hersenen, en is ten naauwsten daar mede verbon-
den*), zo dat de ontelbaare bloed voerende va-
ten, waar mede het doorweeven is, met talloose
kleine takjens in de schorsachtige zelfstandigheid
indringen, en dezelve als doorbooren; en hier van
daan is het dunne hersenvlies van de hersenen zelve
afgetrokken zijnde, daar het aan de buitenste op-
pervlakte zeer glad is, integendeel aan den bin-
nenkant vlokachtig, en gelijkt na de wortelt-
jens van de Mos, welke in het slijk gevestigt
zijn†).

§. 198.

De groote en kleine hersenen zijn te zaamen-
gesteld uit veelerhande deelen, zo wel verschillende
van weefsel als gedaante; doch meest al tot nog toe
van een onbekend gebruik, die wel voorname-
lijk door vier zo genaamde holligheden (ventriculi)
onderscheiden worden, wier onderling verband
[Seite 164] de beroemde monro onlangs met veel naauwkeurig-
heid heeft opgedolven, en van welke de voorste en
vierde vaatryke en netwyze vlechten (plexus choroï-
dei),
bevatten, wier werking tot hier toe insge-
lijks twyfelachtig is.

§. 199.

Alle de deelen van beide de hersenen, hebben
eene twee soortige zelfstandigheid, de eene is
aschgraauw, deze noemt men ook de schorsach-
tige, alhoewel zy niet overal de buitenste plaats
beslaat; de andere is blank, of mergachtig; tus-
schen deze ligt, volgends de waarneming van den
beroemden sömmerring*) nog eene derde van
eene witachtige koleur, welke inzonderheid in
den levensboom (arbor vitae) van de kleine her-
senen, als ook in de agter kwabben (lobi) van de
groote hersenen kan gezien worden.

§. 200.

De evenredigheid van de aschgraauwe zelf-
standigheid†) tot de mergachtige, neemt af met
[Seite 165] het klimmen der jaaren; want zy is grooter in
kinderen, en kleiner in de volwassene. Zy be-
staat bykans geheel uit een zeer groot te zaamenweef-
sel van de allerdunste vaatjens, zo bloedvoerende
als van eene kleinder soort en witachtig (§. 79.),
waar van vervolgends een klein gedeelte tot in de
mergachtige doordringt*), die zelve, behalven
uit deze vaatjens, en een zeer fijn celachtig vlies,
schijnt te bestaan uit eene eigenaartige papachtige
zelfstandigheid (parenchyma), waar in de vergroot-
glazen en andere soortgelyke hulpmiddelen tot
hiertoe niets van een bestendig en bepaald weef-
sel hebben kunnen ontdekken†).

§. 201.

In de hersenen heeft een aanhoudende en
zagte beweeging§) plaats, die zo overeenstemt
[Seite 166] met de ademhaaling, dat wanneer de longen door
het uitademen vernaauwd zijn, de hersenen een
weinig opgeheven worden; doch, de borst door
middel van de inademing verwijd zijnde, vallen
ze wederom neer*).

§. 202.

[Seite 167]

Het verlengde merg (medulla oblongata) gelijk
men het noemt, gaat over in het ruggegraats-
merg*), besloten in de buigbaare ruggebuis der
wervelbeenderen, en bekleed met dezelfde vlie-
zen, die wy gezien hebben, dat de hersenen om-
ringden; dit bestaat ook uit eene tweevouwige
zelfstandigheid, zo echter, dat de uitwendige blan-
ke de inwendige aschgraauwe omvatte.

§. 203.

En uit beide die bronnen, naamelijk die van
[Seite 168] de groote en kleine hersens, en die van het
ruggegraatsmerg, ontspruiten eindelijk de zenuwen
(nervi
)*), die meer of min witachtige en wee-
ke koordjens, welke bykans door alle de overige
zagte deelen van het menschelijk lichaam ver-
deeld worden.

§. 204.

Want het is na zo veele ontelbaare proefne-
mingen†) van haller, en andere groote waar-
[Seite 169] nemers bewezen, dat ’er gelijkvormige deelen
van ons lichaam, van meer dan eene soort zijn,
waarin zo min het ontleedmes, als het zich voor be-
drog wachtend oog, een echt blijk van zenuwen
heeft kunnen ontdekken, als ook de heelkundige
waarnemingen*), en de ontleedingen van levende
[Seite 170] dieren dikwijls door eene geoefende hand her-
haald*), gevoel hebben kunnen bespeuren.

[Seite 171] En daartoe behooren ook behalven het bloote
celachtig weefsel, de opperhuid, met het slijm-
achtig netjen, de haairen en de nagels.

Wyders de kraakbeenderen en de beenderen
met het beenvlies en het merg.

Verder de trekkers, de peesachtige uitbreid-
sels, en de banden.

Als ook de meeste meer uitgebreide inwen-
dige vliezen, als het harde hersenvlies en het
spinnewebsvlies, het ribbevlies met de middel-
schotten en het hartezakjen; de penszak en ook
het hoornachtig oogvlies enz.

Ook de meeste deelen van het opslorpend
te zaamenstel, doch wel inzonderheid de chijl-
buis.

Eindelijk ook de nageboorte met de navel-
streng.

§. 205.

De eerste beginselen der zenuwen uit het ge-
waarwordingswerktuig zelf spruitende, ontwyken
het gesleepen oog en mes; zelf is het noch gee-
ne uitgemaakte zaak, of de zenuwen van elke zy-
de haaren oorsprong nemen uit dien zelfden, dan
wel uit den tegenovergestelden kant van het gewaar-
[Seite 172] wordingswerktuig*)? de verschijnselen in de
ziekte†) voorkomende, schynen de laatste mee-
ning te begunstigen, en in de gezichtszenuwen
heeft de beroemde sömmerring§), onlangs
overtuigend bewezen, dat diergelijk kruisselings
over elkanderen loopen plaats hebbe.

§. 206.

Eene zekere verlenging van het dunne hersen-
vlies vergezelt het zenuwmerg in deszelfs loop
**), op zulk eene wyze, dat het zelve eene zeer
dunne vaatachtige schors erlange***). Zo dra zy
echter van de hersenen of het ruggemerg afge-
scheiden zijn, hebben zy eene geheel byzondere
gedaante, waar door zy van byna alle de overige
gelijkvormige deelen van het lichaam kunnen on-
[Seite 173] derscheiden worden, zy vertoonen naamelijk kleine
dwarsloopende plooitjens, meer of min schuins-
hoekig, reeds voor lang de plooitjens van moli-
nellus
*) genoemd, welke Schryver dezelve niet
ongepast vergeleeken heeft by de rimpels van eene
spier, of by de ringen der luchtpijp.

§. 207.

De zenuwen, inzonderheid die van eenen by-
zonderen rang, hoedaanige de tusschenribbige en
zwervende zijn, hebben hier en daar zenuwknoo-
pen (ganglia),
knobbeltjens naamelijk van een dig-
ter weefsel, en van eene roodachtige aschgraau-
we koleur, maar nog van geen genoegzaam be-
paald gebruik. Boven allen behaagt my onder-
tusschen het gevoelen van zinn, weleer onzen
vriend†), die stelde, dat zy dienden, om naauw-
keuriger diergelyke zenuwdraaden met elkan-
deren te verbinden, en als het ware te zaamen
te weeven, die uit verscheiden bronnen in de
zenuwknoopen by elkanderen komen; zodaanig, dat
[Seite 174] elke draad uit dezelve wederom uitgaande ge-
meenschap heeft met alle de draaden die afzon-
derlijk te vooren in de knoop intraden*).

§. 208.

En niet veel verschillend schijnt het nut te
zijn der zenuwvlechten (plexus) ontstaande uit eenen
soortgelyken te zaamenloop en netswyze verbin-
ding van verscheiden zenuwen, en uit een dierge-
lijk weefselvan draaden, waarin de verdeelde ze-
nuwen dan uitloopen.

§. 209.

Maar, gelijk de allereerste beginselen der ze-
nuwen, zo liggen ook byna alle de uiterste ein-
den, waarmede de kleinste takjens van dezelve ein-
digen, tot nog toe in het duister. Want indien
men eenige weinige van die zenuwen uitzondert,
die als het ware in een mergachtig vlies over-
gaan, gelijk de gezichtszenuwen het netvlies
[Seite 175] (retina) en de zachte zenuw van het 7de paar in
den band (zona) van het spiraalblaadjen van het
slakkenhuis (cochlea) in ’t gehoor te vinden, zo
smelten de uiterste einden der draaden tot in de
ingewanden, spieren, huid enz. doorgedrongen,
en met de eigenaartige zelfstandigheid dier deelen
vermengd, zodaanig, als het ware tot eene pap,
dat zy ten laatsten het naaspoorend oog ontwy-
ken.


XVI. AFDEELING
over
de verrichtingen van het
zenuwgestel in het
algemeen
*).

[Seite 176]

§. 210.

Wy hebben gezien, dat het gewaarwordings-
werktuig aldus met de zenuwen byna door het ge-
heele te zaamenstel van het lichaam verspreid een
geheel te zaamenstel vormt, en als het waare
een middel uitmaakt, waar door, zo lang het le-
ven duurt, de onderlinge gemeenschap tusschen
de ziel en het lichaam aangekweekt wordt†).

§. 211.

[Seite 177]

De ziel schijnt voornaamelijk met de hersenen
zelve, ’t naast vereenigd te zijn, immers die
voorrecht wordt zo wel door de nabyheid van de
meeste zintuigen, als ook door derzelver wonder-
baar te zaamenstel uit deelen van eenen zonderlingen
vorm en maaksel, doch inzonderheid wegens de
uitwerksels van derzelver ziekelyke gesteldheden,
zeer waarschijnlijk gemaakt.

§. 212.

Zelfs hebben sommige Natuurkundigen, hun
vernuft den teugel vierende, zich door de byzon-
dere gedaante, of ligging van eenige deelen van
de hersenen, zo ver laaten vervoeren, dat zy de-
ze of geene plaats van dezelve voor den eigen-
lyken zetel der ziele, en als het ware voor haar
hof hebben willen doen voorkomen; tot deze
waardigheid hebben sommigen de pijnappelklier*)
[Seite 178] (glandula pinealis), anderen het weerachtig lichaam*)
(corpus callosum), anderen de zo genaamde brug
van varolius zoeken te verheffen.

§. 213.

Men moet echter niet denken, dat de geheele
werking van het zenuwgestel alleen afhangt van
het hersengestel; integendeel het ruggemerg, ja
ook de zenuwen zelve hebben, tot hier toe hun-
ne eigen krachten, zo dat zy genoegzaam in staat
zijn, om de spieren te doen te zaamentrekken;
de vaatachtige schors van die werktuigen schijnt
te dienen, om die eigen krachten aan te kweeken’
en te onderhouden. In den mensch echter, zijn
dusdaanige eigene krachten der zenuwen minder,
en daarentegen heeft ’er eene grooter afhange-
lijkheid derzelver van de hersenen plaats, dan
wel in andere, voornaamelijk koudbloedige, die-
ren.

§. 214.

[Seite 179]

De werking van het geheel zenuwgestel, is
wel inzonderheid tweederlei. De eerste is, op
dat door deszelfs tusschenkomst de andere dee-
len, en wel inzonderheid de spieren, welke aan het
bevel van den wil onderworpen zijn, in bewe-
ging gebragt worden; van welke verrichting wy
op eene andere plaats wijdloopiger zullen hande-
len. Doch de andere is geschikt ter gewaarwor-
ding, op dat ze de gevoelige indrukken, door
welke het lichaam aangedaan wordt, even als
boden tot het gewaarwordings-werktuig overbren-
gen, en aldaar de ontwaarwording veroorzaaken
enz.

§. 215.

Dan eindelijk heeft ook het gewaarwordings-
werktuig dit vermogen, dat het de aandoeningen
van de zenuwen, welke op het zelve werken,
ontvangende, niet alleen tot dezelfde, maar ook
vervolgends tot andere zenuwen kan brengen, en
dus te rug werken; ten bewyze hier van zal het
voldoende zijn, de werking van het netvlies (re-
tina
) door ’t licht geprikkeld, en deszelfs daar uit
spruitende te rug werking ter verwydering of ver-
naauwing van den regenboog van ’t oog (iris) aange-
haald te hebben.

§. 216.

[Seite 180]

En uit deze, voornaamelijk de laatste bron,
zullen wy wel inzonderheid niet alleen zeer veele
uitwerksels, zo van de verbeelding en gemoedsaan-
doeningen op het menschelijk lichaam, waar van
wy gelegenheid zullen hebben, om beneden nog
kortelijk te spreeken, maar ook de veelerhande
te zaamenstemmingen*) (consensus) (§. 54.) van
het zenuwgestel door byna het geheele lichaam,
en het wonderlijk vermogen van de zelve op byna
alle de overige algemeene verrichtingen der dier-
lyke huishouding, kunnen afleiden.

§. 217.

[Seite 181]

Het schijnt door de proeven en waarneming
buiten allen twyfel te zijn, dat dit de verrich-
tingen zijn van het zenuwgestel, waar van wy ge-
handeld hebben. Maar om nu de wyze te verklaa-
ren, op welke deze werktuigen hunne verrichtingen
volbrengen, daar is veel moeite aan vast.

§. 218.

In het algemeen kunnen de verschillende ge-
voelens over die zaak, in twee hoofdclassen ge-
bragt worden, waar van de eene de werkingen
van het zenuwgestel plaatst in eene schommelen-
de beweging: de andere brengt dezelve integen-
deel tot de beweging van een zeker vocht, over
welks aart intusschen de Natuurkundige twisten,
sommigen willen, dat de dierlyke geesten*) (spi-
ritus animales
), door de vaten loopen; anderen stellen
eene zekere vuur of elektrieke stof, ja zelf eene
stof, welke overeenkomst heeft met de magneet-
stof, enz.

§. 219.

Dan alhoewel ik geen van beide die gevoe-
[Seite 182] lens tot nog toe voor het myne wil aannemen, zy
het my echter geoorloofd dit te zeggen, dat de
meeste bewyzen, met welke de aanhangers van de
eene onderstelling de andere tragten te bestry-
den, my even zo ruw schynen te zijn, als die
schommelingen der zenuwen, indien ’er zulke
plaats hebben, of als de vochtendaarin begreepen,
integendeel behooren fijn te zijn.

§. 220.

Ja zelf, zo ik het eenigsins wel doorzie,
kunnen beide die gevoelens gelijk het my toe-
schijnt, niet ongeschikt te zaamen gaan, dat, naa-
melijk een zeker zenuwvocht, door prikkelin-
gen op het zelve werkende, in beweging ge-
bragt wordt en eene schommelende trilling veroor-
zaakt.

§. 221.

Want het maaksel van het zenuwgestel, doch
inzonderheid dat van de hersenen zelve, vry veel
overeenkomst hebbende met eenige afscheidende
ingewanden, schijnt onder anderen het bestaan
van het zenuwvocht te begunstigen. Doch het
blijkt geensins van zelfs, dat ’er daarom buisjens
en kanaalen noodig zijn, door welke diergelijk een
vocht door de zenuwen zou moeten verdeeld wor-
den, zo min als die noodig zijn in het; vloeipapier
of ander zijgtuig.

[Seite 183] Veel minder is het ook der moeite waardig,
by de beuzelachtige uitreekeningen van de groote
snelheid, met welke de dierlyke vochten gemeenlijk
gereekend worden, overal door hunne zenuwachti-
ge kanaalen heen te loopen, te blyven stilstaan.

§. 222.

Doch met de schommelinge der zenuwen, zo
men zich slechts onthoude van die ruwe verbeel-
dingen van gespannen snaaren, maar zulk eene zich
voorstele, die in de dunste pap van de hersenen
plaats kan hebben, schijnen ook zeer veele na-
tuurkundige verschijnselen volmaakt overeente-
komen. Het is althands duidelijk bewezen, dat
door de schommelinge het gehoor verwekt wordt.
’t is ook waarschynelijk, al wil men het niet ge-
heel en al met leon. euler houden, dat in het
gezicht iets diergelijks voorvalle, maar dat de wer-
kingen van de overige zinnen weinig verschillen van
zulk eene schommelachtige beweging, heeft
naar de gissing van den grooten newton noopens
deszelfs aanwezen, het schrander vernuft van
hartley, met eene allergelukkigste uitkomst zo
waarschynelijk gemaakt*), dat hy daar uit
voor eerst de koppeling der denkbeelden en ver-
[Seite 184] volgends door middel van deze verre de meeste
verrichtingen van de vermogens der ziele zeer
scherpzinnig verklaarde*).


XVII. AFDEELING
over
de uitwendige zintuigen
in ’t algemeen
,
en wel
eyzonder over het gevoel
.

[Seite 185]

§. 223.

De tweede verrichting der zenuwen bestaat,
gelijk wy gezien hebben, daar in, dat zy de in-
drukken van de uitwendige dingen aan het gewaar-
wordingswerktuig mededeelt; en dit geschiedt
door middel van de uitwendige zintuigen, welke
als wachters zijn van het lichaam, en als de on-
derrichters der ziele. Van deze alleen hebben wy
hier te spreeken: want het is te spitsvindig, gelijk
haller reeds voor lang gezegd heeft, de pers-
singen om den afgang te bewerken, of den hon-
ger en andere diergelyke inwendige roepstemmen
der natuur, onder de zintuigen te rangschikken.

§. 224.

Intusschen is het aanmerkelijk, dat ’er geene
classe van verrichtingen in de dierlijke huishouding
gevonden worde, welke aan zo groot eene verschei-
denheid in verschillende menschen onderhevig is,
[Seite 186] dan die classe waar van wy handelen, naamelijk,
van de uitwendige zinnen: want ’er heeft eene
oneindige verscheidenheid plaats tusschen dezelve,
ten opzichten van de scherpte, of de fijnheid, of
de wyze, door welke de zelfde prikkelingen, de
eene dus, de andere wederom anders aandoen;
en deze verscheidenheid is zo wel aangeboren*)
als verkreegen door het gebruik en de beoeffeninge.

§. 225.

Wy moeten, en wel met recht, in het behan-
delen van deze zinnen met het gevoel beginnen,
dewijl het zich ’t eerst van allen in een geboren
[Seite 187] mensch vertoont, en wiens werktuig door de ge-
heele oppervlakte van het lichaam zich het verste
uitstrekt, en het welk door verre de meeste eigen-
schappen van de uitwendige dingen aangedaan
wordt.

§. 226.

Want wy worden niet alleen sommige hoeda-
nigheden der dingen, enkel door middel van het
gevoel ontwaar, gelijk de warmte, de hardheid,
de zwaarte, enz.; maar wij worden ook van som-
mige zaaken, alhoewel die ook openstaan voor de
andere zinnen, echter door middel van het gevoel
eindelijk zeker onderrecht, als van de gedaante,
den afstand enz.

§. 227.

Het gevoel is ook minder onderhevig aan be-
driegeryen, dan andere zinnen; en is door de
beschaaving en de beoeffeninge vatbaar voor zo
groot eene volmaaktheid, dat zy het gebrek der
andere zinnen, inzonderheid dat van het gezicht
eenigermaate vergoeden kan*).

§. 228.

[Seite 188]

In het algemeen is het werktuig*) van dit
zintuig de huid, van wier maaksel wy boven
gehandeld hebben; voornaamelijk echter dienen
hier toe de tepels van het vel, welke verschillen-
de zijn van gedaante in verschillende deelen des
lichaams, doorgaans wel wratachtig†), elders spons-
achtig§), elders draadig**) enz., door welke alle
de uiterste einden van de huid zenuwen eindigen,
op de wyze van papachtige penseelen.

§. 229.

Doch de voornaamste werktuigen van het ge-
voel zijn boven alle wederom de handen, wier
huid ook zeer veele byzonderheden vertoont. In
de palmen naamelijk en aan beide de kanten, aan
de gewrichten der vingeren is zy met vooren ge-
reet, en haairloos om de te zaamen plooijing te
[Seite 189] begunstigen; doch de toppen van de vingeren zo
wel aan handen als voeten zijn aan de binnenkant
geteekent*) met de fraaiste en meer of min ge-
kronkelde trekken, doch aan de buitenkant zijn
zy met nagelen als met schilden voorzien.

§. 230.

Deze schildvormige nagels†), zijn alleen aan
den mensch eigen, en aan eenige weinige soorten
van uyerdragende dieren, (die naamelijk insge-
lijks van handen voorzien zijn, en in het gevoel
uitmunten§)) en ten dien einde gegeven, om
dat zy de drukking der onderzoekende vingeren
een weinig weerstand bieden, en dus derzelver
werking bevorderen zouden.

Zy zijn van eene hoornachtige natuur, en
kunnen in het algemeen met de opperhuid verge-
leeken worden, want zy hebben ook onder zich
een netvlies liggen, het welk in de Negers zwart-
[Seite 190] achtig is*), en onder dit netvlies ligt eindelijk
eene huid, die zeer vast zit aan het beenvlies
van het laatste gelid der vingeren: alle deze be-
stand deelen der nagelen zijn in de lengte gestreept;
aan de achterzyde (welke aan de handen met een
maantjen geteekend is) zitten zy van daar omge-
bogen in de vooren der huid, waar door zy da-
gelijks allengskens aangroeiende zo naar vooren
gestoten worden, dat zy byna elk half jaar ge-
heel vernieuwd worden.


XVIII. AFDEELING
over
den smaak
.

[Seite 191]

§. 231.

Den smaak wordt men door de tong ontwaar,
en eenigermaate ook door de nabygelegene dee-
len van den binnenmond, inzonderheid door ’t
middenste van het gehemelte, door de keel, de
wangen, ja ook door de lippen; dan alle deze
worden intusschen alleen maar door scherpe en
zeer bittere dingen aangedaan*).

§. 232.

Doch het voornaamste werktuig van den smaak
is de tong†), zeer beweeglijk, buigzaam, en
van eene veranderlyke gedaante; zy is van een
wonderbaar vleesachtig weefsel, het welk eenig-
sins kan vergeleeken worden, by het weefsel van
het hart.

§. 233.

[Seite 192]

Zy wordt gedekt door bekleedselen, welke
zeer veel gelykenis hebben met de huid; naa-
melijk met de bovenhuid (epithelium), welke
haar in de plaats van de opperhuid dient, met het
netvlies van malpighius*), eindelijk met een
tepelachtig vlies, welks maaksel weinig verschilt
van dat, van het vel.

§. 234.

Daarin verschilt zy het meeste, dat de boven-
huid in plaats van met huidsmeer, met een slijm
bestreeken en bevochtig wordt, welke voordkomt
uit de blinde opening van meiboom†), en uit
het overig klierachtig uitbreidsel van morgag-
ne
§); verder verschilt zy ook door de vorming
van de tepeltjens, die men gemeenlijk in zakach-
tige, stompe, en kegelvormige verdeelt**), van
welke de eerstgemelde ’t weinigste in getal zijn,
[Seite 193] in eene halve maanswyze aan de wortel der tonge
geschaard: doch de overige bezetten, in verschei-
den trappen van grootte door elkanderen, de rug
der tonge, en wel inzonderheid de randen en punt
derzelve, alwaar naamelijk de fijnste smaak zit*).

§. 235.

In deze tepeltjens loopen de draadwyze uit-
einden der tongzenuwen van het vijfde paar†),
door welker tusschenkomst wy vermoedelijk voor-
naamelijk door den smaak aangedaan worden.

Want het negende paar§), en de tak van het
agtste paar**), welke insgelijks na de tong gaan,
schyhen meer tot de veelerhande bewegingen der
tonge te dienen, in ’t kaauwen, doorslikken, en
’t spreeken, enz.

§. 236.

Doch het is noodig, zal de tong naar den
eisch smaaken dat dezelve vochtig zy, en dat die
[Seite 194] dingen, welke gesmaakt moeten worden, opgelost
zijn en overvloed hebben van ontbonden zouten*):
want indien, of de tong zelve, of de dingen, wel-
ke haar aanraaken, droog zijn, zo kan zy dezelve
wel onderzoeken door het gevoel, waarmede zy
in het algemeen by uitnemenheid voorzien is, maar
dan kan zy niet gezegd worden, te smaaken.

Doch wanneer zy op haar fijnste smaakt, dan
schynen de tepels, welke de punt van de tong en
deszelfs randen bezetten, zich in de daad eenigsins
op te richten.


XIX. AFDEELING
over
den reuk
.

[Seite 195]

§. 237.

Wy worden door den reuk de uitvloeisels van
riekende dingen ontwaar, welke, door de inade-
mingen opgenomen, inzonderheid dat gedeelte van
het vlies van schneider*) aandoen, ’t welk
beide de kanten van het middelschot der neus en
de bolle oppervlaktens van de schulpbeenen be-
kleedt.

§. 238.

Want alhoewel de binnen neusgaten†) geheel
[Seite 196] en al met de nabygelegen boezems*), die met
dezelve gemeenschap hebben, met een soortgelijk
vochtig vlies bekleed zijn, schijnt echter dit vlies
van eene verschillende natuur, op verschillende
plaatsen te wezen.

Want dat gedeelte, ’t welk tot de neusgaten
behoort, is meer gelijk aan het overig gedeelte
van de huid, en is met smeerbolletjens en neushaai-
ren, die daar uit ontspruiten, bezet.

Doch ’t vlies dat aan het middelschot der neus-
gaten en aan de schulpbeenen vastzit, is spons-
achtig, en vervuld met verholen snotvoerende groe-
ven.

Dat vlies eindelijk, ’t welk de wanden der
boezems van het voorhoofdsbeen, van het wig-
gebeen, het zeefbeen en van de boven kaaks-
beenderen bekleed, is het allerdunste, en door-
weeven met ontelbaare bloedvoerende vaatjens,
die een roodachtig vocht opgeven.

§. 239.

Want dit schijnt het voornaamste, op dat ik
niet zegge het eenigste, gebruik te zijn van die
[Seite 197] boezems*), te weten, dat zy diergelijk water-
achtig vocht opleveren, het welk eerst na de drie-
derlei gangen der neusgaten gevoerd, van daar
naar de naaste werktuigen van den reuk, waar van
wy gesproken hebben, heen vloeit, en door de-
zelve geduurig te besproeijen, hun die gevor-
derde vochtigheid mededeelt, zonder welke de aan-
doenlijkheid van dit zintuig niet bestaan kan.

Ten dezen einde zelf is er door de ligging van
die verschillende boezems zodaanig voorzien, dat,
welke stand het hoofd ook hebben moge, die daauw
eehter altijd kan afdruipen uit de eene of andere
boezem, in het zintuig van den reuk.

§. 240.

Want het sponsachtige gedeelte van het vlies
der neusgaten, waar van wy gesproken hebben,
waar door wy naamelijk wel inzonderheid rieken,
behalven, dat het insgelijks door ontelbaare bloed-
voerende vaatjens doorkropen wordt (welke zelfs
[Seite 198] daarom aanmerkelijk zijn, om dat geene andere
vaten van het lichaam zo dikwijls en zo ligt aan van
zelfs komende bloedstortingen onderhevig zijn),
is inzonderheid met de zenuwen van het eerste
paar*), als mede met de twee takken van het
vijfde paar voorzien, van welke even wel maar
alleen dat eerste paar voornaamelijk schijnt te
dienen tot den reuk†); doch de overige tot het
[Seite 199] onderling gevoel van die deelen, ’t welk by voorb.
het niezen verwekt enz.

§. 241.

Doch de uiterstens der draaden van dat paar,
schynen niet, gelijk geschiedt in het werktuig van
het gevoel en den smaak overtegaan tot tepelt-
jens, maar als het ware te versmelten in het spons-
achtig, en aan dit vlies eigenaartig, weefsel.

§. 242.

Het werktuig van den reuk, is in de pasge-
borene naauw en noch zeer onvolmaakt. Inzon-
derheid zijn de boezems, waar van wy gespro-
ken hebben, noch naauwlijks te vinden: en van
hier komt in de kinderen, terwijl de inwendige
neusgaten al langzaamerhand hunnen vorm krygen,
ook de reuk zelfs eerst laat, die naderhand des te
syner wordt, hoe ruimer en naauwkeuriger die
werktuigen als het ware uitgewerkt worden*).

§. 243.

[Seite 200]

Dit is eindelijk aanmerkelijk, dat ’er naauw-
lijks eenig ander uitwendig zintuig is, ’t welk zo
[Seite 201] groot eene verbintenis heeft met het gewaarwor-
dingswerktuig en met de inwendige zinnen, en als
over dezelve heerschappy voert, dan de reuk.

Geen zin is aan zo groote eigenaartige ver-
scheidenheden (idiosyncrasia) onderworpen; geen zin
is meer geschikt om de bezwymingen te verwek-
ken, en om ze te verdryven enz.

En geen andere zin schijnt meer vatbaar te
zijn voor de indrukken van streelende en aange-
naame dingen, zo dat rousseau zeer gepast den
reuk het zintuig der verbeeldingen genoemd heeft*).

En geene andere soorten van gewaarwordin-
gen schynen zulk eene levendige herdenking te
verwekken, dan die in het geheugen te rug ge-
roepen worden, door de eigensoortige reuken.


XX. AFDEELING
over
het gehoor
.

[Seite 202]

§. 244.

Het geluid, te wege gebragt door eene trillen-
de te zaamenstooting van veerkrachtige lichaamen,
en door de lucht voordgestuuwd, doet op deze
wyze het gehoor aan*), dat het eerst door het
buitenst schelpvormig en kraakbeenig oor†) [by
weinige van onze Landslieden beweeglijk§)] opge-
vangen, door middel van de schelp, als het ware
[Seite 203] verzaameld, en overgebragt in den, met een bit-
terachtig oorsmeer, besmeerden gehoorweg*),
tegen het schuins geplaatst trommelvlies slaat, dat
aan de ringachtige groeve van het slaapbeen ge-
hegt is, en dien weg afscheidt van het middelste
gedeelte van het oor.

§. 245.

Achter dat vlies is het middelste gedeelte van
het oor, of het hol van den trommel (cavum tympani)
zelf zo geplaatst, dat het met zynen bodem naar
om hoog, en te gelijk binnenwaards ziet.

En het bevat de drie†) gehoorbeentjens (ossi-
cula auditus),
van welke het buitenste, te weten
het hamertjen (malleus) met zijn steeltjen gehegt
is, aan het trommelvlies; en met zijn doornach-
tig uitsteeksel voorwaards gekeerd, groeit het,
ten minsten in een volwasschen mensch, doorgaans
vast aan de ringvormige groeve, waarvan wy ge-
sproken hebben; doch deszelfs rondachtig hoofd-
[Seite 204] jen wordt door het lichaam van het aanbeeld (in-
cus
) ontvangen.

Het aanbeeld zelf, wordt met zijn buitenst
langer uitsteeksel, ’t welk zich als het ware tot
midden in de holligheid der trommel uitstrekt,
vereenigd met het hoofdjen van den stijgbeugel
(stapes).

De stijgbeugel eindelijk met zijn voetstuk (ba-
sis),
in het eyronde vengster (senestra ovalis) vast-
zittende, ziet naar het portaal van den doolhof,
waarin het geluid stootende op het trommelvlies
door de vereeniging van deze drie beentjens wordt
voordgeplant.

§. 246.

Ook dringt de trompet (tuba) van eusta-
chius
*), uit het binnenste gedeelte van de keel
tot in de holligheid van den trommel: en de on-
derste ladder (scala) van het slakkenhuis (coch-
lea
) strekt zich ook derwaards heen, voor wiens
mond, welke men het ronde vengster (fenestra ro-
tunda
)†) noemt, een byzonder vliesjen gespan-
nen is. Doch het gebruik van beide die deelen,
schjjnt ons tot nog toe niet genoeg bekend te
wezen.

§. 247.

[Seite 205]

Eindelijk schuilt in de verborgen holligheden
van het steenachtigbeen, de doolhof, of het bin-
nenste gedeelte van het oor (auris intima),
het welk
wederom drie deelen bevat:

Naamelijk het portaal (vestibulum), dat midden
tusschen de beide andere ligt, en in het welk, be-
halven het ovaale vengster, zo wel de vijf openin-
gen van de achterwaards gelegen halfrond omgeboo-
gen kanaalen (canales semicirculares),
als de boven-
ste ladder van het voorwaards geplaatste slakken-
huis (cochlea
) zich openen.

§. 248.

Deze doolhof zelf bevat een watertjen, dat den
naam draagt van den beroemden cotunnius, en
het welk hy geleerd heeft, dat door twee kanaalt-
jens opgeslurpt wordt, welke hy de waterleiders
(aquaeductus
)*), en meckel de afweegen (diverti-
cula
)†) noemt, van welke ’t een zynen oorspronk
neemt uit het portaal zelf, ’t ander uit de on-
derste ladder van het slakkenhuis.

§. 249.

[Seite 206]

De weeke zenuw nu van het zevende paar,
met de harde zenuw, [welke daarna de waterleider
(aquaeductus
) van fallopius*) doorloopt], de
binnenste holligheid van het gehoor ingetreeden
zijnde, verspreidt haare mergachtige draaden, tot
in deszelfs zeefachtige bodem†), daar ze zich
ten deelen naar het portaal en de halfrond omge-
boogen kanaalen begeven, doch inzonderheid zo
uitloopen naa het voetstuk (basis) zelf van het
slakkenhuis, dat zy onder de gedaante van een
mergachtig gordeltjen, ten fraaisten met vlechtvor-
mige streepen geteekend, tusschen de beide wan-
den des middenschots van het slakkenhuis§) heen
loopen.

§. 250.

De schommelachtige trilling derhalven, welke
wy te vooren (§. 245.) tot aan het ovaale vengster
vervolgd hadden, wordt van daar tot in het por-
taal voordgeplant, alwaar zy eindelijk door middel
[Seite 207] van dat watertjen (§. 248.) de gehoorzenuwen
zelve aandoet, welke met zo groote konst door de
bochten van den doolhof verspreid zijn.

§. 251.

Om nu de hevigheid van den klank, welke op
het trommelvlies valt, en door het hol van den trom-
mel moet worden voordgeplant, te maatigen, daar-
toe dient, behalven de spieren van het hamert-
jen en stijgbeugel (stapes)*), die zo men meent,
willekeurig schynen te kunnen gespannen of ont-
spannen worden†), ook de snaar van den trom-
mel§), die in ’t midden tusschen het steeltjen van
’t hamertjen, en het lang uitsteeksel van het aan-
beeld**) doorloopt.


XXI. AFDEELING.
over
het gezicht
*).

[Seite 208]

§. 252.

De werktuigen des gezichts, de oogen†) zijn
draaibaare bollen aan hunne oogzenuwen [van wel-
ker doorkruissing boven gesproken is (§. 205.)]
als aan steeltjens vastgehegt, zo dat derzelver invoe-
ging niet gekeerd zy in eene rechte lijn naar het
middelpunt van het hoornvlies (cornea), en de re-
genboog (iris), maar gelegen zy achter dien denk-
[Seite 209] beeldigen as, een weinigjen digter naar den neus
toe (– Tab. II. fig. 1. h. –)

§. 253.

Doch ieder oogbol bestaat uit vliesen van ver-
schillenden aart, door welke de doorschynendste
vochten van verschillende dikte bevat worden,
zo dat van het voorste gevengsterde stuk van den bol
af, tot op den bodem, daar tegen over geplaatst
toe, de weg voor de lichtstraalen openstaat.

§. 254.

Het buitenste bekleedsel van den oogbol is het
harde vlies (sclerotica) (– Tab. II. fig. 1. a; fig.
2. a. –) wiens voorste opening als het ware door
het doorschynend hoorn vlies (– fig. 1. b. –),
wordt gevuld, zijnde schilserachtig, meer of min
bol uitsteekende even als eene snede van eenen
kleinen bol, uit een rond, dat een weinigjen
grooter is*).

§. 255.

De holligheid van het harde vlies, wordt het
naast bekleed door het vaatachtig vlies (choroidea)
(– fig. 1. c. –); rijk van bloedvoerende vaten,
inzonderheid van gekronkelde aderen; van weers-
[Seite 210] kanten gekoleurd met een zwart vernis, dat aan
de holle kant van ’t zelve onder de gedaante van
een lijm, zeer losjens gehecht is.

§. 256.

Het vaatachtig vlies, bevat eindelijk het net-
vlies (retina
)*), zijnde het binnenste van die ge-
meene vliezen van den oogbol, een mergachtig
uitbreidsel van de gezichtzenuw zelf, [dat het
harde vlies en het vaatachtig vlies doorboort†)]
en van een zeer fraai maaksel§).

§. 257.

[Seite 211]

De voorste zoom van het vaatachtig vlies ein-
digt met eenen celachtigen gordel, (– fig. 1.
d. –), die men de haairkring (orbiculus ciliaris)
noemt, waar door het zeer vast zit aan eene daar
mede strookende sleuf van het harde vlies, en waar
van twee andere vliezen van eenen verschillenden
aart, de regenboog (iris) naamelijk, en de haair-
streepjens (processus ciliares) even als uitgezette
kringen afstammen.

§. 258.

De regenboog (iris) [wiens achterste zyde
(– fig. 2. c. –) met eene zwartachtige verwe
bekleed, het druiven vlies (uvea) genoemd wordt,]
is de voorste, eenigsins bochtachtig loopende naar
het hoornvlies, en van alle kanten door het wa-
terachtig vocht bespoeld; hy is een weinig smal-
ler naar den neus heen, en breeder naar de slaapen
van ’t hooft. Zijn weefsel is celachtig, en ineen-
gedrongen, zonder eenig blijk van spierachtige
vezels. Voor het overige is het een byzonder
vlies van zyne eigen soort, gelijk zinn reeds lang
geleerd heeft*), en geensins eene verlenging van
het vaatachtig vlies (choroidea); de voorste zyde
(– fig. 1. e. –) is in den eenen zo, in den an-
[Seite 212] deren wederom anders gekoleurt, en zo lang het
zich bevindt in zyne natuurlyke levens kracht,
doet het zich voor, onder den schijn van eene
vlokachtige gedaante.

§. 259.

Ook de bloedvoerende vaten van den regen-
boog, verspreiden zig wel inzonderheid in die
voorste oppervlakte, en loopen in eene vrucht
tot in het vlies van den oogappel (membrana pupilla-
ris
) (– fig. 2. d. –)*), wiens gebruik, naame-
lijk dat het den uitgezetten regenboog vasthoudt,
terwijl de bol met eene gezwinde snelheid, als
het ware aangroeit, en dus tot de toekomende
beweeging bekwaamer gemaakt wordt enz. ik el-
ders wijdloopiger, volgends de natuur aangetoond
heb†).

Vervolgends begint in de zevende of agtste
maand van de zwangerheid, wanneer de oogbol
reeds tot eene aanzienelyke grootte is aangegroeit,
dat vlies aan zijn middelpunt te verdwynen, en
[Seite 213] de elliptische boogen der vaten van het zelve
worden al langzaamerhand te rug getrokken, en
vormen dan, zo ik my niet grootelijks bedriege,
den binnensten ring van den regenboog (annulus iridis
interior),
waar van ik ten minsten voor dien tijd
geen bewijs in de oogen van de vruchten heb kun-
nen vinden.

§. 260.

Het achterste gedeelte van die twee schy-
ven, waar van wy gesproken hebben (§. 257.)
noemt men den band (ligamentum, s. corpus ciliare),
die meer naar achteren wykende, zich van den re-
genboog verwydert; en met zynen buitensten dik-
keren zoom*), aan den haairkring vast zit (or-
biculus ciliaris
) (§. 257.); maar met zyne binnen-
ste, doch dunner, zoom omvat hy den rand van
het kastjen van ’t krystallyne vocht (capsula lentis);
ook met eene donkerbruine verwe bekleed, gelijk
wy reeds by herhaaling gezegd hebben.

Deszelfs voorste zyde (– fig. 1. f. –) naa
het druivenvlies (uved) gekeerd, is gestreept.

[Seite 214] De achterste kant (– fig. 2. b. –) rustende
tegen het glasachtig lichaam, is met bykans ze-
ventig aller fraaist gevlokte plooijen gedekt, uit-
muntende door een vaatgestel van eene onbeschrijf-
lyke sijn-en schoonheid, dat men de haairstreep-
jens (processus ciliares
) noemt.

§. 261.

In dezen bol, wiens vliezen wy tot dus verre
beschreeven hebben, worden wel voornaamelijk
vochten (humores) van driederleie soort bevat.

Het achterste, en wel verre het grootste ge-
deelte van den bol, wordt vervuld door het glas-
achtig vocht (vitreus humor),
met ontelbaare drup-
peltjens in even zo veele celletjens van het glas-
achtige vlies (membrana hyaloidea),
zo verdeeld, dat-
dit algemeen vlies, en waterachtig lichaam een by-
zondere vertooning maakt van eene trillende gely.

§. 262.

Aan den voorkant heeft dit glasachtig lichaam
aan zich vastzitten, en door den haairgordel omringd
(zona ciliaris), het kastjen, waar in het kristallyne
vocht (lens crystallina
), omgeven van het watertjen
van morgagne, bevat wordt.

Dit kristalvocht intusschen zelf bestaat insgelijks
uit een zeer doorschynend celachtig vliesjen, doch
veel dikker, dan dat van het glasachtig lichaam,
en zo weinig voorzien van vocht, dat het met de
vingers opgenomen zijnde, schijnt naa te bootzen
[Seite 215] een sterk kleevende lijm, echter is ’t van eene ver-
wonderlyke helderheid.

§. 263.

Eindelijk wordt de overige ruimte van het
binnenste gedeelte van ’t oog, met een zeer helder
waterachtig vocht (humor aqueus) vervuld, en door
het uitgezette rond van den regenboog in twee ka-
mers (camerae
) verdeeld: te weten, in de voorste
en wel de ruimste, welke het harde, vlies van den
regenboog asscheidt; en in de achterste veel enger,
waardoor het druivenvlies van het haairlichaam (cor-
pus ciliare
) afgescheiden wordt.

§. 264.

Deze allerwaardigste deelen van het lichaam,
gelijk plinius de Oude niet te onrecht de oo-
gen genoemd heeft, worden zo door hunne lig-
ging, waar door zy verborgen zijn in de ooghol-
ligheden, als door de dubbeld opengaande dekse-
len der oogleden veilig bewaard, en beveiligd te-
gen de uitwendige onheilen.

Tusschen de verdubbeling der oogleden (pal-
pebrae
) liggen in eene veelvoudige rye de te zaa-
mengevoegde smeerachtige blaasjens (folliculi seba-
cei
) van meiboom*): doch de buitenste randen
[Seite 216] van dezelve gezoomd met een drie, of viervou-
dige rye van ooghaairen (cilia), worden, door kraak-
beenige voetjens (tarsi) uitgespannen zijnde, onder-
stut, en de beweeging daarvan over den oogbol
wordt door dezelve gemakkelijk gemaakt.

Doch de bovenste deelen, op dat ik cice-
ro’s
woorden de myne maake, bedekt met wenk-
braauwen (supercilia),
keeren het zweet nedervloei-
ende van het hoofd en voorhoofd te rug, en wee-
ren ook eenigsins het al te sterke licht.

§. 265.

Eindelijk om de oogen glibberig te maaken,
derzelver glans te bewaaren, en om uit dezelve de
onreinigheden te spoelen, dienen de traanen (la-
crymae),
welker voornaamste bron, eene te zaamen-
gerolde klier is, verborgen onder het uitspansel
van den oogkuil aan de buiten zyde. Deze heeft
zeer veele en zeer dunne uitwerpende buizen,
die men zegt, dat in beide de oogen in een
etmaal, omtrent twee oncen traanen uitstorten:
tot wier opslorping naderhand de traanpunten ge-
schikt zijn, van waar zy verder door de zoge-
naamde slakkenhoornen in eenen zak van denzelfden
naam, doch eindelijk van daar tot in den onder-
sten weg der neusgaten gebragt worden.

§. 266.

[Seite 217]

Zoo veel was noodzaakelijk over het maaksel
van het gezichts-zintuig voor af te laaten gaan.
Laat ons nu tot zyne verrichtingen zelve, of tot
de manier van zien overgaan.

De lichtstraalen nu met eenen scherperen hoek,
dan die van 48 graaden, op het bolle hoornvlies
vallende, gaan door hetzelve, en worden, ge-
lijk zo wel de dikte, als de gedaante van dit mid-
den medebrengt, op eene byzondere wyze in het
hoornvlies zelf, doch een weinigjen minder in
het waterachtig vocht naar den as gebrooken.

Alle de straalen, welke vervolgends door den
oogappel gaan, en op het kristallyne vocht vallen,
moeten door dit zelfde midden ook nog te meer
gebrooken worden.

Doch door middel van het glasachtig vocht, een
dunner midden, wordt gezorgt, dat zy niet in een
al te kort brandpunt te zaamen komen, maar dat
dit zelf verlengt op het netvlies valle, en het
beeld van de voorwerpen, gelijk de natuur der
zaak het medebrengt, het onderst boven vertoo-
nen.

§. 267.

En deze verschillende digtheid van die mid-
dens, toont het grootste konststuk van den God-
delyken Schepper aan, nademaal daar door aan de
[Seite 218] dubbelde afwykinge der straalen, wegens de ver-
schillende te rugkaatzing der koleuren, en wegens
de gedaante der vliezen, zo te hulp wordt geko-
men, dat de straalen eindelijk niet te min in een
en het zelfde brandpunt verzaameld worden*).

§. 268.

Doch het beroemde voorstel, waarby gevraagt
wordt, hoe wy dan de voorwerpen recht op zien,
wier beeltenis echter het onderst boven op het
netvlies vertoont wordt, schijnt gemakkelijk op-
gelost te kunnen worden, wanneer men beschouwt,
dat men de dingen noemt het onderst boven, met
opzicht tot andere dingen, welke recht op ver-
toond werden.

Daar nu de beeltenissen niet alleen van eeni-
ge, maar van alle voorwerpen, en van elk stuk
voor stuk, en van ons lichaam zelfs enz. in den
zelfden betrekkelyken stand van het netvlies ont-
vangen worden, komen de ligging, en de betrek-
king van alle de dingen, en van elk stuk voor
stuk, even zo juist met elkanderen overeen, als
of zy inderdaad recht op vertoond waren geweest,
zo dat de ziel [aan wien niet de beeltenis zelve,
maar enkel het gevoel daar van door derzelve aan-
[Seite 219] straaling ontstaan, medegedeeld wordt] volmaakt
voor alle verwarring en dwaaling bewaard wordt*).

§. 269.

Terwijl nu zeer veele omstandigheden ver-
eischt worden, om scherp en onderscheiden te
zien, heeft de Schepper ook op eene wonderbaare
wyze voor die zelfde veelvuldige werkingen der
deelen gezorgd.

En wel voor eerst, daar ’er eene genoegzaa-
me, doch echter bepaalde, en geen al te groote,
en verblindende hoeveelheid van licht noodig ware
tot de helderheid van het gezicht, is daar omtrent
op eene tweevouwige wyze zo voor gezorgd, dat
voor eerst, naar maate van het sterker of zwakker
licht ook eene grootere of mindere hoeveelheid van
straalen op het kristallyne vocht (lens) valle; en
dat ten anderen ook nog het overtollige gedeelte
van het licht, als nadeel doende arm de helder-
heid, wordt opgeslurpt.

Het eerste wordt volbragt door de beweeging
van den regenboog (iris), het laatste door het
zwart vernis.

§. 270.

De regenboog bezit zulk eene aanmerkelyke
[Seite 220] beweegbaarheid, waar door zy zich zodaanig schikt
naar den toedragt van het licht en afstand, dat zy
naar gelang der digter byzijnde voorwerpen, of
blootgesteld zijnde aan een sterker licht zich uit-
zet, en den oogappel vernaauwt, doch de voor-
werpen nader by zijnde, of door een zwakker licht
aangedaan, zich te rug trekt, en den oogappel
wyder doet worden*).

De Natuurkundigen hebben getracht deze be-
weeging op eene verschillende wyze te verklaaren;
sommige hebben dezelve afgeleid uit de verschil-
lende aandrang van het bloed, op deszelfs vaten,
terwijl andere denkbeeldige spieren van den regen-
boog hebben verzonnen, waar aan zy die bewee-
ging toeschreeven enz. Doch geen van beide kan
plaats hebben, maar dat men waarschijnlyker, en
meer overeenkomstig met de verschijnselen der
natuur, de naaste oorzaak van de beweeging der
regenboog, uit deszelfs eigen leven (§. 47.) moet
afleiden, heb ik onlangs in een afzonderlijk
geschrift getoond; doch men kan de afgeleegene
oorzaak, gelijk ik boven (§. 255.) al te kennen ge-
geven hebbe, niet dan uit het te rug werken van
het gewaarwordings-werktuig zelf afleiden.

§. 271.

[Seite 221]

Doch het nut van de donkerbruine verwe,
waarvan wy reeds zo veel gesproken hebben (§.
255. 258. 260.) dat het naamelijk het overtollige
licht zoude opslurpen, en deszelfs groote belang
hier uit voordvloeiende, om wel te zien, wordt
onder andere bewyzen, ontleend uit de ontlee-
ding der oogen van dieren van verschillende rang,
voornaamelijk bewezen uit de ongezonde gesteld-
heid der halfzwarten (leucaethiopes), in welke, we-
gens het gebrek van deze verwe, eene moeie-
lyke tederheid des gezichts, en onverdraagelijk-
heid van het licht geboren wordt*).

§. 272.

Dan wyders wordt ’er vereischt, dat het brand-
punt van de gebroken straalen naar den eisch zich
bevinden met opzicht tot het netvlies, zo dat het
gezichtspunt zich niet al te veel verlenge achter
het zelve, en niet al te kort valle op het glasach-
tig lichaam.

Het laatste gebrek, hebben de byziende (myopes),
die een boller en eenigsins meer uitpuilend hoorn-
[Seite 222] vlies hebben, doch met het eerste, zijn de verzien-
de (presbytae) behebt, dewijl in dezelve een tegen-
gestelde vorming van die oogdeelen plaats heeft.

§. 273.

Dan dewijl een volkomen gezond oog, zo wel
de verdere, als nadere voorkomende voorwerpen
even duidelijk kan zien, zo moet het zelve ten
dien einde met byzondere vermogens voorzien
zijn, waar door het zich naar die verschillende
afstand van voorwerpen kan schikken*); en dat
deze uitwendige veranderingen van het oog, voor
het grootste gedeelte te wegegebragt worden door
de drukking van de rechte spieren van den oogbol,
blijkt my op eene zeer duidelyke wyze, onder an-
deren uit de byzondere vorming, en gedienstige
buigzaamheid van het hardevlies, in het oog van
een Groenlandsch Zeekalf, in welk water en land-
dier, daar het beurtelings midden door zo eer
ne verschillende digtheid moet zien, de natuur
door die vorming op de volmaakste wyze gezorgd
heeft.

§. 274.

Door die zelfde spieren, worden de oogen
van een waakend mensch, in eene geduurige, al-
[Seite 223] hoewel ongevoelige beweeging gehouden, en ge-
richt naar de daar tegenovergestelde as van het
voorwerp.

Want alhoewel het geheele netvlies (retina)
met gevoel begaafd zy, is het echter niet aan alle
kanten even geschikt tot het ontvangen van de
beelden der dingen. Voor eerst immers weet elk
een door de zeer bekende proefneming van ma-
riotti
dat het menschelijk*) oog, niets kan
zien op de echte as van den bol, waar naamelijk
de gezichtzenuw ingaat.

Doch het voornaamste brandpunt van het ove-
rig gedeelte van het netvlies, en het welk ge-
houden moet worden voor het voornaamste werk-
tuig van het naauwkeurig gezicht, valt op de
denkbeeldige as van den bol, welke overeenkomt
met het middenpunt van het hoornvlies, en den
geheelen bol; het geen evenwel, gelijk de be-
roemde kaestner, onlangs aangemerkt heeft te-
gen boerhaave, niet zo moet verstaan worden,
als of men met een onbewogen oog alleen maar
een eenig stip van een voorwerp onderscheiden ep
[Seite 224] levendig kon zien, en dat men om een ander voor-
werp te onderscheiden noodig had, als dan den as
te veranderen, daar ’er veel eer een eenig, en
tevens eene volleedige gewaarwordinge van een
voorwerp geboren wordt*).

§. 275.

Doch de hebbelijkheid om den as van het oog
met eene oogenblikkelyke gemakkelijkheid naar het
voorwerp te richten, wordt eerst door het ge-
bruik en de oeffening verkreegen. Dit bewijst,
eensdeels het voorbeeld van die geene, by welke,
na dat zy blind waren geboren, eerst in hunnen
volwassen ouderdom het gezicht hersteld is†),
als mede ook het voorbeeld van de tedere kinde-
deren, dewijl die naauwlijks voor de derde maand
van hunne ouderdom tot die gemakkelijkheid ge-
raaken.

§. 276.

Het schijnt ook aan die zelfde kracht van heb-
belijkheid, en gewoonte, te moeten toegeschreeven
worden, dat wy met beide de oogen echter maar
een voorwerp zien; want ook schynen de pas ge-
[Seite 225] borene, twee dingen te gelijk te zien, ook heeft
men by sommigen waargenomen, dat na verscheidene
oogziektens, het zien van twee dingen te gelijk,
eenen tijd lang plaats gehad heeft, het welk eerst
door het gebruik en de oeffening te boven kan ge-
komen worden.

§. 277.

Voor het overige overtreft het vereenigde ge-
zicht van beide de oogen, dat van één oog, vol-
gends het gevoelen van jurin, niet meer dan een
dertiende gedeelte, zelf is het beter, gelijk de be-
roemde schilder leon. devinci al lang opge-
merkt heeft, slechts een oog te gebruiken, om den
afstand der voorwerpen te beoordeelen*).

§. 278.

In het algemeen nu komt de scherpte van het
gezicht daarop uit, dat de hoek van het gezicht,
ten minsten 34 seconden grooter moet zijn, gelijk de
beroemde tob. mayer, door de uitnemendste proef-
nemingen heeft bewezen; welke tevens de hoogste
volmaaktheid van het menschelijk oog daar uit
betoogd heeft, om dat die eindpaal van het ge-
zicht, by allerlei licht, het zy by ’t middaglicht,
[Seite 226] het zy by het zwakke kaarslicht, zich altoos,
gelijk blyven, zo dat, hoe zeer ook het licht ver-
minderd zy, echter naauwlijks iets van de klaar-
heid des gezichts verloren gaat*).

§. 279.

Daar uit kan men opmaaken, de oneindige
kleinheid der beelden van de voorwerpen, dewel-
ke op het netvlies geworpen worden†), en wel-
ke niet te min met zo groot een geweld, als het
ware daarin gedrukt worden, dat by zekere om-
standigheden de voetstappen van dezelve noch
overig blyven, alhoewel het voorwerp zelf niet
meer voor het oog verkeert§).

XXII. AFDEELING.
over
de inwendige zinnen
en
andere zielsvermogens
*).

[Seite 227]

§. 280.

Door die uitwendige zinnen, welke wy tot
hiertoe nagevorscht hebben, worden de denkbeel-
den aan de ziel, het voornaamste gedeelte van
ons, medegedeeld; want niets is ’er, volgends den
zeer bekenden stelregel, in het verstand, het welk
niet te vooren onder het bereik der zinnen ge-
weest is.

§. 281.

[Seite 228]

Doch om deze, door middel van de zinnen
verkreegen denkbeelden overtenemen, en te be-
waaren, om de zelve vervolgends wel te gebrui-
ken, daartoe dienen meer dan eenerlei ziels ver-
mogens, welke van de lichaamelyke levenskrach-
ten, gelijk wy gezien hebben, hemelsbreedte, ge-
lijk men zegt, verschillen (§. 42.), en echter door
middel van het zenuwgestel het naast zodaanig met
die lichaamelyke krachten verbonden zijn, dat daar
uit eene wonderbaare gemeenschap tusschen de ziel
en het lichaam geboren en gekoesterd wordt (§. 210.
enz.)

§. 282.

De eerste van die vermogens, en wel die,
welke op de benedenste trap, als het ware gesteld
is, is het vermogen van gewaarwording (perceptio),
waar door de ziel bewustheid krijgt van de in-
drukken, die op de zintuigen gemaakt worden.

§. 283.

Dit vermogen nu wordt geholpen door een
ander, het welk in eene hooger waardigheid is,
te weten de opmerkzaamheid (attentio), welke de
ziel by het een of ander verwekt denkbeeld zo
bestiert, dat zy op het zelve eeniglijk, en geheel
en al als het ware denke.

§. 284.

[Seite 229]

Doch om de denkbeelden, welke verkreegen
wierden te bewaaren, en om dezelve dus leven-
diger op te wekken, en met elkanderen te veree-
nigen, dienen twee andere vermogens, die men
inwendige zinnen (sensus interni) noemt, naamelijk het
geheugen, en de verbeelding; die schoon zy elkande-
ren zeer na gelijk zijn, zo evenwel moeten onder-
scheiden worden, dat het geheugen (memoria) meer
schyne te dienen om de willekeurige beelden der
dingen te ontvangen en te bewaaren*); doch de
verbeelding (phantasia) integendeel, veel eer dezelfde
beelden opwekke, en dezelve wederom, als waren
zy tegenwoordig, vertoone en opheldere, en wel
het levendigste die denkbeelden, die of een gevoel
van wellust, of van verdriet verwekken.

§. 285.

Doch in het algemeen, steunt op die zelfde
aangenaame of onaangenaame verscheidenheid van
gewaarwordinge, ook het vermogen van te begee-
ren en te verwerpen, en zo wy de zaak naauw-
[Seite 230] keuriger overweegen, den geheelen grondslag der
wil.

§. 286.

En uit die zelfde bron van verbeelding moe-
ten ook de gemoedsaandoeningen, of bewegingen (ad-
fectus
) afgeleid worden, waar aan wy zien, dat elk
mensch naar de veelvouwige verscheidenheid van
natuursgesteldheden (§. 59.) op eene even zo ver-
schillende wyze onderheevig is, en welker inwen-
dige en plotselyke overeenstemming met de ver-
richtingen van het lichaam, door veelvuldige voor-
beelden ten klaarsten blijkt*); zo dat ’er by voorb.
naauwlijks een eenige gemoedsaandoeninge gevon-
den worde, welke niet eenig vermogen kan uitoes-
fenen op de beweeging van het hart, of op de be-
geerte naar spyzen, of op de wyze van vertee-
ringe; om van de byzondere uitwerksels niet te
spreeken, waarmede wy by voorb. weten, dat de
schaamte werkt op de schaamroodheid, de liefde
of de haat op de verrichtingen van de sexe; de
gramschap op de afscheiding der galle enz.

Zelf mogen wy ook met opzicht tot die uit-
werkselen, welke de gemoedsbeweegingen veroor-
zaaken, in de huishouding van het lichaam, dezel-
[Seite 231] ve in het algemeen verdeelen in opwekkende en
nederdrukkende.

Van den eersten rang zijn, vreugde, liefde,
hoop, gramschap enz.

Van den tweeden rang, de vreeze, droefheid,
het heimwee (nostalgia), en andere soorten van
verlangen, de afschrik, en afgunst.

§. 287.

De tot hiertoe verhandelde zielsvermogens,
hebben de beesten met den mensch gemeen, al
schoon de mensch de beesten in volmaaktheid van
dezelve oneindig te boven gaat; daar by voorb.
geen van de dieren een geheugen bezit van zo
groot eenen omtrek, en van zo eene yzere vasthou-
dendheid als het ware; en geen dier zo groot ee-
ne levendigheid van verbeeldings-kracht hebbe,
en zo eene hevigheid van gemoeds-aandoeningen,
die somtijds doodlijk is.

§. 288.

Echter bestaat het voornaamste voorrecht van de
menschelyke ziel daarin, dat zy alleen met het ge-
bruik der reden (ratio) begaafd is, door wier middel
zy oordeelen, en zich afgetrokken denkbeelden for-
meeren kan, enz. Zy vermag daarenboven ook zeer
veel op alle de overige gemoeds-beweegingen;
terwijl de overige dieren in plaats van de reden,
veelvuldige neigingen (instinctus), of blinde en on-
willige driften gegeven zijn, ter verrichting van
[Seite 232] aan hun doel beandwoordende werkingen, waar van
integendeel, behalven de drift tot voordteeling,
naauwlijks iets aan den mensch eigen is.

§. 289.

Het verbaazend groot onderscheid tusschen de
dierlyke driften, en de menschelyke reden, zal
duidelyker dan het middaglicht blyken, wanneer
men in aanmerking neemt:

Dat de driften aangeborene vermogens zijn,
daar integendeel het gebruik van de reden, door
niets anders, dan door de beschaaving, en opvoe-
ding verkreegen wordt.

Dat de driften zich gelijk blyven, en niet
vermeerderen, doch dat het gebruik der reden in
het geheel geene paalen kent.

Dat de driften der dieren alleen maar geschikt
zijn naar de levenswijs van elk geslacht der die-
ren, en naar het klimaat, en dat zy zelve uit dien
hoofde in het geheel met den mensch niet over-
eenkomen, dewijl den mensch, welke aan geen
luchtstreek, aan geene byzondere soort van leven
verbonden is, de geheele wereld ter bewoonin-
ge gegeven is: uit welk onbegrensd voorrecht
ook veelerhande behoeftigheden geboren worden,
waar aan de eenvouwige drift, in geenen deelen
zou beandwoord hebben, doch waar aan het ge-
bruik der reden, op even zo veelvuldige wyze ten
naauwkeurigsten kan voldoen.

[Seite 233] Eindelijk volgt ook nog op het gebruik van de
rede een ander voorrecht van den mensch, te
weten het gebruik der spraake, waarvan wy bo-
ven reeds gehandeld hebben (§. 154.), en het
welk den mensch allen voegt, daar integendeel
aan de beesten, niets dan de stemme vergund zy.


XXIII. AFDEELING.
over
die werkingen des lichaams
,
welke
aan het goeddunken der wil
onderworpen zijn
.

[Seite 234]

§. 290.

Wy hebben gezien, dat de zenuwen eenen dub-
belden dienst waarnemen (§. 214.), zijnde eens-
deels geschikt om te gevoelen; ten anderen om te
beweegen. Tot dus verre hebben wy den toe-
stand van de eerste beschreeven; nu blijft ’er nog
over, dat wy kortelijk over den laatsten hande-
len.

§. 291.

In het algemeen pleegt men de beweeging der
deelen van het menschelijk lichaam tot twee ran-
gen aldus te brengen, dat sommigen geregeerd wor-
den door het goeddunken van den wil, anderen
wederom niet alzo.

Tot voorbeelden van de laatste soort, wordt
gemeenelijk bygebragt de gelijkvormige bewee-
ginge van ’t hart, als ook de wormswyze bewee-
[Seite 235] ginge (motus peristalticus) van de darmen, en som-
mige andere ingewanden enz.

Doch tot den eersten rang worden gebragt,
verre de meeste beweegingen der overige spie-
ren.

Eindelijk wordt ook nog getwyfeld over den
aart van sommige, gelijk de ademhalinge, het
niezen; de spanning van het trommelvlies, enz.
welke eenigen tot de vrywillige, anderen tot de on-
vrywillige, anderen tot de gemengde beweegingen
brengen.

§. 292.

Maar die verdeeling naauwkeuriger overdacht
hebbende, kunnen wy gemakkelijk begrypen, dat
dezelve van groote moeielijkheden verzeld gaat,
zo dat het byna onmogelijk is, de grenzen te be-
paalen tusschen diergelyke rangen.

Want ’er zullen aan den eenen kant weinige ver-
richtingen van ons lichaam kunnen opgeteld wor-
den, waar over men zou kunnen zeggen, dat de
wil in het geheel geen bestier hebbe, voornaame-
lijk zo men op de naauwe verbintenis van de ver-
beelding, en van de gemoedsaandoeningen met de
wil lette.

Doch van den anderen kant, zijn ’er voorbeel-
den der verrichtingen van de spieren, die schoon
zy uit haare natuur geheel willekeurig zijn, ech-
ter uit kracht der gewoonte [welke in het alge-
meen van zeer veel gewigt en aanbelang is, om-
[Seite 236] trent de dierlyke beweegingen] als het ware, on-
vrywillig gemaakt worden.

§. 293.

Van de laatste soort zijn in de eerste plaats
diergelyke spierbeweegingen, die schoon zy an-
ders door den wil geregeerd worden, echter by
zekere byzondere omstandigheden werken, zon-
der medeweten, ja zelf zomtijds tegen wil en
dank van de ziel.

Dus gebeurt het by voorb., dat wy tegen wil
en dank
moeten knipoogen, wanneer de vinger van
eenen vriend ons oog nadert, alschoon by het niet
aanraakt; – of den ringvinger te buigen, die naa-
melijk in de meeste menschen gewoon is de buiging
van den pink te volgen enz.

Wy beweegen somtijds ook de leden, de ziel
’er niets van wetende, schoon wy gedompeld liggen
in den diepsten slaap.

Doch van den anderen kant, zijn ’er ook voor-
beelden van spieren, dewelke schoon zy verre den
meesten tijd aan den wil naar den eisch gehoorzaa-
men, echter in zommige gevallen denzelven wei-
geren te volgen: waartoe men, by voorb. mag
brengen, de moeielijkheid, om met de hand en
den voet van dezelfde zyde in een tegenovergestelde
richting een kring of cirkel te beschryven, en
andere soortgelyke beweegingen, die, schoon zy
vrywillig zijn, en wel tot de gemakkelijkste be-
hooren, zo zy stuk voor stuk uitgeoeffend worden,
[Seite 237] echter zeer moeielijk volbragt worden, zo dik-
wijls zy met zekere andere beweegingen vereenigd
gaan*).

§. 294.

Doch wat die beweegingen betreft, welke
men oordeelt geensins aan het bestier der wil on-
derheevig te zijn, ken ik ’er naauwelijks eenen,
of zy is aan eenige uitzondering onderheevig, be-
halven de te zaamentrekkingen van den baarmoe-
der by het kraamen.

Want men heeft voorhanden het bekend ge-
val van eenen Engelschen Collonel, omtrent het
slaan van het hart, die de beweeging van het hart,
en de slagaderen naar goeddunken heeft kunnen
inhouden, volgens de getuigenisse van de zeer
achtbaare Geneesheeren baynard en cheyne’s
die het met hunne eigen oogen gezien hebben†).

Ook kan de beweeging van de maag vrywillig
zijn, gelijk de herkaauwing in het algemeen schijnt
te leeren, en ik op het duidelijkste bevonden
heb, in eenen herkaauwenden man, by wien die
aandoening geheel vrywillig was.

Betrekkelijk de beweeging van den regenboog,
schoon zy in verre de meeste menschen onvry-
[Seite 238] willig zy, heb ik echter van gelooswaardige ge-
tuigen een voorbeeld van eenen man gehoord, die
over dezelve, met eene zekere byzondere pooging
aan te wenden, het bestier voerde, en ook den
oogappel by donker licht kon vernaauwen.

En dus zijn ’er veelvoudige soorten van be-
wewgingen, die schoon zy meestentijds zonder
het bestier der ziel volbragt worden, echter by
sommige menschen vrywillig zijn, voornaamelijk
zo de oplettenheid*) en eene verhitte verbeel-
ding ’er bygekomen zijn.

Dus heb ik menschen gekend, welke elk oo-
genblik zich eene krampachtige huivering der huid
konde verwekken, zodra zy zich het denkbeeld
van zekere onaangenaame gewaarwordingen weder
verlevendigden enz.

§. 295.

Men zou misschien deze dingen moeten ver-
klaaren uit de te rugwerking van het gewaarwor-
dings-werktuig, die even goed door middel van
de verbeelding, de werkende prikkeling vertegen-
woordigende, dan door de prikkeling zelve, wel-
ke in de daad op het gewaarwordings zintuig werkt,
schijnt te kunnen verwekt worden. ’Er zijn ze-
[Seite 239] ker zeer veele verschijnsels van de dierlyke huis-
houding, uitnemend strookende met diergelyke
eene uitlegging; als by voorb. de verscheiden oor-
zaaken, welke eene oprichting der mannelyke roe-
de verwekken enz.

§. 296.

Over de vrywillige beweegingen in het alge-
meen zy het my geoorloofd, dit nog ten laat-
sten aan te merken, dat die behooren tot de eer-
ste en voornaamsten kenmerken, die het dieren-
rijk van het plantenrijk onderscheiden: dewijl zy,
gelijk zy nooit aan eenige plant eigen zijn, ech-
ter integendeel zelf niet in de aller een vouwigste
soort van dieren ontbreeken.

§. 297.

In ons zelven intusschen, geven die bewee-
gingen een allerduidelijkst bewijs van die innige
overeenstemming, waar mede de ziel met haar
lichaam te zaamenspant, het welk zelf blyken
zal, wanneer men de snelle gezwindheid gade-
slaat, waarmede de veelerhande beweegingen der
vingeren van eenen geoeffenden snaarenspeeler, of
van de werktuigen der spraake van elken die spreekt,
zich vervangen.


XXIV. AFDEELING.
over
de beweging der spieren
.

[Seite 240]

§. 298.

De naaste werktuigen, van verre de meeste be-
weeging van ons lichaam, zijn de spieren, dewel-
ke onder alle deszelfs gelijkvormige deelen, de
grootste masse uitmaaken.

§. 299.

Voornaamelijk worden de spieren door een dub-
bel kenteeken van de overige gelijkvormige dee-
len onderscheiden; zijnde het een genomen van
derzelver maaksel, het ander is dat, het welk
door eene byzondere soort van derzelver levens-
kracht te wege gebragt wordt.

§. 300.

Dat maaksel*) nu is vleezig uit vezelen van
zijne eigen soort, bleekachtig rood, zodaanig in
eengedrongen, dat ieder spier eerst uit vezel-
achtige strooken, de strooken wyders uit bundelt-
jens van vezels, deze wederom door eene dus-
[Seite 241] aanige voordgaande verdeelinge, eindelijk uit die
allerkleinste vleeschachtige vezelen en vezeltjens
bestaan*).

§. 301.

Doch een spier wordt omsingelt door een cel-
achtig omslag, het welk zelf doordringende tot in
haare zelfstandigheid, en in het zelve geheel en al
als het ware ingeweeven, eerst aan de strooken (la-
certi),
verder aan de bundeltjens, eindelijk ook
aan de vezels en vezeltjens tot een afscheidsel ver-
strekt.

§. 302.

Daar beneven wordt het gantsche te zaamen-
stel van de spieren, door ontelbaare bloedvoeren-
de vaten en zenuwachtige draaden doorkroopen,
van welke de laatste in eene onzichtbaare pap schy-
nen te versmelten, en zich met de spierachtige
vezelen ten naauwsten te vermengen; doch de eer-
ste zijn tusschen deze zeer tedere vezelen, zo
ingeweeven, dat door dit geheele vleesch daaruit
eene donker roode bloedkoleur geboren worde, wel-
[Seite 242] ke ’er uitgewasschen zijnde, zy hunne natuurlyke
bleekheid, waar van wy (§. 300.) gesproken heb-
ben, wederkrygen.

§. 303.

Eindelijk hebben de meeste spieren ook dit,
dat zy overgaan in trekkers, welke mede wel ve-
zelachtig zijn, maar echter van zulk eenen ver-
schillenden aart*) met opzicht tot de koleur, het
weefzel, en de veerkracht (elater) enz. dat het
onderscheid der vezelen van beiderleie soort zeer
gemakkelijk blyke, en die gedagte van de natuur-
kundigen omvergeworpen wordt, welke gemeend
hebben, dat de vezelen der trekkers allengs ge-
boren worden uit de spiervezelen, voornaamelijk
door dit verschijnsel bedrogen, waar by het blijkt,
dat de spieren der kinderen, indien men dezelve
vergelyke, met die van volwassen menschen,
naar evenredigheid meer van het vleesch hebben,
dan van de trekkers.

§. 304.

Het tweede uitsluitend kenmerk van de spier,
’t welk wy aangehaald hebben (§. 299.), is
de aandoenlijkheid voor irritabiliteit van hal-
[Seite 243] ler*), wier aart en verschil met het te zaamen-
trekkend vermogen wy reeds boven aangewezen,
hebben (§. 44.); en wier naauwkeuriger naaspooring
wy hier ter plaatse verder zullen vervolgen.

§. 305.

Doch deze irritabiliteit, of spierkracht, ’t zy
ingeplantte, ’t zy eigen kracht, is wel gemeen aan
alle spierachtige deelen, doch aan allen niet in den-
zelfden graad, want men heeft waargenomen†),
dat het eene deel hier in het andere zeer verre
overtreft.

[Seite 244] De eerste plaats komt toe aan de holle spieren,
die dienen tot de levens en natuurlyke werkingen,
en wel onder alle, munt het hart, gelijk reeds
boven gezegd is (§. 118.) uit, wiens binnenste op-
pervlakte voornaamelijk eene zeer levende en zeer
langduurige irritabiliteit bezit.

Naa het hart volgt in dat voorrecht het darm-
kanaal, voornaamelijk de dunne darmen: welke ook
in dieren, die warm bloed hebben, somtijds noch
lang, geprikkeld zijnde, zich te zaamentrekken,
zelfs, wanneer het hart reeds zwijgt.

Naa deze volgt de maag.

En dan de waterblaas enz.

Onder de overige spieren, hebben die, wel-
ke tot de ademhaling behooren, ook eene uitstee-
kende irritabiliteit, als het middenrift (diaphragma),
[Seite 245] de tusschenribbige spieren (musculi intercostales),
en de driehoekige spier van het borstbeen (triangu-
laris sterni).

Dan volgen de overige spieren.

Zy bevindt zich, doch geringer, in de slagaderen
(arteriae) (§. 123).

Als ook in de stammen (trunci) der aderen, wel-
ke in de borst gelegen zijn (§. 84).

Nog minder in de overige bloedvoerende ade-
ren (§. 127.), indien het eene ware irritabili-
teit
is.

§. 306.

De groote kunst-richter in dat stuk haller
zelfs, schijnt my toe aan eenige andere deelen de
irritabilliteit verkeerdelijk toegeschreeven te heb-
ben, welke ik door proeven bevonden heb, wel
met de te zaamentrekkings-kracht (contractilitas) (§.
50. enz.) begaafd te zijn; doch nooit heb ik in
dezelve de irritabiliteit kunnen waarnemen.

Hiertoe behooren de melkaderen, de klieren,
de galblaas, de lijfmoeder, het huidvlies van de
balzak (tunica dartos) en de mannelyke roede.

Met geen grooter recht zie ik, dat ook de
irritabiliteit toegeschreeven wordt aan den regen-
boog van ’t oog, aan de buitenste oppervlakte der
longen enz., aan alle welke deelen niet meer, zo
ik het eenigsins wel hebbe, die kracht toekomt,
dan aan het celachtig weefsel, en de deelen, die
daaruit te zaamengesteld zijn, de gemeene be-
[Seite 246] kleedsels, de hersenvliessen (meninges), het rib-
benvlies (pleura) enz., het buikvlies (peritonaeum)
enz., het beenvlies (periosteum), het mergachtige
vlies (membrana medullaris), de trekkers (tendines),
trekkerachtige uitbreidselen (aponeuroses) enz.; of
aan de ingewanden bestaande uit eigenaartige zelf-
szandigheid (parenchyma) (§. 27.), aan de lever,
milt, nieren, nageboorte, de hersens met het ge-
heele zenuwgestel enz., alle welke deelen tot een
toe, zo wel de spierachtige vezeldraaden, als de
irritabiliteit, aan dezelve maar alleen eigen, ont-
beeren.

§. 307.

Gelijk wy nu de spierachtige irritabiliteit,
somwylen hebben zien verwarren met de te zaa-
mentrekkings
-kragt (contractilitas) van het celachtig
weefsel, zo heeft het aan den anderen kant, voornaa-
melijk in de laatste tyden aan eenige beroemde
mannen*) behaagt, dezelve te brengen tot de
zenuw-kracht (vis nervea).

[Seite 247] Doch schoon de heerschappy der zenuwen op
de beweeginge der spieren, geensins kan ontkend
worden, waar van wy straks kortelijk zullen spree-
ken, en men het minste vezeltjen, zelfs van het
spiervleesch niet kan aantoonen, het welk men zou
kunnen zeggen, dat van het zenuwachtig merg
ten eenemaal ontbloot is, schynen echter deze din-
gen daar mede niet te stryden, dat de irritabili-
teit
voor eene kracht van eene eigenaartige soort,
even zo verschillende van de zenuwkracht als van
de te zaamentrekkingskracht, gehouden worde.
Want aan den eenen kant ontbreekt die kracht,
aan alle de andere niet spierachtige deelen, schoon
zy voor het overige zeer zenuwrijk zijn, als het
vel (corium), en zo veele zenuwachtige ingewanden
enz.; doch aan den anderen kant zien wy, dat
geen ander, dan het spierachtig vleesch de echte
verschijnselen der irritabiliteit opleevert; zo dat
het, dit alles, behalven veele andere bewijsrede-
nen, met elkanderen overwogen zijnde, meer
overeenkomstig schyne met de reden, die byzon-
dere verschijnselen toe te schryven aan een by-
zonder weefsel van de spiervezel, dan dezelve aan
[Seite 248] de zenuwen toe te kennen, welke zo veele an-
dere deelen des lichaams met de spieren gemeen
hebben, en welke evenwel niet het geringste blijk
van eenige irritabiliteit in dezelve verwekken.

Ik zwyge van zo veele andere bewijsredenen
van groot gewicht daar uit gehaalt, b. v. dat men
geene betrekking bespeurt tusschen den trap der
irritabiliteit van eenig deel, en de menigte van
zenuwen, die na het zelve loopen enz.

§. 308.

De voornaamste krachten intusschen van de
zenuwen zelve, waar mede het bekend is, dat zy
op de spieren werken, schynen hierop uit te ko-
men, dat zy als verwyderde of opwekkende oorzaa-
ken van de spierbeweeging kunnen aangemerkt wor-
den, doch geensins met de naaste of uitwerkende
oorzaak verward moeten worden, welke enkel en
alleen de ingeborene irritabiliteit van het spier-
vleesch is.

De gemoedsaandoeningen werken by voorb.
op het gewaarwordings-werktuig, dit werkt we-
der te rug op de zenuwen van het hart, zo dat
zy de irritabiliteit van het zelve opwekken, wel-
ke de kloppinge (palpitatio), en andere onregel-
maatige beweegingen veroorzaakt.

De wil werkt op het gewaarwordings-werk-
tuig, dit werkt te rug op de zenuwen van den arm
(brachium), deze verwekken dan op dezelfde wy-
ze als verdere oorzaaken der spierbeweeging, die
[Seite 249] het naast van de irritabiliteit zelve uitgeoeffend
wordt enz.

§. 309.

En met deze onderscheiding van beiderleie soort
van oorzaaken in de spierbeweeging te zaamenloo-
pende, komen volmaakt de proefnemingen over
een, welke zo dikwijls genomen zijn, zo in de
verlamming (paralysis) der deelen, welke volgt op
de doorgesneedene, of gebondene zenuwen, die
tot dezelve behooren*), als in de irritabiliteit,
die des niet tegenstaande somwylen als dan eenen
zeer langen tijd overig blijft.

§. 310.

Maar welke de invloed zy van het bloed, waar-
mede de spieren sterk gevuld zijn (§. 302.) om-
trent de werkingen van dezelve, blijkt noch niet
duidelijk genoeg.

De proefneming van steno†), pleeg door-
gaans zo uittevallen, dat op de binding van de
onderbuiks groote slagader (aorta abdominalis), ins-
[Seite 250] gelijks eene verlamming der agterbeenen volgde*).

§. 311.

Behalven deze ingeborene gemeene krachten
der spieren, welke wy tot nogtoe nagespoord
hebben, komen ook nog by elke spier in het by-
zonder eigen en vreemde krachten, ontsprooten
uit derzelver verschillende gedaante, ligging enz.,
die volmaakt met het werktuigelyke, waartoe zy
bestemd zijn, overeenkomen.

§. 312.

En in het algemeen pleeg men ook uit dien
hoofde, de spieren te verdeelen in holle en zagte
spieren; waar van de eerstgemelde, gelijk wy ge-
zien hebben, niet het naast onderhevig zijn aan de
heerschappy van den wil, en meer behooren tot
de levens en natuurlyke verrichtingen, en daarom
komen zy hier ter plaatse niet meer te pas, daar
wy spreeken van de zo genoemde vrywillige ver-
richtingen, welke naamelijk tot den rang der dier-
lyke verrichtingen behooren.

§. 313.

Dan tusschen deze spieren zelve, heeft een
groot verschil plaats. Want, opdat ik van der-
[Seite 251] gelver verschillende grootte zwyge, zy hebben
eene zeer verschillende ligging van strooken, en
bundeltjens, en eene zeer verschillende richting van
vezelen, en voornaamelijk eene zeer verschillende
gesteldheid en betrekking van het vleezige ge-
deelte met opzicht tot het trekkerachtige, einde-
lijk hebben zy ook eene zeer verschillende wyze
van loop en inplanting enz.

§. 314.

Echter hebben verre de meeste spilachtige
spieren, eene meer of min langwerpige gedaante,
zo dat derzelver buikvlees aan beide de kanten
overgaat in peesachtige koorden, die werkeloos
en ontbloot zijn van alle irritabiliteit, die door-
gaans aan de beenen vastgehegt, dezelve op de
wyze van hefboomen beweegen.

§. 315.

Want gelijk ’er zeer weinige spieren ontbloot
zijn van trekkers, hoedaanig de zeer breede hals-
spier (latismus colli) is; zo hegten zy zich byna
ook alle aan de beenderen, uitgezondert wederom
die spier, welke wy zo even aangehaald hebben,
insgelijks de opschortende spier (cremaster), zo
als die zich gemeenelijk vertoont, de spier zon-
der weergaa van de lel (azygos uvulae), en de mee-
ste spieren die den oogbol beweegen enz.

§. 316.

[Seite 252]

De spieren, voorzien zijnde met die zo ge-
meene (§. 304. en volg.) als eigen (§. 311. en
volg.) krachten, worden bekwaam gemaakt ter
uitoeffening van haare werkingen, die insgelijks
kunnen verdeeld worden in gemeene en eigenaar-
tige.

§. 317.

De algemeene werking, welke naamelijk het
naast uit de irritabiliteit vloeit, heeft in alle de
spieren dus plaats, dat derzelver vleeschvezelen
korter, styver, en doorgaans ook ongelijkvormig
en als het ware hoekachtig worden, waardoor zy
tevens een weinig invallen, zo als schijnt te bly-
ken door de beroemde proefneming van glis-
son
*).

Doch de maate van die vermindering met jo.
en dan. bernoulle, en andere Genees en Wis-
kundige mannen te willen brengen, tot de gemee-
ne berekening, zulks verbiedt ons, behalven an-
dere dingen, nog het zeer groot onderscheid, het
welk ten dien opzichte voor eerst plaats heeft
[Seite 253] tusschen de holle en vaste spieren; en verder tus-
schen deze laatste zelve.

§. 318.

De eigen werkingen van de spieren (§. 316.)
komen met haare eigen krachten overeen, en ver-
schillen, gelijk daar uit van zelf voord vloeit, op
zo veelerleie wyzen, dat zy in ’t geheel tot geene
algemeene regels kunnen gebragt worden.

Want de regel, welken men gemeenlijk stelt,
dat elke spier, terwijl ze werkt, het beweegbaar-
ste gedeelte, waar aan zy zich vast hegt, naar
het vaster gedeelte trekt, is naar ’t gevoelen van
den wyzen winslow*), ten hoogsten betrekke-
lijk, en aan zeer veele bepaalingen onderhevig:
zo dat by voorb. uit die twee deelen, dan eens
het een, dan eens het ander kan beweeglyker ge-
maakt worden, wanneer ondertusschen het ander
door de vereenigde werkingen van meer andere
spieren wordt vast gezet, en stevig gehouden.

Maar ook moet uit eene daar tegenovergestel-
de reden, de werkinge der buigende spieren, al-
hoewel zy doorgaans op haare tegenstreveren al-
dus de overhand schynen te hebben, dat, wan-
neer het lichaam volmaakt in rust is, de armen,
vingers, enz. een weinigjen gebogen zijn, echter
niet eeniglijk naar die kracht, welke zy tot de
[Seite 254] buiging schynen aan te wenden, maar wel voor-
naamelijk naar de vrywillige ontspanning van de
uitstrekkende spieren, waar door wy haar, als ’t
ware te gemoet komen, gewaardeerd worden.

§. 319.

By alle deze, komt eindelijk nog eene eigen-
aartige werktuigelijkheid (mechanismus), van elke
spier in ’t byzonder geschikt naar de byzondere
beweegingen, waar toe zy voornaamelijk bestemd
is*). Zy wordt geholpen, niet alleen door de
bestemde gedaante van elke spier, maar ook door
andere hulpmiddelen van meer dan eene soort; ge-
lijk daar zijn de ringbanden (ligamenta annularia),
waar mede sommigen omsingeld worden; het vet,
waar van de meesten doortrokken zijn; de water-
achtige daauw, waar mede zy alle, tot een toe, ver-
vuld zijn; en het geen ik in de eerste plaats had
moeten noemen, de vorming van het geraamte
(sceleton) zelf, en wel inzonderheid, wat het
maaksel der uitsteeksels (apophyses) betreft, en de
te zaamenvoegingen van de gewrichten (articula-
tiones);
zelf heeft de natuur geheele beenderen,
als de knieschyven (patellae), en de aan dezelve
gelijk zijnde zaadbeentjens (ossicula sesamoidea),
[Seite 255] eeniglijk geschikt, om de beweeginge van sommige
spieren te bevorderen.

§. 320.

Op die wyze wordt dat onvermydelijk verlies
van krachten vergoed, of ten minsten verminderd,
het welk uit de vorming en gestalte van ’t geheele
lichaam noodwendig voordvloeit, daar wegens den
scherpe hoek der invoeging van veele spieren, of
wegens de nabyheid van de inplanting, omtrent
het rustpunt (hypomochlium), veel van deszelfs
kracht verloren gaat, welke dezelve, zo wy ons
die ingeplante koorden verbeelden, of op eenen
verderen afstand zich te bevinden, of eenen dom-
per hoek uit te maaken, dezelve zouden hebben kun-
nen uitoeffenen.

§. 321.

En dus wordt ’er voor ons lichaam, het welk
met omtrent 450 en meer spieren voorzien is, [naar
het verschil van kunne en van ieder mensch in ’t
byzonder] een dubbel voordeel van ’t uiterste ge-
wigt geboren, naamelijk eene allervlugste ge-
zwindheid, zo van de leden, als van het gantsche
lichaam, en een wonderbaar vermogen van ’t zel-
ve, om den zwaarden arbeid te kunnen verduuren.

Beide deze dingen hangen wel gedeeltelijk af
van de volmaaktheid der spieren zelve, waartoe
wy zo wel, als ook tot de volkomenheid der
beenderen zelve geraaken, wanneer wy volwas-
[Seite 256] sen zijn, maar ten deele worden zy ook verkreegen
door het gebruik en de oeffening, welke hoe veel
zy toebrengen tot het versterken der spieren, en het
gezwind beweegen van dezelve, de voorbeelden
van de koordedanssers, springers, loopers, worste-
laaren, draagers, en van de Barbaaren, of van die
geenen, welke de oudheid heeft voordgebragt, aan-
toonen.


XXV. AFDEELING.
over
den slaap
.

[Seite 257]

§. 322.

Beiderleie werkingen van ’t zenuwstel, wier toe-
dragt wy tot dus verre afgehandeld hebben, te we-
ten van gevoel en beweeging, worden zo afgemat
door de bezigheden van den dag, dat ze de rust
van den nacht noodig hebben, ter opwakkering der
krachten, welke de slaap*), het beeld van den kil-
len dood, herstelt.

§. 323.

De slaap is eene volkomene beurtelingsche
verrichting, waar door de onderlinge gemeenschap
van de ziel, en ’t lichaam opgeschort, als ’t ware
zwijgt, en wiens verschijnselen, nu stuk voor stuk
noodzaakelijk op te tellen, niet ongeschikt schynen
over een te komen, met de leerstelling van het aan-
wezen van een zeker zenuw vocht.

§. 324.

Want ’er zijn, onder andere voorloopers en
[Seite 258] boden van den slaap, eene trapsgewyzige en lang-
zaam toenemende stompheid der uitwendige zin-
tuigen, en eene ontspanning van de meeste spie-
ren, welke aan het goeddunken van den wil on-
derhevig zijn, waar onder inzonderheid de lange
spieren behooren; vervolgends ook de ophooping
van ’t aderlijk bloed naar ’t hart, en de verlig-
ting van ’t ongemak, dat daar uit ontstaat, door
middel van het geeuwen te weeg gebragt; einde-
lijk ook eene byzondere soort van eene korte ijlhoof-
digheid, op de uiterste grenzen, als ’t ware van den
slaap en het waaken, en in den overgang van den ee-
nen in den anderen.

§. 325.

De verschijnsels zelve van den slaap komen
dan daarop uit, dat de dierlyke verrichtingen, ten
eenen maal ophouden, doch de overigen, byna
tot een toe, een weinig traager, en als ’t ware loom
voordgaan: want de pols gaat in die geenen, welke
in den slaap gedompeld liggen, langzaamer, en de
dierlyke warmte is voor het overige een weinig
minder, ook is de uitwaasseming minder, de spijs-
verteering zo goed niet; de ontlastingen, (indien
men die zeldzaame des manlijken zaads uitzonde-
re), houden op enz.

§. 326.

De verafgelegen oorzaaken, welke den slaap
te weegbrengen, zijn gemaklijk te vinden. Want,
[Seite 259] op dat ik van de verdoovende middelen zwyge, doen
hier voornaamelijk veel toe, het verlies van die dier-
lyke krachten, uit eene voorafgaande vermoejing
of waakingen ontstaan, enz.; het vermogen der ge-
woonte, en die, welke om die zelfde reden een
slaap verwekkende kracht hebben, als de duister-
nis, de stilte, de rust enz.; verder ook de zachte
eenvormige en onafgebrooken indrukken werkende
op het een of ander zintuig, als het geruisch van
een beekjen, het aanschouwen van ’t staande graan,
door een zacht windjen geschommeld enz.; wyders
een voorafgaande maaltijd*), eene strengere, op de
omtrek van het lichaam werkende, koude†), en an-
dere dingen meer, welke het bloed van de hersse-
nen afleiden, als de voetbaden, klysteeren (clys-
[Seite 260] mata), eindelijk zelfs de zwaarder bloedstortin-
gen enz.

§. 327.

En die zelfde afgelegen oorzaaken, waarvan
wy straks gesproken hebben, kunnen ons totde naa-
ste
opleiden, als uit welke het zeer waarschijnlijk
is, dat dezelve, alles te zaamen vergeleken zijnde,
in den verminderden stroom van ’t bloed naar de
herssenen, moet gesteld worden.

Met deze oorzaak komt het byzonder verschijn-
sel, ’t welk ik met myne eigen oogen in een le-
vendig mensch gezien heb, waarvan ik boven reeds
gewag maakte, overeen, by welken zo dikwijls en zo
lang hy sliep, de herssens tevens ingevallen waren,
doch by wien, wanneer hy by dage wakker was, de-
zelve door eene grooter hoeveelheid van bloed op-
gezwollen waren.

Ook komt mede aan den anderen kant met de-
zelfde oorzaak de slaaploosheid overeen, die een
gevolg pleegt te zijn van de ophoopingen des bloeds
naar het hoofd.

§. 328.

De maate van den slaap hangt wel voor een groot
gedeelte af van het verschil der jaaren, der gesteldheid
des lichaams, en van het temperament enz.: in ’t al-
gemeen echter koomt alles hier op uit, dat een te
lange slaap een metgezel zy van de zwakheid, [ge-
lijk wy zien in de tedere kinderen, en in de stok-
[Seite 261] oude lieden] of eene milde bron van suffery en
loomheid.

§. 329.

Door den slaap hersteld zijnde, worden wy wak-
ker, en wel gaat die wederkeering in ’t leven ver-
gezeld van byna dezelfde verschijnselen, als de over-
gang uit het leven in den slaap; van de geeuwing
naamelijk, welke weder de uitrekking ter metgezel-
linne heeft, als mede van eenige stompheid der zin-
tuigen, enz.

§. 330.

De wakkermaakende oorzaaken, schynen met
die, welke den slaap verwekken, in verband te
staan:

De naaste oorzaak zal zijn een overvloediger
stroom van bloed, welke naar de herssens te rug-
keert.

De asgelegen oorzaaken zijn, behalven het
vermogen der gewoonte, welke in dit geval eene
groote kracht bezit, aanprikkelingen van veelerleie
soort, het zy uitwendige en de in slaap gezuste
zinnen opwekkende, het zy inwendige, en wel het
naast of op het lichaam werkende, als de opvulling
der blaas; of met behulp van de verbeelding het ze-
nuwgestel aandoende, ’t welk het uitwerksel der
droomen is.

§. 331.

[Seite 262]

Want de droomen zijn, als ’t ware speelingen van
de verbeelding, welke de gedaanten der ontwaarde
dingen te rug roept, en zich in dezelve schijnt te
oeffenen, en daar mede bezig te houden.

Doch ik heb geen blijk van dat vermogen in
eerstgebooren kinderen kunnen bespeuren, voor de
derde maard van hunnen ouderdom.

En ’er zijn ook voorbeelden van volwassen men-
schen, die verzekerd hebben, dat ze nooit eenigen
droom hebben gehad*).

Soortgelyke nachtverschijnsels zijn doorgaans
verward en ongeregeld; en evenwel somwylen dus-
daanig, dat ze wonderbaare teekens van verstand
toonen†).

[Seite 263] In ’t algemeen schynen om de droomen te ver-
wekken, de lichaamelyke aanprikkelingen van veel
vermogen te zijn, dus dient by voorb. het zaad,
om onkuische vertooningen te weeg te brengen, de
te onmaatige opvulling der maag, om angstvallige
gezichten te verwekken, enz. Ja wy hebben een
voorbeeld hooren verhaalen van iemand, welken
zyne vrienden, terwijl hy sliep, droomen naar wil-
lekeur konden verwekken, wanneer zy door den
slaapenden zachtjens aantespreeken, stoffe tot droo-
men verschaften*). Doch dit schijnt tot den ge-
mengden, en tegen den natuur aanloopenden staat
des slaaps, en ’t waaken te moeten gebragt wor-
den, waartoe ook de waarlijk zieklyke aandoening
der Nachtwandelaaren behoort†).

Ook heeft het locke, en anderen behaagd,
de droomen in ’t algemeen te houden voor eene soort
van dusdaanig eenen gemengden staat.


XXVI. AFDEELING.
over
het voedsel, en den eetlust
.

[Seite 264]

§. 332.

Gelijk het verlies der dierlyke kracht, door den
slaap hersteld wordt, zo wordt ook het daarop vol-
gend verlies van de natuurkrachten, en der hoofd-
stoffen zelve van ’t lichaam, door het nemen van
spijs vergoed.

§. 333.

Om dezelve te bekomen, en te gebruiken, noo-
pen ons op het krachtigste de natuurstemmen van
meer dan eene soort; doch welke het zelfde wit be-
doelen, naamelijk aan den eenen kant de hevige py-
nigingen van den honger en dorst; aan den anderen
kant de streelendste, maar niet min vermogende aan-
lokselen van den Eetlust.

§. 334.

Sommigen hebben den prikkel des Hongers ge-
zogt in de onderlinge vryvinge der rimpelen van
de ledige maag; anderen daarin, het welke de
hoofdzaak schijnt te zijn, te weten, niet alleen in
eenen overvloediger toevloed van eigenaartige voch-
[Seite 265] ten, inzonderheid van speeksel, en maagsap, maar
ook in de prikkelende scherpheid, welke die voch-
ten pleegen te krygen, indien daar voor niet gezorgt
wordt door het tydig gebruik van spyze.

§. 335.

Doch de Dorst schijnt meer gezocht te moeten
worden, in de zeer lastige droogte van de keel zel-
ve, en den slokdarm, als mede in eene byzondere
prikkeling van scherpe vochten, inzonderheid van
zoutachtige, uit het genuttigde voedsel ontstaande.

§. 336.

De noodzaakelijkheid om aan beide deze prik-
kelingen te voldoen, is wel naar de verscheidenheid
van jaaren, lichaamsgestel, inzonderheid de kracht
der gewoonte, meer of min dringende, zodat men
naauwelijks iets zekers daar omtrent kan bepaalen;
dan echter schijnt in ’t algemeen de zaak daarop uit
te komen, dat een volwassen gezond en natuurlijk
mensch, [by wien naamelijk door geene dweepzieke
ijlhoofdigheid, noch andere tegennatuurlyke aan-
doeningen, de stem der natuur verdoofd wordt*)],
[Seite 266] zelf geen eenen dag zonder aanmerkelijk verlies
van krachten, doch naauwlijks boven de acht da-
gen, zonder levensgevaar het eeten zou kunnen
missen.

§. 337.

Doch dat het drinken, alhoewel het verlangen
naar het zelve, noch sterker schijnt te dringen,
evenwel minder noodzaakelijk zy tot het leven en de
gezondheid, schynen ons niet alleen veelvuldige soor-
ten van warmbloedige dieren te leeren, gelijk de mui-
zen, kwakkels, enz. wien de nood van te drinken,
in geenen deele is opgelegd, maar ook bewyzen
zulks de voorbeelden van menschen, welke geheel
afgewend van allerleie soort van dranken, ee-
nen zeer langen tijd gezond en frisch geleesd heb-
ben*).

§. 338.

Dan wat het voedsel betreft, door ’t welke wy
aan die inwendige stem der natuur voldoening ge-
ven, daar omtrent heeft men getwist, met welken
van beide de hoofdrangen, dien der dieren, of dien
der planten, het maaksel van ’t menschelijk lichaam
’t meest overeenkomst hebbe, en tot welk van beide
[Seite 267] de mensch het naast van de Natuur schijnt geschikt
te zijn?

§. 339.

Dat de mensch van natuur een planteetend
schepsel zy, heeft rousseau, behalven uit de drang-
redenen door andere aangevoerd, naam. uit de ge-
daante der tanden*), of uit de lengte van het mensch-
lyk darm kanaal†) zeer scherpzinnig daar uit zoeken
te bewyzen, om dat eene vrouw uit haare natuur eene
vrucht tevens ter waereld brengt, en met twee
borsten voorzien is§) enz.; by welke voorbeel-
den men ook zou mogen voegen, dat van het her-
kaauwen der menschen, dewyl die geneigdheid al-
leen eigen is aan kruideetende dieren, gelijk elk
een weet.

Die geenen integendeel, die den mensch met
helvetius**), onder de vleescheetende stellen,
beroepen zich op deszelfs zeer kort blind gedarmte
(intestinum coecum), en diergelyke bewyzen.

§. 340.

[Seite 268]

Doch by eene naauwkeuriger waarneming,
wordt ons ten klaarsten geleerd, dat de mensch
in geenen deele tot maar een van beide die rangen
behoore, maar veel eer uit zyne natuur voor beider-
leie soort van voedsel geschikt zy; daar zo wel des-
zelfs tanden, inzonderheid de baktanden (molares),
alsmede de omstandigheden van de vorminge der in-
gewanden, waarvan wy zo even gesproken hebben,
den middelweg als ’t ware houden tusschen die zelf-
de deelen der wilde, en kruidetende dieren: dan ook
inzonderheid toont het maaksel van het gewricht,
waar door de langwerpige hoofden van de menschlijk
kaak aan het slaapbeen gevoegt zijn, dit zelfde
voorrecht van den mensch.

§. 341.

En indien dat geen waar is, gelijk het wel dege-
lijk is, ’t welk wy op eene andere plaats gezegt
hebben, handelende over het voorrecht van den
mensch, dat voor dezen de geheele aarde openstond,
meer dan voor eenig ander dier, vloeit daar uit van
zelf, dat voor den mensch slecht gezorgt zou we-
zen, zo hy maar voor een van beide de spyzen ge-
schikt ware, daar hy nu zonder moeite zo veele
landen bewoont, schoon zy hem maar het voedsel
van den eenen of anderen rang verschaffen.

§. 342.

[Seite 269]

Maar de mensch is van alle die dieren, die ons
bekend zijn, het meest alles eetende, dewijl hy niet
alleen aan den eenen kant met eene groote verschei-
denheid van spyzen en lekkernyen uit beide de be-
werktuigde ryken zich kan verlustigen, maar ook
aan den anderen kant gezond en frisch leven kan by
dezelfde en eenvouwigste spyze.

Dus leven, om uit velen, maar weinige voor-
beelden by te brengen, hedendaags nog ontelbaare
menschen enkel by de plantspyzen. Eenige Ooster-
lingen by de aardappelen, castangen, amandels enz.,
welke dingen ook het voedsel geweest zijn van de
Stamvaders van het menschlijk geslacht, dewijl het
zeer waarschijnlijk is, dat die menschen eerst met
vruchten, wortels, koorn, en peulvruchten hun
leven onderhouden hebben*).

De zwervende Mauritaansche Nomaden, leven
byna alleen van de Senegaalsche gom†).

Die van Kamschatka en zo veele andere Kust-
bewooners by visch. In Europa zelf, leven de Mor-
lachen, byna enkel van vleesch§).

[Seite 270] Ja zelf onderhouden eenige woeste Volkeren
hun leven met raauw vleesch, het welk ten minsten
weleer ten opzichte van de Samojeden*), Esqui-
moten†), en sommige Natiën§) van Zuidamerica
niet kon ontkend worden.

Ook komen ons eenige byzonderheden van som-
mige volken voor omtrent de dranken, welke van
geen minder gewicht zijn.

Dus missen by voerb. de Inwooners van ver-
scheiden Eilanden, die tusschen de Keerkringen ge-
legen zijn, inzonderheid in de stille zee, het zoet-
water geheel, in wiens plaatze zy de melk van de
Kokosnoot gebruiken.

Anderen drinken zeewater, en wat van dierge-
lyke ontelbaare dingen meer zy, ten duidelijksten
aantoonende, dat de mensch by alles leven kan.


XXVII. AFDEELING.
over
het kaauwen, en doorzwelgen
.

[Seite 271]

§. 343.

Tot het bevorderen der kaauwing van vaster spijs,
dient inzonderheid de onderkaak (maxilla inferior),
zo wel als de bovenste met driederleie soort van
tanden gewaapend.

Naamelijk met snytanden (incisores), welke by
de meeste*) menschen vlijmvormig zijn, en die-
nen om een stuk aftebyten.

[Seite 272] Met hondstanden (canini), die sterk en kegel-
vormig zijn, waar mede wy, ’t geen hard is, in
stuk breeken.

Met baktanden (molares) eindelijk, welke van
verschillende grootte zijn, en geschikt om de spijs
te vermaalen.

§. 344.

De kaak aangaande, deze wordt geledigt aan
het overige gedeelte van ’t hoofd, door een aanmer-
kelijk gewricht, het welk gedeeltelijk behoort tot
de ondiepe geleding (arthrodia), gedeeltelijk tot
de scharnier geleding (ginglymus), en daarenboven
is het voorzien met twee kraakbeenige uitgeholde
schijfjens (menisci), door welker tusschenkomst
het gewricht met genoegzaame kracht en stevigheid
eene allergemaklijkste beweegbaarheid naar alle kan-
ten bezit.

Wel voornaamelijk drukken de tweebuikige-
spieren (biventres), waartoe echter de kintong-
beensspieren (geniohyodei), en de maaltand-tong-
beensspieren (mylohyoidei) eenigsins schynen te hel-
[Seite 273] pen, deze onderkaak naar beneden, terwijl ze den
mond openen.

Dezelve wordt wederom te rug gebragt, als
wy door den beet iets willen afsnyden, voornaame-
lijk door de kaauwspieren (masseteres), en de slaap-
spieren (temporales): jaa deze trekken zich met ge-
weld te zaamen, als wy een hard lichaam kraaken.

Zydeling wordt de kaak, als wy kaauwen, be-
woogen, door de binnenste en buitenste vleugel-
spieren (pterygoidei interni et externi), deze laatste
kunnen ook de onderkaak naar vooren trekken.

§. 345.

Het geen de tanden moeten vermaalen, wordt
weerhouden, bestierd, en onder dezelve gebragt
door de wangspieren (buccinator), en door de ten
hoogsten buigzaame, en, ten opzichte van haaren
vorm, veranderlyke tong (§. 232.)

§. 346.

Dan, zodra wy kaauwen wordt tevens het speek-
sel (saliva
) uitgeperst, het welk een waterachtig
vocht is, van eenen als ’t ware zeepachtigen aart,
voorzien met weinig aarde [die aan het aanslag der
tanden, en de steentjens, die zich onder de tong
bevinden, hunne geboorte geeft,] smaakeloos door
de geduurige gewoonte der tonge, alhoewel het een
weinig van het eigenaartig zout des lichaams in zich
bevat; ook is het verrotting weerend (antisepti-
[Seite 274] cus
)*), en tevens ontbind het, en doet de plan-
ten, inzonderheid de meelachtige, ligt gisten†).

§. 347.

Deszelfs bronnen zijn te zaamengerolde (con-
glomeratae
) kliertjens van driederleien rang, welke
de zyden en ’t binnenst gedeelte van ’t kaakbeen
bezetten.

De grootste van deze, de oorklieren (paroti-
des),
[ook zelfs daarom aanmerkelijk, om dat zy
het allerligts aan zieklyke stofverplaatsing (metasta-
sis),
onderhevig zijn] loozen hun speeksel door
middel der buis van steno§), achter de middelste
bovenkies.

[Seite 275] Het speeksel, ’t welk de onderkaaksklieren (sub-
maxillares
) verschaffen, loopt door de buis van
wharton*) uit. Het speeksel eindelijk van de
ondertongsklieren (sublinguales), door de talryke bui-
zen van rivinus†).

§. 348.

De loozing van het speeksel, ’t welk men,
naar het willekeurig gevoelen van nuck§) ge-
meenlijk denkt, dat een geheel pond binnen den tijd
van twaalf uuren zoude uitmaaken, wordt zo door de
prikkeling, als door de werktuigelyke drukking en
als ’t ware uitmelking, vermeerderd. Door de druk-
king naamelijk, [waar toe inzonderheid de ligging
der oorklieren, omtrent het gewricht van ’t kaak-
been gunstig is], wanneer wy harde dingen kaau-
wen, welke door de toevloed van dat vocht uitne-
mend verweekt worden.

Door de prikkeling, het zy ze in de daad te-
genwoordig zy, wanneer wy scherper dingen ge-
bruiken, welke door dien zelfden toevloed op eene
nuttige wyze verdund worden; het zy ze verwekt
worde door de verbeelding: hiertoe de toevloed
[Seite 276] de toevloed van speeksel gebragt worden, welke
op eenen sterken eetlust volgt.

§. 349.

Daarenboven vermengt zich met het speeksel,
eensdeels de slijm, welke ontspruit uit de lip en
wangklieren*), en ’t geen de tong bezet, als me-
de ook een daauwachtig watertjen, ’t welk de zach-
te deelen van den mond uitwaassemen.

§. 350.

En wel door deze vermenging van speekselach-
tige natuurlyke vochten, door de kaauwing met
den brok vermengd, wordt deze niet alleen in eenen
papachtigen en gemaklijk in te zwelgen brok veran-
derd, maar ook wordt die tot verdere verteering en
verandering in onze natuur voorbereid.

§. 351.

De werktuiglijkheid†) intusschen zelf van de
doorslikking, alhoewel zy zeer te zaamengesteld
schijnt te zijn, en in de daad door de vereenigde
krachten van eene zeer groote meenigte deelen van
eene verschillende soort volbragt wordt, komt in ’t
[Seite 277] algemeen echter daarop uit, dat eerst de tong naar
haar eigen wortel te ruggetrokken, en daarom op-
gezwollen, en als ’t ware stijf geworden met haaren
uitgeholden rug den gekaauwden brok opneemt, van
waar die gebragt naar de keelengte door den verwy-
den en ze zelf eenigermaate te gemoet komendetrech-
ter van ’t keelgat, niet zonder eene byzondere en
geweldige poging, welke men voor eene soort van
eigen leven als ’t ware zou kunnen houden, ontvan-
gen wordt, en vervolgends door toedoen van de drie
te zaamennypers*) van ’t keelgat (constrictores pha-
ryngis),
in den stokdarm (oesophagus) gedreven
wordt; dit alles volgt zich zeer schielijk, en wordt
langs den kortsten weg volbragt.

§. 352.

Ter opening intusschen van dien weg, en om den-
zelven te beveiligen, heeft de natuur door verschei-
den hulpmiddelen voorzien. En wel wordt de be-
weeging der tong, van groot gewigt in deze wer-
king, bepaald door het tongbeen (os hyoideum).

Doch op dat ’er niet iets van de ingenomen dingen
van den weg afdwaalende, als ’t ware zoude geraken,
het zy in de achterste neusgaaten, het zy in de trom-
petten van eustachius, is daar voor gezorgd, door
’t zacht gehemelte, het welk zo wel als de van haar
[Seite 278] gewelf af hangende huig (uvula) door byzonde-
re spieren opgespannen wordt, en die afwegen
sluit*).

Het strotspleetjen (glottis) wordt door de tong
zelf beveiligt, wanneer het strottenhoofd (larynx)
op het zelfde oogenblik, waarop wy poogen te slik-
ken, naar om hoog en naar vooren getrokken, zich
verbergt als ’t ware onder den te ruggetrokkenen wor-
tel der tonge, en tegen deuzelven wordt aangedrukt,
zo dat het strotspleetjen mede vernaauwd zijnde,
en gedekt door zijn strotklepjen (epiglottis) geheel
en al beveiligd wordt tegen het invallen van vreem-
de dingen.

§. 353.

Eindelijk wordt ook de doorslikking bevorderd
door eene groote menigte van slijm, waarmede die
geheele weg wordt glad gehouden, en ’t welk behal-
ven de tongbronnen, waar van wy elders gesproken
hebben (§. 234.) inzonderheid de veelvuldige hol-
ligheden van de amandelen (tonsillae)†), als me-
de de ontelbaare slijmgevende groeven van ’t keel-
gat zelf, opleveren.

§. 354.

[Seite 279]

De slokdarm (oesophagus) zelf, door welken
alle de dingen, die moeten doorgeslokt worden,
voor dat zy in de maag kunnen geraaken heen moe-
ten gaan, is een vleezig kanaal, het welk wel
naauw, en zeer sterk, doch tevens gedwee, en
rekbaar is, zijnde ten uitersten gevoelig, en uit
rokken te zaamengesteld, die uitgezonderd de veel
verschillende dikte niet ongelijk zijn aan de rokken
van ’t overig gedeelte van de voedselbuis*).

Dezelve bestaat uit eene uitwendige rok, welke
spierachtig is, te zaamengesteld zo uit langwerpige
als dwarslopende, en zeisvormige vezels.

De middelste rok is zenuwachtig, van beide
de kanten overgaande tot eenen lossen celachtigen
rok, waar door zy zo met den voorgaanden, als met
den volgenden rok vereenigd wordt.

De binnenste rok eindelijk wordt glad gemaakt
door een zeer slibbig slijm.

§. 355.

Dit kanaal werkt dan zo, dat het den komenden
teug of beet wel ontvangt, maar zich terstond
[Seite 280] boven denzelven te zaamentrekt, en haar naar de
beneden deelen heen drijft, en zo ’t een beet
is, als induwt, tot dat ze het middelrif voorby
zy gekomen, en dus eindelijk tot in de holligheid
zelve van de maag geraake.


XXVIII. AFDEELING.
over
de spijsverteering
.

[Seite 281]

§. 356.

De maag (ventriculus) is het werktuig der spijs-
verteering, in ’t algemeen meer dan eenig ander
ingewand aan alle dieren, geen een misschien uitge-
zonderd, eigen, en zo men daar uit de waardije der
ingewanden zou willen opmaaken, moest men der
maage den voorrang geven boven allen.

§. 357.

De maag van een’ mensch*), heeft de gelyke-
nis van eenen zeer ruimen zak, kunnende door-
gaans in een volwassen mensch drie en meer pon-
den waters bevatten, voorzien met twee mon-
den:

Den eenen de hovenmond, welken men de
krop der maag (cardia) genoemd heeft, waar door
naamelijk de slokdarm, met eene geplooide en wat
schuins achterwaard loopende opening, zich in de
[Seite 282] maag zelve verwijdt, en naar derzelver bodem (fun-
dus
) aan de linkerkant geplaatst, uitziet:

Den anderen de beneden mond, waar in het
rechter en wel het naauwer gedeelte der maage uit-
loopt, welke de poortier (pylorus) genoemt wordt,
en een weinig afdaalt in de holligheid van den twaalf-
vingerigen darm (intestinum duodenum).

§. 358.

De ligging der maage is verschillende, naar maate
zy ledig, of vervuld is; want de ledige maag hangt
slap, zo in de holligheid van den onderbuik, dat der-
zelver grooter kromte naar beneden ziet, terwijl de
poortier naar om hoog gericht een’ gevouwen hoek
met den twaalfvingerigen darm uitmaakt*).

Doch de maag, opgevuld met spijs, wordt met
de grooter bogt naar vooren gekeerd†), zo dat de
poortier als den met eenen rechten weg in den twaalf-
vingerigen darm loope, doch de krop der maage inte-
gendeel, als ’t ware tot eenen hoek te zaamen gevou-
wen, gesloten wordt.

§. 359.

Vier voornaame vliezen of rokken, maaken de
maag uit, door drie anderen, die zuiver celachtig
zijn, en welke tusschen dezelve inliggen, onder-
scheiden.

[Seite 283] Den uitwendigen rok heeft de maag gemeen met
byna het geheel overig gedeelte van het darmka-
naal, en deze loopt in het net (omentum), hier na
te beschryven, uit.

Op dezen volgt de spierrok, met denzelven ver-
eenigd door het celachtig vlies; deze is zeer aan-
merklijk, zo wel, om dat van denzelven de irritabili-
teit
der maage (§. 305.) als ook derzelver worms-
wyze beweeging, hier na te vermelden, af hangt.

Deze is te zaamengesteld uit beddingen van spier-
vezelen*), welke men doorgaans pleegt te verdeelen
in drie rangen, eenen naamelijk uit langwerpige vee-
zels, en twee andere uit kringvormige [te weten
rechte en schuinlopende] vezels te zaamengesteld,
welke evenwel zo oneindig verschillen in richting
en loop, dat men naauwelijks iets zekers van haare
strekking en verdeeling kan bepaalen.

Daarop volgt het derde hoofd, of voornaam vlies,
het welk men het zenuwachtige (nervea) noemt,
eene waarlijk ongeschikte benaaming, dewijl het
uit een celachtig te zaamengedrongen weefsel be-
staat, waar van beide de vlakten uitloopen in een
losser vlies, door welk het uitwendig met den spier-
rok, inwendig met den donsachtigen rok, waar van
wy straks zullen spreeken, vereenigd wordt. Dit
vlies is vast en sterk, zoo dat het de grondlaage van
de gantsche maag genoemd is.

[Seite 284] De inwendige rok, welke men ten onrecht den
donsachtigen noemt, is zeer zacht, als ’t ware spons-
achtig, vol poorien, en met veelvuldige rimpels te
zaamengevouwen*), zo dat deszelfs platte grond
veel ruimer zy, dan die deroverige rokken, waarvan
wy gesproken hebben: dezelve vertoont overal zeer
kleine celletjens†), kunnende eenigermaate verge-
leeken worden met dien geenen, hoewel veel grooter,
waar mede de tweede maag, de hoef (reticulum), in
de herkaauwende dieren zeer fraay voorzien is§).
De binnenste oppervlakte van dezelve, wordt
met slijm bekleed, welke uit de slijmgevende
groeven, naar ’t schijnt, ontstaat, welke men ten
minsten omtrent den poortier vry duidelijk onder-
scheiden kan.

§. 360.

De maag is voorzien met een’ aanmerkelyken
toestel**) van zenuwen, van waar men niet al-
leen de groote gevoeligheid van dezelve kan af lei-
den, [waar door zy zo ligt van allerleie soorte van
[Seite 285] prikkelingen aangedaan wordt, het zy uitwendige,
als de koude enz., het zy inwendige, zo wel van
’t genuttigde, als van de inwoonende vochten]:
maar ook die groote, en gantsch wonderbaare over-
eenstemming, welke zy met verre de meeste ver-
richtingen van ’t overige gedeelte van ons lichaam
aankweekt; waartoe inzonderheid behoort de heer-
schappy van byna alle de gemoedsbeweegingen over
de maag, en de veel vermogende invloed daaren-
tegen van dit werktuig, en deszelfs welstand, op
de opgeruimdheid van ’t gemoed*).

§. 361.

Doch niet minder aanmerkelijk is de menigte,
en de verrichtinge van de bloedvaten der maag,
dewijl de slagadertjens van dezelve met ontelbaare
ryen van takjens, de celachtige vliezen van de
maag doorkruipende, de naaste bronnen schynen te
zijn van ’t maagzap (succus gastricus) ’t welk uit de
binnenste oppervlakte van de maag, als met aanhou-
dende straaltjens, afdruipt.

§. 362.

[Seite 286]

In ’t algemeen schijnt dit zap niet ongelijk te
zijn aan ’t speeksel, behalven dat het volgends de
proefnemingen van den benoemden spallanza-
ni
*), geheel vervreemd is van de gistingverwek-
kende krachten, doch voor ’t overige is het, gelijk
het speeksel van eenen zeepachtigen aart, even zo
de verrotting weerende, een zeer krachtig schei-
vocht (menstruum), ’t welk de melk, in de maag
eenigsins gestremd, langzaam ontbind†).

§. 363.

En wel aan dit vocht moet men de voornaamste
kracht toeschryven, in ’t stuk der spijsverteering,
als het welk de spijs, zo zy wel gekaauwd, en met het
speekselachtig scheivocht naar den eisch vermengd
is, verder ontbindt en in een papachtig moes (chy-
mus
) verandert§).

§. 364.

[Seite 287]

Deze zo gewichtige verrichting wordt door
verschillende soorten van bykomende en als be-
hulpsaame krachten ondersteund, onder welke
de wormwyzebeweging (motus perystalticus) uitmunt,
waar door de spijspap met eene geduurige en golven-
de beeweging geschud en ondergebracht wordt*);
deze beweeging is voorzeker allernuttigst, alhoe-
wel het vermogen van dezelve niet zo groot is, als
de geneesheelwiskundige (iathromathematici) dezel-
ve gesteld hebben, ook hangt de gantsche spijsver-
teering niet alleen daar van af, ’t welk de dwaaling
van anderen geweest is.

§. 365.

Tot de overige soortgelyke hulpvermogens be-
hoort niet alleen eene andere beweeging, welke van
den gelijkmaatigen gang der onderbuiks perssing der
maage wordt medegedeelt, maar ook de zeer warme
zitplaats van dit ingewand, het welk door de aan-
merkelyke hoeveelheid van bloed van de nabygele-
[Seite 288] gen vaten en ingewanden gekoesterd wordt, welke
koesteringen men eertijds zo hoog geschat heeft,
dat zy het woord van kooking gebruikten voor de
spijsverteering.

§. 366.

Het bepaalen van den tijd, waar in het genut-
tigde, door de vereenigde krachten, waarvan wy
tot hiertoe gehandeld hebben (§. 361. en de volg.)
tot chijl gebragt wordt, zal naauwelijks met eenige
mogelijkheid schynen te kunnen geschieden, wan-
neer men bedenkt op hoe veelerlei wyze zulks af-
hangt, zo van de hoedanigheid en hoeveelheid van
het genuttigde, als van den verschillenden trap van
’t vermogen der verteerkrachten, en tevens van
eene meer of min naauwkeurige kaauwing, door wel-
ke het genuttigde tot de verteering wordt voorbe-
reid enz.

Want in een gezond en sterk mensch, laat de
maag de verteerbaare deelen der spyzen niet eer
gaan, dan wanneer ze in pap verkeerd zijn. Waar-
uit dan van zelf blijkt, dat naar ’t verschil van spy-
ze ook verschil in den tijd van de verteering der-
zelve plaats moet hebben*), welke evenwel, in-
dien ’er in ’t algemeen daar omtrent iets mag vast-
gesteld worden, daarop schijnt neer te komen, dat
[Seite 289] de maag van het derde tot aan het zesde uur toe,
na het gebruik doorgaans de bevatte pap, al lang-
zaamerhand door den poortier uit zal laaten.

§. 367.

Wat de poortier (pylorus) betreft*), deze is een
ringvormige zoom, niet, gelijk de andere rimpels
van het binnenste der maag, alleen slechts gevormd
door deszelfs donsachtigen rok, maar ook door de
bundeltjens van het daar onder gelegen zenuwach-
tig vlies, zelfs ook door sommige byzondere vezels
van het spiervlies: welke alle byna den kegelvor-
migen uitgang van de maag uitmaaken, die door-
gaans, gelijk de mond der baarmoeder in de sche-
de, even zo zich in den twaalfvingerigendarm uit-
strekt, en door denzelven als ’t ware omvat wordt.


XXIX. AFDEELING.
over
het alvleesch-sap
.

[Seite 290]

§. 368.

De chijlmoes, na dat ze uit den poortier gedree-
ven is, moet in het twaalfvingeren gedarmte*),
[zijnde een kort en zeer aanmerkelijk gedeelte van
het darmkanaal] nieuwe en zeer aanmerkelyke ver-
anderingen ondergaan, voor dat de voedzaame chijl
daar van kan afgezonderd worden. Ten dien einde
moeten wederom natuurlyke vochten van eenen ver-
schillenden rang met de zelve vermengd worden,
onder welke voornaamelijk de gal en het alvleesch-
sap uitmunten.

§. 369.

Van deze beiden zullen wy afzonderlijk hande-
delen; en wel in de eerste plaats van ’t alvleesch-
sap, om dat het met de overige twee ontbindende
[Seite 291] vochten, van welke wy tot dus verre gehandeld
hebben, naamelijk het speeksel, en ’t maagsap,
zo ten opzichte van zynen aart, als van zyne ver-
richting zeer veel overeenkomst schijnt te heb-
ben.

§. 370.

Want ofschoon men niet dan bezwaarlijk zui-
ver en onvervalscht alvleesch-sap van een gezond
dier bekomen kan, stemt echter alles, wat wy
omtrent deszelfs natuur na een naauwkeurig on-
derzoek ontdekt hebben, daar in overeen, dat dit
vocht in ’t algemeen zeer gelijk is aan’t speeksel. En
hedendaags zoude het naauwelijks der moeite waar-
dig zijn, melding te maaken van de dwaalende natuur-
kundige onderstellingen van franc. sylvius*) en
deszelfs navolgers regn. de graef†), flor. schuil§),
en van anderen, betrekkelijk de vermeende scherp-
heid van dit vocht, welke al lang door de uitmun-
tende pechlinus**), swammerdam††),
[Seite 292] en brunnerus*), mannelijk wederlegt zijn,
indien zy niet tot een bewijs dienden, welke
noodlottige en doodelyke gevolgen de beoeffenende
geneeskunde (praxis medica) can hebben, zo zy
niet steune op eene gezonde Natuurkunde van den
mensch (physiologia).

§. 371.

Dan dit vocht (lympha), waarvan wy spreken,
heeft ook eene gelijksoortige bron met het speeksel,
het alvleesch†) naamelijk (pancreas), ’t welk verre
de grootste is van alle de te zaamengerolde klieren
van ’t menschelijk lichaam, en met haar gantsch
maaksel het naaste overeen komt met de speeksel-
klieren; zelfs ook daar in, dat deszelfs ontlast buis-
jens uit zeer dunne worteltjers beginnende, allengs
te zaamenloopende, eindelijk in eene algemeene
buis overgaan, welke haaren naam ontvangen heeft
van jo. g. wirsüng, die dezelve het eerst in ’t
jaar 1642, in een menschlijk lichaam ontdekt, en
bekend gemaakt heeft§).

[Seite 293] Deze buis dringt door de vliezen van den twaalf-
vingerigendarm, en laat zijn zap, het welk zy uit
die klier ontfangen had, gestaadig in de holligheid
van dezen darm druipen.

§. 372.

Eindelijk wordt tevens de afscheiding van dit
sap, naar ’t schijnt, bevorderd door die zelfde krach-
ten, waar van wy ook boven gesproken hebben by de
afscheiding van ’t speeksel, te weten door de druk-
king en prikkeling.

Door middel van de drukking wordt het inzon-
heid uitgeperst, wanneer de volle maag op het al-
vleesch zelve ligt.

De aanprikkelingen, welke het uitvloeien van’t
alvleesch-sap te weegbrengen, zijn eensdeels de
nog als ’t ware rauwe en uit de poortier naauwlijks
aangekomen chijlmoes, ten anderen de gal, wel-
ke uit denzelfden mond vloeit, als het alvleesch-
sap.

§. 373.

Het gebruik van dit sap is buiten twyfel dit,
dat het de chijlmoes ontbinde, inzonderheid, wan-
[Seite 294] neer iets niet wel in de maag verteerd is; doch in ’t
algemeen maakt dit sap door zijn milden toevloed
die bry (puls) meer en meer gelijk aan de eigen-
aartige natuurlyke vochten, en geschikter om in
chijl veranderd te worden.


XXX. AFDEELING.
over
de gal
.

[Seite 295]

§. 374.

Tot het afscheiden der gal is de lever (hepar)*)
geschikt, zijnde in den mensch het zwaarste en
grootste ingewand [inzonderheid in eene vrucht,
hoe nader men dezelve by haaren oorsprong in de
baarmoeder beschouwe] welker uitsteekende waardy
in de dierlyke huishouding men uit deszelfs alge-
meenheid kan bevroeden, daar dit ingewand allen
dieren, welke van roodbloed voorzien zijn, niet min-
der dan ’t hart zelf, gemeen is.

§. 375.

De lever bestaat uit eene eigenaartige zelfstan-
digheid, welke zelf in den eersten opslag van die
der overige ingewanden onderscheiden is, te zaa-
mengesteld uit een eigenaartig byzonder teder weef-
sel (parenchyma), van eene zeer bekende koleur,
[Seite 296] ’t welk door zeer veele zenuwen*) doorkropen wordt,
als mede door watervoerende aderen (venae lympha-
ticae
) [die inzonderheid gezien worden in des-
zelfs beide oppervlakten†),] wyders door galvoe-
rende buizen, en eindelijk: door bloedvoerende va-
ten§), welke aan de galbuizen hunnen oorsprong
verleenen, deze zijn byzonder talrijk en voor een
gedeelte van eene aanmerkelyke grootte, doch van
eenen verschillenden rang, waar over wy afzonder-
lijk eenige aanmerkingen zullen maken.

§. 376.

En wel voor eerst doet zich ons voor da poort-
ader (vena portarum),
wier byzondere, en van ’t ge-
heele overige adergestel verschillende gesteldheid,
en loop, wy reeds in ’t kort boven aangeroerd heb-
ben (§. 86.). Uit den te zaamenloop van ver de
meeste ingewands aderen van ’t onderste gedeelte der
[Seite 297] buik wordt een hoofdstam gevormd, die door
de celachtige schede rok, of het gemeenlijk zo
genaamd leverzakjen van glissonius (capsula)*)
ondersteund, ter plaatse zelve daar ze in de lever
loopt, wederom in takken, en vervolgends hoe
dieper deze in de lever indringen, in des te
meer ontelbaare andere takjens van de uiterste fijn-
heid verdeeld, dit geheele ingewand van alle kan-
ten doorkruipen. Hierom is dit geheele vaatgestel
al lang door galenus, by eenen boom vergeleken,
wiens wortels in de onderbuiks holligheid verspreid
zijn, terwijl de takken vastzitten in de lever†).

§. 377.

Eene andere soort van bloedvoerende vaten,
waarmede de lever voorzien is, te weten de lever-
slagader (arteria hepatica),
neemt haaren oorsprong
uit de bovenbuiksche slagader (coeliaca), welke in
ruimte, en rangen van verdeelingen wel veel wijkt
voor de poortader, doch de gantsche lever echter
doorkruipt, en zich in de fijnste takjens verdeelt.

§. 378.

Doch de uiterste einden van beide die soorten,
gaan over tot waare adertjens, welke allengs te zaa-
[Seite 298] menvloeiende, ten laatsten te zaamenloopen tot aan-
merkelyke aderstammen (venosi trunci), welke in
de benedenste holle ader (vena cava) ingeplant wor-
den.

§. 379.

Dan die zelfde uiterste einden, door welke de
takjens der poortaderen, en leverslagaderen tot de
worteltjens van de holle ader overgaan, maaken vaat-
jens van de hoogste fijnheid, welke in de kleinste kluu-
wentjens te zaamengerold zijn*), die malpig-
hius,
wel eer bedrogen hebben, zo dat hy dezel-
ve voor zeshoekige, holle en afscheidende klier-
korrels (acini glandulosi) hield†).

§. 380.

Uit die zelfde kluuwentjens der bloedvaten,
ontstaan eindelijk de galbuizen (pori biliarii), zijn-
de naamelijk zeer tedere buizen, welke aan ’t bloed
het galvocht onttrekken, en in de gemeene lever-
buis eindelijk te zaamenvloeiende, het zelve uit
de lever voeren.

§. 381.

Maar nu vraagt men, uit welk bloed de gal het
[Seite 299] naast worde afgescheiden, of uit het slagaderlyke,
dan wel uit dat bloed, het welk de poortader aan-
voert?

Want alhoewel het eerste gevoelen in den eer-
sten opslag schyne begunstigd te worden, door de
gelijkmaatigheid met de andere afscheidingen, als
welke, gelijk jeder weet, tot de slagaderen be-
hoord, worden wy echter by naauwkeuriger onder-
zoek geleerd, dat, zo niet in ’t algemeen de gehee-
le gal-afscheiding, ’t voornaamste ten minsten aan
de poortader, moet worden toegekend, dewijl haar
dik en met brandstof (phlogiston) bezwangerd
bloed volmaakt overeenkomt met den aart der gal,
’t welk integendeel zeer verschilt van het fleurig en
vuurig slagaderlijk bloed, dat de boven buiksslag-
ader het naast uit de groote slagader (aorta) naar de
lever overvoert.

Maar wat het bewijs, uit de overeenkomst (ana-
logia
) ontleend, betreft, het blijkt voor eerst dui-
delijk, dat de poortader, daar zy, ten opzichte
van ’t takvorming aan de slagader gelijk zy, ook met
dezelve kan vergeleeken worden, ten opzichte van
haare afzonderende verrichting. Ook blijkt het
vervolgends, dat de overeenkomst, welke plaats
heeft tusschen de lever en de longen, ons gevoelen
begunstigt, dewijl by dezelve ook de groote long-
vaten geschikt zijn tot de hoofdverrichting van die
ingewanden, daar integendeel de longpijps slagader
(arteria bronchialis) tot derzelver voeding, waarop,
zo ik het niet ten eenenmaale mis hebbe, het ge-
[Seite 300] bruik der leverslagader schijnt uittekomen; alhoe-
wel wy ligtelijk toestemmen, dat zy mogelijk ook
iets, doch van minder belang voorzeker, en als by-
komende en niet genoegzaam bekend, kan toebren-
gen tot het afzonderen der gal.

§. 382.

Het afgescheiden galachtig levervocht (latex he-
paticus),
druipt voords met eenen langzaamen doch
gestaadigen gang door de leverbuis af, en wel loopt
deszelfs grootste gedeelte met een aanhoudend
straaltjen door den gemeenen galleider (cholodochus)
in den twaalfvingerigendarm. Te gelijk echter
vloeit als in ’t voorbygaan allengskens een weinig
van dit vocht uit de leeverbuis door de galblaasbuis
in de afhellende galblaas*), wordt aldaar eenigen
tijd bewaard, en dan de galblaas gal (bilis cystica)
genoemd†).

§. 383.

[Seite 301]

De galblaas (vesica fellea) is een langwerpig
zakjen, byna peervormig, vastzittende aan de hol-
lezyde van de lever, en uit drie vliezen be-
staande.

Uit ’t buitenste, welke de geheele blaas niet
omringt, en een voordspruitsel is van den penszak
(peritonaeum).

Uit een middenvlies, ’t welk men de zenuwach-
tige rok noemt, die gelijk in de pisblaas, in de maag
en in de ingewandsbuis, zo ook hier de sterkte en
spanningskracht aan de galblaas byzet.

Eindelijk volgt het binnenste vlies*), het welk
men eenigermaate vergelyken mag met het binnen-
ste vlies van de maag (§. 359.) insgelijks naame-
lijk doorweeven met oneindig veele bloedvoerende
vaatjens, en ook met rimpels, of plooijen voor-
zien†), welke somtijds de fraaiste geruite netjens
vertoonen.

§. 384.

[Seite 302]

Deze blaas heeft eenen kegelvormigen hals, wel-
ke in de galblaasbuis met eenen kronkeligen en bogti-
gen gang uitloopt, en is van binnen voorzien met ee-
nige zeisvormige klap vliezen*).

§. 385.

Zy behoudt de ontvangen gal, tot dat deze we-
gens eene neerdaalende richting, te weeten het li-
chaam achterovergebogen zijnde, van zelfs uit-
loopt, of uit de blaas, door de drukking van den
nabuurigen nuchteren darm (ieiunum), den omge-
wondendarm (ilium), als mede van den dwarschen
karteldarm (colon transversum), wanneer de drek-
stoffen (scybalae) daar door heengaan†) uitgeperst
wordt. Ook kunnen de prikkelingen, die in den
twaalfvingerigendarm plaats hebben, de afvoering
der gal derwaards heen bevorderen.

Zelfs is het niet onwaarschijnlijk, dat het aan-
merkelyke te zaamentrekkend vermogen der gal-
blaas, ’t welk de ontleeding van levendige dieren,
[Seite 303] en in de ziekte voorkomende verschijnselen (phae-
nomena pathologica
), aanduiden, [alhoewel zy van alle
irritabiliteit verstoken is (§. 306.)], die ontlasting kan
bevorderlijk zijn; inzonderheid, wanneer de prik-
kelende kracht van de gal ’er bykome.

§. 386.

Want deze galblaas gal, alhoewel ze in ’t alge-
meen aan het levervocht (§. 382.) zeer gelijk zy,
wordt evenwel door die vertoeving en ’t stilstaan, als
’t waare meer verdikt, taayer en scherper gemaakt:
waartoe inzonderheid de wateraders*) (venae lym-
phaticae),
der galblaas veel schynen toetebrengen,
door de waterdeelen van de gal allengkens opteslor-
pen.

§. 387.

Laat ons dan nu van de gal zelve handelen, een
dierlijk vocht, dat van de hoogste waardy is, en
over wiens aart en gebruik sints twintig jaar meer
geschreeven en getwist is, dan over eenig ander sap
van ons lichaam.

En wel ziet dat geene, ’t welk wy daar omtrent
zeggen zullen, het naast op de galblaas gal, om dat
deze voor volmaakter te houden is, en gemaklyker
ter onderzoek kan verkreegen worden.

§. 388.

[Seite 304]

De gal uit een versch lijk van een volwasschen
mensch genomen, is een lijmachtig bruin geel
vocht*) zonder reuk, en, zo men ’t met de gar
der beesten vergelijkt, van eenen niet zeer bitteren
smaak.

§. 389.

Haare bestanddeelen (constituivae partes), al-
hoewel zy niet van zelf, of zo ligt kunnen van el-
kander gescheiden worden, dan die, welke zich in het
bloed bevinden, kunnen echter vry gemakkelijk on-
derzocht worden, en schynen indedaad eenige, al-
hoewel niet allernaauwkeurigste overeenkomst met
de bestanddeelen van ’t bloed te vertoonen.

Want de gal heeft in de eerste plaats een water-
achtig
voervocht (aqueum vehiculum), ’t welk van
sommigen onlangs den naam van het speekselachtig
gedeelte gekreegen heeft, en met het waterachtig
bestanddeel van ’t bloed, jaa ook eenigermaate, met
deszelfs wei, schoon niet volkomen mag vergelee-
ken worden.

Wyders kan ook daar van afgezonderd worden,
een weinig witte en gekaasde (grumosa materia) stoffe,
[Seite 305] welke men kan zeggen, dat eenigsins gelijkt naar
de stremmende wei (plastica lympha) van ’t bloed.

Eindelijk, en ’t geen de hoofdzaak is, heeft de
gal overvloed van de brandbaare hoofdstoffe*) (prin-
cipium phlogisticum),
’t welk men lichtelijk kan af-
leiden van ’t poortaderlijk bloed, ten sterksten met
dat hoofdbeginsel bezwangerd.

§. 390.

Aan dit voornaam ontvlambaar gedeelte, het
welk reeds in de gedroogde gal, doch veel duide-
lyker in de galsteentjens†), zelfs daar door zich
vertoont, dat het aan ’t vuur blootgesteld ligtelijk
vlam vat, moeten de byzondere hoedaanigheden,
waarvan wy gesproken hebben, welke dit natuur-
lijk vocht van andere onderscheiden, by voorb.
koleur, smaak, enz. toegeschreeven worden, en van
den anderen kant schynen deszelfs krachten, waar-
[Seite 306] van wy straks spreeken zullen, voor een groot ge-
deelte daar van te moeten afgeleid worden.

§. 391.

Want de natuur van de gal komt niet daar op
uit, dat zy, gelijk zeep, zo wel eene vriendin van
olie als van water zy, en deze twee hoofdstoffen
vermengen en vereenigen kan; [welke dwaaling van
boerhaave, na de voortreflyke proefnemingen
van onzen schroeder*), door anderen be-
vestigd, en vermeerderd†), thands van de mees-
te Natuurkundigen is verworpen], maar dat zy op
eene gantsch tegenstrydige wyze die hoofstoffen,
zo ze reeds vermengd zijn, wederom van een-
scheid, en afzonderd§), en ofschoon ze niet waar-
lijk loogzoutig kan genoemd worden**), echter
[Seite 307] zo wel de scherpte en zuure gisting weerstaat, als
de verrotting enz.

§. 392.

En dit alles naar den eisch overwogen zijnde,
vloeit daar uit van zelf het echt en tevens zeer
groot en verschillend nut, ’t welk de gal in de chijl-
maaking te weegbrengt.

Want voor eerst, werpt zy uit die vermeng-
de en gelijkvormige chijlachtige pap, welke de
maag naar den twaalfvingerigen darm verzonden had,
en ’t alvleesch met zijn zap verdund had, terwijl
het den buis der dunne ingewanden doorgaat, allengs
de drekstoffen uit, en scheidt den chijlachtigen room
van dezelve af.

Te gelijk scheidt zich ook de gal tevens in twee
deelen, in een waterachtig, en in een brandbaar ge-
deelte; het laatste vastgehegt aan de drekstoffe, en
dezelve koleurende, wordt daar mede naderhand
uitgeworpen; doch het eerste keert, zo wy ons niet
zeer bedriegen, met de chijl vermengd weder naar
het bloed.

Dus wordt aan ’t bloed de lastige brandbaare stof
eerst in de lever onttogen, en veranderd om een by-
zonder en zeer nuttig vocht te maaken; doch nader-
hand, wanneer dat vocht dien dienst verricht heeft,
[Seite 308] wordt het als een overtollig, ja zelf als een scha-
delijk deel met de drekstoffen verworpen en uitge-
dreeven.

Daarenboven ontwikkelt de gal ook verder de
vaste lucht, welke nog in de chijl zat, en drijft
dezelve uit; zy schijnt ook de ingewandsbuis te
verstrekken tot eenen prikkel, en dezelve aantezet-
ten, om met meer kracht de ingewandsbeweeging
(motus perystalticus), uit te oeffenen.

Op dat ik van de andere nuttigheden, die men
in ’t gemeen aan de gal toeschrijft, doch my zo aan-
nemelijk niet voorkomen, zwyge, by voorb. hoe
ze ook in eene nuchtere maag te rug kan loopen,
en den eetlust verwekken, het geen ik geloof, dat
in een gezond mensch naauwlijks voorvalt enz.


XXXI. AFDEELING.
over
de verrichting der milt
.

[Seite 309]

§. 393.

Met de lever is zo wegens de gemeenschap-
pelijkheid van de vaten, als de overeenkomst van
de verrichting, de milt*) (lien) het naast veree-
nigd; deze ligt aan den linkerkant tegen over de-
zelve; met haare langwerpige gedaante†), in ’t
algemeen schikt zy zich als ’t ware naar de nabyge-
legen ingewanden, doch voor ’t overige is zy on-
derhevig aan verschillende verscheidenheden, zo
betreklijk de gedaante, ’t getal, en andere speelin-
gen als ’t ware der natuur§).

§. 394.

[Seite 310]

De milt heeft eene blaauwachtige koleur, doch
haar weefsel is geheel byzonder, week, zeer
broos, en ligt te scheuren, en daarom met twee
vliesachtige omslagen voorzien, waarvan het bin-
nenste aan de milt eigen is, doch het buitenste
schijnt te komen van het net (omentum).

§. 395.

De ligging en de grootte der milt zijn, behal-
ven dat zy, niet minder dan haare gedaante, somwy-
len aan byzordere veranderingen onderhevig zijn, in
’t algemeen ook naar de verschillende volheid der
maag verschillende; zy is opgezet van bloed, zo
lang de maag ledig zijnde slap hangt, doch wanneer
die vol en opgezwollen is, dan wordt de milt daar-
door gedrukt zijnde, uitgeperst.

Ook wordt zy in eene andere en gestaadige
schoon ligte en gelijkvormige beweeging, gehou-
den door de ademhaaling, aan wier hoofdwerktuig
te weten het middelrift (diaphragma), zy het naast
gelegen is.

§. 396.

Men schreef wel eer aan de milt een celachtig
weefsel toe, en vergeleek dezelve in ’t algemeen
met de sponsachtige lichaamen van de manlyke roe-
de, doch om eene geheel verkeerde reden, welke
[Seite 311] door een naauwkeuriger onderzoek der menschely-
ke milt geheel wordt wederlegt*). Want hier door
wordt ons geleerd, dat dit gantsche lichaam, by-
kans geheel en al uit bloedvoerende vaten is tezaa-
mengesteld, die naar maate van de grootte der milt ten
uitersten wijd zijn, zo dat zy het bloedrijkste ge-
deelte zy van alle de deelen van ’t menschelijk
lichaam.

§. 397.

En wel de miltslagader, wegens de uitnemen-
de dunheid en sterkte van haare vliezen, beweezen
door de proefnemingen van wintringham, op-
merkenswaardig, in oneindig veele takjens verdeeld,
vertoont eindelijk in deszelfs uiteinde papachtige
penceeltjens, welke vervolgends hunnen oorsprong
geven aan de miltadertjens, die al langzaamerhand
tot wyde, slappen en ligt te verwyden zijnde Ham-
men te zaamenloopen.

§. 398.

Deze groote masse van bloedvaten, wordt ver-
bonden en gesteund door een gering eigenaartig cel-
achtig weefsel, waar uit de opslorpende wateraders
ontstaan, wier stammen inzonderheid op de platte
vlakte der milt tusschen beide de vliesachtige omsta-
[Seite 312] gen, waarvan wy gesproken hebben, heenloopen*).

§. 399.

Dan dit slap en zo veel bloeds bevatten kunnen-
de weefsel der milt, komt uitnemend overeen met
het geene, wy boven gezegt hebben (§. 395.) van
de uit het bloed ontstaande opzwelling van dit inge-
wand; en uit die zelfde opstaapeling van ’t purper-
vocht in de milt, en den traageren terugloop van ’t
zelve, wanneer men ’er tevens by beschouwt de
natuur der ingewanden, die het digtst by de milt
liggen, wordt de byzondere aast van ’t bloed der
milt opgehelderd, welke zelf ten laatsten ook aan
de verrichting van dit raadselachtig lichaam, waar
over zo menigwerf getwist is, licht schijnt by te
zetten.

§. 400.

Het bloed, dat de milt opgeeft, is zeer vloei-
baar, ontbonden, wordt zeer bezwaarlijk gestremd,
en scheidt met veele moeite zijn wei van het dikke
(crassamentum) af; wyders heeft het eene blaauwe don-
[Seite 313] kere koleur, gelijk aan die, welke in de vrucht (foetus)
gevonden wordt; al het welk duidelijk genoeg de o-
vertolligheid van het brandbaar hoofdbeginsel schijnt
aanteduiden; het welk ik ook door eene ligte proef-
neming, die zelden mislukt, verder heb bewezen ge-
vonden, wanneer ik de sneeden en stukjens van eene
versch in stukkengesneeden menschlyke milt aan de
van brandbaare stof beroofde lucht (dephlogisticatus)
had blootgesteld, door welker bykomst zy zeer
fleurig rood wierden, doch de lucht zelve aldus
langzaam van haar vuur beroofd, werd integendeel
met het brandbaar beginsel (phlogiston) der milt,
besmet.

§. 401.

Wanneer wy, dit alles te zaamen vergelykende,
eindelijk overwegen, dat de milt het eenigste inge-
wand is van die soort, het welk, behalven de va-
ten, waar van wy gesproken hebben, en welke ten
laatsten zich naar den lever begeven, verstooken is
van alle uitvoerende buizen, is het gemakkelijk
dit besluit op te maaken, dat het gebruik der milt
alleen daar op uitkome, dat zy de verrichting der
lever behulpzaam zy, en haare deeltjens, en wel haare
brandbaare deeltjens, tot de galbereiding toebrenge.

§. 402.

Een nieuw gewigt wordt intusschen dit gevoelen
bygezet door de allernuttigste opmerking, waar by
nien de galblaas gal (bilis cystica) in die dieren, wien
[Seite 314] te vooren de milt was uitgesneden, [welke byzondere
proefneming men al reeds van oude tyden af zeer
dikwijls in ’t werk gesteld heeft*)], gewoonlijk
bleek slegt bedeeld met brandbaare stoffe, en des-
zelfs lymphatische bestanddeel in kleine klonters als’t
ware te zaamen gestremd vinden kan.


XXXII. AFDEELING.
over
de verrichting van ’t net
.

[Seite 315]

§. 403.

Het groote net (gastrocolium)*), [onder wel-
ken naam het van ’t kleine (hepatico gastricum)†)
onderscheiden wordt], is een geheel byzonder uit-
breidsel van den penszak, het naast van de buiten-
ste rok der maag zijnen oorsprong nemende.

§. 404.

Want alhoewel ’er byna ontelbaare uitbreidin-
gen van den penszak in de holligheid des onderbuiks
zijn, en alle de deelen, en elk in ’t byzonder, wel-
ke in die holligheid zig bevinden, dusdaanig door
[Seite 316] het zelve overtogen worden, dat men, de onder-
buik geopend zijnde, in ’t geheel niets ontmoete,
’t welk niet met het zelve overdekt is, blijkt het
echter dat zulks op verscheiden wyzen geschiedt,
welke als ’t ware tot zekere rangen kunnen gebragt
worden.

Immers ’er zijn deelen waar over de penszak in
’t voorbygaan als gespannen is, of slegts alleenlijk
de een of andere oppervlakte van dezelve bekleedt;
hoedaanig iets men in de nieren, den rechtendarm,
de pisblaas, ook eenigsins in ’t alvleesch en de gal-
blaas bespeurt.

Ook gebeurt het, dat andere ingewanden, al-
hoewel zy ook geplaatst zijn aan de wanden van de
holligheid des onderbuiks, terwijl zy echter dieper
in den buik schieten, voor ’t grootste gedeelte van
hunne oppervlakte door den penszak omgeven
worden, het geen men by voorb. van de lever,
de milt, jaa ook van de maag en de baarmoeder,
jaa zelfs van de zaadballen van eene onvolkomen
mannelyke vrucht zeggen kan.

Het is wederom in dezen geheel anders gelegen
met het darmkanaal, [al wat van dezelve behalven
den rechtendarm overig is], welke buis tot in het
midden van de holligheid des onderbuiks, zo door-
dringt, dat zy de uitgebreidste uitsteeksels (proces-
sus
) van den penszak, als ’t ware met zich sleept,
waar aan het al hangende vastzit, het darmscheil,
naamelijk (mensentrium), en het kleine darmscheil
(mesocolon), onder hoedaanige byzondere uitbreid-
[Seite 317] sels van dat vlies men ook de breede banden van
de baarmoeder tellen moet.

§. 405.

Eindelijk is het allerlangste en byzonderste uit-
breidsel van den penszak het net (omentum), een
wyde ledige zak van een zeer teder weefsel, van de
groote bogt der maag neerhangende, gespannen,
voornaamelijk voor de dunne ingewanden, en zich
naauwvoegende aan de kronkels van dezelve, en
zich eenigermaate indringende in de tusschenwijd-
ten van deze kronkels.

§. 406.

Behalven de bloedvoerende vaten, waarmede
het net doorweeven is, is het ook door streepen, of
vetbanden onderscheiden, welke hier en daar net-
vormig zijn, [van waar dit vlies in onze taal zynen
naam gekreegen heeft] en welke in vette menschen
soms tot eene hinderlyke grootte aangroeien,’t welk
niet zonder gevaar is; en door welke het net in ’t
algemeen als met eenen vetachtigen waassem van al-
le kanten bestreeken wordt.

§. 407.

Veele voortreffelyke mannen hebben gemeend,
en haller heeft het verder door zeer veele be-
wyzen zoeken te staaven, dat dit vet geschikt ware
voor de opslorping, en na de lever gevoerd wierd,
om aan de gal olie te verschaffen enz. Aan al het
[Seite 318] welk het my geoorlooft zy wel degelijk te twyfelen,
dewijl ik verzekerd ben, dat ’er zich in ’t geheel
geen vet in eene gezonde gal bevindt; en ik ook
geene poorien tot zulk eene opslorping geschikt,
zelfs niet in kikvorschen, gevonden hebbe, aan wel-
ke malpichius*) die toeschreef, veel minder
noch in ’t menschelijk net, waarvan wy spreeken.

§. 408.

Het ware gebruik van ’t net, waaromtrent al-
le met elkanderen overeenkomen, schijnt te zijn,
dat het de ingewanden glad maakt; en dus hunne
gestaadige beweeginge bevordert, en gemakkelijk
maakt; het welk ook het gebruik schijnt te zijn van
soortgelyke, doch kleine, zakjens, waarmede de kar-
deldarm (colon)†), en de rechtedarm (intestinum
rectum
)§) alom bezet zijn.

Alsmede dat het de te zaamengroeijing van de-
zelve met den penszak voorkomt, waar door de
gantsche verrichting der eerste wegen in wanorde zou
geraaken.

§. 409.

Minder schijnt het integendeel waarschijnlijk,
[Seite 319] het geen men gemeenlijk zegt, dat het ook geschikt
zou zijn ter afweeringe der koude; welk gebruik al-
thands in ’t net van een gezond mensch, het welk in
’t geheel niet met vet beladen moet zijn, naauwlijks
eenige plaats kan hebben. Wanneer men intusschen
het byzonder maaksel der netten, inzonderheid dat
van’t kleine (hepatrico-gastricum) beschouwt, schijnt
het niet onwaarschijnlijk, dat ’er behalven de op-
genoemde nuttigheden van ’t zelve, ook nog eene
andere, en veelligt wel de allervoornaamste nuttig-
heid plaats hebbe, welke ons tot nog toe onbekend
is, en door middel van eene vergelykende ontleed-
kunst verder moet opgespoord worden.


XXXIII. AFDEELING.
over
de verrichting der ingewanden
.

[Seite 320]

§. 410.

Het darmkanaal zelf, waar voor het net neder-
hangt, en waarin wy gezien hebben (§. 367. 368.)
dat de chijlmoes gevoerd wierd, om in dezelve
verder zo bewerkt te worden, dat de chijl van de
drekstoffen kan afgescheiden worden, is in twee
voornaame streeken verdeelt, in het dunne, naame-
lijk het en dikke gedarmte, welker verrichtingen
wy afzonderlijk zullen behandelen.

§. 411.

De dunne darmen*) worden wederom in drie
verdeelingen gesplitst, in die van den twaalfvinge-
rigen darm (duodenum), den nuchterendarm (jeju-
num),
en den omgewondendarm (ilium).

Het eerstgenoemde heeft eenigermaate zynen
naam gekreegen vandeszelfs lengte. Het tweede van
zyne gesteldheid, om dat het in een versch lijk toe-
gevallen, als ’t ware ledig zig voordoet, daar ’t als
[Seite 321] dan een papachtige bry bevat; deze pap heeft in het
laatste gedeelte reeds zynen droesem afgezonderd,
en de tot dus ver vaste lucht ontwikkeld, zo dat dit
laatste en tevens het langste dunne gedarmte, het
welk men van zyne kronkels benoemd heeft, meer
gevuld en als ’t ware op geblaazen, jaa reeds eeniger-
maate op de wyze van dikke darmen, hier en daar
in bobbels verdeeld, te voorschijn kome.

§. 412.

De rokken (tunicae) van de dunne darmen, zijn in
’t algemeen gelijk aan die, van welke wy gesproken
hebben in de verhandeling over de maag (§. 359.)

De uitwendige (extima) is eene voordplanting van
’t darmscheil (mesenterium).

De spierachtige rok (muscularis) bestaat uit vezels
van twee rangen: naamelijk uit langwerpige afgebro-
kene, uitwendig loopende, wel inzonderheid in dat
gedeelte van den darm, ’t welk tegenover het darm-
scheil geplaatst is; verder ook uit ring-of zeisvor-
mige vezels, welke de wijdte van de buis vernaau-
wen, daar de eersten integendeel dezelve korter
maaken. Van beide hangt de zeer levendige en lang-
durige irritabiliteit der ingewanden, waar van wy
elders gewag gemaakt hebben (§. 305.), af.

De zenuwachtigerok (nervea) wordt te zaamen-
gesteld uit een celachtig ineengedrongen weefsel,
en kan door eene gemakkelyke handgreep, voornaa-
melijk door ’t opblaazen, wederom als ’t ware in
[Seite 322] een schuimachtige webbe ontbonden worden*); in
deze zijn ook zeer fraaie boompjens†) van bloed-
voerende vaten, die tot het darmscheil§) behoo-
ren, verdeeld; en deze deelt ook den darm, gelijk
in de maag, taayheid en sterkte mede.

De binnenste eindelijk, welke in de dunne dar-
men meer dan in het overige gedeelte van de voed-
selbuis den naam van donsachtige (villosa) verdient,
vormt, vereenigd met de binnenste oppervlakte van
den voorgaanden rok, hier en daar golvende verhee-
venheden en rimpelige vouwen, die in de opge-
blaazen en gedroogde ingewanden, de vertooning
maaken van scherpe zeissen, en dan de klapvliezen
van kerkring genoemd worden**).

§. 413.

De donsjens (villi) zelve, met welke, die bin-
nenste oppervlakte der dunne ingewanden in groo-
ten getale††), ten digtsten bezet is, en wier zeer
fraay en fijn vaatachtig te zaamenstel lieber-
[Seite 323] kühn*), het eerst naauwkeurig onderzoeht heeft,
kunnen zo lang de darm geen chijl bevat, eenigsins
vergeleeken worden met zakjens, van binnen voor-
zien van eene zachte sponsachtige voering; doch
wanneer zy die ingewandsmelk ingezogen hebbende
dik geworden zijn, dan nemen zy, haare gedaante
veranderd zijnde, den vorm aan van eene eetbaa-
re peen (phallus).

§. 414.

Deze donsjens zijn in den omtrek van haaren
voet met ontelbaare klierachtige bolletjens (folliculi
glandulosi
) bezet, welke wel inzonderheid in den
zenuwachtigen rok zitten, doch door eene zeer klei-
ne opening tot in de ingewandsholligheid doordrin-
gen, en daar hun slijm uitwerpen, waarmede die
geheele buis van binnen overtogen is.

Men steld in ’t gemeen drie rangen van deze
klieren: te weten die van brunner, welke groo-
ter zijn, en wel onderscheiden, inzonderheid in dat
gedeelte van den twaalfvingerigendarm verspreid,
’t welk het naast onder den poortier ligt†).

Hier op volgen die van peyer, welke kleiner
zijn, en by troepen zich bevinden, en wel voornaa-
[Seite 324] melijk geplaatst*) in het ander uiterste van den
dunnen darm, naar den kant van het klapvlies van
den karteldarm (valvula coli).

De laatste zijn die van lieberkühn, welke
de kleinste zijn, waar van men zegt, dat omtrent
acht behooren tot elk donsjen†).

Doch deze verdeeling der slijmbronnen schijnt
op eenen zwakken voet te steunen. Want, zo ik
my niet grof bedriege, behooren zo wel de klieren
van brunner, als die van peyer, hoedaanigen
men op de aangehaalde plaaten verbeeld ziet, alleen
tot den gebrekkigen en ziekelyken staat; dewijl ik
meer dan eens in de gezondste dunne ingewanden
van menschen van verschillenden ouderdom zelf
geen blijk gevonden hebbe van diergelyke spons-
achtige, en met een gaatjen doorboorde tepels;
terwijl ik integendeel, in die geenen, welk de
sprouw (aphthae) hadden, somwylen byna de ge-
heele ingewandsbuis met eene ontelbaare menigte
van puistjens, ten deele afzonderlijk, ten deele by
hoopen zich bevindende, hebbe bezet gezien§):
[Seite 325] zo dat ik my verzekerd boude, dat geene anderen,
dan die zeer kleine en ontelbaare slijmvoerende
kliertjens voor de echten moeten aangemerkt wor-
den, welke, als het vlokkig vlies behendig ’er van
afgenomen zy, zich op de afgewende zyde van ’t
zelve duidelijk voor het ’t oog vertoonen, doch op
de tegenovergestelde oppervlakte naauwlijks zullen
kunnen onderscheiden worden.

§. 415.

Dat, gelijk in de maag, zo ook in de holligheid
der dunne ingewanden, een zeker sap druipe, het
welk men om die reden het ingewandssap (entericus
liquor
) noemt, is onder anderen door de bekende
proefneming, welke pechlinus*), zo ik my
niet bedrieg, het eerst werkstellig gemaakt heeft,
volkomen bewezen.

De aart van ’t zelve, is naar allen schijn, niet
ongelijk aan dien van ’t maagsap, alhoewel een
naauwkeuriger onderzoek omtrent het zelve, be-
hoore tot die dingen, welke de Natuurkunde nog
mist; ook zou ik niets durven vaststellen omtrent
de hoeveelheid, waarmede het afgescheiden wordt,
welke haller, mijns bedunkens, al te ruim stelt,
dezelve in een etmaal op acht ponden begrootende.

§. 416.

[Seite 326]

Wyders hebben de ingewanden, dit met de
maag gemeen, dat zy op gelyke wyze, ja zelf nog
veel levendiger door de wormswyzige beweeging (motus
peristalticus
)*) werkzaam gehot den worden, welke
inzonderheid, zo lang de chijlachtige pap door de
darmen gaat, dezelve met eene golvende en kron-
kelige perssing van beide de kanten al langzaam on-
derbrengt, en van ’t gedeelte van den twaalfvin-
gerigendarm naar de dikke darmen heen drijft. Want
alhoewel ook de tegenstrydige ingewandsbeweeging
niet kan ontkend worden, waardoor zy somwylen
geschokt worden door eene te rug gaande beweeging,
is zy echter in een gezond mensch veel zwakker dan
de eerste, ook zeldzaamer, en van eenen korteren
duur.

§. 417.

Door de voornaamste krachten toe dus verre
opgeteld, zo wel de beweegende, waarvan wy zo
even gesproken hebben, als de oplossende en veran-
derende, van de inwoonende vochten, welke wy ge-
zien hebben, dat overal met de chijl vermengd wier-
[Seite 327] den, vallen nu aan de chijl zelf aanmerkelyke ver-
anderingen te beurt, welke wel voornamelijk daar-
op uitkomen, dat ze in den nuchteren darm eene
dunnere pap van een gelijkvormig mengsel maaken,
zijnde bykans van eene grijsachtige koleur, doch
van eenen zuurachtigen reuk: dat ze in den omge-
wonden darm gekomen zijnde, zich in twee dee-
len scheide; te weten in drekstof uit den ligtbruin
geelen*) van eenen walgachtigen reuk, en in zui-
[Seite 328] vere chijl, welke op die drekstoffen drijft, uit het
chijlmoes uitgemolken, door middel van de gal van
de drekstoffe gescheiden, en tot opslorping voor de
melkvaten geschikt, waar heen wy dat sap in de vol-
gende afdeeling verder zullen vergezellen, eerst
zullende zien, welken weg wyders de overgebleven
drekstoffen te kiezen hebben.

§. 418.

Deze dan, nadat zy door eenen langwyligen
togt door den omgewondendarm meer en meer is
[Seite 329] verdikt geworden, moet door het klapvlies van den
karteldarm dringen, en dus overgaan in de streek der
dikke ingewanden; ten dezen einde is het nabyge-
legen uiterste van den omgewondendarm met dies
te meer slijm aan den binnenkant besmeerd en glad-
gemaakt, op dit die zelfde heffe des te gemakke-
lyker door dat zelfde klapvlies vervolgends zou kun-
nen doorgaan.

§. 419.

Het klapvlies van den karteldarm (valvula coli)*), of
gelijk het niet ten onrechte naar zynen uitvinder mag
genoemd worden, het klapvlies van falloppius†),
[Seite 330] is een kort vervolg, of uitsteeksel van den omge-
wondendarm, ’t welk tot in de holligheid van den,
[Seite 331] het zelve omvattende, karteldarm dringt, wiens
buiten lippen door eene hoog uitsteekende rimpel,
zo geformeerd worden*), dat niet alleen, gelijk
in andere soortgelyke vouwen geschiedt, de binnen-
ste en zenuwachtige rok, maar ook de vezels van
den spierachtigen rok in dezelve te zaamenloopen.
Daaruit ontstaat eene tweeërleie verrichting van
het zelve, dat het naamelijk den averechtschen o-
vergang der drekstoffe uit den dunnen darm in de
dikke darmen zo wel als de terugkeering van dezel-
ve uit deze in den eersten verbindere.

§. 420.

Het dikke gedarmte, ’t welk men insgelijks,
gelijk de dunne darmen, in drieën verdeeld heeft,
begint van den blindendarm (coecum) [waar aan een
wormvormig uitsteeksel (processus vermicularis) vast-
zit, welks gebruik in een volwassen mensch†)
zeer onzeker is] en maakt in het algemeen eenen zeer
[Seite 332] ruimen boezem, zo dat de drekstoffen daarin allengs
verzaameld, en tot eene bekwaame ontlasting opge-
houden kunnen worden.

§. 421.

Gelijk die darm in zynen omtrek de dunne dar-
men overtreft, zo doet hy zulks ook in dikte en
sterkte van zyne rokken, of vliezen. Inzonderheid
heeft de spierachtige rok dit byzonders, dat zyne
langwerpige vezels, zo men het uiterste gedeelte van
den rechten darm uitzondere, ter vorming van de drie
zogenaamde banden van den karteldarm*) verzaameld
zijn, en den darm zelf in bobbelachtige sneeden, als
’t ware, onderscheiden. Doch de binnenste rok is
niet zo fraay gevlokt als in de dunne darmen, maar
meer gelijk aan dien, welke de holligheid der maag
bekleedt.

§. 422.

De ingewands beweeging schijnt in de dikke
darmen minder levendig te zijn, dan in de dunne.
Daarentegen is de werking van de pers des onder-
buiks in denzelven grooter, dewijl de geheele kar-
teldarm
voornaamelijk daar aan is blootgesteld.

§. 423.

En dus worden de drekstoffen in de dikke dar-
[Seite 333] men bevat, langzaam voordgedreven, tot zy ten
laatsten in den regtendarm (rectum) gebragt door de
inwendige prikkeling tot den afgang noopen; voor
welker bevordering gezorgd is ten deele door het
gebrek van overdwarsche vouwen, doch inzonder-
heid door de overgroote hoeveelheid van slijm, die
het uiterste gedeelte van dien darm van binnen glad-
maakt.

Die ontlasting intusschen wordt wel het meest
volvoerd door de pooging der nederwaardsdrukken-
de perssing, welke den tegenstand van het stuitbeen
en beide de sluitspieren, welker inwendige een aan-
merklijke bundeltjen van ringvezelen uitmaakt, ter-
wijl de uitwendige geheel een huidspier is, over-
wint. Dit volbragt zijnde, en de pooging ophou-
dende, trekt de opligtende spier (levator) wel voor-
naamelijk den aarsdarm te rug, die door de sluit-
spieren weder gesloten wordt*).


XXXIV. AFDEELING.
over
de verrichting van het gestel
der opslorpende vaten
*).

[Seite 334]

§. 424.

Dat de chijl, welke wy in den omgewonden-
darm van haare drekstoffe gezuiverd, verlieten, uit
veelerhande soorten van vochten te zaamengesteld
zy, blijkt uit het te vooren gezegde van zelf. Ook
schijnt het buiten allen twyfel te zijn, dat de zeer
groote hoeveelheid van inwoonende vochten (inquilini
humores),
als by voorb. speeksel, maagsap, alvleesch-
sap, ingewandssap, gal enz. welke wy gezien heb-
ben, dat by de chijl gemengd wierden, alhoewel
[Seite 335] ze niet dan tot eene zeer onzekere berekening kan
gebragt worden, in ’t algemeen echter het bestand-
deel van de chijl, ’t welk van ’t voedsel komt, zeer
verre te boven gaat. Ook moet de oplossing van
’t vraagstuk van daar afgeleid worden, hoe het ge-
nuttigde van zeer verschillenden aart, dies niet te min
in dezelfde zich gelijk zijnde eensoortige, en voor
de dierlyke natuur geschikte melkachtige chijl kan
veranderd worden.

§. 425.

De wegen, welke de chijl moet kiezen, voor
zy uit de ingewanden tot de masse van ’t bloed,
waartoe zy geschikt is, kan geraaken, maaken een
gedeelte uit van ’t opslorpend vaatstelsel, waar van
wy tot nogtoe maar ter loops gewag gemaakt heb-
ben, doch van ’t welk wy thands met opzet moeten
handelen, en ’t welk in ’t algemeen uit vier deelen
bestaat, te weten de melk en wateraders; als mede
de te zaamengerolde klieren; ten laatsten den chijl-
leider, van welke alle wy afzonderlijk zullen han-
delen.

§. 426.

Wat de oorsprong der melkvaten uit de inge-
wanden betreft; de ber. cruikshank, heeft wel
derzelver mondjens in de ingewandsbuis overal open-
staande, nagespoord: dan ’er blijft intusschen nog
twyfel over, of alle de chijl alleenlijk door die versprei-
de mondjens wordt opgeslurpt, dan of ook de overige
[Seite 336] donsjens tot dat zelfde gebruik dienen, daar ze na-
derhand door tusschenkomst van een celachtig weef-
sel met de melkvaten van verre gemeenschap heb-
ben.

§. 427.

De stammetjens waarvan wy zo even gesproken
hebben, loopen, eerst doorgaans ter lengte van ee-
nige duimen in de oppervlakte zelve van den darm,
onder deszelfs buitensten rok; ja zelf gaan zy, en
keeren als ’t ware te rug in hoekachtige kronkelen,
voor zy in ’t darmscheil treeden.

§. 428.

Doch in den loop zelven door het darmscheil,
planten zy zich hier en daar in de darmscheilklie-
ren, waarvan wy twee soorten kunnen onderschei-
den. De eerste welke ’t naast aan den darm ligt,
en eenige kleiner verstrooide boonvormige kliert-
jens vertoont. De andere is nader by de vergader-
plaats van de chijl, en bestaan uit grooter en op een-
gepakte klieren.

§. 429.

Beiderleie soort schijnt echter in de daad niets
anders te wezen, dan de bondeltjens van de melk-
vaten zelve, naauw te zaamengepakt, doorweeven
met ontelbaare bloedvoerende vaatjens*) den loop
[Seite 337] der chijl vertraagende, misschien ten dien einde,
op dat dezelve door die vertraaging des te beter en
naauwkeuriger aan de dierlyke natuur gelijkvormig
zou worden, en als ’t ware rijp gemaakt, eer zy den
chijlleider intreedt, en zich vervolgends met den
bloedstroom vermengt.

§. 430.

Men heeft gevraagd, of ook de dikke darmen
melkvaten hadden, het welk men heeft willen be-
weeren, zo uit de kracht der specifique voedende
of dronken maakende clysteeren, als ook daar uit,
om dat de drekstoffen hoe langer zy binnen ge-
houden worden, des te harder en drooger worden.
Doch alhoewel deze bewyzen in geenen deele be-
toogen, dat eenige waare chijl uit de drekstoffe nog
opgeslorpt worde, na dat zy het klapvlies van fal-
loppius
doorgedrongen is, wordt echter dit daar
uit verder bevestigd, het geen ook al lang door het
gezigt zelf bewezen is, dat de dikke darmen van
een vry aanmerkelijk aantal wateraders voorzien zijn,
welke in ’t algemeen hetzelfde maaksel en dezelfde
werkzaamheid hebben als de melkvaten, terwijl ook
dat melkvaten van ’t darmscheil, zo lang de ingewan-
den haar chijl nog missen, ondertusschen een water-
achtig vocht opslorpen*).

§. 431.

[Seite 338]

Doch ’er is eene andere vraag, die zwaarer en
moeilyker is om optelossen, of alle de chijl, welke
de dunne darmen opslorpen, alleen langs den ge-
meenen en koninglyken weg, gelijk men denzelven
noemt, te weten door de melkvaten, en den chijl-
leider na het bloed worde toegevoerd, dan of ’er
ook nog geheime wegen aanwezig, en hoedaanig die
zijn, langs welke de chijl zich met den bloedstroom
zou kunnen vermengen? Men moet waarlijk beken-
nen, dat de meeste bewyzen, waarmede men die by-
zondere opslorping der chijl door de bloedvoerende
aderen heeft willen staaven, op eenen zwakken voet
steunen; by voorb. dus is de stelling van ruysch,
dat de klieren van het darmscheil hart te zaamen
getrokken zouden worden by het naderen van den
ouderdom, zo dat ze onbekwaam wierden, om ver-
der haare verrichtingen te kunnen waarnemen, al
lang wederlegt, ja zelf veel eer bewezen, dat de
andere ongesteldheden van die klieren, opzwellin-
gen enz., onder den naam van verstoppingen ge-
meenlijk verkeerdelijk voorkomen, daar zy door-
gaans genoeg openblyven, en de kwik eenen ge-
makkelyken toe en doorgang verkenen. De beken-
de proefneming, waar by laauw water in de ver-
slapte en werkelooze darmscheiladeren in een dood
lichaam ingespooten in het darmkanaal doorzweet,
schijnt my weinig gewigt te hebben, ter betooging
der natuurlyke verrichting in een levend lichaam;
[Seite 339] veelminder nog bewijst de tweebeenige en twee-
takkige koperen buis iets, welke lieberkühn
ter staaving van dit gevoelen heeft uitgedagt. Maar
ook schijnt dat geen, het welk wy voor waarheid
opgegeven lezen*), van de in dedaad geziene chijl
in de roode aders van ’t darmscheil, nog nader on-
derzoek en bewijs te vorderen, zo dat ik tot nog-
toe niet overtuigd ben, dat deze aders iets anders
dan bloed, rykelijk met brandstof (phlogiston)
voorzien, geschikt†) ter afzonderinge van de gal,
te rug voeren.

§. 432.

[Seite 340]

De stammen eindelijk van de melkvaten zo wel
als eenige anderen, die aan dezelve zeer gelijk
zijn, uit de vereeniging van zeer veele watervaten
ontsproten*), loopen te zaamen in de vergader-
plaats (receptaculum
), of de chijlbak (cysterna chyli),
met welken naam men het onderste en ruimer ge-
deelte van den chijlleider (ductus thoracicus) of de buis
van pecquet pleeg te bestempelen.

§. 433.

[Seite 341]

Deze buis*) is een vliesachtig canaal, doch
vry sterk, meer of min bogtig, en somwylen in-
zyne richtingen en verdeelingen met wonderbaare
veranderingen speelende†), zy is zo wel van
spiervezels als zenuwen verstoken, door klapvlie-
zen hier en daar onderscheiden, eindelijk wordt ze
omtrent de benedenste nek-wervel, na dat ze boven
de linker ondersleutelbeens ader is geklommen,
naar dezelve te rug gebogen§), en plant zich in
dezelve hebbende in de opening der inplanting een
klapvlies van een byzonder maaksel.

§. 434.

De krachten, welke do chijl zo in de melk-
aders als door den chijlleider voorddryven, schynen
voornaamelijk te moeten gebragt worden tot het te
zaamentrekkend vermogen van deze vaten, als ook
tot derzelyer klapvliezen, tot den aandrang van ach-
[Seite 342] teren, en tot den polsslag der nabygelegene slag-
aderen.

§. 435.

Doch het gebruik van het klapvlies, waarvan
wy gesproken hebben, aan den bovensten mond van
de chijlvoerende buis geplaatst, schijnt niet zo
zeer geschikt te zijn, om ’t inloopen van het bloed in
dezelve te beletten, dan wel om den overgang van
de chijl in die ader te maatigen, en om haar by drop-
pen in dezelve te doen nederdruipen.

Want dus wordt voorgekomen, dat ’er nooit een
al te groote hoeveelheid van nieuw aangekomen
chijl in het bloed trede, het welk noodzaakelijk de
binnenwanden van ’t hart te geweldig zoude prik-
kelen, en onvolkomen en bezwaarlijk van dezelve
ten ondergebragt worden, daar die versche chijl wel
voornaamelijk bestaat uit vreemdaartige bestanddee-
len, niet alleen uit de eerste wegen, door middel
van de melkvaten, maar ook uit het geheel overig
gedeelte van ’t lichaam, door de watervaten aange-
voerd.

§. 436.

Want die zelfde wateraders*) (venae lymphati-
cae),
welke het derde gedeelte van ’t opslorpend
[Seite 343] vaatstelsel uitmaaken, en in ’t algemeen zo in maak-
sel als werking met de melkaders overeenkomen,
strekken zich*) echter veel wyder uit, en mis-
schien door het gantsche lichaam heen. Zy ontstaan
inzonderheid uit de gemeene uitwendige bekleedse-
len, het borstvlies, den penszak, en de ingewan-
den, die in de borstholligheid en den onderbuik be-
vat worden.

§. 437.

Zy schynen op dezelfde wyze te ontspruiten,
als de melkvaten uit de ingewanden, waarvan wy
gesproken hebben, zo dat elk worteltjen van een
watervat uit het nabuurige eelweefsel, als uit zijn
grondgebied, het behelsde vocht opslorpt, en verder
voordstuuwt.

§. 438.

Deze watervaten hebben in hunnen loop op de ee-
ne plaats meer op de andere minder dubbele (bigatae)
klapvliezen; gewoonlijk gaan zy ook byna alle over
in de te zaamengerolde kliertjens; de meer nabylig-
gende vereenigen zich ook hier en daar, door in-
[Seite 344] mondingen (anastomosis); en die de oppervlakte van
sommige ingewanden, by voorb. van de longen, de
lever, enz. bekleeden, vormen zeer fraaie netjens.

§. 439.

De verrichting van dezelve wordt, behalven
de hulpmiddelen, welke, uit het geen boven gezegd
is, kenbaar zijn, inzonderheid bevorderd door der-
zelver aanmerkelijk te zaamentrekkend vermogen,
ende met kracht gepaard gaande tederheid der rok-
ken, waar door zy in derzelver ontleedkunstige be-
handeling aan eene zeer zware kolom van kwikzilver
wederstand kunnen bieden; als mede inzonderheid
in de ledemaaten door de spierbeweeging, welke op
veelerhande wyze dezelve drukkende, en als ’t ware
kneedende hunne spanning uitnemend vermeer-
derd.

§. 440.

Over de uiteinden van deze watervaten is onlangs
op verscheiden wyzen getwist, daar ’er van anderen
gesteld wordt, dat alle die aderen, geene uit gezon-
derd, te zaamenloopen in den chijlleider: (te weten
op geene andere wyze dan da bloedvoerende aders
van het lichaam in de holle aders): zonderen anderen
daarentegen ten minsten de watervaten van den rech-
ter arm, en van de rechtezyde aan den hals uit, als
welke zy beweeren, dat zich niet inplanten in dezelf-
[Seite 345] de buis*), maar in de ondersleutelbeens vaten van
die zelfde zyde: beweeren anderen, dat de water-
vaten ten minsten in de waterkliertjens met de roo-
de aderen gemeenschap hebbent†): zijn anderen we-
derom van begrip, en niet zonder eenigen schijn van
waarheid, dat ’er waterwegen openstaan, welke ge-
meenschap maaken tusschen de ingewandsbuis en de
pismaakenden (uropoietica) werktuigen.

§. 441.

Ondertusschen blijkt’t, door dat de watervaten
byna door het geheele lichaam heen, wijd en zijd ver-
spreid zijn, en wel inzonderheid daar door, dat de
overgroote menigte van dezelve uit de met huidbe-
dekte oppervlakte van ’t lichaam zelve de vochten
van buiten aangebragt op kan slorpen, van zelf,
hoe veelerhande de aart moet zijn van dit pas opge-
slorpt water; welke verscheidenheid een naauwkeu-
rig onderzoekin de lyken bevestigd; waar door by
voorb. het water, in de opslorpende aders van de
lever en de milt bevat, anders bevonden wordt te
zijn, dan het vocht van die vaten, welke naar de
lijfmoeder heenloopen enz.

§. 442.

[Seite 346]

En dit schijnt wel het hoofdgebruik van de wa-
terkliertjens (glandulae conglobatae),
welke eindelijk
het laatste gedeelte van ’t watergestel uitmaaken, te
zijn, dat de vochten van zulk een groot verschil,
inzonderheid door de huid opgeslorpt, door een te
langzaamer beweeging, en eenige vertraaging, (mo-
gelijk ook door het bykomen van een nieuw vocht
uit de slagaderen zelve aangevoerd) meer en meer
aan de dierlyke natuur gelijkvormig gemaakt wor-
den, en daar door belet wordt, dat geene al te raau-
we vochten*), verkeerdelijk met het bloed ver-
mengd, voor het hart schaadelyke prikkelingen te
weegbrengen.

§. 443.

[Seite 347]

Voor het overige zijn deze kliertjens byna over-
al door het geheele lichaam heen verspreid*); hier
en daar als in de liessen, en onder de oxels te zaa-
men gekoppeld, en in ’t algemeen aan de kliertjens
van ’t darmscheil, waarvan wy gesproken hebben,
zeer gelijk; zy bestaan voor een groot gedeelte uit
de omwindingen der opslorpende vaten zelve, zijn
insgelijks voorzien met een zeer groot aantal bloed-
vaatjens, en ligt onderhevig aan diergelyke onge-
steldheden enz.


XXXV. AFDEELING.
over
de bloedmaaking
.

[Seite 348]

§. 444.

Dat het woord Bloedmaaking in dien zin hier ge-
nomen worde, dat het beteekene de verbinding der
chijl met, en den overgang in het bloed; zo dat het
geduurig en achter een volgend verlies van ’t bloed,
door de geduurige en achter een volgende bymenging
der chijl hersteld worde, behoeve ik naauwlijks te
zeggen.

§. 445.

Want op die spil draait de verdeeling van alle
de vochten van ons lichaam, in drie rangen (§. 4.
5.) bestaande uit raauwe vochten (crudi humores),
bloed vochten (humores sanguinei),
en asgescheiden
vochten (humores secreti),
zo dat de middenrang den
stroom van ’t voornaamste, het levens vocht be-
vatte, waar aan langs eenen onafgebrooken weg,
ontelbaare afgezonderde vochten onttrokken wor-
den, doch waar by door eenen evenredigen en ge-
duurigen toevloed van den anderen kant door ontel-
baare stroomtjens van ’t opslorpend vaatstelsel, zo
wel de chijl, als mede het vocht, ’t welk door de
watervaten is opgeslorpt, zich weder vervoegt.

§. 446.

[Seite 349]

Daar echter bet bloed zo gantsch byzonder is,
en in zijne soort het eenigst vocht zy, het geen zijns
gelijk niet heeft in de geheele natuur (§. 6.), kan
men van zelf gemakkelijk zien, dat ’er verscheiden
hulpmiddelen noodig zijn, waardoor die vreemd-
soortige aangevoerde vochten, naar het bloed door
den chijlleider gevoerd, met het zelve ten onderge-
bragt, en daar aan gelijkvormig gemaakt worden.

§. 447.

En hiertoe schynen in de eerste plaats die om-
wegen mede te werken, waarvan wy meermaalen ge-
sproken hebben, langs welke zo wel de melk, als
de wateraders, inzonderheid in de klieren over en
weder rond gevoerd worden, en tevens meer en
meer door dierlijke, en als ’t ware inwoonende be-
smetting, bezoedeld worden.

§. 448.

Wyders moet men ook aanmerken, dat een
groot gedeelte van dat water, het welk met de in-
gewands chijl in den chijlleider vermengd, de lin-
ker ondersleutelbeens ader intreedt, uit de binnen-
ste schuilhoeken als ’t ware der ingewanden, en an-
dere zachte deelen van ’t lichaam opgenomen, uit
het bloed zelf te vooren afgescheiden, en daarom
geheel en al met de dierlyke natuur reeds bedeeld
zy, en buiten twyfel op eene zeer gemakkelyke
[Seite 350] wyze, met de masse van het bloed, waar hetalleen
maar weder na toekeert, op nieuw vermengd kan
worden.

§. 449.

Hier by komt nog, gelijk wy boven at gezegd
hebben, eene langzaame, en als ’t ware by drop-
pels geschiedende overgang der chijl in ’t bloed,
welke alleen dropsgewyze door het laatste klapvlies
van den chijlleider in de ondersleutelbeensader ne-
dervalt, zo dat die kleine deeltjens des te naauw-
keuriger met het bloed kunnen vermengd worden.

§. 450.

Maar ook schijnt het inwendig maaksel van ’t
hart daartoe mede te werken, dat het bloed met de
chijl nieuwlings bezwangerd, door die wonderbaa-
re tepelspieren, waar mede de holligheden van ’t
hart vervuld zijn, ten naauwkeurigsten door een ge-
schud en verdikt wordt.

§. 451.

Dat de longen, die het bloed, met nieuwe chijl
beschonken, ontvangen, als ook de werking der a-
demhaaling in de gelijkvormigmaaking der chijl, veel
deel hebben, zal gemakkelijk blyken, wanneer men
in overweeging neemt zo wel het verbaazend vaat-
rijk maaksel (§. 135.) dier ingewanden, als ook
[Seite 351] derzelver onafgebroken gelijkgaande en beurteling-
sche beweeging, terwijl wy ademhalen.

§. 452.

Het overige van de bloedmaaking wordt volbrags
door den grooteren omloop van ’t bloed door het ge-
heele lichaam heen, en door de krachten, die het
zelve te hulpe komen, inzonderheid door de bewee-
ging der spieren.

§. 453.

Doch alhoewel door zo gewichtige en zo vee-
lerlei hulpmiddelen gezorgd is voor de vereeniging
der chijl met het bloed, de chijl ook zelve, met
betrekking tot deszelfs bestand deelen eenige gelijk-
heid schijnt te hebben met het bloed, echter stelt
men gemeenlijk vast, dat ’er verscheiden uuren
verloopen, eer de chijl haare melkkoleur afgelegd
hebbende, met den purperstroom, waartoe zy ge-
schikt is, ten naauwsten vereenigd is. Om dit stuk
te betoogen, pleegt men zich onder andere bewijs-
redenen, ook nog van dat betoog uit de ziekten-
kunde genomen, te bedienen, dat men zo dikwijls
waargenomen heeft, dat verscheiden uuren na de
verteering uit de geopende ader, nog onge-
schonden chijl vloeide; hoedaanig verschijnsel ik
eens met eigen oogen heb mogen zien, wanneer
my tevens ten duidelijksten bleek, dat dat bloed
door eene brandbaare gesteldheid (dispositio phlogi-
stica),
[en daarom strydig met de gelijkvormigmaa-
[Seite 352] king der chijl] was aangedaan, zo dat ik vast ver-
zekerd ben, dat daar uit ten opzichte van den ge-
zonden staat, waaromtrent de gantsche Natuurkunde
van den mensch verkeert, geene gevolgtrekking
kan afgeleid worden.


XXXVI. AFDEELING.
over
de voeding
.

[Seite 353]

§. 454.

Behalven die nuttigheid van ’t bloed, welke wy el-
ders nagespoord hebben, waarmede het de vuurstof
door het geheele lichaam verspreit, en de brand-
baare weder in deszelfs plaats te rugvoert, komen
deszelfs eerste en voornaamste verrichtingen daarop
uit, dat het aan ’t lichaam zijn voedsel, doch aan
de afscheidende werktuigen een byzonder vocht, het
welk die uit het bloed aannemen, mededeelt; van
welke tweeledige verrichting ons nu te handelen
staat, en wel in de eerste plaats over de voeding.

§. 455.

De voeding (nutritio), is het grootste werk der
Natur en een algemeen en voornaam voorrecht
van alle bewerktuigde lichaamen in beide de Ryken,
zo in ’t gemeen, als van elk in ’t byzonder, waar-
door zy de kunstwerktuigen, en de door mensche-
lyke kunst vervaardigde machinen, zelf in den eer-
sten opslag verbaazend verre te boven streeven; de-
wijl aan geen van hun eenig kunstmeester ooit dat
vermogen kan mededeelen, waar door, op dat ik
[Seite 354] niet spreeke van aanwassen, groeyen, en zich meer
en meer volkomen maken, maar ook niet door eigen
kracht zich zelf bewaaren, en ’t verlies, door afsly-
ting allengs toegebragt, herstellen kan enz.

§. 456.

En dit is het voedend vermogen van ons lichaam
zelf, waar door alle die zo groote en wonderbaare
verrichtingen volvoerd worden, door wiens toedoen
wy reeds van de eerste beginselen van onze formee-
ring af, toenemen, en opwassen, en tot aan den laat-
sten adem des levens toe het verlies, waardoor ons
lichaam, ’t welk zo lang het leeft zichzelf aan den
eenen kant verwoest en verteert, van den anderen
kant te hulp gekomen, en hersteld wordt.

§. 457.

Maar men heeft over de wyze van dat verlies
verschillend getwist, inzonderheid, of het plaats
hebbe in de vaste deelen van ons lichaam*), dan
wel, of liever [het welk ’t gevoelen is van ee-
[Seite 355] nige in de daad schrandere Mannen*)], die dee-
len, na dat ze eens geformeerd en volledig gewor-
den zijn, ongeschonden aanwezig blyven?

§. 458.

En ten opzichte van eenige; gelijkvormige
vaste deelen, by voorb. de opperhuid, nagels enz.
behoeft men geen oogenblik te twyfelen, of zy
worden allengs verwoest en hersteld, maar ook zal
het omtrent de beenderen blyken, dat die zaak bui-
ten allen twyfel gesteld zy, indien men slechts de
bekendste proefnemingen overweegt, die men in
’t werk kan stellen in dieren, die warmbloed hebben,
gevoed met de wortels van meekrap (rubiae tinctorum
radix),
of de vlakke beenderen, inzonderheid van
het bekkeneel gadeslaat, welke in den hoogsten ou-
derdom, wegens de geringe voeding somtijds won-
derlijk verdund kunnen zijn enz.

§. 459.

In ’t algemeen dierhalven schynen zulke vaste
deelen, zo ik het wel hebbe, dus allengs te slyten, en
door het voedsel hersteld te worden, waarin tevens
eene wedervoordbrengende kracht (vis reproductiva) inge-
[Seite 356] schaapen is, een wonderbaar vermogen naamelijk van
niet alleen de gestaadige en natuurlyke asflyting der
ondeelbaare stofkens (atomi), maar ook het toevallig
verlies van grooter deelen, voornaamelijk door uit-
wendige beleedigingen, door wonden enz. te weeg
gebragt, te vergoeden, en de verloren zelfstandig-
heid volkomen te herstellen, ’t welk bewezen is in
het verlies van de beenderen*), en eenige weini-
ge andere deelen, waar van zo even gesproken is,
plaats te hebben.

§. 460.

Doch deze wedervoordbrengende kracht integen-
deel, schijnt zo veel ik na zeer veele proefnemin-
gen, ten dien einde ingericht, heb mogen beslui-
ten, in een mensch en andere dieren met warmbloed
voorzien, naauwelijks aan eenig vast gelijkvormig
deel gegeven te zijn; het welk behalven het zaamen-
trekkend vermogen, noch van eene andere soort van levens-
kracht voorzien is, te weten de
irritabiliteit, of gevoe-
ligheid (sensibilitas), of eindelijk het eigen leven
†)
(vita propria).

§. 461.

[Seite 357]

Dierhalven schijnt het my toe, dat in deze
deelen [welke van dusdaanige levenskrachten, die
als ’t ware van eenen hoogeren rang kunnen aange-
merkt worden, voorzien zijn] altijd het zelfde ei-
genaartig weefsel bestendig voordduure, het welk
den grondslag van die deelen uitmaakt; dat het alleen
in zo verre eenige wisselvalligheid onderhevigis, dat
wanneer de voeding nog in haare kracht is, de cel-
achtige tusschenruimtens van het eigenaartig weef-
sel, door het voedend formeerwater (plastica lym-
pha
) van ’t bloed gestaadig opgevuld zy; doch dat,
indien die voeding gebrekkig is, die zelfde tus-
schenruimten, van dat vocht verstoken, te zaamen
vallen als ’t ware, en de deelen vermageren.

§. 462.

Want gelijk dit vormend vocht, van wiens
[Seite 358] waardy op eene andere plaats wijdloopiger gespro-
ken is, zelf ligt overgaat tot het celachtig weefsel,
zo schijnt het ook in ’t algemeen de voornaamste
voedstoffe van ’t lichaam uit te maaken, welke door
die oneindige menigte van bloedvaten, waarvan wy
zo dikwijls gesproken hebben, byna door ’t gantsche
lichaam heen vloeit.

§. 463.

Maar ook dan vooral, zo lang het lichaam toe-
neemt, schynen ’er wel inzonderheid eigen krach-
ten by te komen, door welker middel het vocht uit
de kleinste bloedvoerende vaten in het celachtig
weefsel neergelegd, naar den eisch verdeeld, en
aan welks eigenaartig weefsel het inwendig, als ’t
ware gelijkvormig gemaakt wordt enz. waartoe, zo
wy ons niet bedriegen, ten deele eene zekere wet,
van aan verwantschap behoort, door welke de ge-
lijkvormige deelen zelve de gelijksoortige en de
naastbestaande hoofdstoffen aan zich trekken, en
als ’t ware zich eigenmaken; ten deele behoort ook
hiertoe die vormdrift (nisus formativus), van de
welke wy beneden meer zullen zeggen, en waar aan
de aanwending van deze tot nogtoe gedaantelooze
stof, en derzelver vorming tot eene bestemde figuur
schynen te moeten toegeschreeven worden.

§. 464.

[Seite 359]

Tot deze beide vermogens moet, zo ik het wel
hebbe, wel inzonderheid gebragt worden de voe-
ding van diergelyke eensoortige deelen, tot
welke de bloedvoerende vaten zo zeer niet be-
hooren, b. v. de nagels, haairen enz. en die ech-
ter door eene zeer sterke en ten eenemaale onbe-
driegelyke pooging eerst worden voordgebragt,
groeyen vervolgends aan, en wassen het gehee-
le leven door, eindelijk, en indien zy by toe-
val uitvallen, zeer gemakkelijk wederom hersteld
worden.

§. 465.

Gelijk dit in ’t algemeen de manier der voedinge,
waarvan wy gesproken hebben, schijnt te wezen,
zo blijkt het aan den anderen kant, dat ’er veelerlei
verscheidenheden tusschen derzelver trap en wyze
plaats hebben, daar voornaamelijk van eene slappe-
re of vastere vasthechting der voedende stoffe, de
verschillende digtheid of tederheid van weefsel,
zelf van gelijksoortige deelen, en wyders het ver-
schillend eigenlijk*) gewigt van ’t geheele lichaam
schijnt astehangen. Betreklijk het welk men weet,
dat gelijk de eene mensch van den andere verschilt,
[Seite 360] alzo ook het eene volk van ’t ander onderscheiden
wordt, ten bewyze daarvan, zal ’t genoeg zijn het
voorbeeld van sommige Noordsche Volken, de Ja-
kuten, Buraten enz. by te brengen, welke berucht
zijn door eene geheele byzondere ligtheid van
lichaam.


XXXVII. AFDEELING.
over
de afscheiding
.

[Seite 361]

§. 466.

Behalven de voedende sappen, worden ook nog
andere vochten, en wel van eenen zeer verschillen-
den rang tot een veelvuldig oogmerk uit den voor-
raad van ’t bloed getrokken, en zulks door middel
der afscheiding. Dan geene verrichting is meer
duister in de Natuurkunde van den Mensch, dan
deze, gelijk na anderen, haller, niet ten onrech-
te, geklaagd heeft.

§. 467.

En de afgescheiden vochten schynen wel aan
den eenen kant met zulk eene verscheidenheid te
speelen, doch aan den anderen kant met een zo
groote verwantschap onderling, als ’t ware te zaa-
men te vloeien, dat men dezelve niet dan tot zeer
willekeurige rangen kan brengen. In ’t algemeen
echter zo wy eenigsins willen letten op de mindere
en meerdere verandering en wyziging, welke derzel-
ver bestanddeelen, in den voorraad van ’t bloed be-
greepen, in de afscheidende werktuigen ondergaan,
schynen zy in deze volgende orde te moeten voor-
gesteld worden.

[Seite 362] Dat wy naamelijk met de melk (lac) een begin kun-
nen maaken; welke men eenigermaate voor de her-
stelde chijl kan houden, en ze schijnt door eene zeer
eenvouwige bewerking (processus) uit het bloed,
waarmede kort te vooren de chijl vermengd was,
afgescheiden te worden.

Hier op volgen de waterige vochten (aquei lati-
ces),
waartoe de vochten van ’t oog, en de traa-
nen behooren; als mede het zweet, en in ’t alge-
meen de waassem, zo wy ons niet bedriegen, be-
grepen in de tusschenruimtens van ’t celachtig weef-
sel, en in de holligheid van de borst en den onder-
buik: waarvan het vocht van ’t hartezakjen, en dat
waarmede de holligheden van de harssens, als mede
de slijmboesems (sinus pituitarii) van het bekkeneel
bedaauwd worden, weinig schijnt te verschillen.

Tot de waterachtige vochten brengt men ge-
meenlijk ook de pis, ofschoon die eenen byzonde-
ren aart bezitte.

De speeksel-vochten (salivales humores), welke
tot de kaauwing, verteering, en de chijlmaaking
dienen, schynen meer veranderd te zijn.

Dan volgen de slijm-vochten (hum. mucosi), die
de holligheden van meest alle de ingewanden, welke
tot de natuurlyke-en voordteelings-verrichtingen
(functiones genitales) behooren, gelijk ook de lucht-
wegen van de neusgaaten, den gorgel en van de long-
pijp, bekleeden.

Van deze schijnt de slijm niet veel te verschillen,
welke het binnen gedeelte van ’t oog bekleedt, als
[Seite 363] ook die, welke zich onder de opperhuid be-
vindt.

De vet-vochten (hum. adiposi) zijn, behalven
het gemeene vet, voornaamelijk het merg der been-
deren en het huidsmeer, waartoe men ook het oor-
smeer brengen kan.

Hier mede schijnt ook overeen te komen het
smeer, ’t welk zo omtrent de kroon van ’t hoofd
der mannelyke roede onder de voorhuid, als in het
uitwendig gedeelte van het vrouwlijk teellid wordt
afgescheiden.

Gelijk ook dat, waarmede de zogenaamde klie-
ren van meiboom de oogleed en besmeeren.

Gelei-vochten (hum. gelatinosi) noemt men ge-
meenlijk het vocht van ’t lams-vlies (amnion), en
’t smeer der gewrichten.

Dan aangaande den aart van deze is men nog
niet zeker, even zo min als aangaande dat twyfel-
achtig naamloos vocht, ’t welk de lijfmoeder door
eene minnedrift ontstoken uitstort.

Verder is ook de aart noch twyfelachtig van dat
vocht, ’t welk in de eerste maanden na de bevruch-
ting tusschen het buitenste en binnenste vlies
van ’t ey (chorion et amnion) gevonden wordt; en
’t geen in het navelblaasjen van de nog zeer tedere
ongeboren vrucht bevat wordt, en ’t welk tusschen
de drie bloedvoerende vaten van den navelstreng
zelve gelegen is.

Waarlijk weiachtig (serosus), en met het wit
van een ey overeenkomstig, schijnt het vocht de
[Seite 364] te zijn, het welk zit in de blaasjens van de vrouw-
lyke eyerstok volgends de meening van r. de graaff,
als ook het vocht der voorstaander (prostata).

Het mannelijk zaad, schijnt een vocht van zyne
eigen soort te zijn, waarmede geen ander vocht
vergeleken kan worden.

Het zelfde kan men ook van de gal zeggen.

§. 468.

Men kan ligt bevroeden, dat eene zo groote
verscheidenheid van afgescheiden vochten op geene
éénerlei wyze, noch door werktuigen van de zelfde
soort uit de masse van ’t bloed kan afgezonderd
worden. En ’er heeft tusschen dezelve een aan-
merkelijk verschil, zelf om die reden, plaats, dat
sommige vochten langs eenen korteren weg, andere
eerst door lange omwegen aan ’t bloed onttogen, en
verder toebereid worden.

§. 469.

De allereenvouwigste van die wyzen van afzon-
dering moet voorzeker die genoemd worden, wan-
neer door ééne uitzweeting (diapedesis), gelijk men
’t noemt, het vocht, dat afgescheiden moet wor-
den, door de vliezen der slagaderen heen schijnt uit
te waassemen: hoedaanig iets men stelt omtrent de
afscheiding van ’t vet, en ’t merg der beenderen;
waar van misschien niet veel de andere wyze ver-
schilt, waarop het maagsap, en darmsap in de vlies-
achtige ingewanden enz. wordt uitgestort.

§. 470.

[Seite 365]

Doch die bewerking der afscheiding schijnt
meer te zaamengesteld, welke door middel van de
klieren (glandulae) volbragt wordt, waartoe men ge-
meenelijk ook de blaasjens en groeven brengt, hoe-
daanige by voorb. in de keel ligtelijk kunnen ont-
dekt worden, en welke men gewoon is de eenvou-
wigste
klieren (glandulae simplicissimae) te noemen.

Echter verdienen eigenlijk den naam van af-
scheidende klieren, die geene, welke men [om ze
van de waterachtige bolronden (conglobatae) te on-
derscheiden], den naam te zaamengerolde (conglome-
ratae
) geeft, waartoe de speekselklieren, het al-
vleesch, de traanklieren en de bersten behooren:
die met een ontlastbuis voorzien, eerst uit grootere
kwabben, doch deze door eene herhaalde verdee-
ling uit kleinere kwabben te zaamengesteld zijn,
over welker inwendig maaksel, men weleer in de
Schoolen der Geneeskundigen hevig getwist heeft.
Malpichius*) hield die gierstachtige bolletjens
welke door eene ligte handgreep in verre de meeste
van die deelen aangewezen worden, voor korls (acini),
[Seite 366] lijk hy ze noemde, welke inwendig met eene groe-
ve uitgehold waren.

ruysch integendeel beweerde, dat die ver-
meende uitgeholde korrels, niets anders waren dan
kluwentjens van bloedvoerende vaten, welk ge-
voelen, gelijk eene gelukkiger ontleedkunstige be-
handeling, inzonderheid eene behendiger opspui-
ting en ’t vergrootglas meer overeenkomstig toonen
te zijn met de natuur zelve.

§. 471.

En van dit maaksel, schijnt, indien men het
eigenaartig weefsel uit wil zonderen, niet veel te
verschillen, ja het zelve veel licht by te zetten,
dat maaksel van eenige afscheidende ingewanden,
inzonderheid van de lever, en de nieren, welke
laatsten vooral op eene allerduidelijkste wyze de
kluwentjens van ruysch, of de korrels van ma-
pichius
opleveren. Want in derzelver schors
ontspruiten uit de zyden van de haairbuis-slagadert-
jens de takjens, welke in vaatachtige kluwentjens
overgaan, als korreltjens van die takken af hangen-
de, als van hunne steeltjens; en uit deze opgerol-
de slagaderlyke kluwentjens ontstaan eerst de zeer
fyne ongekoleurde afscheidende vaten, [van wier
ontspruiting uit de einden der slagaderen, wy bo-
ven reeds gewag gemaakt hebben (§. 79. 81.)];
als mede de worteltjens van de aderen, waarin de
slagadertjens zelve omgebogen worden, en die het
overig gedeelte van ’t bloed, het welk inmiddels
[Seite 367] van zijn afgescheiden vocht beroofd is, te rugvoe-
ren naar de aderlyke stammen*).

§. 472.

Eindelijk zijn ook sommige andere afscheiden-
de deelen wederom op eene andere en gantsch by-
zondere wyze bewerktuigd, gelijk by voorb. de
zaadballen, welke geheel en al bestaan uit de zeer
lange en talryke vlechten van vaten, naauw in een
gerold enz.

§. 473.

Wy gaan nu over tot het naspooren der oorzaa-
ken, waar door dit byzonderlijk te weeg gebragt
wordt, dat die bestemde vochten door deze bepaal-
de werktuigen afgescheiden worden, het welk wel
verre het moeijelijkste onderzoek is van ’t gantsche
leerstuk der afscheidinge, en nog onderhevig is aan
zeer veele zwaarigheden.

§. 474.

Dit schijnt buiten allen twyfel te zijn, dat de
voornaamste en naaste oorzaak van de meeste af-
scheidingen, in het inwendig maaksel der afschei-
dende werktuigen te zoeken zy, waartoe in de te
zaamengerolde klieren en afscheidende ingewanden,
[Seite 368] inzonderheid behooren zo wel de byzondere inrich-
ting, en de verdeeling der uiteindens van de bloed-
voerende vaatjens, waar uit de vochten afgeschei-
den worden, als het eigenaartig weefsel, ’t welk
aan ieder afscheidend ingewand zo eigen is, dat het
in veelen, al aanstonds met den eersten opslag ge-
kend, en van andere deelen onderscheiden kan worden (§. 27.).

§. 475.

Verder ook komt het zeer waarschijnlijk voor,
waar omtrent wy hier en daar reeds onlochenbaare
bewyzen aangevoerd hebben, dat de afscheidende
ingewanden gelijk ze een byzonder eigenaartig weef-
sel hebben, zo ook een eigen leven (vita propria) be-
zitten, te weten eene byzondere soort van levens-
kracht, welke men van de gemeene soorten van
diergelyke krachten, naamelijk van het te zaamen-
trekkend vermogen, van de irritabiliteit, en gevoe-
ligheid onderscheiden moet.

§. 476.

Wyders schijnt, zo ik het wel hebbe, ook het
opslorpend te zaamenstel een zeer aanmerkelijk deel
te hebben in ’t ondersteunen van de afscheidingen,
om dat het uit alle de afscheidende ingewanden, en
uit elk in ’t byzonder zulk vocht slorpt, en tot het
bloed te rug voert, het welk reeds met de byzon-
dere eigenschap van dat vocht, het welk aldaar af-
gescheiden wordt, als doortrokken is, by voorb. het
[Seite 369] galachtig vocht uit de lever, het zaadachtig vocht
uit de zaadballen.

Dus schijnt ’er in het afscheidings-stelsel een
geduurige omloop plaats te hebben, zo dat aan de
masse van ’t bloed onophoudelijk de bestanddeelen,
als ’t ware der vochten, die afgezonderd moeten
worden uit de afscheidende werktuigen zelve toege-
voegd worden, welke naderhand als ze met den stroom
des bloeds naar die werktuigen te rugkeeren, dies
te gemaklyker uit hoofde van eene zekere wet van
aanverwantschap wederom aangetrokken worden,
en de met hun het meest gelijksoortig zijnde dee-
len van ’t bloed, met zich sleepen.

§. 477.

Voorde afscheiding van sommige vochten, is ook
door den byzonderen aart van het bloed, waar van ze
voornaamelijk worden afgekleinst, gezorgt, hoedaa-
nig iets wy gezien hebben, toen wy over de gal han-
delden, in het bloed der poortader, welk ader-
lijk bloed van de bronnen zelve, waar uit het tezaa-
menvloeit, ten sterksten opgevuld is met brand-
stof.

§. 478.

Ik zwyge van andere hulpmiddelen, die eenige
byzondere afscheidingen begunstigen, by voorb.
de ophooping en de afleiding, die zo duidelijk ge-
zien worden in de afscheidingen van de melk, en
andere voorbeelden van dien aart.

§. 479.

[Seite 370]

Ondertusschen heeft ’er tusschen de vochten
zelve door de werktuigen en krachten, waarvan
wy gesproken hebben, afgescheiden, naderhand dit
onderscheid plaats, dat eenigen uit de afscheidende
werktuigen zelve, langs den kortsten weg, in die
plaats zelve, voor welke zy geschikt zijn, en waarin
zy hunne verrichtingen uitoeffenen, afdruipen; doch
anderen eerst naar de byzondere verzaamelplaatsen
heen gaan, waar zy eenen tijd lang bewaard worden,
en als ’t ware aanrypen, voor en al eer zy uitgedree-
ven worden, waartoe de melk in haare buizen, als
mede de pis en degal met het mannelijk zaad in haa-
re blaazen, ook te gelijk eeniger maate de wey in
de blaasjens der eyernesten van de graaf bevat,
moeten gebragt worden.


XXXVIII. AFDEELING.
over
de pis
.

[Seite 371]

§. 480.

Behalven de voedende sappen, en de afgescheiden
natuureigen vochten (§. 4.) worden aan het bloed
ook nog de onnutte en overtollige vochten, welke
tot de uitwerpselen behooren, onttrokken, [men
noemt ze gemeenelijk uitwerpsels van de tweede
kooking], en deze zijn van tweeërleien rang: het
een is dat, het welk wy door de uitwaasseming kwijt-
raaken, waar van wy elders gesproken hebben: het
ander is de pis, die in de nieren wordt afgeschei-
den.

§. 481.

De nieren*) zijn twee ingewanden aan weder-
zyden van het bovenste gedeelte der lendenen ge-
plaatst achter den penszak (peritonaeum); een wei-
nigjen plat; doch in gedaante zo wel, als in ge-
tal veel meer, dan eenig ander ingewand in s’men-
[Seite 372] schen lichaam, aan veele verscheidenheden onder-
worpen*). Zy hangen aan de gemeenelijk zo ge-
noemde uitmelkende vaten (vasa emulgentia)†)
[naar gelang der deelen, tot welke zy behooren,
zeer aanmerkelijk groot]; en zijn door een smeer-
achtig vet (§. 38.) als ’t ware onderstut.

§. 482.

Zy worden bekleed met een eigen, zeer fraai
met vaten doorweeven, vlies; en elk derzelver
schijnt, inzonderheid in ’t lichaam van een klein
kind te zaamengesteld te zijn uit omtrent agt, of
een weinig meer, kleine niertjens, waarvan elk we-
derom bestaat uit 70 of 80 vleeschachtige pypen,
zo als ons ferrein verzekerde, welke hy witach-
tige pyramiden noemde.

§. 483.

De nier van de bolstaande rug naar deszelfs hol-
le bekken doorgesneeden, of gescheurd zijnde,
toont eene tweesoortige zelfstandigheid, de eene
aan den omtrek geplaatst, noemt men de schors
[Seite 373] (cortex), de andere is de binnenste, en komt voor
onder den naam van merg (medulla).

Beide die zelfstandigheden zijn vol slagaderen,
en bloedvoerende aderen; de schors is daarenboven
nog voorzien van de fijnste ongekoleurde vaten*)
die de pis afscheiden, en het merg heeft uitvoerende
vaten.

Die afscheidende buizen ontstaan op de boven
beschreeven wyze (§. 471.) uit de slagadertjens tot
kluuwentjens te zaamengerold, welke in de schors
der nier geplaatst zijn; en deze voorzien wel het
voornaamste gedeelte van de schorsachtige zelfstan-
digheid der nieren, en zijn door hunnen byzonde-
ren en bogtigen loop gemakkelijk van de uit voeren-
de buisjens, of die van bellinus te onderschei-
den, waarin zy wel overgaan, doch rechtstreeks
uit de schors in de mergachtige zelfstandigheid
loopen, waarvan zy het grootste gedeelte uitmaa-
ken, en na dat zy door eenen herhaalden te zaamen-
[Seite 374] loop in een gevloeid zijn, tot weinige tronkjens,
ten laatsten met haare monden de tepels (papillae),
in ’t nierbekken bevat, op de wyze eener zeve
doorbooren*).

§. 484.

Deze tepels komen in getal doorgaans met de
kwabben overeen, waaruit, gelijk wy gezegd heb-
ben, elke nier te zaamengesteld is, en storten de
pis, in de ongekoleurde vaten der schorsachtige zelf-
standigheid afgescheiden, en door de mergbuisen
van bellinus verder afgeleid, eerst in haare
trechters uit, welke daarna in het algemeen bekken
te zaamen vloeijen.

§. 485.

Het bekken intusschen loopt uit in de pisleiders
(ureters), vliesachtige buizen, die zeer gevoelig
zijn, van binnen met slijm bestreeken, zeer uitrek-
baar in een mensch, doorgaans hier en daar van ee-
ne ongelyke wijdte†), en eindelijk in ’t achterste
en laager gedeelte van de pisblaas zo in gelast, dat
zy niet rechtstreeks derzelver wanden doorboo-
ren, maar nog tusschen den spier-en zenuwachtigen
rok van dezelve [welke ook daar ter plaats grooter
dikte hebben] een weinig verder doordringen, en
[Seite 375] eindelijk in derzelver holligheid met eenen schuin-
schen mond zich openen, door welk maaksel voor-
maamelijk gezorgd is, dat de pis, welke door de
pisleiders afdroop, daaruit niet zou kunnen te rug
gedreeven worden.

§. 486.

De pisblaas (vesica lotii) zelve*), kan in een
volwassen mensch doorgaans twee ponden waters
bevatten; zo wel de bodem van dezelve, die in
eene vrucht overgaat tot den blaasband (urachus),
als ook haar achter vlakte wordt bedekt door den
penszak, met opzichte tot zyne overige vliezen
komt dezelve in ’t algemeen met die, welke wy in
de maag beschreeven hebben, overeen.

De spierachtige rok (musculosa), bestaat uit afge-
brooken banden van vleesch vezelen, welke hier
en daar op eene verschillende wyze kruislings over
elkanderen loopen [in de eene dus, in de andere zo]
en de blaas omringen†); men noemt haar gemeene-
lijk de afdryver van de pis; doch de in ’t rondlo-
pende vezels, welke den hals der blaas meer of min
omringen, zo wel onbestendig in oorsprong, als ge-
daante, worden de sluitspier (sphincter) geheeten.

De zenuw rok (nervea), deelt aan dit vliesach-
tig ingewand zyne voornaamste kracht mede.

[Seite 376] De binnenste rok (intima) eindelijk, welke men
zegt, dat eene verlenging is van de opperhuid, is
inzonderheid omtrent den hals met slijm bestreeken.

§. 487.

Dat ’er echter behalven de algemeene piswe-
gen, welke wy beschreeven hebben, nog andere
heimelyke wegen gevonden worden, welke van
het darmkanaal rechtstreeks naar de pis-afschei-
dende werktuigen loopen, schijnt door meer dan
een bewijs waarschynelijk te zijn. Want de schie-
lyke uitdryving der dranken door de blaas, als
mede, dat de pis zo wel door de reuk als ko-
leur somwylen eene byzondere hoedaanigheid van
het ingenomen vocht vertoont, laat naauwlijks
toe te geloven, dat dezelve in dien tusschen-
tijd door de chijlleider, en het bloedstelsel zulk
eenen langen weg zou genomen hebben; zelf vin-
den wy verzekerd, dat de oly op de pis gedreeven
hebbe, die een weinig te vooren met een klisteer
(clysma) in den regten darm gebragt was. Van
den anderen kant zijn de voornaame en veelvuldige
inmondingen (anastomosis), welke tusschen de wa-
tervaten der darmen en die der nieren plaats heb-
ben zeer bekend. Eindelijk is het door ontleding
van levendige dieren volkomen bewezen, dat de
pisleiders van eenen hond aan beide de zyden toe-
gebonden, en de blaas ontledigt zijnde, dies niet te
min na verloop van drie uuren wederom pis in de-
zelve gevonden is, daar ondertusschen de gewoone
[Seite 377] weg door de pisleiders was gestopt, als welke bo-
ven het bindsel bevonden werden, ten sterksten op-
gezwollen te zijn van pis*).

§. 488.

Langs welke wegen dan ook de pis in de blaas
moge gebragt zijn, ze wordt allengs lastig door den
overvloed, en dringende (§. 330.), zo dat ze ons
op de loozing doet denken, waartoe de pisweg (ure-
thra
) even als eene ontlastbuis geschikt is, naar de
de verscheidenheid van Kunne verschillende, waar-
van wy om die reden de verdere beschryving zul-
len uitstellen, tot dat wy aan de behandeling der
verrichtingen van beiderleie Kunne, zullen gekoo-
men zijn.

§. 489.

De b’aas wordt ontledigt door het overwinnen
van de sluitspier, zo door middel van haare eigen
nitdryver (detrusor), gelijk wy ze genoemd hebben
(§. 486.), als ook met behulp van de onderbuiks-
pers en de ademhaling, by welke eindelijk in de
mannen de werking der aanzettende spieren (acce-
leratores
) nog komt, die de droppen in de bol van
den pisweg nog overgebleeven, uitwerpen.

§. 490.

[Seite 378]

Maar wat den aart der pis (urina) zelve aanbe-
langt, die is oneindig verscheiden*), ten opzichte
van den ouderdom, als mede van ’t weder, inzon-
derheid ten opzichte van den korter of langer tijd,
na het eten en drinken, als mede ten opzichte van
de hoedaanigheid van ’t geen men gebruikt heeft enz.
zo men in ’t algemeen evenwel de pis van een vol-
wassen gezond mensch beschouwt, na eenen ge-
rusten slaap versch geloosd, is zy een waterachtig
vocht van eenen sterken reuk, citroen koleurig, in
welks zeer overvloedig waterachtig deel, als een ge-
meen voervocht verscheiden hoofdstoffen, inzonder-
heid aard-en zoutachtige zich bevinden, in ver-
schillende evenredigheid; onder de eerste munt de
kalkachtige aarde doorgaans uit, welke ook in de
steentjens der piswegen, doch in eene gantsch on-
gelyke hoeveelheid zit†). Doch onder de zouten
is dat geene het aanmerkelijkste, het welk men het
wezenlyke en natuurlyke§) zout van de pis, (sal
[Seite 379] essentiale nativum, microcosmicum, fusibile perlatum)
enz. noemt, en het welk in grooter hoeveelheid,
dan de andere deelen van ’t lichaam het beroemde
phosphorisch zuur (acidum phosphoreum)*) met het
zuiver vlugtig loogzout (alcali volatile) vereenigd,
bevat.


XXXIX. AFDEELING.
over
het onderscheid van beiderlei
kunne in ’t algemeen
.

[Seite 380]

§. 491.

Alles wat wy tot hiertoe verhandeld hebben be-
trekkelijk de verrichtingen van ’t menschelijk lic-
haam hebben beide de kunnen met elkanderen ge-
meen, zodaanig evenwel, dat ’er geen gering onder-
scheid*) zy in beiderlei kunne, tusschen de wyze,
waarop sommige derzelver uitgevoerd worden.

Wy zullen de voornaamste byzonderheden daar-
van, voor dat wy overgaan tot de eigenlijke zoge-
naamde verrichtingen der kunnen, met weinig woor-
den gaan optellen.

§. 492.

In ’t algemeen heeft elke kunne haare eigen, en
van elkanderen verschillende gesteldheid (habitus),
welke in een geboren mensch duidelijk optemer-
ken, doch in tederer vruchten in den eersten opslag
naauwelijks te bespeuren is, in welke zelf de uitwen-
[Seite 381] dige teeldeelen, zo men ze maar ter loops beschou-
we, niet schynen te verschillen, dewijl in een vrou-
welyke vrucht de kittelaar naar evenredigheid zeer
groot is*) en uitsteekende, terwijl het zakjen in
de mannelyke vrucht naauwelijks merkbaar is†).

§. 493.

Maar ook zelf in den kinderlyken ouderdom
valt dit onderscheid der gesteldheid, naar het ver-
schil der kunne, nog weinig onderde zinnen; doch
het wordt allengskens meer en meer kenbaar in de
jeugdige jaaren, wanneer de vorming, tederheid
en zachtheid van ’t geheele vrouwlijk lichaam, als
mede de kleiner gestalte vergeleeken met het man-
[Seite 382] nelijk wel gespierd en sterk lichaam, dat onder-
scheid ten duidelijksten aanwijst*).

§. 494.

Het zelfde onderscheid, het welk in ’t uiterlijk
gestel van ’t lichaam plaats heeft in beiderlei kunne,
wordt ook in de beenderen zelve vernomen, welke
gelijk bekend is, in de vrouwen over ’t geheel veel
gladder en ronder zijn, inzonderheid zijn de cylin-
dervormigen tengerder als in de mannen; doch de
platten dunner, om niet te spreeken van ’t onderscheid
der byzondere beenderen, inzonderheid van de
borst en ’t bekken, als mede van de sleutelbeende-
ren en dyën enz†).

§. 495.

Wat de zachte deelen van ’t lichaam betreft,
het celweefsel is in ’t algemeen in de vrouwen veel
losser, meer gedwee, zo dat het in de zwangerschap
gemakkelyker kan uitgezet worden; de huid is tee-
derer, en wegens het daar onder uitgespreid vet
meer glanzig en blank.

[Seite 383] Het hoofdhaair is wel doorgaans langer, doch
de andere deelen, welke in de mannen haairig zijn,
zijn in de vrouwen of geheel glad, gelijk de kin en
de borst, of minder haairig, als de bilnaad, ofmaar
bedekt met eenig vlassig en zeer zacht haair, gelijk
de armen en beenen.

§. 496.

Onder de verscheidenheden van de byzondere
werkzaamheden, moet de pols gereekend worden,
die over ’t geheel genomen schielyker slaat by de
vrouwen (§. 109.), de borst is, inzonderheid aan ’t
bovenste gedeelte, beweegbaarer. Ook is het tong-
been veel kleiner, en ’t gorgelspleetjen naauwer, en
hierom is de stem zo zwaar niet.

§. 497.

Wat de dierlyke werkzaamheden betreft, de
vrouwen hebben in ’t algemeen een veel grooter
beweeglijkheid van zenuwgestel; en een aandoenly-
ker irritabiliteit; als mede een sterkere neiging tot
gemoedsbeweegingen.

§. 498.

Ten opzichte van de natuurlyke verrichtingen,
eindelijk wordt men in de vrouwelyke kunne min-
der eetlust ontwaar; doch de groei van ’t lichaam
gaat by dezelve schielyker voord, en krijgt zyne
volkomenheid en huuwbaarheid veel vroeger.

§. 499.

[Seite 384]

Maar verre het grootste en voornaamste onder-
scheid van beide de geslachten betreft de verrich-
tingen der teeldeelen, waar door de mannen, het
vermogen van bevruchten is medegedeeld, terwijl de
vrouwen de geschiktheid hebben van te ontvangen,
welker naauwkeurig onderzoek nu noch ter behan-
deling overig is.


XL. AFDEELING.
over
de voordteelings verrichting van
’t mannelijk geslacht
.

[Seite 385]

§. 500.

Het voordteelend vocht van een’ man, wordt be-
reid door een tweetal ballen in den balzak aan hun-
ne zaadstrengen (funiculi spermatici) hangende, wel-
ke, behalven uit de watervaten, waar van zy eenen
overvloed hebben, voornaamelijk bestaan uit vaten
van drieërleien rang.

Naamelijk uit de zaadslagader (arteria spermati-
ca),
welke naar evenredigheid van haare geringe
middenlijn gezegd wordt verre de langste te zijn van
alle de slagaderen des lichaams, en die het bloed
doorgaans het naast uit de groote onderbuiks slag-
ader (aorta abdominalis) naar den bal voert.

Voords uit de afvoerende buis (ductus deferens),
welke het zaad uit dat slagaderlijk bloed afgeschei-
den naar de zaadblaasjens (vesiculae seminales) heen-
voert.

Eindelijk bestaan zy uit een vlecht van aderen
(plexus venarum),
gemeenelijk de wijnrankvormige
vlecht (pl. pampiniformis
) genaamd, die het overschie-
tend gedeelte van ’t bloed opvangt, en aan de helle
of nierader overgeeft.

§. 501.

[Seite 386]

Dan, de ballen hangen geensins ’t allen tyde dus
in den balzak, maar zijn in eene onrypere mannelyke
vrucht in eenen geheel anderen stand geplaatst; de
wyze, en de achtervolgende veranderingen van dien
stand, is het eerst door haller in ’t jaar 1749 te
Goettingen naauwkeuriger gadegeslaagen*); doch
naderhand op verschillende wyzen verklaard, en ten
opzichte van verschillende omstandigheden, be-
streeden. Het zy my geoorloofd eene korte beschry-
ving van deze veranderingen alleen naar de natuur te
geven, welke ik in eene aanmerkelyke reeks van
ongeboren mannelyke vruchten ten dien einde door
my ontleed, by de hand heb.

§. 502.

Het onderste gedeelte dan des buiks van eene
onrype vrucht geopend zijnde, ontdekt men in
beide de liessen omtrent den zo genaamden ring der
schuinsche spieren, een zeer eng mondjen (– plaat
III. fig. 1. e. en fig. 2. –) nederwaards leidende tot
eenen gang, en als ’t ware tot eenen naauwen weg
(angiportus), ’t welk dien zelfden ring (annulus)
doorboort, en vervolgends in een bolachtig zakjen
overgaat (– fig. 1. d. –), tot buiten de onder-
[Seite 387] buiksholligheid uitgestrekt, naar den balzak toe,
doorweeven met celachtige vezeldraden, en ge-
schikt om naderhand den bal te ontvangen.

§. 503.

Vervolgends ontstaat omtrent dien zelfden achter
rand van dat onderbuiks mondjen, een ander uitsteek-
sel van den penszak (peritonaeum), doch dat naar
boven gaat, en in eene tedere vrucht (– fig. 2.
–) voor het grootste gedeelte niet dan eene lang-
werpige vouw vertoond, doch uit welks voetstuk
eene kleine cylinder, of liever een omgekeerde ke-
gel oprijst, welke eindelijk met zijn bovenste ge-
deelte, waarmede hy zich tot den beneden rand van
den nier uitstrekt, in eenen bobbel eindigt, waarin
de bal zelf met den bybal (epididymis) zit (– fig.
1. a. en fig. 2. –), zo dat deze in den eersten
opslag een besjen schyne te wezen, aan zijn steel
vastzittende, en, bykans gelijk de lever of milt
onbelemmerd in de holligheid van den onderbuik
schyne neder te hangen (§. 404.).

§. 504.

De vaaten echter, welke naderhand de zaad-
streng uit zullen maaken, ziet men achter de, in dien
leeftijd allertederste, en als ’t ware doorschynende,
penszak loopen, zo dat de zaad slagader en ader
(– fig. 1. b. f. –) neerdalende langs de zyden
van de ruggraad, het afvoerend vat (– c. g. –)
zich binnenwaards begevende naar den hals van de
[Seite 388] pisblaas (– h. –) in een los celweefsel, ’t welk
achter den penszak geplaatst is, loopen, en in die
vouw van den penszak, waarvan wy gesproken heb-
ben, in den bal zelven ingeplant worden.

§. 505.

Nu worden de ballen omtrent van ’t midden der
zwangerheid al langzaamerhand naar beneden ge-
drukt, zo dat zy het zeer eng mondjen van den
penszak, waarvan wy gesproken hebben, al nader
en nader komen, terwijl tevens die plooy van den
penszak met haare cylinder te zaamenge vouwen wor-
de, tot dat ten laatsten de bal naast op den mond
zelven van dien engen weg ligge.

§. 506.

Wanneer nu in eene rypere vrucht, de bal ge-
reed is om aftedaalen, wordt dat tot hiertoe naauw-
mondjen zodaanig uitgezet, dat de bal dit mondjen
zelf zo wel als den onderbuiksring, waar mede het
omgeven is, en de geheele naauwe weg kan door-
gaan, en zich als ’t ware nederwerpen in dat bob-
belachtig zakjen, waarvan wy gesproken hebben;
dit geschied zijnde, wordt die mond van den pens-
zak ten naauwsten gesloten, ja groeit in kortentijd
geheel en al te zaamen, zo dat ’er in den kinderly-
ken ouderdom, naauwlijks eenig spoor meer van
pleege gevonden te worden.

§. 507.

[Seite 389]

Maar hoe traager de voordgang van den bal,
nog in de onderbuiksholligheid zittende naar dien
mond heen was, zo veel te sneller, en als ’t ware
plotslijk, schijnt deszelfs doorgang door dien naauwen
weg: want het is bekend, dat men by ’t ontleden
van eene voldragen vrucht de bal ziet, of nog lig-
gende op den mond van den penszak, of den ring
doorgegaan zijnde, reeds in de lies zittende; het
is my maar eenmaal gebeurd zo gelukkig te zijn,
dat ik in ’t hol van den onderbuik eener tweelin-
ge-vrucht, waarvan ik de afbeelding geve, de
rechtebal, op dat oogenblik zelf vernam, waarop
zy ten naauwsten ingesloten zittende, te midden
van dien naauwen weg, en door denzelven als gekneld
wordende (– fig. 1. a. –) op het punt scheen
te zijn van uit den onderbuik in ’t zakjen te vallen;
het geen de linker bal reeds te beurt was geval-
len, als zijnde die naauwte reeds doorgegaan, en
deszelfs onderbuiks mondjen al naauw gesloten,
(– e. –).

§. 508.

Deze merkwaardige doorgang der ballen uit den
onderbuik, door de lies, is wel niet verbonden aan
eenen bepaalden tijd; echter schijnt zy doorgaands
op de laatste maand van de zwangerheid voor te val-
len: hoe zeer de zaadballen niet zelden in pas gebo-
rene, of nog in de holligheid zelve van den onderbuik,
[Seite 390] of in het opperste gedeelte der lies zittende gevonden
worden. Want de bal moet in ’t algemeen uit den
onderbuik uitgegaan zijnde, noch eene nieuwe loop-
baan volbrengen, op dat ze uit de lies, met zijn
eigen zakjen, waarin zy beslooten is, verder in den
balzak doordringe.

§. 509.

Dat deze, welke wy tot dus verre beschreeven
hebben, de waare voordgaande beweeging zy, van
de uit den onderbuik in den balzak afdaalende bal-
len, blijkt klaar uit de zo meenigmaal herhaalde
waarneming. Dan het schijnt zeermoeilijk te zijn,
de oorzaaken en de krachten op te spooren, waar aan
men dien wonderbaaren doorgang verschuldigd is:
want ik wordt dagelijks meer en meer overtuigd,
dat geen van beide die krachten, waaraan men tot
hiertoe die afdaaling pleeg toe te schryven (by voorb.
de werking van de opschortende spier (cremaster)
of van het middelrif, of de te zaamentrekkings-
kracht alleen van het met trekkerachtige vezel-
draden doorweven celweefsel, ’t welk aan die uit-
breidingen van den penszak vastzit, en onder den naam
van hunters bestuurder (gubernaculum) pleegt voor
te komen enz.) niet genoegzaam zy, om te ver-
klaaren eene zo byzondere beweeging, inzonder-
heid, wat betreft het invallen zelf van den bal door
den zo dikwijls genoemden naauwen weg; doch dat
integendeel dit geheele stuk, indien eenig ander, een
allerduidelijkst voorbeeld van ’t eigen leven opge-
[Seite 391] re, dewijl zonder eene zeker byzondere hulp van
’t zelve zulk eene aanmerkelyke, en in zyne soort
eenige verplaatsing, waar mede geene andere ver-
richting in de geheele dierlyke huishouding kan ver-
geleeken worden, naauwlijks te begrypen is.

§. 510.

De omslagen (involucra), in welke de bal-
len, dien togt volvoerd hebbende, bevat zijn,
worden geschiktlijk onderscheiden in eenen die aan
beiden gemeen is
, en in eenen, die aan elk eigen is. Het
eerste is de balzak (scrotum), bestaande uit een dun-
ne huid, waar onder een weinig vet gespreid ligt,
en welke boven de overige gemeene bekleedselen,
dit byzondere heeft, dat zy haare houding op eene
wonderbaare wyze veranderen kan, somwylen, naa-
melijk hangt ze los en slap neder, somtijds weder-
om (en wel inzonderheid by de minnedrift, of door
bykomende koude enz.) is zy opgekrompen, en
stijf, en dan is zy op eene byzondere wyze onder-
scheiden door rimpels en vooren.

§. 511.

Onder de omslagen der ballen, welke een ie-
der eigen zijn, ontmoet men het huidvlies (tuni-
ca dartos),
’t naast gelegen onder den balzak,
met een byzonder en levendig te zaamentrek-
kend vermogen, voorzien, waar door beroemde
mannen winslow, haller enz., zich hebben
laaten misleiden, zo dat zy aan ’t zelve den aart en
[Seite 392] ’t vermogen der spieren verkeerdelijk hebben toe-
geschreeven.

§. 512.

Hierop volgen (na een overvloedig en zacht
celweefsel) de scheede rokken (tunicae vaginales) van
drie rangen, welke zeer naauwkeurig onderschei-
den en nagespoord zijn door den beroemden neu-
bauer
*).

De buitenrek naamelijk, welken de bal en de
zaadstreng met elkanderen gemeen hebben, en waar
aan de opschortende spier (cremaster) met verspreide
vezeldraden gehecht is.

De binnenrokken zijn eigen, zo wel aan de zaad-
streng, als bal zelven, waarvan de laatste met zy-
nen bodem doorgaars aan den algemeenen vastzit,
en van binnen door een gladmaakend vocht (byna e-
ven zo als het hartezakjen) bedaauwd wordt.

§. 513.

De oorsprong van deze schederokken (tunicae
vaginales),
waarover op zo eene verschillende wy-
ze getwist is, schijnt, zo ik my niet bedriege, uit
dat geen, ’t welk ik geschreeven heb, over de wy-
ze van ’t nederdaalen der zaadballen, niet moeilijk
om te verklaaren.

[Seite 393] De algemeene rok naamelijk heeft zynen oorsprong
van het bobbelachtig zakjen, of het afdaalend uit-
steeksel van den penszak (§. 502.)

De eigen rok van den bal, ontstaat van dat uit-
spruitsel der penszak, het welk van den cylinder
(§. 503.) naar om hoog loopende van den beginne
af den bal bekleedt.

Maar de rok eindelijk, welke de zaadstreng ei-
gen
is, komt van de plooy van den penszak, waar-
van wy gesproken hebben, en van den korten cy-
linder, waarop hy uitloopt, voor dat hy den zaadbal
zelven omvat.

§. 514.

Aan den zaadbal zelven*), zitop de wyze van
eene schors het witte vlies (tunica albuginea) vast,
waaruit de bloedvaten tot de papachtige zelfstandig-
heid (pulposa) van den zaadbal overgaan†), welke
geheel en al uit ontelbaare vaatjens van omtrent eene
spang lang, tot kluuwentjens te zaamen gerold, be-
staat, zijnde zo wel bloedvoerende als afscheiden-
de§), waar van de laatsten het afgescheiden zaad
[Seite 394] door het vaatachtig net (rete vasculosum) van hal-
ler
*), en de uitvoerende vaten (vasa efferentia)
van van de graaff†), naar de toppunten der
kegels van de byballen heenvoeren.

§. 515.

De opperbal (epididymis), welke ter zyde te-
gens den bal zelven aanligt, bestaat uit een eenig
vat, het welk byna de lengte van 30 voeten heeft,
dat aan den eenen kant, zijn hoofd genoemd, ten
naasten by in 20 kluuwentjens of kegels onder-
scheiden is§), terwijl de andere en beneden kant
allengs dikker wordende**), den staart geheeten,
in de afvoerende buis vervolgd worde.

§. 516.

[Seite 395]

Het afvoerend vat (vas deferens), van weers-
kanten nu opklimmende naar den hals der pisblaas,
en onder de voorstander (prostata) na elkanderen
toegeboogen, wordt vervolgends te rug geboogen,
en verwyderd tot zaadblaasjens: zo echter, dat, zo
wel uit deze blaasjens, als uit de afvoerende vaten
een tweetal der gemeene mondjens in den pisweg
(urethra), achter het hennenhopfd (caput gallinagi-
nis
) zich opene*).

§. 517.

De zaadblaasjens (vesiculae seminales) zelve, wel-
ke tegen het achter en laager gedeelte der pisblaas
vastzitten, en omringd zijn door eene groote hoeveel-
heid van vet, vertoonen eindelijk in ’t algemeen
twee darmpjens, welke zich op eene verschillende
wyze buigen, en getakt zijn door eene menigte
blinde aanhangseltjens†).

Zy bestaan uit twee rokken, byna zodaanig als
wy in de galblaas beschreeven hebben: de eene
naamelijk de sterkere van die soort, welke men ge-
meenelijk de zenuwachtige noemt, terwyl de ande-
re tederer en inwendig met blaasjens en, groefjens
[Seite 396] vervuld is, en overal door uitsteekende toppen,
[aan die geenen gelijk, welke men in den hals van
dezelfde galblaas verneemt] als in holletjens onder-
scheiden.

§. 518.

Door deze tot hiertoe vermelde wegen, wordt
het zaad (Jemen), van de jaaren der aankomende jon-
gelingschap af, langzaam, en in eene geringe hoeveel-
heid afgescheiden, en, bevat zijnde, een geheel by-
zonder vocht en van de uiterste waardy, wiens koleur
melkwit is, uit den geelen, het heeft eene geheel
byzondere reuk, is lijmachtig en slymig, en heeft
eene byzondere en aanmerkenswaardige zwaarte, de-
wijl het daarin alle de afgescheidene vochten tot een
toe, schijnt te overtreffen.

§. 519.

Daarbeneven heeft dat vocht ook nog deze by-
zondere eigenschap, dat het (gelijk lud. ham*)
van Dantzig, het eerste ontdekt heeft, in ’t jaar
1677.) door een oneindig aantal van kleine diert-
jens bezield is, die door het vergrootglas kunnen
bespeurd worden, zijnde van den rang dier geene,
welke men (infusie) diertjens (infusoria) noemt, en
welke ook in verscheiden soorten van dieren eene vee-
[Seite 397] lerhande gedaante hebben. By den mensch [als ook
by den ezel*)] zijn de zaaddiertjens (animalcula
spermatica
) eyvormig, en met eenen zeer dunnen
staart voorzien. Men zegt, dat zy niet, ten zy in
gezond en vruchtbaar zaad gevonden worden, zo
dat zy eenigermaate het bykomend kenmerk van,
zyne vruchtbaare rijpheid schynen uit temaken; ik
noem het bykomend, dewijl ik tot nogtoe niet
denke, dat het noodig zal zijn te zeggen, na zo
veele gewigtige bewyzen†), dat zy in ’t geheel
niets van dat vruchtbaarmaakend beginsel in zich
bezitten, veel minder aangemerkt moeten worden
voor zaaden van toekomende menschjens.

§. 520.

Dit vloeibaar teelvocht in de blaasjens, waar-
van wy gesproken hebben, allengs vergaderd, wordt
bewaard tot eene toekomende loozing, en door dien
stilstand ondergaat het byna dezelfde veranderingen,
welke wy gezien hebben, dat de gal in haare blaas
opgehouden, te beurte valle, dat naamelijk het wa-
[Seite 398] terachtig vocht van ’t zelve afgetrokken zijnde, het
allengskens als ’t waare verdikt en sterker worde.

§. 521.

Want gelijk geheel de ballen met de strengen,
aan dewelke zy hangen, voorzien zijn met eene
wonderbaare menigte watervaten, welke van daar
het met zaad bezoedelde vocht naar ’t bloed te rug-
voeren, en dus de verdere afscheiding van ’t zaad,
op die wyze, als wy op eene andere plaats (§. 476.)
gezegd hebben, bevorderen en gemakkelijk maa-
ken; zo hebben ook de zaadblaasjens zelve soort-
gelyke vaten, die door het minkrachtig vocht opte-
slorpen, het overig gedeelte van ’t zaad des te werk-
zaamer maken.

§. 522.

Doch daar aan twyfel ik zeer, of wel ooit in
een gezond mensch het waare zaad uit de zaadblaas-
jens opgeslorpt worde: – daar aan twyfel ik nog
meer, of het zelfde zaad, gelijk men wel eens
beweerd heeft, in de nabygelegen bloedvoerende
aders zoude te ruggevoerd worden: – maar daar
aan twyfel ik nog het allermeest, of door dierge-
lijk eene opslorping van zaad [zo ’er zulk eene wa-
re] de ontydige aanprikkelingen tot den wellust
konden voorgekomen worden, daar dezelve inte-
gendeel, [zo wy achtgeven op de verschijnsels in
die dieren, welke op gezette tyden van ’t jaar dri-
tig worden, en dezelve vergelyken met de gesteld-
[Seite 399] heid van de gesnedene) veel eer en ten duidelijksten
de oorzaak schijnt te zijn eener toomlooze en byna
raazende minnedrift.

§. 523.

Veel eer komt het my waarschynelijk voor dat
aan den mensch ten dien einde een geheel ander
voorrecht [het geen voor zo veel ik tot nogtoe
weet aan geen ander dier dan aan den mensch ver-
gund is] toegestaan zy, naamelijk dat der zaaduitstor-
ling by nacht (pollutiones nocturnae),
welke ik in dien
zin tot de natuurlyke ontlastingen van eenen man
brenge, dat hy door dezelve zeldzaamer of menig-
vuldiger naar de verscheidenheid van temperament
en natuurgesteldheid van het andersins prikkelend,
en overtollig zaad bevrijd worde.

§. 524.

Het zaad zelf wordt nooit on vermengd uitge-
worpen, maar vermengd met het vocht der voorstan-
der (liquor prostatae),
het welk, ten opzichte van
zijn uitwendig voorkomen, zeer gelijk schijnt te
zijn aan het wit van een ey, en den naam ontleend
heeft van zyne bron, te weten van een lichaam, dat
van eene aanmerkelyke grootte is, en bestaat uit
een byzonder en gantsch in een gedrongen eigenaar-
tig weefsel, het welk tusschen de zaadblaasjens,
en den bol der pisweg inligt, en gemeenlijk met den
naam van voorstaande klier (glandula prostata) bestem-
peld wordt. De wegen van dit vocht zijn nog niet
[Seite 400] genoeg bekend, ten zy ze misschien gemeenschap
oeffenen met den boezem van ’t zaadheuveltjen,
wiens mond tusschen de twee pypen der zaadblaas-
jens in (§. 516.) de buis der pisweg openstaat*).

§. 525.

De mannelyke pisbuis (arethra), is de gemee-
ne uitvoerder geschikt voor drie vochten van onder-
scheiden rang, de pis naamelijk, het teelzaad, en
het vocht der voorstander.

Zy wordt gesmeerd door een slym, het welk
uit de talryke holligheden overal door ’t canaal van
dezelve verspreid†), voordkomt, ze wordt om-
ringd door een sponsachtig weefsel, waar tegen
twee andere diergelyke, maar veel dikker spons-
achtige§) lichaamen (spongiosa corpora) aanliggen,
welke het grootste gedeelte van de mannelyke roe-
de uitmaken; die aan de voorkant met het hoofd
(glans) eindigende, in ’t algemeen wel gedekt wordt
met eene tedere van smeer ontbloote gedweehuid,
die echter van de kroon des hoofds (balanus) af,
de voorhuid vormt, en geheel vry voor het hoofd,
even als de oogleden over den oogbol beweeglyk
is. Doch de binnenvoering van de voorhuid boven
[Seite 401] het hoofd zelf [bykans gelijk het wit van ’t oog],
wordt eenigsins veranderd, te rug gebogen, en is
omtrent de kroon met overvloedige littriaan-
sche
klieren, [eenigsins met de klieren der oog-
leden van meiboom te vergelyken], die een by-
zonder smeer storten*), bezet†).

§. 526.

[Seite 402]

Het das toegericht mannelijk lid, ontving
het vermogen van zich op te richten, dat het naa-
melijk door de sterk vermeerderde, aangezette en
driftige ophooping, en uitstorting van het bloed in
de sponsachtige lichaamen, [want dit schijnt de
eenigste en voornaamste uitwerkende oorzaak te zijn
van de oprichting], opzwelle, stijfworde, en zy-
nen stand verandere, doch naderhand, het overtol-
lige bloed wederom opgeslorpt zijnde, weder afne-
me, en nedervalle, slap worde.

§. 527.

Het dus wederslap geworden lid, buigt zich
daar het van den hals der blaaze begint, op eene
byzondere bogtige wyze†), en die stand is zeer
geschikt tot de loozing der onvermengde pis, doch
die stand is ten eenenmaale ongeschikt tot het ont-
lasten van het teelzaad*), dewijl als dan het be-
gin van den pisweg eenen scherperen hoek uitmaakt
met de mondjens van de zaadblaasjens.

§. 528.

Dan daar het mannelijk lid allengs opzwelt,
pleegt eerst het vocht van de voorstander uit te loo-
[Seite 403] pen, het welk dikwijls zuiver, doch bykans nim-
mer te gelijk met de pis geloosd wordt, welke
voornaamste nuttigheid deze is, dat het te gelijk
met het zaad zelf uitgeworpen worde, het zy’t zel-
ve door zyne eywitachtige gladheid, de klevende
taaiheid van het zaad te hulp te kome, en het uit-
werpen bevordere, het zy men stelle, dat het iets
toebrenge tot het stuk der voordteeling zelve.

§. 529.

Deze ontlasting van ’t zaad, wordt opgewekt,
zo wel door deszelfs dringenden overvloed in zyne
verzaamelplaatsen, als door de drift der sexe, doch
eerst volvoert door de groote spanning, waar door de
weg der pis gestopt, en daarentegen die voor het
zaad als ’t ware gebaand wordt; vervolgends door
eene zekere stuipachtige te zaamentrekking der zaad-
blaasjens door de werking der opligtende spier van
den aars, en die der pis uitdryvende spieren (ac-
celatores),
en door eene korte en zachte, doch als
’t ware bedwelmende en verzwakkende schok van
’t gantsche zenuwgestel.*)

XLI. AFDEELING.
over
de voordteelings verrichting van
’t vrouwelijk geslacht
in ’t algemeen
.

[Seite 404]

§. 530.

Gelijk de mannelyke deelen geschikt zijn, om te
geven, zo zijn de vrouwelyke deelen door de Na-
tuur bekwaam gemaakt, om te ontvangen, en die
beiden verschillen in ’t algemeen ten hoogsten van
elkanderen. Echter leveren ons de werktuigen van
beiderlei geslacht in eenige deelen eene zeer groote
gelijkheid van maaksel. Dus komt de kittelaar (clito-
ris),
onder het schaambeen, [van wiens maaksel
wy (§. 36.) in ’t voorbygaan gewag gemaakt heb-
ben] in de bovenste sluiting der lippen schuilende,
in meer dan in een opzichte met het mannelijk lid
overeen, behalven dat het afgezonderd van den pis-
weg, en daarom niet doorboord zy, en in de wel-
geschaapene zeer klein gevonden worde. Ook leest
men, dat somtijds by volwassen lieden de kitte-
laar diergelijk eene grootte behouden hebbe, als
wy gezegd hebben (§. 492.), dat plaats hadde in
[Seite 405] eene ongeborene vrouwelyke vrucht, hoedaanig
een gebrek der schaamelheid waarschijnlijk aanlei-
ding gegeven heeft tot de Fabel der Hermaphro-
diten*). Voor ’t overige bestaat ook dat deeltjen
uit sponsachtige lichaamen, en is geschikt tot de
oprichting, het wordt door eene voorhuid gedekt,
en levert een smeer op, dat zeer gelijk†) is aan
het littriaansche (§. 531.).

§. 531.

[Seite 406]

Van den kittelaar daalen de waterbestuurders
(nymphae
) af, die insgelijks somwylen door hunne
ongeschikte grootte van den regel afdwaalen*),
welke overtollige grootte mede den grond gelegd
heeft tot beruchte verdichtsels†), en welke zo
wel als de kittelaar hoogst gevoelig zijn; zy schy-
nen de straal der uitlopende pis eenigermaate te be-
stieren, terwijl de mond van den pisweg, in deze sexe
zeer kort [in de volmaakste voorbeelden by zonder-
lijk gerimpeld§)], in derzelver grond zich als ’t
ware, verschuild.

§. 532.

[Seite 407]

Onder deze opening, ligt de mond der schede
(vaginae orificium),
omringd met slijmgroeven van
eene verschillenden rang, waartoe de graaff’s*)
slijmholligheden van den pisweg, als ook de mon-
den der voorstander, zeer te onrecht dus van
casp. bartholinus†) genaamd, behooren, met
wier smeerachtig slijm de schaamdeelen bestrecken
worden.

§. 533.§)

De toegang zelf der schede, heeft voor zich het
maagdenvlies (hymen)**) gespannen, het teeken
eener ongeschonden maagdom, ’t welk aan geen an-
der geslacht van dieren, dan aan dat der menschen
[Seite 408] toegestaan is; en waarvan men tot hedentoe de na-
tuurlyke nuttigheid in geenen deele kent.

De overblijfsels van het verscheurde maagden
vlies, gaan over tot mijrtevormige vleeschheuvelt-
jens (carunculae myrtiformes), wier getal onzeker is.

§. 534.

Vervolgends klimt de schede (vagina) tusschen
de pisblaas in den rechten darm opwaard, over-
vloediglijk door een cel en vaatachtig eigenaartig
weefsel gemaakt; aan den onderkant omgeven door
door de sluitspier der vrouwelijkheid (constrictor cunni)
*); doch inwendig met een zeer zagt vlies bekleed;
het welk door twee fraaie pylaaren van rimpels†),
te weeten, door de voorste en achterste**) onder-
scheiden is, en uit deze zelfde rimpels een slijm
laat vallen, dat deszelfs holte besmeert.

§. 535.

Aan den bovenste omtrek der schede, zit ein-
delijk de lijfmoeder (uterus), hangende aan beide de
kanten aan breede banden.

Derzelve cylindervormige hals**), wordt van
[Seite 409] de schede als ’t ware omvat, en is met een eng ca-
naal doorboord, het welk met eenen gelyken rim-
peligen toestel als de schede, naamelijk met den zo-
genaamden levensboom geteekend is, en welks bei-
de uiterste openingen, en wel inzonderheid de bo-
venste of inwendige doorgaans met eenen taaien
slijm bezet zijn.

§. 536.

De zelfstandigheid der lijfmoeder is geheel by-
zonder, ze bestaat uit een eigen zeer dik en in-
eengedrongen weefsel*), van een groot aantal
bloedvoerende vaten, met wonderbaare slangswijs
loopende bogten†) doorweeven, wier aderen
geene klapvliezen hebben, zy is ook voorzien van
eene menigte watervaten§), ook bezit zy ontel-
baare zenuwen**), door wier middel zy die won-
derbaare overeenstemming met de meeste deelen
des lichaams aankweekt.

§. 537.

[Seite 410]

De lijfmoeder wordt van buiten door den pens-
zak gedekt, maar derzelve inwendige geringe hol-
ligheid, en wel inzonderheid op den bodem, wordt
door een zacht en zeer teder sponsachtig vlies be-
kleed, het welk sommigen*) zeggen, te bestaan
uit ongekoleurde vaten (§. 80.), sommigen†) uit
opslorpende watervaten.

§. 538.

Wat het spierachtig weefsel betreft, van som-
migen aan de lijfmoeder toegeschreeven§); doch
van anderen ontkend**), moet ik dit slechts aan-
merken, dat ik in alle de menschelyke lijfmoeders,
zo veele ik met een naauwkeurig oog heb gadege-
slagen, zo wel zwangere, als niet zwangere, [ik
heb gelegenheid gehad, om de baarmoeders van
beiderlei soort te onderzoeken, niet slechts alleen
in praeparaaten, maar ook in nieuwlings gestorve-
[Seite 411] nen], niets heb kunnen vinden, het geen men voor
spiervezelen zou hebben kunnen aanzien; maar
dat ik integendeel dagelijks meer en meer overreed
worde, dat de baarmoeder geen spierachtig maaksel
hebbende, geene irritabiliteit bezitte (§. 336.);
maar een, zo zulks aan eenig ander deel van’t lichaam
toekomt, eigen leven hebbe (§. 47.) overeenkom-
stig de geheel eigenaartige en byzondere beweegin-
gen, en verrichtingen der lijfmoeder; welke men
van geene dier levens-krachten, die de gelijkvor-
mige deelen gemeen hebben (§. 43–46.) kan af-
leiden, en welke aan de oude Geneesheeren en Wijs-
geeren zo byzonder en eigenaartig zijn voorgeko-
men, dat zy de baarmoeder daarom in ’t gemeen
noemden, een dier begreepen in een dier.

§. 539.

Uit de hoeken van ’t gewelf, of den bodem der
lijfmoeder komen aan beide de zyden de trompetten
van falloppius (tubae Fallopianae)*), enge en
gekronkelde kanaaltjens ten voorschijn, in de bo-
venste verdubbeling der breede banden heenloopen-
de, in weefsel gelijk aan dat der schede, uitge-
zonderd dat zy inwendig geene rimpels hebben, en
met een zeer zacht en teder sponsachtig vleesch
bekleed worden.

§. 540.

[Seite 412]

De uiterste mond van dezelve, of onderbuiks
mond, behalven dat ze ruimer is, dan de andere
mond arm den kant van de lijfmoeder, wordt met ge-
takte, en als ’t ware gevingerde zoomen (fimbriae),
van een gantsch byzonder, en sraai maaksel ge-
zoomd, welker gebruik in het werk der ontvanging
van geen gering belang schijnt te zijn, dewijl zy
zo wel als de trompetten zelve door de voordtee,
lingsdrift opgezwollen, de ondergelegen eyernes-
ten schynen te omvatten.

§. 541.

De eyernesten (ovaria) zelve, of, gelijk zy
voor de tyden*) van steno genoemd wierden, de
vrouwelyke zaadballen, bestaan, behalven den taaien
en byna trekkerachtigen omslag, uit een digt, en als
’t ware te zaamengevlochten celachtig weefsel, in het
welke in elke eyerstok naa genoeg 15 zo genaamde
de graaff’s eytjens zitten, te weeten blaasjens
of liever geele eywitachtige wei druppels, wel-
ke stremmen, gelijk het echte wit van eyeren, in-
dien het eyernest versch in ziedend water gedom-
peld wordt.

§. 542.

[Seite 413]

En dusdaanig eene eywitachtige druppel,
schijnt het voornaamste vocht te zijn, het welk
eene vrouw tot de bevruchtiging toebrengt, want
het is waarschijnlijk, dat geduurende den afloop
der huuwbaare jaaren, al langzamerhand de een dier
druppen na den anderen, zodaanig tot haare rijp-
heid geraake, dat zy den omslag, waarmede gelijk
wy gezien hebben, het eyernest omringd is, als ’t
ware doordringe, tot dat zy op het laatste het eyer-
nest zelf kan breeken, en van den onderbuiksmond
der trompet opgenomen worden.

§. 543.

Dan behalven dit uit het eyernest voordkomend
druppeltjen, weet men, dat ’er ook nog een ander
vocht, het welk de Ouden ten onrechte den naam van
’t vrouwelijk zaad gegeven hebben*), onder de voord-
[Seite 414] teelingsdrift gestort worde, van welks aart, bron-
nen, en algemeenheid met geen meer zekerheid iets
[Seite 415] kan bepaald worden, dan van het doeleinde en de
nuttigheden van ’t zelve.


XLII. AFDEELING.
over
de maandstonden
.

[Seite 416]

§. 544.

Een der gewoonlijkste en gewigtigste verrich-
tingen der baarmoeder is, dat ze geduurende omtrent
30 jaaren lang eenen maandelijkschen tol betaald, wel-
ke wet de Natuur geen ander geslacht van dieren*)
heeft opgelegd, daar, om de woorden van pli-
[Seite 417] nius te gebruiken, de vrouw het eenigste dier zy,
dat aan de stonden onderhevig is: want zy heeft
geene vrouw van de tot hiertoe bekende Volke-
ren*) van die wet ontslagen, dewijl het in ’t alge-
meen tot de noodzaakelyke vereischten behoort,
waar door de vrouwelyke sexe bekwaam gemaakt
wordt tot de voordplanting van haar geslacht.

§. 545.

[Seite 418]

De beginselen dezer verrichting beginnen zich
in ons luchtgestel doorgaans te ontdekken, met het
vijftiende jaar, dan meestentijd voorgegaan zijnde
van toevallen, die uit de bloedrijkheid (plethora)
ontstaan, van eene ophooping naar de borst, van’t
gevoel eener spanning in den streek der lendenen,
van eene vermoeijing der beenen enz. En wel ge-
woonlijk komt ’er voor de eerstemaal een roodach-
tig vocht uit de teeldeelen voord, op het welk, al-
lengs sterker rood wordende, een bloederig vocht
volgt, ’t welk eindelijk verwisseld wordt met waar
bloed, dat geduurende eenige dagen, langzaam
vloeit, terwijl ondertusschen de straks gemelde on-
gemakken ophouden.

§. 546.

Die bloed vloeijing komt gewoonlijk van dien-
tijdaf, na verloop telkens van vier weeken, weder
te voorschijn, en duurt dan ten naastenby zes dagen,
in welken tijd men gelooft, dat in een gezond
vrouwspersoon van omtrent acht oncen, tot een ge-
heel pond toe, geloosd worden.

§. 547.

Doch deze werking vertoont zich doorgaans
niet, zo lang de vrouwen, of zwanger zijn, of zoo-
gen. Doch blijft geheel achter, als zy geduurende
omtrent 30 jaaren stand gegreepen heeft, het geen
[Seite 419] dan in ons luchtgestel omtrent het vijf en veertigste
jaar gemeenlijk gebeurt.

§. 548.

De bronnen (fontes) der maandstonden wor-
den van sommigen gebragt tot de vaten der schede,
van anderen met meerwaarschynelijkheid tot die der
baarmoeder; want de voorbeelden, welke aange-
voerd worden om het tegendeel te bewyzen, van
vrouwen, die, alschoon ze zwanger waren, of ge-
kweld wierden met eene toegroeijing van de baar-
moeder, of met eene uitzakking van de omgekeer-
de baarmoeder, evenwel de stonden hadden, bewy-
zen niets anders, dan de voortreffelyke pogingen
der geneezende natuur, welke, wanneer de koning-
lyke weg voor haar gesloten is, zich gelukkig van
ongewoone wegen weet te bedienen. Aan den an-
deren kant, heeft men een groot aantal ontleedkun-
dige waarnemingen in vrouwen, die de stonden
hebbende, gestorven waren; in welke de holte der
baarmoeder duidelykecblyken gaf van ’t maandstonden
bloed uitgestort te hebben*); op dat ik zwyge van de
bewijsredenen, die uit de bespiegeling, gelijk men
zegt, genomen zijn, door welke het waarschynelijk
wordt, dat het doeleinde der maandstonden daarop
uitkome, dat de baarmoeder door zodaanig eene
[Seite 420] maandelijksche bloedstorting voorbereid worde tot
eene aanstaande zwangerheid, en te geschikter ge-
maakt worde tot het voeden der vrucht. En om
die zelfde reden, schijnt ook deze vloed eerder te
moeten toegeschreeven worden aan de slagaderlyke
vaatjens der baarmoeder, dan aan de aderen.

§. 549.

Wat de oorzaaken betreft van deze op gezette
tyden wederkomende en duurzaame bloedstorting,
de naspeuring daarvan gaat nog vergezeld van zo veele
moeijelijkheden, dat men hier niet dan waarschy-
nelijkheden volgen kan, en buiten ’t geen waar-
schynelijk voorkomt, kan men niet gaan*).

De naaste oorzaak schrijft men dan toe, aan
eene zekere plaatselyke ophooping van bloed, uit
volbloedigheid ontstaande, waarmede waarlijk de
toevallen van de nabyzijnde maandstonden, zo wel,
als de hoeveelheid en de natuur der vaten van de
baarmoeder zeer wel overeenkomen.

[Seite 421] Onder de verder afgelegen oorzaaken, zal men
mogen tellen zo wel de opgerichte gestalte [dat voor-
naam kenmerk, ’t welk het menschelijk geslacht
van de overige dieren onderscheidt] als het byzon-
der eigenaartig weefsel van de lijfmoeder, en der-
zelve eigen leven.

Wat de reden van dien, op zijn tijd wederkomen-
de, afloop betreft, daar omtrent zal ’t beter zijn,
dat wy onze onkunde bekennen, dan naar ydele on-
derstellingen omtezien, dewijl tot hiertoe alle die
periodique verschijnselen, zo in het gezonde als
zieke dier voorkomende, wier grenzen zich boven de
24 uuren uitstrekken, tot de geheimen der dierlyke
natuur schynen te moeten gebragt worden.


XLIII. AFDEELING.
over
de melk
.

[Seite 422]

§. 550.

De borsten, zegt men gemeenelijk, zijn hand aan
hand met de baarmoeder bepaard, die heilige bron-
nen, en voedsters van ’t menschelijk geslacht, ge-
lijk ze niet onaartig by gellius, door den Wijs-
geer favorinus genoemd worden. Want de
verrichting der werktuigen van de borsten en de
baarmoeder, is in den kinderlyken ouderdom ge-
noegzaam van geen belang; in de jaaren der huw-
baarheid, beginnen ze beide haare kracht te oeffe-
nen, zodat, wanneer de maandelijksche stonden
het eerst te voorschijn komen, de borsten dan ook
beginnen op te zwellen; van dien tijd af aan, wer-
ken ze gemeenschaplijk, of te gelijk, wanneer, ge-
duurende de zwangerheid, de borsten ook beginnen
dik te worden, en melk uit te storten; of doen zulks
by beurten, terwijl zo lang de moeder zoogt, de
stonden ondertusschen ophouden; maar, zo zy niet
zoogt, vloeit de kraamzuivering des te rykelyker
enz. Eindelijk ook houden by het klimmen der jaa-
ren, beide die verrichtingen te gelijk, geheel en
al op, zodat, wanneer die maandvloeijingen niet we-
[Seite 423] derkeeren, de baarmoeder zo wel als de borsten te
gelijk werkeloos worden en kwynende verflenssen,
om niet te spreken van de ziektekundige verschijn-
selen, by voorb. in de onregelmaatigheden der ston-
den, in den witten vloed, en in andere diergelyke
ongesteldheden, duidelijk waar te nemen, en die
zelfde medelydigheid (sympathia), waar van wy han-
delen, betoogende.

§. 551.

En ’t zal ons niet vreemd voorkomen, wanneer
wy die inwendige gemeenschap van de borsten en
baarmoeder beschouwen, dat zo veelerhande soor-
ten van natuurkundige overeenstemming, van wel-
ken wy elders (§. 54.) stukswyze gesproken heb-
ben, tusschen die vrouwlyke werktuigen van de
borst en den onderbuik, tot een toe plaats heb-
ben*).

§. 552.

Inzonderheid werd wel eer van zeer groot belang
gehouden, de inmondings overeenstemming tusschen
de inwendige slagader der borsten (arter. mammaria
interna),
en van de middel bovenbuiks slagader
[Seite 424] (A. epigastrica)*), waar aan, alhoewel de Na-
tuurkundigen†) eertijds al te veel aan dezelve toe-
geschreeven hebben, echter naar alle waarschyne-
lijkheid een voornaam deel in die te zaamenspanning
schijnt te moeten worden toegekend, wanneer men
de verandering van derzelver wijdte gadeslaat, wel-
ke plaats heeft ten tyde der zwangerheid, en zo
lang de moeder zoogt.

§. 553.

Maar ook heeft de lijfmoeder dit met de bor-
sten gemeen, dat deze werktuigen van beide de
rangen met de chijl eene vriendelyke gemeenschap
onderhouden, en dezelve, inzonderheid ten tyde der
zwangerheid, aantrekken, en tot byzondere gebrui-
ken aanwenden.

§. 554.

De vrouwelyke borst (mamma)§), bestaat uit
eene koekvormige opeenstapeling van te zaamenge-
tolde kliertjens, door talryke vooren, in groote
[Seite 425] kwabben onderscheiden, en in eenen vetklomp ge-
heel en al, als ’t ware gedompeld; inzonderheid
puilt zy naar vooren uit door eene vastere vetstof,
waar over een zeer dun vel gespannen is.

§. 555.

Elk van die kwabben wordt by eene herhaalde
verdeeling uit kleiner kwabben te zaamengesteld,
en deze wederom uit de gemeenelijk zo genoemde
korrels (acini), waar aan de laatste worteltjens*)

van de melkbuizen (ductus lactiferi) zitten, die uit
de laatste uiteinden der takjens van de inwendige
borstslagader het chijlachtig vocht aantrekken.

§. 556.

Deze worteltjens, meer en meer te zaamenloo-
pende†), gaan eindelijk over tot de hoofdstammen
welke met het getal der kwabben overeenkomen,
zo dat doorgaans in elke borst vijftien van dezelve,
of een weinig meer, geteld worden. Deze verwy-
deren zich wel hier en daar tot ruimere hollighe-
den, doch schynen onder elkanderen door geene
waare inmonding verbonden te worden§).

§. 557.

[Seite 426]

Deze stammen eindigen in zeer tedere uitvoe-
rende canaaltjens, die naar ’t middenpunt der borst
heen, door tusschenkomst van een celachtig weefsel
met elkanderen tot eenen tepel vereenigd worden*),
die met zeer fyne bloed voerende vaatjens en ze-
nuwtjens doorweeven, op de aanwending van som-
mige uitwendige prikkelingen aan eene byzondere
opspanning onderhevig is.

§. 558.

De tepel wordt omringd door een perkjen (are-
ola
)†), ’t welk zo wel als de tepel zelf door de
byzondere koleur§) van ’t netvlies, het welk on-
der de opperhuid**) gespreid ligt, kenbaar is;
verder is het ook nog voorzien met smeerbolletjens
(folliculi sebacei)††), ja zelf somtijds ook met en-
kelde melkvoerende buisjens§§).

§. 559.

[Seite 427]

De vrouwelyke melk, welke in de tot dus ver-
re beschreeven werkplaats wordt afgescheiden, is
een sap van eene bekende koleur, waterachtig, ee-
nigsins vet, wat zoet, zacht, en in ’t algemeen ge-
lijk aan de melk der zoogende huisdieren, uitge-
zondert dat ze niet, gelijk deze laatste door by ge-
mengd zuur stremme, en geen enkel spoor van vlug-
tig loogzout doet zien*).

§. 560.

Gestremd zijnde door brandewijn, vertoont het
dezelfde bestanddeelen, waar uit de melk der die-
ren, van welke wy gesproken hebben, gelijk be-
kend is, bestaat. Want behalven den waterachtigen
(aquosus
) waassem, dien zy varsch gemolken, en
nog warm zijnde opgeeft, bevat ze wey (serum),
zich afscheidende van ’t kaasachtig gedeelte (caseosa,
pars),
en de zuiker der melk, welke bestaat uit
een zuur van zuiker†), vereenigd met een kalk-
achtige aarde, en met olyachtige en slymige dee-
len; doch men zegt, dat de boterachtige room (cre-
mor),
uit bolletjens bestaat van eene verschillende
[Seite 428] en onbestendige grootte, dewijl men stelt, dat hunne
middellijn tusschen 1/200 en 1/600 van eene lijn speelt*).

§. 561.

De overeenkomst, welke men bespeurt tus-
schen de chijl en ’t bloed, (§. 10. 453.) en die
tusschen deze beide vochten, en de melk zelve
schijnt plaats te hebben, maakt het vry waarschyne-
lijk, dat dit laatste vocht, waar van wy spreeken, ee-
ne soort van chijl zy, uit de masse des bloeds afge-
zonderd, of liever een vocht, het welk voor des-
zelfs volkomen gelijkvormigheid van den voorraad
van ’t bloed, waar by het zo even gekomen was, we-
derom afgescheiden wordt; welk gevoelen behalven
andere bewyzen, ook nog de byzondere eigenaar-
tige hoedaanigheden der genuttigde dingen begunsti-
gen, welke men niet zelden in de melk der voed-
sters duidelijk bespeuren kan; als mede het chijl-
achtig voorkomen van de waterachtige melk, hoe
daanig eene gedurende de zwangerheid, en niet lang
na ’t baaren, uit de borsten druipt.

§. 562.

De oorzaak waarom by eene aanhoudende zoo-
ging, dit streelend voedsel der vrucht in ’t vervolg
van tijd dikker en meer en meer vet worde, schijnt
[Seite 429] wel inzonderheid te moeten toegeschreeven worden
aan de watervaten, waarvan de borsten overvloed
hebben, en die hoe overvloediger en langduuriger
de uitvloeijing der melk is, ook zo veel te meer en
geduuriger de weiachtige deelen opslorpen, en de-
zelve wederom by de masse van ’t bloed te rugbren-
gen, en het geheele werk van deze afzondering
vermeerderen en bevorderen (§. 476.).

§. 563.

Want de grootste afzondering der melk, heeft
plaats in de eerste dagen na het baaren, en zo de
moeder zelve zoogt, wordt die door de werkzaam-
heid van ’t kind verder aangezet, tot dat de ston-
den, welke doorgaans zo lang ophouden (§. 547.)
op nieuw te rug keeren. ’t is echter wel gebeurt,
dat men opgemerkt hebbe, dat somwylen de bor-
sten van ongeschonden maagden, zelf van pas ge-
boren kinderen van beiderleie sexe; ja van mannen*)
[zo wel als van andere zoogende volwassen dieren†)]
melk gegeven hebben.

§. 564.

[Seite 430]

De overvloed van melk bevordert derzelver
ontlasting (excretio), waar door, gelijk men weet,
zy van zelve uitdruipt, ook wordt dezelve verder
volvoerd, zo door de uitwendige drukking van de
borst, als door het zuigen van ’t kind.


XLIV. AFDEELING.
over
de bevruchting en
de zwangerheid
.

[Seite 431]

§. 565.

Wy komen thands tot die dingen, waarom de teel-
deelen van beide de geslachten, waarvan wy tot dus
verre gesproken hebben, gewrocht zijn: te weten
de ontvanging en de voordplanting van ’t mensche-
lijk geslacht, in wier onderzoek wy dus te werk
zullen gaan, dat wy eerst de bloote verschijnselen
zullen verhaalen, die men in dat bewonderingswaar-
dig en recht Goddelijk stuk gadeslaat; daarna zullen
wy de krachten nagaan, waar aan die zelfde ver-
schijnfels zullen schynen te moeten worden toege-
schreeven.

§. 566.

En wel voor eerst verdient aangemerkt te wor-
den, dat aan ’t menschelijk geslacht, niet, gelijk aan
byna alle de andere dieren, [en wel de zoogende,
behalven den mensch, tot een toe] een byzondere
tijd van ’t jaar bestemd zy, waarop zy paaren*),
[Seite 432] maar dat elk jaargety voor het zelve even geschikt
bevonden worde, tot het ontsteken der liefde
vonken.

§. 567.

Wanneer dan eene vrouw eenen man tot haar
zal toegelaaten hebben, en beide verhit geworden
zijn door eene dierlyke drift, waarmede geene an-
dere, het zy in algemeenheid, het zy in hevigheid
gelijk is, wordt, zo wy ons niet grootelijks bedrie-
gen, door de baarmoeder, eenigermaate door eene
ontsteeken drift opgezet*), met haar eigen leven
bezield (§. 538.), het door den man uitgeschoten
zaad, als ’t ware ingezwolgen†); en haar eigen
[Seite 433] zaad integendeel uitgestort (§. 543); de trompet-
ten worden tevens opgericht, en plaatsen haare
zoomen op de nabygelegen eyernesten, uit een van
welke een der blaasjens van de graaff byna als
een rijp geworden ettergezwel zich splijt, en waar-
uit de eywitachtige droppel, welken het bevattede,
van den onderbuiks mond der trompet opgeslorpt,
naar de holte van de baarmoeder zelve wordt heen
gevoerd.

§. 568.

Doch deze druppel gevallen zijnde uit het ey-
ernest, worden de buitenste lippen van het wond-
jen geslooten door een lidteeken, doch het vaatachtig
vliesjen, blyvende, waarin die droppel zat, gaat
over tot een geelachtig lichaam (corpus luteum)*),
het welk van den beginne af, insgelijks hol, en
[Seite 434] naar myne gedagten vervuld is met een stremmend
vocht; doch in vervolg van tijd veranderd wordt in
eene vleesachtige kern, door eene dikke schors, met
aanmerkelyke takjens van bloedvoerende vaten door-
weeven, omringd*).

§. 569.

De baarmoeder nu bezwangerd zijnde, sluit
zich het canaal, dat haaren hals doorboord, inzon-
derheid omtrent den boven of binnen mond (§. 535.)
naauw toe, zo dat, volgends de natuur, voor eene
over bevruchting (superfoetatio), geene plaats ove-
rig zy.

§. 570.

Doch het schijnt, dat de inwendige oppervlak-
te der baarmoeder door eene ontsteekingachtige
korst, als ’t ware van stremmend vocht overtoogen
worde (§. 19.), welke in het vezelachtig vlies van
hunter (membr. caduca s. decidua) verandert†),
[Seite 435] en waarin men twee bladen onderscheidt, waar van
men het een ’t dikkeblad (crassa) noemt, bekleeden-
de de holligheid zelve van de baarmoeder, uitgezon-
derd de monden der trompetten, en de inwendige
mond van den hals*), het ander is dat, ’t welk na-
derhand, na dat het eytjen heeft begonnen gefor-
meerd te worden, en in het vezelachtig vlies wortels
te schieten, boven het overig gedeelte van de op-
pervlakte van ’t ey zich uitstrekt (Pl. IV. fig. 1.
a. – fig. 2. –) en daarom pleegt het voor te ko-
men onder den naam van het vezelachtig omgebogen
vlies (caduca reflexa
)†).

§. 571.

Doch het eytjen (ovulum) zelf wordt eerder ge-
vormd, dan de vrucht, ter welker ontvanging het die-
[Seite 436] nen moet, zo echter, dat naauwlijks voor het einde
der week na de ontvanging, de formeering van dezelve
beginne*): want ik twyfel zeer, of ’er voor dit tijd-
[Seite 437] punt wel ooit eenige blyken zijn bespeurd van eene
geformeerde menschelyke vrucht.

§. 572.

Dit eytjen bestaat behalven dien uitwendigen
toevalligen omslag, welken het gekreegen had, van dat
vezelachtig vlies van hunter (membrana decidua),
uit twee eigenaartige vliezen.

Uit een buitenst vlies, dat naar het schijnt geene
bloed voerende vaten heeft, het buitenste vlies van ’t ey
(chorion
)*) van de laatere Schryvers (Pl. IV. fig. 1.
c. –); en wiens uitwendige oppervlakte van ’t be-
gin af, voor een groot gedeelte met onbeschrijflyke
fraaie knoopachtige vlokjens bezet is, (– fig. 1. b.
– fig.
2. –). Waarom men het ook genoemd
heeft het mosachtig of bladerrijk buitenste vlies (chorion
muscosum s. frondosum).
En door die zelfde vlokjens,
welke de eerste toekomende beginzelen zijn van
den tot de vrucht behoorenden moederkoek (placenta),
[Seite 438] hegt zich het eytjen als met zyne worteltjens in ’t
vezelachtig vlies der baarmoeder (§. 569.).

Het ander vlies en wel het binnenste vlies (amni-
en
) genaamd, (– fig. 1. d. –) insgelijks ont-
bloot van bloedvaten (§. 5.) is wel teder, doch
van eene aanmerkelyke taaiheid.

§. 573.

Deze twee eigenaartige vliezen van ’t eytjen, ver-
schillen in de eerste weeken na ’t begin der vorming
van ’t ey, zeer veel van elkanderen in grootte, zo
dat het buitenste vlies (chorion) eene grootere blaas
vertoone, waar aan het binnenste vlies (amnion),
als een veel kleiner blaasjen, ten minsten op die
plaats van binnen, vastzitte, welke overeenkomt
met het middelpunt van den omtrek van de vlok-
achtige buitenste oppervlakte van ’t buitenste vlies.

De overige tusschenruimte, welke dan nog
plaats heeft tusschen het buitenste en ’t binnenste
vlies, wordt gevuld met een kristalachtig watertjen,
welks oorsprong onzeker, en welks duuring kort is.

Want daar het binnenste vlies schielyker aan-
groeit dan het buitenste, en in de eerste maanden
na de ontvanging reeds aan hetzelve nadert*), moet
noodzakelijk dit kristallynen vecht naar evenredig-
heid verdwynen.

§. 574.

[Seite 439]

Dit binnenste vlies van ’t ey intusschen, is reeds
van ’t begin zyner vorming af (§. 570.) tot aan het
tijdperk toe van het baaren, vervuld met het vocht
van ’t lamsvlies (liquor amnii),
te weten een water-
achtig vocht van eene geelachtige koleur zonder reuk,
doch van eene zachte en een weinig ziltachtigen
smaak, welk vocht men gemeenlijk denkt dat voedend
en te vergelyken is, met het wit van een ey, waarvan
het echter ten hoogsten verschilt, gelijk ons een
naauwkeuriger onderzoek zonder moeite leert.

Deszelfs bronnen zijn nog twyfelachtig, ten min-
sten kunnen zy noch tot de vrucht, noch tot de navel-
streng gebragt worden, dewijl het zich ook in ledige
eytjens (ov. subventaneum) bevindt, welke geen van
die beiden bevatten.

Deszelfs hoeveelheid is omgekeerd naar gelang
der grootte van de vrucht. ’Er is zo veel grooter,
hoeveelheid na maate de vrucht kleiner is, en by om-
keering minder, hoe grooter het kind wordt.

En hier van daan mag men ook gissen naar ’t ge-
bruik van dit vocht, ’t welk naar ’t schijnt meer dient
om het geleiachtig lichaampjen der tedere vrucht,
die in ’t geheele geene uitwendige beleedigingen ver-
draagen kan, te beveiligen, dan tot deszelfs voe-
ding. Want dat het gedeelte van ’t vocht van ’t
lamsvlies, ’t welk men somtijds [doch zo zelden,
dat men zelf daar uit zou kunnen oordeelen, dat
het tegen de orde der natuur ware voorgevallen],
[Seite 440] gezien heeft, dat in de maag der vrucht was inge-
drongen, in geenen deele geschikt zy tot de voeding
van de vrucht, zal gemakkelijk blyken, wanneer
men overweege, hoe werkeloos en ongeschikt tot
de chijl bereiding en bykans onzichtbaar het chijl
voerend vaatgestel zy zelf in eeneryper vrucht: op
dat ik de voorbeelden*) van wezendlijk harssenloo-
ze vruchten, en andere diergelyke bewyzen on-
aangeroerd laate.

§. 575.

De vrucht (embryo) zelve, die aan de navel-
streng, gelijk eene vrucht aan haaren steel han-
gende, in dit vocht zwemt, begint omtrent de der-
de week na de ontvanging gevormd te worden†);
en verschijnt in ’t eerst in eene zeer eenvouwige
en rondachtige gedaante van eene kleine boon, of
van een niertjen, waar aan allengs de beginselen
der ledematen uitbotten, het aangezicht verder vol-
tooid wordt§) enz.

§. 576.

[Seite 441]

Eene vrouw ontvangt en brengt volgends de or-
de der Natuur maar eene vrucht tevens voord. Niet
zelden echter draagt zy tweelingen, wier evenre-
digheid tot het baaren van één kind, volgends de be-
reekening van süssmilch is, als 1 tot 70*). En
dan heeft in geval van tweelingen gewoonelijk elk
zijn byzonder binnenstvlies (amnion), doch beiden
een gemeen buitenvlies (chorion)†).

§. 577.

[Seite 442]

Her middel, waar door de onderlinge gemeen-
schap tusschen het kind en de moeder wordt aange-
kweekt, is de navelstreng, en de moederkoek,
waarin dezelve verspreid wordt.

§. 578.

De navelstreng (funiculus umbilicalis) die zo oud
als de vrucht zelve schijnt te zijn, speelt op vee-
lerleie wyze zo wel in haare lengte, als dikte, ver-
der in de plaats van invoeging in de moederkoek,
in haare knoestachtige ader knoopen enz. In ’t al-
gemeen echter is zy te zaamengedraaid, uit drie
gekronkelde bloedvaten, naamelijk uit de ader,
welke naar de lever van ’t kind loopt, en uit de
twee slagaderen, welke uit de inwendige heupslag-
aders (arteriae iliacae internae sive hypogastricae) ont-
staan, die weldoor celachtige schotten van eene ver-
schillende richting*), van elkanderen onderscheiden
worden; doch van binnen overal door knoestjens, of
de schijnklapvliesen van hoboken†), hier en daar
vernaauwd worden.

[Seite 443] Deze vaten worden te zaamen vereenigd tot ee-
ne streng, door middel van een celachtig weefsel,
’t welk vervuld met een byzonder en zeer helder
vocht, de vertooning maakt van gelei, en uitwen-
dig met eene verlenging van ’t lamsvlies omwon-
den is.

§. 579.

Doch ter plaats waar de vrucht aan de streng
vastzit, daar dringt uit de bodem van derzelver wa-
terblaas (§. 486.) de blaasband (urachus)*), mid-
den tusschen de beide navel slagaderen in de streng:
deze is in een mensch een kleine afstand ten minsten
open, en verdwijnt spoedig geheel, doch in ande-
re zoogendedieren loopt ze tot het pisvlies (allantois)
†), waar van een menschelyke vrucht geheel ver-
stooken is, gelijk elk weet; want het niet alleen raad-
selachtig, maar ook kort duurend navelblaasjen, in
allertederste menschelyke eytjens, zichtbaar tus-
[Seite 444] schen het buitenste en binnenste vlies, komt my
ten minsten niet zo zeer voor over een te komen
met het pisvlies (allantois), dan wel met de schederok
(tunica erythroidea
)*), in de vrucht van een’ hond of
kat enz. en het doyervlies (saccus vitellarius) van een
bebroeid kuiken†): het is waarlijk al te dikwerf
en al te zeker in de menschelyke vruchtbaare ey-
tjens tot aan de derde maand toe, na de ontvan-
ging waargenomen, dan dat men het voor een toe-
vallig ongezond, of gedrochtelijk maaksel zou mo-
gen houden.

§. 580.

De bloedvoerende vaten van de streng, waarvan
wy gesprooken hebben, gaan over tot in den moederkoek
(placenta
)§), wiens oorsprong uit de loofryke op-
pervlakte van het buitenste vlies van ’t ey, welke
gehegt wordt in het dikke vlies van hunter, wy
boven beschreeven hebben. Hier van daan is de
tweeërleie zelfstandigheid, waar uit men weet,
dat de koek te zaamengesteld kenbaar is, de eene
de lijfmoederlyke zelfstandigheid, afteleiden van
het vlies van hunter, en deszelfs sponsachtig
[Seite 445] eigenaartig weefsel uitmaakende, de andere tot de
vrucht behoorende, welke naamelijk uit de navel-
vaten, door het buitenste vlies van ’t ey verspreid,
voordkomt.

Maar in zo verre is hen toenemen van het te-
der eytjen ongelijk verdeelt, dat het gladde gedeel-
te van ’t buitenste vlies meer en schielyker groeit,
dan het mosachtige, en dus is de betrekkelyke
grootte van den moederkoek, tot den omtrek van ’t
ey des te grooter hoe jonger nog de vrucht is, in-
tegendeel des te kleiner, hoe meer de tijd van baa-
ren nadert.

Intusschen tevens wordt by de voordgang der
zwangerheid deszelfs weefsel hoe langer hoe vas-
ter, en in een gedrongen, aan de buitenste kant,
waarmede het na de lijfmoeder gekeerd is, met
vooren en kwabben voorzien, aan de binnenkant,
waar het op de vrucht ziet, bekleed door het gladde
binnenste vlies. Doch in zyne groote dikte, gedaan-
te en legging, of plaats van vereeniging met de lijf-
moeder, verschilt hetzelve op veelerleiwyze. Ech-
ter is de moederkoek doorgaans gehecht aan den bo-
dem der lijfmoeder; in ’t algemeen is zy zo van ge-
voeligheid (sensilitas), (§. 204.) als van de ware
irritabiliteit (§. 305.) gelykelijk verstooken.

§. 581.

Ofschoon nu alle daarin overeenkomen, dat de
moederkoek het voornaamste werktuig zy, waar
door de vrucht haar voedsel ontvangt, heeft men
[Seite 446] evenwel over de rechte wyze van deszelfs werking,
en zyne betrekking zo op de lijfmoeder, als op de
vrucht in de jongstverloopen tyden verschillend
getwist. Dan alles wel overwoogen zijnde, schijnt
de zaak hier op neer te komen, dat ’er wel geene
aan eengeschakelde inmonding tusschen de bloed-
vaten van de lijfmoeder en die van de streng plaats
hebbe*); maar wel dat het slagaderlijk bloed der
moeder, langs eenen onafgebrooken weg uit de baar-
moeder tot dat gedeelte van den moederkoek, het
welk zynen oorsprong verschuldigd is aan het dik-
ke vlies (decidua) van hunter doordringe, van
daar door de uiterste worteltjens der navelvaten,
die in het buitenste mosachtig vlies verspreid
zijn, worde opgeslorpt, en naar de aderlyke stam
van de streng gevoerd: dat het te rug keerend bloed
uit de vrucht door de navelslagaders op gelyke wy-
ze in het eigenaartig weefsel van de moederkoek
uitgestort, door de aderlyke worteltjens van des-
zelfs gedeelte, ’t welk tot den baarmoeder behoort
opgenomen, en aan de baarmoeder weder gegeven
wordt.

Hier mede komen de omzichtigste, doch vruch-
telooze proefnemingen overeen, aangaande het op-
vullen van de navelvaten door de vaten der baar-
moeder, of by omkeering aangaande het opspuiten
[Seite 447] der vaten van de baarmoeder door de navelstreng; als
ook het geen dat omtrent het onderling verschil is
aangeteekend, dat plaats heeft tusschen de pols-
slag van de baarende moeder, en de vrucht nog niet
van haare moeder losgemaakt. Hier mede komt ook
overeen dat geen, het welk wy elders van den ver-
schillenden aart van het bloed der moeder en dat
van de vrucht gezegd hebben (§. 146. vergeleeken
in de noot *) pag. 154.)

Daarenboven is het waarschijnlijk, dat ook een
gedeelte van de moederlyke chijl te gelijk met den
purperen stroom naar de vrucht heen gevoerd wor-
de; want behalven, dat het moederlijk bloed niet
ten allen tyde even goed vermengd is, maar eenige
uuren na den eten de nieuw aangevoerde en nog niet
te ondergebragte chijl met zich rond voert; hebben
wy boven aangetoont, dat ’er ook eene byzondere
betrekking plaats hebbe tusschen de lijfmoeder, de
chijl en de melk (§. 550. 553.); en ’er zijn waarlijk
veelvuldige waarnemingen, waar by gebleeken is,
dat het melkvocht gezeten hebbe in de koek der
baarmoeder*).

§. 582.

[Seite 448]

Doch terwijl by de zwangerheid voordgaande, de
vrucht en de nageboorte zo aanmerkelijk aangroeien,
verstaat het zich van zelve, dat ook de baarmoeder
zelve gewigtige veranderingen moet ondergaan. En
deze betreffen, behalven de grootte, zo wel de ligging
als de gedaante, en inzonderheid derzelver weefsel,
dewijl het zelve door de onafgebrooken en sterke
ophooping van vochten, welke de zwangere lijfmoe-
der ondervindt, zo wel ten opzichte van derzelver
bloedvaten, als ten opzichte van het tusschenbeide
geplaatst eigenaartig weefsel, aanmerkelyke veran-
deringen ondergaat.

En wel voornaamelijk worden de vaten, hoe meer
de lijfmoeder groeit, ook van bogtig en eng, des te
regter*) en meer en meer verwijd, en ook zijn de ade-
ren in eene gevorderde zwangerheid zeer wijd†),
zo dat ze de ontleedkundigen dikwerf misleid heb-
ben, daar ze dezelve vooraderlyke boezems aanzagen.

Doch het eigenaartig weefsel (parenchyma),
wordt al langzaamerhand losser en slapper§), in-
zonderheid naar de kant van het bevatte ey, zo dat
de zwangere lijfmoeder wel dik zy, inzonderheid
in den bodem en in eene levendige en gezonde vrouw
[Seite 449] opgevuld met bloed en sterk van levenskrachten; doch
te gelijk echter week, en in haar voorkomen, byzon-
der in een lijk [waar zy gelijk arantius te recht
allang geleerd heeft, in eene gevorderde zwanger-
heid een plaatachtig weefsel, als ’t ware, nabootst
*)], ten uitersten verschillend van het harde en in
eengedrongen vleesch eener baarmoeder, die niet
bezwangerd is.

Het zy my geoorloofd de overige meer gewig-
tige veranderingen van de bezwangerde lijfmoeder
te gelijk met die geene, welke als de aanmerkelijk-
ste, het ey en de vrucht te beurt vallen, aaneen-
geschaakeltnaar de schikking der tien maanmaanden,
kortelijk te berde te brengen, naar welke men he-
dendaags den afloop der zwangerheid vry gemakke-
lijk gewoon is te bereekenen.

§. 583.

Gelijk wy in ’t algemeen de baarmoeder al aan-
stonds na derzelver bevruchting hebben zien opzwel-
len (§. 567.), zo daalt zy ook van dien tijd af,
grooteren zwaarder geworden, een weinig dieper in
de bovenste deelen der schede, echter behoud zy
tot hiertoe haare oude gedaante geduurende de drie
eerste maanden, uitgezonden dat haar bodem eeon
weinigjen boller worde, en de voorwand van der-
[Seite 450] zelver ligchaam wat verder afwyke van den achter
wand, en dat de holligheid der baarmoeder, die te
vooren zeer naauw was, en byna driehoekig, nu
zich schikke naar den eenigsins bolronden vorm van
’t eytjen.

Maar het eytjen zelf, dat omtrent het ein-
de der eerste maand ter grootte van een duiveney
zich vertoont, en de beide vliezen van hunter
zo wel als het kleine binnenste (amnion) vlies van
’t ruimer buitenvlies (chorion) van elkanderen af-
gescheiden houdt, heeft, wanneer de derde maand
ten einde loopt, byna reeds de grootte van een
ganzeney bereikt; en ’t omgebogen vlies van hun-
ter,
nadert dan het dikke, terwijl het lamsvlies
ten naasten aan ’t buitenste vlies komt, zijnde
het eerste met eene groote hoeveelheid vocht van
zynen naam vervuld, waarin het teder, en naar even-
redigheid van al ’t water zeer klein vruchtjen, [als
’t welk op dien tijd naauwlijks de grootte van een
jong muschjen kan haalen], als nog, schoon reeds
het hooft benedenwaard gericht*), echter in eenen
min standvastige en wisselvallige ligging schijnt te
dobberen.

§. 584.

Doch van de vierde maand af, neemt de baar-
[Seite 451] moeder eene meer eyronde, eenigsins bolronde ge-
daante aan, haaf hals niet alleen meer en meer ver-
weekt, en al langzaamerhand ingekort, maar ook als ’t
ware vernietigd, of liever naar de zyden uitgezet,
wijkt weder naar boven, en begint uit het kleine bek-
ken naar ’t groote opteklimmen. Ook worden de
trompetten (tubae) zelve te gelijk met den bogtigen
bodem der baarmoeder naar boven toe bewoogen,
uitgerekt en verlengd, zy zitten intusschen zo vast
aan de zyden der baarmoeder, dat zy omtrent de
helft van hunne lengte van dezelve afwyken, en
maar ter loops gezien zijnde uit het midden der
baarmoeder schynen voor te komen, het welk tot
de dwaalende meening, aangaande den sterken was-
dom van den bodem der baarmoeder gelegenheid
gegeven heeft.

En tevens van dien tijd af, geraakt de vrucht
tot die grootte, welke meer evenredig is met de
ruimtens van het ey, en dan begint zich de vrucht
te stellen in eenen meer bepaalden en vasteren stand,
welken zy tot aan den tijd van haare geboorte toe
behoudt, het hoofd naamelijk nederwaards gericht,
terwijl het aangezicht naar de lendenen der moeder en
doorgaans een weinig schuinscher naar de linkerzyde
heen gekeerd is.

§. 585.

In ’t midden der zwangerheid, het geen op ’t
einde der vijfde maand voorvalt, is de baarmoeder
tot die grootte uitgezet, dat de bodem van dezelve
[Seite 452] tusschen het schaambeen en den navel in ’t midden
geplaats en de zwangerheid zelve reeds uit het uit-
wendig voerkomen des onderbuiks bespeurd wordt.

Te gelijk ook van dien tijd af, wordt het kind
gewoonelijk door deszelfs lichaamsbeweeging van
de moeder naauwkeuriger gevoeld, ofschoon van dit
tijdstip niets met zekerheid kan bepaald worden. De
vrucht is evenwel nu vlugger en geschikter, zo dat
ze nu, naar de gewoonte van spreeken, kan gezegt
worden te leven.

§. 586.

Geduurende de overige vijf maanmaanden,
neemt de baarmoeder met haare vrucht verder toe
in groeijing, en bereikt omtrent de zesde maand
met naaren bodem byna den navel. Doch van de
achste maand af zich verder uitzettende, nadert zy
het hart kuiltjen zelf. Terwijl haar hals onder-
tusschen meer en meer afslijt, platter en dunner
wordt.

§. 587.

Op de tiende maand eindelijk, begint de baar-
moeder als door haaren last overweldigd, [dewijl
de as van haare lengte dan gewoonlijk opklimt tot
elf duimen, en over ’t kruis tot negen en meer]
wederom te zakken, en derzelvermond wordt, wan-
neer de tijd van het baaren nadert, langzaam ge-
opend, en gaapt met eene rondachtigen opening.

Beide de vliezen van hunter, inzonderheid
[Seite 453] het omgebogen, ’t welk aan ’t buiten vlies van ’t
ey vastzit, zedert verscheiden maanden meer en meer
verdund, vertoont nu eene netvormige gedaante
met korte en witachtige vezels voorzien*).

De grootte van den moederkoek is op dien tijd
zodaanig, dat deszelfs grootste middellijn 9 duimen,
des zelfs dikte maar eene duim zy; terwijl deszelfs
gewigt byna een pond, en meer bedraagt.

De lengte van de navelstreng, is doorgaans 18
duimen en meer.

Het gewigt van een voldraagen en geschikte
vrucht, bedraagt 7 ponden, haare lengte ten naas-
ten by 20 duimen.

Eindelijk is de hoeveelheid van ’t vocht van ’t
lamsvlies zo verschillende, dat daar omtrent niets
kan vastgesteld worden, gewoonelijk evenwel, wan-
neer de vrucht gezond is, kan het naauwlijks een
pond haalen.


XLV. AFDEELING.
over
de vormdrift
.

[Seite 454]

§. 588.

Tot hiertoe eenvouwig verhandeld hebbende de
verschijnselen der ontvanging, en ’t geen zo wel
het menschelijk ey, als de vrucht zelve, die daar
in besloten is in den afloop der zwangerheid beje-
gent, gelijk uit getrouwe waarnemigen blijkt, gaan
wy nu over, om de krachten te onderzoeken, waar
door naar alle waarschynelijkheid dat verbaazend
werk der voordteeling volvoerd wordt.

§. 589.

In onzen tijd hebben zich eenige beroemde
Mannen van dit stuk met weinig woorden zo willen
afmaaken, dat ze beweerden, dat hedendaags in ’t
geheel geene voordteeling meer plaats had, maar dat
het gantsche menschelijk geslacht, te gelijk in een
van beider teeldeelen, in de gedaante van zaaden
te vooren aanwezig zoude geweest zijn, en verze-
kerden, dat die zaaden in vervolg van tijd zich al-
leen maar langzaamerhand ontwikkelden.

Hier in alleen verschillen zy, dat sommigen
dien oorsprong zochten in de vaderlyke zaaddiert-
[Seite 455] jens*), terwijl anderen daarentegen dezelve in het
eyernest van de moeder plaatsten†).

§. 590.

[Seite 456]

Maar alhoewel ik zelf dit laatste gevoelen wel
eer volgde, zo wegens gebrek van een ander, dat
my meer voldoende scheen, als uit hoogachting
voor de begunstigers van het zelve, worde ik nu
gedwongen dat gevoelen te verlaaten, en myne dwaa-
ling te belyden, en te verbeteren, terwijl na een
ernstiger onderzoek omtrent de verschijnselen der
voordteeling de Natuur my overreed heeft, dat
het zich gantsch anders met de zaak toedroeg.

§. 591.

Want ik worde dagelijks meer en meer over-
tuigd, dat ’er in alle werktuigelyke levendige lichaamen,
geene uitgezondert, eene byzondere aandrift zich bevindt
,
die tegelijk met dezelve geboren is, en zo lang zy leven,
geduurig in beweeging en werkzaam is, geschikt om hun
eerst den voor hun bestemden en geschikten vorm te geven
in ’t stuk der
voordteeling, daarna, om de werking van
de
voeding bestendig te bewaaren, en zo die bygeval
mogt verminkt geworden zijn, dezelve zo veel mogelijk,
door middel der
wedervoordbrenging te herstellen,
welke pooging het my geoorloofd zy, om ze niet
met andere soorten van levenskrachten te verwar-
ren, te onderscheiden met den naam van vormdrift
(nisus formativus
)*): met welken naam echter ik
[Seite 457] niet zo zeer de oorzaak heb willen beteekenen*),
als wel een zeker onafgebroken, zich zelf altoos
gelijk blyvend uitwerksel, van achteren, gelijk men
zegt, uit de standvastigheid zelve, en de algemeen-
heid der verschijnselen getrokken; byna op dezelf-
de wyze, waarop wy ons bedienen van den naam
van aantrekking of zwaarte, of om eenig vermogen
aan te duiden, wiens oorzaaken evenwel, in eene dik-
ke duister nis begraaven liggen.

§. 592.

Dies komt het my zeer waarschynelijk voor,
dat die eigenaartige vochten yaa beiderlei sexe (§.
[Seite 458] 518. 524. 542. 543), welke men weet, dat in ee-
ne vruchtbaare vereeniging in de holte der baar-
moeder zich met elkanderen vermengen, eerst ee-
nen bepaalden tijd noodig hebben, om zich inwen-
diger met elkanderen te vereenigen, en om ten on-
dergebragt en rijp te worden. Doch die tijd van
voorbereiding verstreeken zijnde, wordt ’er in die
rijpgewordene en inwendig gekookte vochten, naar
het my toeschijnt, eene vormende pooging geboren,
door wier kracht de tot nog toe ruwe zaadstof, ten
deele gevormd wordt tot fraaie eyerdoppen (§. 571.)
ten deele tot de daar in opgeslotene vrucht (§. 575.)
die tevens haar leven krijgt. Dit dunkt my ook de
reden te zijn, waarom men, niet tegenstaande de ge-
zichtkundige hulpmiddelen [die hedendaags een zul-
ken hoogen trap van volmaaktheid bereikt hebben],
echter in de eerste weeken na de ontvanging geen
het minst bewijs van ’t reeds gevormde kind, be-
halven gedaanteloze vochten in de holte der baar-
moeder begreepen, kan bespeuren, het welk echter
omtrent de derde week plotseling bykans, en dan
wel aanstonds met eene vry aanmerkelyke grootte
te voorschijn komt.

§. 593.

Doch de verder afgelegen spooren van eene
diergelyke vormdrift, bespeuren wy door de gant-
sche Natuur, en ook in de aller eenvouwigste hoofd-
[Seite 459] stoffen der dingen, waar men zelf niet denken durft
aan de voorafgevormde zaaden. Want zelfs nemen
de wolken hunne vaste gedaanten aan*), en de
electrike stroom maakt bestemde figuuren†), wy-
ders doen zich in ’t Rijk der bergstoffen voorbeel-
den op van tot kristal gevormde metaalen, welke,
zo men alleen maar den vorm aanschouwt, en ’t
voorrecht des levens ’er van afneemt, aan sommige
werktuigelyke lichaamen, byna tot verwonderens
toe gelijk zijn; ter bevestiging van welke zaak het ge-
noeg zal zijn de byzondere mosvormige (hypniformis)
krystallen van ’t bergkoper, dat voor de eerstemaal
gegoten is, of die zeer schoone gedaante van ’t na-
tuurlijk zilver van Peru, het welk men naar zyne
gedaante het varen-zilver noemt, aangeroerd te
hebben.

§. 594.

Wyders leveren beide de werktuigelyke Ryken
voorbeelden op van lichaamen, welke by eene vry
zichtbaare grootte, eene aanmerkelyke helderheid,
en eene zo snelle voordplanting voegen, dat men de-
[Seite 460] ze, als met het oog, gelijk men zegt, kan gade-
slaan, en op het duidelijkste overtuigd wordt van
de onbestaanbaarheid, van eenig te vooren gevormd
zaad. Hiertoe zal ’t genoeg zijn uit het Plant-Rijk
de sontein druif (conserva fontinalis)*), en uit het
Rijk der Dieren, de groene waterslang (hydra viri-
dis
)†) aangehaald te hebben.

§. 595.

Ik zou de paalen te buiten treden, indien ik
met een wijdloopiger vertoog de bewyzen wilde aan-
voeren, die uit de Natuur zelve genomen zijn,
door welke het vermogen der vormdrift in ’t stuk
der voordteeling, zo ik het wel hebbe, allerwaar-
schynelijkst gemaakt wordt§). Echter zy het my
vergunt eenige van dezelve, zo kort als mogelijk
is aan te roeren, wier kracht by eene eenigsins ern-
stiger bepeinzing zeer gemakkelijk zul blyken.

§. 596.

Hier toe brenge ik by voorb. uit de beschry-
ving der tweeslachtige dieren (hybrida), de merkwaar-
[Seite 461] dige proefnemingen, volgends welke in de vruchtbaare
tweeslachtige dieren, hunne bevruchting geduu-
rende verscheiden geslachten meer maalen herhaald
zijnde, door middel van ’t mannelijk zaad van de
zelfde soort, die nieuwe gedaante der nakomelin-
gen van de tweeslachtige dieren, allengs zo zeer af-
geweken was van den eersten moederlyken vorm,
dat ze veel meer langs hoe meer overging tot de
vaderlyke gedaante van de andere soort, en dus ein-
delijk de eerst gemelde moederlyke gedaante in de
vaderlyke [door eene willekeurige herschepping],
geheel en al scheen veranderd te zijn*).

§. 597.

Dus dient men uit de geschiedenis der wan-
schepsels
hier toe te brengen, het zeer bekende ver-
schijnsel, volgends het welk men weet, dat de ge-
drochten, [welke naamelijk de voorstanders der stel-
ling van de ontwikkeling beweeren, byna alle reeds
van de eerste schepping in ’t zaad zelf in die ge-
drochtelyke gedaante aanwezig te zijn geweest on-
der eenige soorten van huisdieren, en wel inzonder-
heid onder de varkens] zo meenigvuldig zijn, en
daarentegen onder de wilde dieren derzelver ver-
[Seite 462] schil van de eerste moederlyke gedaante zo zeer
zeldzaam voorvalt.

§. 598.

Daar en boven, dat ook niet alleen die aange-
boren gedrochtelijkheden, maar ook aangekomen
verminkingen (mutilationes) of andere wanstaltigheden
(deformitates
), die, of by geval, of met opzet het
lichaam zijn toegebragt, somtijds erffelijk worden,
zo dat het geen, dat in den beginne een werk der
kunst was, mag gezegd worden, allengskens als ’t
ware over te gaan tot de andere natuur*).

§. 599.

Ook de verschijnsels der wedervoordbrenging
(reproductio
), gelijk die in ’t algemeen veel geschik-
ter tot de vormdrift, dan tot eene voorgaande aan-
wezigheid van zaaden kunnen gebragt worden; zo
schynen voornaamelijk ook sommigen van dezelve,
[by voorb. de nagels, welke na ’t verlies van ’t eer-
[Seite 463] ste lid der vingers, in ’t volgend middelste gelid,
weder aangegroeid zijn*)], in ’t geheel geen an-
dere oplossing toetelaaten.

§. 600.

Maar wy zien ook dat de werktuigelyke deelen
geheel tegen de orde der Natuur aan, by gelegen-
heid van eene toevallige ziekte (morbus fortuitus), en
door de kracht der geneezende natuur geboren wor-
den, waar men waarlijk niet eens eene voorgaande
aanwezigheid van zaaden durft vermoeden; waar-
toe by voorb. te brengen zijn de gemeenelijk zo ge-
noemde wormsbeentjens (ossicula wormiana), welke
by een inwendig waterhoofd (hydrocephalus inter-
nus
) groeijen, om de gaapingen der groote Fontenel-
len te vervullen.

§. 601.

Alles eindelijk van beide kanten wel met elkan-
deren vergeleeken, en in eene gelyke schaal gewoo-
gen zijnde, blijkt het gemakkelijk, dat de verdeedi-
gers zelve van de zaaden van ’t mannelijkzaad, be-
halven ’t verwekkend vermogen (excitans vis), ’t welk
zy aan ’t zelve toeschryven, ook nog groote for-
meerende
krachten (vires formatrices) moeten toeken-
nen, en dat die leere, waar voor zy stryden, in de
[Seite 464] daad echter de hulp van de vormdrift noodig hebbe;
doch dat deze integendeel zonder eenig behulp van
vooraf aanwezig zijnde zaaden, genoegzaam zy om
de verschijnselen der voordteeling te verklaaren.
En het dus niet noodig zy: dat men de wezens bui-
ten noodzaake vermenigvuldige.


XLVI. AFDEELING.
over
het baaren
,
in deszelfs gevolgen.

[Seite 465]

§. 602.

De vrucht, door de krachten, die wy tot dus
verre nagegaan hebben, gevormd zijnde, en reeds
volkomen geworden en voltooid, moet wanneer ze
tot het tijdperk van haare rijpheid gekomen is, door
de baaring (partus)*), in ’t licht gebragt worden.

§. 603.

Dit bedlisdend tijdstip (criticus terminus) valt
in naar de gewoone orde der Natuur [waar omtrent
alleen de gantsche natuurkunde van den mensch ver-
keert], op het einde der tiende maanmaand na de
ontvanging, dat is, omtrent de 39 of 40ste week.

§. 604.

En dan, wanneer de zwangere vrouw dat tijd-
perk bereikt heeft, wordt zy door de volstrekte
[Seite 466] baarensnood gedrongen, welke nog weiniger dan
eenige andere verrichting van ’t menschelijk lichaam
aan de minde willekeurigheid onderhevig is, gelijk
wy elders gezegd hebben (§. 294).

§. 605.

Over de oorzaaken van zulk eene beslissende en
schielyke omwenteling, hebben de Natuurkundi-
gen verschillend getwist. Alles echter wel over-
woogen zijnde, schijnt de opwekkende (excitans) oor-
zaak van ’t baaren te moeten gebragt worden tot
eene eeuwige wet der Natuur, die tot nogtoe even
zo min verklaard kan worden, als alle andere tijd
houdende (periodica phaenomena
) verschijnsels van
diergelijk eenen aart, by voorb. de herschepping
der gekorven diertjens, de afloop der tijdperken
in met uitslag gepaarde koortsen (febres exanthemati-
cae),
de scheidingen der ziektens (crises) enz.

Niet onaardig heeft men het menschelijk rijp-
geworden ey, eenigermaate by eene vrucht uit het
Plantenrijk vergeleeken, welke behoorlijk rijpge-
worden, terwijl de vaaten, die haar tot nogtoe voe-
den, zich te zaamentrekken, eindelijk als ’t ware
van zelve van den boom valt.

En men heeft ook bespeurd, dat de mensche-
lyke moederkock, de tijd van baaren ophanden zijn-
de, een weinig inkrimpt, en als voorbereid wordt
tot deszelfs naderende afscheiding van de baar-
moeder.

Want alles wat men van de grootste uitzetting
[Seite 467] der baarmoeder, en andere diergelyke aanprikke-
lingen tot het baaren gemeenelijk zegt, wordt, om
geene andere bewyzen by te brengen, zelfs door eene
meenigte voorbeelden van ontvangingen buiten de
baarmoeder, in de trompetten, of eyernesten we-
derlegt, door welke het ook blijkt, dat de ledi-
ge baarmoeder, na ’t verloopen van tien maanden
na die tegennatuurlyke ontvanging, door de ge-
woone, doch ydele weeën aangetast wordt*).

§. 606.

Dan ook blijkt het van zelf, uit den toedragt
der ontvanging en der bevattende baarmoeder, dat
’er behalven die verwekkende oorzaak, ook nog zeer
krachtige uitvoerende (caussae efficientes) oorzaaken
toe noodig zijn.

Derzelver naaste (proxima) en voornaamste,
moet mijns bedunkens alleen tot het eigen leven (vita
propria
) der baarmoeder gebragt worden (§. 47.).

Doch onder de verder afgelegene (remotiores),
intusschen schijnt het my toe, dat die poogingen
de voornaamste plaats bekleeden, welke door mid-
del der ademhaaling uitgeoeffend worden, en ver-
der de groote te zaamenstemming der tusschenrib-
[Seite 468] bige zenuw (nervus intercostalis), met het overig
gedeelte van ’t zenuwgestel*).

§. 607.

Dan de verschijnselen der verwekte baaringe,
zijn ook gewoon ten opzichte van den aanval en af-
loop†), mede hunne gezette orde de houden,
weshalven zy van de Vroedkundige in tijdperken
(stadia
) verdeelt zijn, waarvan de nieuwere thans
vier tellen.

§. 608.

Het eerste tijdperk is, waarin de weeën, van
eenen byzonderen aart, en van eene voordgaande
richting uit de lendenen naar de beneden deelen
der baarmoeder, [wel in ’t algemeen de geheele
baaring by tusschenpoozen; maar in onderschei-
den kracht en veelvuldigheid vergezellende], in
’t eerst zachter de baarende aandoen, welke dan
voorspellende (praesagientes) genoemd worden, wan-
neer dan ook de mond der baarmoeder zich aanmer-
kelijk begint te ontsluiten. De buik valt tevens
neer, de pis dringt, en ’er vloeit uit de los opge-
zwollen teeldeelen een overvloed van slijm.

§. 609.

[Seite 469]

Het tweede is, waarin door de aangroeijende
weeën, welke dan voorkomen onder den naam van
voorbereidende (praeparantes), het benedenste ge-
deelte der vliezen van ’t ey, buiten den mond der
baarmoeder in de schede gedreven wordt.

§. 610.

In het derde tijdperk, werken die weeën,
welke weder aanwassen, en dan de baarensweeën
(dolores ad partum
) genoemd worden, wederom
met eene geweldiger kracht op de baarmoeder, en
perssen dezelve naar beneden. Doch de baarmoe-
der dringt op het kind, zo dat nu het blaasach-
tig gedeelte der vliezen, hier door ten sterksten
gespannen, barst.

§. 611.

In het vierde tijdvak eindelijk, schiet onder
de geweldigste schokkende (conquassantes), pynen
door de sterkste pooging van de in baarensnood
zittende vrouw*), die byna altijd van huive-
[Seite 470] ring, gekners, trillinge der knyën enz. vergezeld
gaat, het kind, dat gebooren zal worden, straks
met het hoofd door, en wel met de kruin langs
den schaambeensboog schuivende, terwijl intus-
schen het overig gedeelte van ’t hoofd verder wor-
dende voordgedreeven, en zich om de gevestigde
[Seite 471] kruin, als om zijn as wentelende, het eerst met
het aangezicht te voorschijn komt, en dus wordt
het onder het storten van eenen bloedstroom ge-
boren.

§. 612.

Op het gelukkig uitperssen van het kind,
volgt doorgaans na een kleine tusschenpoozing de
uitdryving der nageboorte (secundinarum partus),
insgelijks verzeld gaande van eene smartelyke,
maar veel zachtere pooging; ook wederom van eene
nieuwe bloedstorting uit dat gedeelte van ’t hol*)
der baarmoeder, waar aan de moederkoek†), door
middel van het vlies van hunter vast zat, ten ge-
volge hebbende.

§. 613.

[Seite 472]

Doch de baarmoeder, wanneer ze zich van
die dubbele en lastige baaring ontslagen heeft,
trekt zich allangzaamerhand in, tot dat zy einde-
lijk weder tot haaren voorigen vorm, ja zelfs by-
na tot haare voorige kleinte gebragt is.

§. 614.

Van dien tijd af aan intusschen, vloeijen ge-
duurende de eerste week van ’t kraamen, de kraam-
zuiveringen (lochia),
in ’t algemeen vry gelijk aan
de maandstonden, doch echter in eene eenigsins
grooter hoeveelheid, inzonderheid indien de moe-
der niet zoogt. Haar bloed koleur wordt op den
zesden dag eenigsins ligter rood, vervolgends ver-
andert zy in wit.

De baarmoeder wordt tevens van de overgeblee-
ven vlokken van ’t vlies van hunter gezuiverd, en
dus haare verrichting omtrent de zwangerheid vol-
voerd hebbende, rust zy ondertusschen van haar
werk, tot op de vernieuwe maandstonden, of be-
vruchtiging.


XLVII. AFDEELING.
over
het verschil
*) tusschen een
geboren en een ongeboren
mensch
.

[Seite 473]

§. 615.

Uit het geen wy aangaande de levenswyze van
eene vrucht nog in de kerker der baarmoeder op-
gesloten, en in ’t warme bad gedompeld liggen-
de, gezegt hebben, kan men gemakkelijk bevroe-
den, dat ’er een groot onderscheid plaats moet
hebben tusschen de verrichtingen van haar dier-
lyke huishouding, als men ze vergelijkt met die
[Seite 474] zelfde, wanneer ze in een geboren kind, dat zijn
eigen meester is volvoerd worden. De voornaa-
me hoofdzaaken van dat onderscheid moet ik hier
stuk voor stuk behandelen.

§. 616.

En, op dat ik van de omloopende beweeging des
bloeds*) een begin maake, ’er is een geheel ande-
re weg voor dit purpervocht gebaand, in eene
vrucht, die door middel van de navelstreng, een
rondloopende gemeenschap met den moederkoek
aankweekt, en nog geen lucht geademt heeft,
dan die, welke na de geboorte, wanneer de gemeen-
schap met de moeder opgehouden, en eenmaal lucht
ingeademd is, door ’t bloed wordt bewandeld.

§. 617.

En wel voor eerst, loopt de navel ader uit
den moederkoek gekomen, den zogenoemden na-
[Seite 475] velring van ’t kind doordringende, naar deszelfs le-
ver toe, en stort haar bloed in den boezem der
poortader; van waar het zich ten deelen door de
takken zelve van deze aanmerkelyke ader door de
lever verspreid, ten deelen door de aderbuis
(ductus venosus) van arantius*), rechtstreeks
overgevoerd wordt naar de onderste of opklimmen-
de holle ader.

Beide de kanaalen, het einde naamelijk van de
navelader der vrucht in den onderbuik besloten,
en deze aderlyke buis worden na ’t affnyden der
bloedvoerende streng gesloten, en de eerste wordt
in den langen ronden leverband (ligamentum teres)
veranderd.

§. 618.

Het bloed nu uit de benedenste holleader het
rechter gedeelte van ’t hart naderende, is vervol-
gends voor hetzelve de long weg in eene vrucht
voor het grootste gedeelte nog geslooten, en ’t
moet ondertusschen eenen anderen weg kiezen,
waar langs het door middel van het klapvlies van
eustachius, en het cyrondegat afgevoerd wordt
naar het linker of achterste oor van ’t hart.

§. 619.

[Seite 476]

Want voor den mond van deze onderste holle
ader, welke uit den onderbuik opklimt, wordt in de
vrucht een aanmerkelijk klapvliesjen*) van eene
halvemaans vormige gedaante gespannen, het welk
van zynen vinder†) eustachius, den naam
ontleend heeft, en doorgaans by het toenemen
van den ouderdomallengs vernietigd wordt; in eene
vrucht schijnt het, dat t’ aangevoerde onderbuiks
bloed naar de opening, waarvan wy straks spreeken
zullen, en welke in het middelschot der poren
van ’t hart als gesneeden is, heenvoert§).

§. 620.

Het is naamelijk, dat zo genoemde eyron-
de gat (foramen ovale
)**), waar door de zeer
groote hoeveelheid van aankomend bloed uit
de benedenste holle ader, by elke ontslui-
ting der ooren naar ’t linker oor heen gebragt
[Seite 477] wordt*), terwijl deszelfs terugkeering belet wordt
door het zeisvormige voorhet gat gespannen klap-
vliesjen, het welk, wanneer ’er eene te zaamen-
trekking der ooren volgt, den weg schijnt toe
te sluiten. Door middel van dat zelfde klap-
vliesjen, wordt doorgaans in de eerste jaaren der
kindsheid bykans in eene bepaalde evenredigheid
die opening gesloten, en groeit zo te zaamen,
waarmede het klapvliesjen van eustachius, ’t
welk daar mede in verband staat, allengs verslen-
sende, langzaamerhand afneemt en meer of min
als vernietigd wordt†).

§. 621.

Dan het bloed, het welk tevens het regter-
oor invloeit, en wel voornaamelijk uit de bovenste
[Seite 478] holleader nederloopt, kan maar voor een zeer klein
gedeelte door de nog werkelooze longen der vrucht
ontvangen worden, doch wordt met behulp van
de slagaderlyke buis (ductus arteriosus)*), uit den
stam van de longslagader, wier voornaamste tak
zy is, zonder de longen aan te doen, regt door
naar den boog der groote slagader (aorta) zelven
overgevoerd; welke buis intusschen doorgaans in
de eerste weeken na de geboorte in een nieuwlings
geboren kind toegestopt, en veranderd wordt in een
soort van dikken band.

§. 622.

Doch het bloed door de stam van de groote
slagader heengedreeven, voor ’t grootst gedeelte
naar de moeder wederom toe moetende vloeijen,
loopt in de navel slagaderen (arter. umbilicales)
(§. 578.), welke aan beide de zyden van den
blaasband uit den navelring voordkomen, en na de
geboorte in digte koorden overgaan†).

§. 623.

Gelijk de longen in eene vrucht naauwlijks iets te
doen hebben, zo is haar toestand ook zeer zigtbaar
onderscheiden van dien, welken zy in een kind heb-
ben, nadat het heeft begonnen adem te haalen.

[Seite 479] Haare groote is na evenredigheid veel kleiner,
de koleur bruiner, de zelfstandigheid digter, en
hierom is haare eigenlyke zwaarte grooter, zo dat
zy nog varsch en ongeschonden in een groote hoe-
veelheid van water gedompeld zinken, daar ze in
tegendeel, zo het kind levendig geboren is, na
dat ze lucht geschept hebben alles voor ’t overi-
ge gelijk zijnde, boven op ’t water dryven*).
Doch de rechter long schijnt dat voorrecht te
hebben, dat zy by de eerste inademing een wei-
nig eerder dan de linker, door de invallende lucht
schijnt uitgezet te worden†). Het overige, de be-
ginselen dezer nieuwe verrichting betreffende,
hebben wy boven aangevoerd, toen wy met op-
zet over de ademhaaling handelden.

§. 624.

[Seite 480]

Uit het geene wy elders gezegd hebben over
de voeding van het kind (§. 574. 584.) kan men
van zelf gemakkelijk opmaaken, dat deszelfs voed-
selbuis, en het chijlmaakend gestel tot hiertoe wer-
keloos, anders gesteld zy in de vrucht, dan in een
geboren mensch. Dus zijn by voorb. in een on-
geboren kind van weinig maanden de dikke dar-
men (intestina crassa
) in haar voorkomen de dunne
gelijk, maar in de laatste helft der zwangerheid,
door den afgang van ’t kind dikgeworden, verdie-
nen zy in de daad, als dan den naam, die hen van
de dunnen gemeenlijk pleegt te onderscheiden.

§. 625.

De drekstof (meconium) zelf, is een stoffe van
eene bruingroene koleur, welke zonder twyfel uit
de natuurlyke vochten zelve van ’t kind, inzon-
derheid uit de gal ontstaat, het welk eensdeels
de tijd, waarop men ’t eerst dat uitwerpsel be-
speurt, het geen met de eerste afscheiding van de
gal in eene vrucht overeenkomt, ten anderen ook
de byzondere waarneming schijnt te leeren, waar-
by het gebleeken is, dat in wanschepsels, die gee-
ne lever hadden, inplaats van dien afgang alleen
maar een weinig ongekoleurde slijm in de ingewan-
den zat.

§. 626.

[Seite 481]

Ook verschilt de blindedarm (coecum) veel van
zyne toekomende gedaante, en volgt regelrecht
op het wormvormig aanhangsel*).

§. 627.

Andere diergelyke verschillendheden, hebben
wy hier en daar reeds aangeroerd, en gaan die
hier ter plaatse stilzwygend voorby.

De blaasband (urachus) by voorb. (§. 579.)

En het vlies der oogleden (membrana pupillaris)
(§. 259.).

En in eene mannelyke vrucht het afdaalen der
ballen (testium descensus
) (§. 501. enz.)

Van sommigen zullen wy in de volgende af-
deeling geschikter spreeken; de overigen, als van
minder belang, slaan wy met opzet over.

§. 628.

Het schijnt hier de geschikste plaats te zijn,
om nog met weinig woorden gewag te maaken van ee-
nige raadselachtige deelen, om dat zy in eene vrucht
naar evenredigheid grooter zijn, en inzonderheid
dienstbaar schynen te wezen in derzelver dierlyke-
huishouding, al hoewel het rechtgebruik van die dee-
len [niet tegenstaande zo veele en zo groote onder-
zoekingen van de ontleedkundige omtrent dezelve]
tot nogtoe voor ons verborgen is. In ’t gemeen wor-
[Seite 482] den zy met den naam van klieren bestempeld; hoe-
wel hun eigenaartig weefsel van dat van eene klier
verschild, en men tot nogtoe in dezelve geen blijk
vaa eenige uitvoerende buis heeft kunnen bespeu-
ren, wy bedoelen de schildvormige klier (thyreoi-
dea),
de borstklier (thymus), ea de bynieren (re-
nes succenturiati).

§. 629.

De schildvormige klier (thyreoidea glandula), is
geplaatst voor het kraakbeen van dien naam omtrent
den gorgel, heeft twee kwabben, en is byna maan-
vormig*), in eene vrucht opgezwollen van water-
achtig vocht, zy wordt met het toenemen der jaa-
ren langzaamerhand drooger.

§. 630.

De borstklier (thymus) is witachtig en zeet te-
der vleesch, insgelijks uit twee kwabben bestaan-
de, somtijds in twee deelen gescheiden; ook wel
eens voorzien met eene aanmerkelyke holligheid†),
geplaatst ooder ’t oppergedeelte van ’t middelste des
borstbeens, gewoonelijk aan beide de zyden tot de
keel zelve opklimmende§), in eene vrucht naar
[Seite 483] evenredigheid zeer groot, en met melkachtig vocht
voorzien, met het vermeerderen der jaaren allengs
uitteerende, verdwijnt zy niet zelden by het nade-
ren van den ouderdom geheel en al*).

§. 631.

De bynieren (renes succenturiati) eindelijk, [ook
wel de boven nierklieren of zwartgallige doos-
jens genoemd], liggen onder het middelrif op den
bovensten zoom der nieren†) in volwassen lichaa-
men zijn ze kleiner, en staan dus ook doorgaans een
weinig meer van de nieren af; zy zijn vervuld van
een bruin vocht, het welk in eene vrucht meerrood-
achtig is.


XLVIII. AFDEELING.
over
het toenemen; stilstaan
en
afnemen van den mensch.

[Seite 484]

§. 632.

’Er is nu niets meer overig, dan dat wy den mensch,
wiens dierlyke huishouding wy volgends de rangen
van haare verrichtingen, stuk voor stuk tot hier-
toe hebben gadegeslagen, nu nog in ’t algemeen in
’t volbrengen van zynen levensloop beschouwen,
en hem van zynen oorsprong af door de voornaam-
ste tijdperken van ’t leven kortelijk vergezellen.

§. 633.

De eerste beginselen dan van de vorming (forma-
tionis initia
) der vrucht, schynen omtrent de der-
de week na de bevruchting plaats te hebben (§. 575.):
aan welke men, hebbende als dan maar alleen het
allergeringste leven (§. 57.), byna gelijk aan dat
der planten, omtrent de vierde week het echte
bloed begint te bemerken (§. 13.): als mede de bewee-
ging
van ’t hartjen (§. 89.) welke zeldzaame by ge-
legenheden nu en dan met het oog in de zeer tedere
[Seite 485] menschelyke vrucht gezien kan worden*), en die
aristoteles reeds voor lang in een kieken, dat
uitgebroeid wordt, gezien heeft†), waar van daan
het van zijn tijd af zelf in ’t gemeen bekend is ge-
worden onder den naam van ’t springend stip (punctum
saliens).

§. 634.

Maar van de zevende of achtste week af neemt,
zo ik my niet bedriege, de menschelyke beenwording
(osteogenia
) haaren aanvang§), en ’t beensap be-
[Seite 486] gint wel het eerst van allen zyne kernen te vormen
in de sleutelbeenderen, ribben, wervelbeenderen,
de cylindervormige groote beenderen der leden,
in ’t onderste kaakbeen, en in eenige andere been-
deren van ’t aangezicht. Ook vormt het dan de
zeer tedere netjens in eenige platte beenderen
van ’t bekkeneel, naamelijk in ’t voorhoofds, en
in ’t achterhoofdsbeen; doch het begint daarmede
een weinig laater in de beenderen der kruin enz.

Doch in ’t algemeen is de groeijing van een
ongeboren kind, ja zelfs in ’t algemeen van den
mensch, zo wel geboren, als nog ongeboren, des te
schielyker, hoe nader hy nog by zynen oorsprong
is, en dus is het ook by omkeering.

§. 635.

[Seite 487]

Omtrent het midden der zwangerheid kan de
vrucht in zulk eenen zin, als wy boven verklaard
hebben (§. 585.) met recht gezegd worden te le-
ven (vere vitalis
); dan beginnen ook de afscheidin-
gen van eenige vochten, als van ’t vet (adeps) (§.
38.) en de gal (bilis).

§. 636.

Wyders begint in een ryper vrucht een zacht
hoofdhaair allengs uit te schieten, en de nagels ne-
men eenen aanvang, ook begint het oogappelvlies te
verdwynen (§. 259,), en in ’t mannetjen daalen
de zaadballen neder. (§. 505. enz.).

§. 637.

Maar nadat omtrent het einde van de tiende
maanmaand het kind geboren is (§. 603.) vallen
aan het zelve, behalven de bovengemelde en bree-
der behandelde veranderingen van ’t grootste aanbe-
lang, ook nog ten opzichte van den uitwendigen toe-
stand van ’t lichaam,
verscheiden anderen ten deel,
zo verdwijnt by voorb. allengs het vlashaair,
waarmede het aangezicht van ’t jonggeboren, kind
bezet is; de rimpels gaan weg, de aars verbergt
zich dan ook tusschen de billen, welke nu allengs-
kens gevormd worden, en wat dies meer is.

§. 638.

[Seite 488]

Het kind leert ook al langzaamerhand het ge-
bruik der zielsvermogens*), naamelijk dat van be-
grypen, opletten, zich de zaaken te herinneren,
te begeeren enz., waar van daan ook in de eerste
maanden na deszelfs geboorte het droomen ont-
staat, enz.

§. 639.

Ook worden de werktuigen van de uitwendige
zinnen
meer en meer gevormd, en voltooid, als
by voorb. het buitenste gedeelte van ’t oor, en
de binnen neusgaten, insgelijks de deksels der oo-
gen, te weeten, de boven oogsboog en de wenk-
braauwen enz.

§. 640.

Wyders groeijen de beenderen van ’t bekke-
neel vaster aan een, de fontenellen (fonticuli) groei-
jen allengs toe, en met de agtste maand begint de
uitbotting der tanden (dentitio).

§. 641.

En dan is het kind ook geschikt voor het spee-
[Seite 489] nen, dewijl aan ’t zelve de tanden gegeven zijn,
om vastere spyze te ondertebrengen, en niet om
de tepels der moeder te beschadigen.

§. 642.

Op het einde van ’t eerste jaar leert het ook
staan op zyne beentjens, en maakt zich eenen rech-
ten stand
eigen, het grootste voorrecht van ’t men-
schelijk lichaam in ’t algemeen beschouwd.

§. 643.

Het kind dus van de borst zyner moeder ge-
speend, en ’t gebruik der voeten magtig gewor-
den, groeit dagelijks aan, en wordt zijn eigen
meester, inzonderheid als het tweede grootste
voorrecht van ’t menschelijk geslacht ’er allengs
bykomt, te weeten, het gebruik van de spraak, wan-
neer de ziel de zich gemeenzaam geworden denk-
beelden, aan de tong, om dezelve uittedrukken,
begint aan te beveelen (§. 154.).

§. 644.

Na het zevende jaar des ouderdoms, terwijl
die twintig melktandjens allengs uitvallen, komen
dooreene tweede tandwording (dentitio secunda), in ’t
vervolg van jaaren de 32 tanden te voorschijn, die
altoos blyven.

§. 645.

Ook overtreft het geheugen, in dien kindschen
[Seite 490] leeftijd, deoverige vermogens derziele, en die leef-
tijd is het allergeschiktste om de kenmerken der din-
gen te ontvangen, en te onthouden; terwijl naderhand
van ’t vijftiende jaar bynaaf, voornaamelijk de vonk-
jens der verbeelding gewoonlijk bemerkt worden.

§. 646.

En die levendige verbeeldingskracht valt het
allergeschiktst in de jaaren der huwbaarheid voor,
in welke de mensch door verscheiden en aanmer-
kelyke lichaams veranderingen, allengs voorbe-
reid wordt tot de aanstaande verrichting zyner
sexe*).

§. 647.

Want na dat een jongmeisjen de borsten begin-
nen uittezetten, de jongeling den vlaschbaard krijgt,
en diergelyke andere verschijnselen der aannaderende
huwbaarheid in beide de sexen plaats hebben; begint
het meisjen den maandelijkschen tol te betaalen (§.
545.): doch by den jongeling waare zaadstof zich af-
teschelden (§. 518.), waarmede een grooter aanwas
van den haard†), en eene aanmerkelyke verandering
van stem, zwaarder wordt, gepaard gaat.

[Seite 491] Tegelijk wordt dan ook door de eigen inwen-
dige stem der Natuur, als ’t ware de drift der kunne
(instinctus sexualis
) (§. 288.), ’t eerst opgewekt en
de mensch, in den bloei zijns levens geplaatst, tot
het genieten der liefde geschikt gemaakt.

§. 648.

Men kan wel geenen bepaalden tijd der huwbaarheid
vaststellen, want die is verscheiden naar ’t verschil
van ’t luchtgestel en de natuurgesteldheden*); in
[Seite 492] ’t algemeen echter, krijgt de vrouwelyke kunne
haare huwbaarheid vroeger dan de mannelyke,
zo dat men in ons luchtgestel zeggen moge, dat
de meisjens reeds omtrent het vijftiende jaar haare
huwbaarheid krygen, daar integendeel de jonge-
lingen dezelve niet eer erlangen, dan om en by
hun twintigste jaar.

§. 649.

Niet lang daarna, stelt de Natuur het perk
aan de gestalte (statura), en de groei van een
mensch, die mede, uitgenomen eenige byzondere
menschen of huisgezinnen, welke daar omtrent
verschillen; naar ’t verschil van ’t luchtgestel, op
veelerhande wyzen onderscheiden is*).

§. 650.

En dan beginnen ook de aangroeisels (epiphy-
ses
) der beenderen, tot nogtoe onderscheiden van
[Seite 493] derzelver lichaamen (diaphysis), ten naauwsten met
dezelve vereenigd te worden, en als ’t waare te zaa-
men te vloeijen.

§. 651.

Aan den mannelyken ouderdom, welke het groot-
ste en voortreffelijkste tijdvak van ’t menschlijk
leven uitmaakt, is ten opzichte van de lichaa-
melyke verrichtingen, het leven, ’t welk men
het grootste noemt (§. 57.), naamelijk de hoogste
kracht
en bestendigheid van hetzelve; doch ten op-
zichte van de vermogens der ziel het uitnemend
voorrecht van een ryper oordeel, eigen.

§. 652.

De voorboden van den naderenden ouderdom
(senium),
zijn in de vrouwen het ophouden der
maandstonden (§. 547.), in de mannen hunne traag-
heid tot den wellust, doch in beiden de overval-
lende zogenaamde droogheid des ouderdoms*)
en den allengs bemerkbaare afneming der levens-
kracht.

§. 653.

De verkleumde ouderdom eindelijk, heeft tot
medegezellen, eene toenemende stompheid zo van
[Seite 494] de uitwendige als inwendige zinnen, de noodzaa-
kelijkheid van langer te slaapen, en de loomheid
van alle de verrichtingen der dierlyke huishou-
ding, geene uitgezonderd. De haairen worden
grijs, en vallen ten deelen uit. Ook vallen de tan-
den allangzaamerhand uit. De hals kan het hoofd,
en de beenen kunnen het lichaam niet langer naar
den eisch overeinde houden. Ja de beenderen zel-
ve, die de stutten zijn van ’t geheele lichaam*),
teeren als ’t ware uit.

§. 654.

En zo zijn wy eindelijk gekomen aan ’t laat-
ste perk der Natuurkunde van den mensch, aan
den dood zonder ziekte†), of het sterven uit ouder-
dom (εὐδανασια senilis), welke de eerste en laat-
ste grenspaal is van de geheele Geneeskunde, wel-
ker oorzaaken uit het geen tot hiertoe gezegd is,
gemakkelijk van zelf kunnen opgemaakt worden§).

§. 655.

[Seite 495]

De teekens van dezelve in een stervend mensch
waar te nemen*), komen uit op koude der uiter-
ste deelen, het verlies van de helderheid der oo-
gen, eenen geringen en traagen pols, die dikwils
tusschenpoozend is, eindelijk op eene ademhaa-
ling, die nu en dan vernomen wordt, welke ten
luatsten eindigt met eene sterkere uitademing.

Maar by ’t ontleden van andere levendige
zoogende dieren, kan men tevens de worsteling
van ’t hart waarnemen, waaruit het blijkt, dat de
rechter holligheid, en ’t rechter oor eenigen tijd
de linker deelen overleven, en ’t laatst sterven. (§. 111.).

§. 656.

Doch de verstyving gepaard met koude, de
doodslucht, doch vooral het verslapte hoornvlies
[Seite 496] van ’t oog, en de gaapende aars, geeven te ken-
nen, dat het lichaam dood is. Indien alle deze
teekens zich by elkanderen in een lijk bevinden, kan
men bezwaarlijk plaats geeven aan de klagte van
plinius, dat men ten opzichte van een mensch
naauwlijks de dood gelooven moete*).

§. 657.

De natuurlyke grenspaal van ’t leven, [die
men naamelijk voor de gewoone, en als ’t ware
regelmaatige eindpaal van den hoogen ouderdom
mag houden†)], kan men naauwlijks bepaalen.
’t is echter aanmerkingswaardig, het geen ik uit
eene naauwkeurige vergelyking van zeer veele sterf-
lijsten geleerd heb, dat naar evenredigheid een
vry groot aantal Europeaanen, het vier en tagtig-
ste jaar bereiken; en integendeel weinigen het zel-
ve overleven.

§. 658.

[Seite 497]

Doch in ’t algemeen, ofschoon men behalven aan
veele andere oorzaaken aan de zwakheid der tedere
jeugd, verder ook aan de onmaatigheid van verschei-
dene volwassen menschen, aan hevige ziektens, en
noodlottige gebeurtenissen moet toeschryven, dat uit
duizend menschen, niet meer dan 78, de dood, waar
van wy spreeken, kunnen gezegd worden te sterven,
zal het echter, wanneer wy in aanmerking ne-
men de lengte van het menschlijk leven*), en dat
vergelyken met dat der overige zoogendedieren,
voor zo verre ons hun levensperk bekend is, lig-
telijk blyken, dat, onder alle de spoorbijstere klag-
ten over de elende van ’t menschelijk leven, geene
onrechtmaatiger is, dan die, welke men over des-
zelfs kortheid gewoon js te doen.


Appendix A BYVOEGSELS
en
AANMERKINGEN
van
JOSEPH EYEREL.

[Seite 498]

Appendix A.1 By §. 193.

Naauwkeuriger waarnemingen aangaande de even-
redigheid, met welke de menschelyke herssenen tot
de zenuwen staan, hebben wy aan den Heer sömme-
ring
te danken, die ons dezelve in de Hoog-
duitsche overzetting van monro’s werk, over de
te zaamenstelling en verrichtingen van ’t zenuw-
gestel medegedeeld heeft.

Eene met naauwkeurigheid, en oplettenheid
by alle zich aanbiedende gelegenheden, gedaane
vergelyking van de herssenen van alle soorten van
dieren, heeft my eindelijk tot deze algemeene,
en zeer gewigtige en van my ’t eerst ontdekte
[Seite 499] grondstelling gebragt: dat de mensch, schoon de
grootste herssenen, de kleinste zenuwen heeft, of
dat men met opzicht van vergelyking der hersse-
nen tot hunne zenuwen, zeggen kan: de mensch
heeft de grootste herssenen.

Ik zal my duidelyker verklaaren: men was an-
dersins wel van oordeel, ja men stelde ’t ook wel
eens als zeker, dat de mensch de grootste hers-
senen heeft. Maar wat bewijs had men hier voor?
men woog de herssenen en ’t lichaam eens men-
schen, en zo ook die der gemeenste huisdieren;
tot dus verre konde dit bewijs taamelijk steek hou-
den. Doch ontleedkundigen, die een weinig ver-
der gingen, en dezen stelregel door meer soorten
van Dieren naauwkeuriger wilden bepaalen, von-
den zich in de grootste verlegenheid, toen zy be-
vonden, dat b. v. de vogels in evenredigheid des
gewigts hunner herssenen, vergeleeken met het
gewigt van hunne lichaamen, verre weg den
mensch overtroffen; ook schynen de Dolphynen,
Zeehonden en nog veel meer, de kleine viervoe-
tige dieren, als Muizen, Inkhoorens enz. voor
hun klein lichaam (zeker niet voor hunnen kop
en zinnen) verbaazende groote herssenen te heb-
ben.

Het is ten uitersten onzeker, het gewigt van
’t gantsche lichaam, na eenige afmatting, of ziek-
te, door vet of mager worden zo zeer veranderd,
met de herssenen, wier gewigt altoos in alle om-
standigheden ’t zelfde blijft, en geene verande-
[Seite 500] ringen ondergaan, b. v. niet vet worden, te ver-
gelyken; beter en zekerer is ’t de herssenen met
hunne eigen zenuwen te vergelyken.

Ik voor my geloof niet, dat de zenuwen tot
de herssenen als afleidende wegen voor een af-
scheidings werktuig behooren, maar veel meer
komt ’t my voor, dat eene zeer geringe hoeveel-
heid van ’t herssengestel in eene behoorlyke ver-
binding (in zo verre ’t alleen tot ’t dierlijk leven
noodzaakelijk is) staat.

By gevolg moet dat schepsel, dat, behalven
dit alleenlijk tot ’t dierlijk leven noodzaaklijk ge-
deelte der herssenen, nog de grootste overvloed
’er van heeft, waarschynelijk, ’t voortreffelijkste
werktuiglyke gestel tot ’t Geestvermogen bezit-
ten.

Hier vertoont zich de mensch verre weg, als
’t eerste schepsel! Alle Aapen moeten in dit op-
zicht voor hem zwichten; want schoon hun hers-
sengestel, byzonderlijk in de kleine soorten met
gekrulde staarten, in gewigt (vergeleeken met ’t
gewigt van hun lichaam) het menschelijk byna o-
vertreft, zo moet ’er met opzicht van hunnen
kop, van hunne zeer groote oogen, en de werk-
tuigen van ’t gehoor, hunne starke tong, en geen
kleine neusgaten, en hun sterk gebit, een veel
grooter deel van hunne herssenen, dan by een
mensch, tot verband van dit alles afgereekend
worden, en neemt men dan dit gedeelte ’er af-
zo schiet ’er weinig voor hunne herssenen over.

[Seite 501] Ja zelf onder de overige dieren heeft ook
een verschil naar maate van hunne loosheid, of
leerzaamheid, van meer of min (op dat ik my zo
eens uitdrukke) overvloed van herssenen plaats.

Het grootste herssengestel van een paard, dat
ik bezitte, weegt 1. Pond, 14 Lood, ’t kleinste
van een volwassen mensch daarentegen, 2. Pond,
11. Lood; maar ’t herssengestel van ’t paard heeft
op zyne grondvlakte ten minsten meer dan tien-
maal dikker zenuwen, en evenwel, is ’t een ge-
heel pond in gewigt ligter.

Doch om hier uit nu te besluiten, dat de
mensch daarom de meeste zenuwen heeft, dat is
geensins myne meening. Een oogappel vereischt
by voorbeeld 600. zenuwvezelen tot zyne toerus-
ting; een ander, half zo groot, 100. Men veron-
derstelt nu, dat dat dier, wiens oogappel 600,
zenuwvezelen heeft, daarby een herssengestel van
7. drachmen bezit, dat met 300. een herssenge-
stel van 5. drachmen; zo zal men dat dier, ’t
welk, dat maar 5. drachmen aan herssenen heeft,
doch eene voortreffelyker bekwaamheid bezit, om
door ’t gezicht bekomen gewaarwordingen en in-
drukken te bewaaren, by gevolg in de daad een
veel grooter herssengestel kunnen toekennen. Want
reeken ik op ieder honderd zenuwvezelen een
drachme herssenen, zo blyven ’er volstrekt voor
de kleiner herssenen dan nog 2. drachmen overig
daar de grootste ’er maar 1. behouden.

Appendix A.2 By §. 207.

[Seite 502]

scarpa (anat. annot. L. I. de nervorum gangliis)
verdeelt de zenuwknoopen in eenvouwige (ganglia
simplicia, v. spinalia
) en in te zaamengestelde (com-
posita s. non spinalia).
De eerste zijn aan de wor-
telen van de zenuwen der ruggegraat langs de
gantsche ruggegraat geplaatst, en deze bestaan
alleenlijk uit eene enkele zenuw. Daarentegen
zijn de te zaamengestelde zenuwknoopen door de
overige deelen des lichaams verspreid, en worden
uit veele en onderscheiden zich te zaamverbinden-
de zenuwvezelen geformeerd. – Onder de al-
gemeene bekleedselen dezer zenuwknoopen bevindt
zich eene weeke, zachte, geelachtige zelfstandig-
heid, welke van de Natuuronderzoekeren ander-
sins met de zelfstandigheid der herssenen verge-
leeken wordt, maar die volgends de navorschin-
gen van scarpa een waar, tusschen de zenuwve-
zelen gelegen, celachtig weefsel is, ’t welk in
vette lichaamen een dik olyachtig sap, maar in
magere eene dunne graauwe zelfstandigheid bevat;
by waterzuchtigen was dit celachtig weefsel der
zenuwknoopen met een diergelijk weiachtig vocht
vervuld, als in ’t geheele celachtig weefsel van ’t
gantsche lichaam zich had uitgestort. – De ze-
nuwbundelen en zenuwvezelen zijn in de boven ge-
noemde eenvouwige en te zaamengestelde zenuw-
knoopen na eene byzondere orde verdeeld; want
in de eenvouwige loopen ze alle te gelijk door ’t
middenpunt van dezelve, ten deele nogthands wy-
[Seite 503] ken zy ook wel eens van dezen weg af, en loopen
zylings, en van deze richting der zenuwvezelen
hangt ook de gedaante dezer tweeërleie soorten
van zenuwknoopen af.

Appendix A.3 By §. 362.

Onder die ontdekkingen, waar mede in deze
laatere tyden de Natuurkunde (Physiologia) ver-
rijkt geworden is, behoort zonder tegenspraak die
naauwkeuriger kennis van ’t maagsap, ’t welk ze-
kerlijk door de Proeven van den beroemden spal-
lanzani
(a), in een helder licht geplaatst is.

De braaking verwekkende kracht van inge-
slokte Dampkrings lucht, heeft gosse door proef-
nemingen op zijn eigen lichaam bevestigd(b), waar
van ons senebier ’t volgende verhaalt: gosse
had in zyne kindsheid zich ’t vermogen weeten te
verkrygen om lucht in te slikken: op eenen zekeren
tijd, dat hy zich niet wel bevond, en een zuur
uit de maag oprispte, kreeg hy den inval om lucht
in te slikken, deze ingezwolgen lucht veroorzaakte
hem braakingen, waar door hy beter wierd. In ’t
vervolg bediende hy zich altoos, wanneer hy ee-
[Seite 504] ne kwaade maag had, van dit middel; lucht was
voor hem een zeker braakmiddel, dat by hem
werkte zonder eenig nadeel, of zonder hem te
verzwakken, en dat hem aanleiding gaf om zyne
maag door ’t inzwelgen van water zo zuiver uit te
wasschen, als of zy met handen was gereinigd, en
uitgewasschen.

Om de lucht in te zwelgen, hield hy den adem
in, en drukte met de tonge de lucht tegen ’t ver-
hemelte, vervolgends deet hy even eens als of hy
iets wilde doorzwelgen, en noodzaakte dus deze
lucht door middel van de werking des slorkdarms,
naar zyne maag te gaan. De op eenmaal ingezwol-
gen lucht wordt door de plaats, die zy in den
mond beslaat, en door ’t geluid, dat zy by ’t in-
slikken hooren laat, aanmerklijk. Ik zal hier nog
eenige levensregelen by voegen, die senebier
in zyne Practikaale Aanmerkingen medegedeeld
heeft(c).

Het nut van ’t kaauwen. De oplossing der spy-
zen geschiedt niet zo zeer door het speeksel, dat
zich geduurende het knauwen der spyzen onder
dezelve vermengt, als wel door de verdeeling, die
ze door de tanden ondergaan. De reden hier van
is gemakkelijk te bevroeden. In zo eenenstaat zijn
zy veel meer vatbaar, om door ’t maagsap aange-
daan te worden, dewijl het zelve veel meer pun-
[Seite 505] ten van aanraaking in de zelve vindt, en kan dus
zyne oplossings kracht met meer geweld, op de
zelve uitoeffenen. Ondertusschen is ’t nogthands
niet onmogelijk, dat het voedsel, door deze be-
werking geweekt zijnde, daar door ligter opgelost
kan worden; ja ik ben ook zelf niet afkeerig, om
te gelooven, dat eene meenigte van speeksel be-
vorderlijk zijn kan, om de toebereiding van ’t
maagsap te voleinden.

Men moet de maag warm houden. ’Er heeft met op-
zicht tot de bezwaaring der maage eene opmer-
king en regel plaats, waar op men niet genoeg acht-
geeft, en die door de aanmerkingen in dit Boek
vervat, van veel gewigt zijn kan; de noodzaake-
lijkheid naamelijk der warmte, om aan de maag-
sappen hunne volkomen werkzaamheid te geven.
Want zo dra als deze door de gemaatigste warmte
der lucht, daar wy in leven, uitgezet zijn, zo schie-
lijk is ook hunne werking zwak en langzaam ge-
worden. Hier uit kan men dus opmaaken, dat’er
de zulke, welke met eene moeijelyke spijsvertee-
ring gekweld zijn, ten hoogsten aangelegen legt,
te waaken tegen de verkouding der maage, en
deze moeten vooral die plaats zorgvuldig warm
houden. – Hier door en op geene andere wyze
kan men de maagsappen hunne volkomen werking,
waar voor zy vatbaar zijn, doen verrichten. Men
kan ten dien einde gemakkelijk door een warme
lap, die men op de maag legt, of ook door een
een zwaanedons, of kattevel dit te weegbrengen. –
[Seite 506] Voords wordt ook nog allen twyfel aangaande de
nuttigheid dezer aanmerking weggenomen, door
de reeds dikwils gedaane waarneming, dat de koude
de spijsverteering verhinderd, en dat men het voed-
sel beter in ’t bedde dan buiten ’t zelve kan ver-
teeren. Hier uit volgt nu, dat menschen met ee-
ne moeijelyke spijsverteering geplaagt, schielyker
en beter de spyzen verteeren zullen, als zy zich
voor koude wachten, en veellicht ook nog de
warmte, hun natuurlijk eigen, een weinig vermeer-
deren.

Men moet doorgaans niet veel drinken. Deze op-
merking geeft niet alleen eene verwantschap te
kennen, die ’er tusschen den invloed van ’t maag-
sap op het voedsel, en de kracht van werking der
oplossende middelen op de lichaamen die opgelost
moeten worden, plaats heeft: maar ’er komt ook
nog eene groote menigte andere omstandigheden
by, die geen’ twyfel overlaaten, of ’t maagsap is
een oplossings middel dier dingen, welke ons tot
voedsel strekken. Hier uit volgt dus, dat, daar
de oplossings middelen hunne kracht verliezen,
wanneer hunne natuurelyke kracht verslapt wordt,
’t altoos gevaarlijk zijn moet, te veel te drinken:
dewijl door eene al te groote verdunning van ’t
maagsap, ook noodzaakelijk zyne kracht verminderd
moet worden. Wel is waar, dat het maagsap door
eenen langzaamen toevloed weder vernieuwd wordt,
en dat het gebruikte vocht zich weder ontlast,
maar het ontlast zich nogthands zo niet of ’er gaat
[Seite 507] eene gedeelte van ’t maagsap mede, dat zich met
’t vocht vermengd had, en dat tot de spijsvertee-
ring noodig zoude zijn. Het is bekend genoeg,
dat waterachtige spyzen, b. v. boomvruchten,
wanneer men die in grooten overvloed gebruikt,
byna niet, of ten minsten zeer moeijelijk te ver-
teeren zijn. Insgelijks weet men ook, dat dunne
vloeibaare spyzen, als ze mede in eene groote
hoeveelheid gebruikt worden, niet gemakkelijk te
verteeren zijn, en dat zy dikwils eenen sterken buik-
loop veroorzaaken. Dit komt alleenlijk daar van
daan, dat het te zeer verdund en verzwakt maag-
sap geene kracht meer heeft om het voedsel be-
hoorlijk op te lossen, en genoegzaam in voedings-
sap te doen overgaan.

Men behoorde zodaanig voedsel te vermyden, waar
door ’t maagsap verslapt zoude kunnen worden.
Een
oplossings middel behoudt maar zo lang zyne ei-
genschappen, als ’t niet door bymenging van een
ander veranderd wordt, dat instaat is, om ’t van
zyne eigenschappen te berooven. Het zoude ge-
wisselijk het geval zijnmet ’t maagsap, zo men ee-
ne groote hoeveelheid zulk voedsel wilde gebrui-
ken, dat instaat was ’t zelve te veranderen, Daar
’t b. v. beweezen is, dat dit sap noch zuur, noch
loogzoutig, maar van eenen gantsch byzonderen
middelzoutigen aart zy; is het bygevolg zeer na-
deeligs en ’t zoude den invloed van dit sap op’t
voedsel aanmerkelijk verzwakken, wanneer men of
een al te sterk gebruik van zuure of loogzoutige
[Seite 508] voedsels maaken, of in eenen enkelen maaltijd te veel
van zo laanige spyzen nuttigen wilde, die of van den
eenen of van den anderen aart te veel in zich be-
vatecden. – Want in deze gevallen, zoude men
veellicht de natuur van dit sap, te gelijk in zyne
afzondering, veranderen; daar’er integendeel in een
ander geval, alleen de eigenschap van ’t in de maag
voordgebragte en zich daar in bevindende sap veran-
derd zoude worden. ’Er zijn overvloed van voor-
beelden, waar door deze stelling bevestigd wordt.
Het maagsap van eene Kraai wordt zuur, als men
deze vogel eenigen tijd met voedsel uit ’t Planten-
rijk voedert; daar en tegen wordt ’t loogzoutig,
indien men ’t voedsel uit ’t Dieren-rijk neemt.
Hier uit mag men dan besluiten, dat de eigen-
schap van ons maagsap van onze willekeur afhangt.
Is nu ons maagsap volkomen goed, wanneer het
de natuur eens middelzouts heeft, ’t zy noch te
zuur, ’t zy noch te loogzoutig, zo is ’t duidlijk
genoeg, dat wy ons van zulke voedsels moeten
bedienen, die juist geschikt zijn, om het in dien
staat te onderhouden. Het is dus by gevolg van
’t uiterst aanbelang, zelf in gewoonelyke gevallen,
eene al te langduurig gebruik van zuure of loog-
zoutige voedsels te vermyden, en ’er zijn veele
voorbeelden, dat door ’t misbruik van de eene of
andere soort van spyzen, ’er zo een kwaad in de
maag gebragt is, dat ’t byna onherstelbaar was.
Dit doet my besluiten dat de menschelyke natuur
werkelijk zo geschikt is, dat hy zich te gelyker
[Seite 509] tijd met voedsel uit ’t Planten-en Dieren-rijk
voeden moet.

Wat nu den eigenlyken invloed der zuuren en
loogzoutige dingen op de maag aangaat, tentyde der
spijsverteering, daar omtrent leert ons spallan-
zani
zeifons veelte waaren. Hy verhaalt naame-
lijk, dat hy, wanneer hy op eenmaal te veel aard-
bezien gebruikt had, ondervond, dat zijn maag-
sap te zuur daar door geworden was. Hier by
moet men altoos ook dit wel in ’t ooghouden, dat
’t maagsap nimmer te zuur wordt, zonder ook te-
vens eene moeijelyke spijsverteering te veroorzaa-
ken. Men behoeft hier aan nooit te twyfelen,
als men maar oplet, dat ’er nimmer een zuur of
vuilsmaakend oprispen zal ontstaan, daar niet te-
vens eene moeijelyke en ongemakkelyke spijsver-
teering mede gepaard is: en onze Natuurkundige
merkt ook zelf aan, dat hy altoos eene slechte
spijsverteering ondervonden heeft, zo dikwijls hy
bemerkt had, dat hy van zyne spyzen ’t zuur had.

Uit deze gelegde gronden dan, zou ik mogen
besluiten, dat ’t gebruik van geestryke dranken,
zo dikwijls zulks overdaadig geschiedt, de spijs-
verteering in wanorde brengen moet, dewijl zy’t
maagsap verandering doen ondergaan: voor eerst,
om dat ’t vochten zijn, die het zelve te zeer ver-
dunnen, en ten tweeden, om dat zy aan ’t zelve
eene ontvlambaare eigenschap mededeelen, die het
niet van natuure heeft; ten derden, dewijl zy
zelve als eene oplossings middel voor ’t maagsap
[Seite 510] kunnen dienen. Ik zoude den wijn dus eer voor
schadelijk dan nuttig houden, indien die niet on-
der alle de versterkende middelen, die men gebrui-
ken kan, nog ’t minschadelijkste was.

In ’t algemeen moest men dezen regel in acht-
nemen: daar de spijsverteering zonder voorgaan-
de gisting geschiedt, moesten zich die lieden,
welke zwakke maagen hebben, byzonderlijk wach-
ten, voor alles wat gisting veroorzaaken kan.
Daar een moeijelyke spijsverteering plaats heeft,
is ook eene ontwikkeling van lucht, die een bewijs
van gisting is, die de verrottingweerende kracht
van ’t maagsap gewoonlijk te gemoet zoude ko-
men. – Deze ontwikkelde lucht is schielijk zuur,
en dit is die vaste lucht, welke door de gisting
ontstaat; deze vliegt gemeenlijk door ’t oprispen
uit de maag door den mond weg, of wordt door
de bevochtigde deelen des lichaams opgeslorpt. De
andere soorten van lucht, die by de spijsvertee-
ring ontstaat is vuil, en is zonder twyfel de uitwer-
king van eene goede geregelde spijsverteering;
zy is ontvlambaar, en ontlast zich uitnemend door
den aarsdarm, wordende voornaamelijk in ’t ge-
darmte voordgebragt. Men moet derhalven hier
ook op den wil der natuur letten, en zich van
haaren raad bedienen. Men ziet duidelijk, dat het
haar oogmerk is, alle soorten van gisting te voor-
komen, dewijl zy zich van een zo byzonder op-
lossingsmiddel, dat noch zuur, noch loogzoutig,
maar ten hoorden verderfweerend is, bedient.

[Seite 511] Hier van daan komt ’t ook, dat de voedsels, die
schoon in de maag besloten, toe eenen taamelijk
sterken graad verhit, en bevochtigd, en ook welge-
wisselijk aan de werking der lucht onderworpen
zijn, door de werking van ’t maagsap alleenlijk
worden opgelost zonder ooit, ja zelf ’t minste
kenteeken eener gisting van zich te geeven.

Appendix A.4 By 391. §.

Schoon zedert boerhaave veele bekwaame
Scheykundigen de bestanddeelen van de Gal op ’t
naauwkeurigste hebben nagevorscht, zo zijn even-
wel de gedachten der Natuurkundigen (Physiologi)
aangaande de natuur der Gal nog zeer verschillen-
de. Dus heeft richter in eene Verhandeling
aan de Universiteit te Erlang verdeedigd de mee-
ning van goldwitz, die aan de Gal, gelijk be-
kend is, een loogzoutig bestaandeel toekende,
door eigen gedaane proefnemingen geheel weder-
legt. Hy herhaalde eerst de door goldwitz me-
degedeelde proeven, en de daar uit afgeleiden
stellingen:

1.) goldwitz bediende zich, om ’t aanwezen
van een loogzout door ’t opbruisschen te ont-
dekken, dat door bymenging van een zuur
onstaat, van allersterkst Vitrioolzuur; maar ’t
Vitrioolzuur bruischt ook met ’t zuiverste
water op, en ook met alle waterachtige voch-
ten, daar men zelf niet ’t minste spoor van
eenig loogzout in ontdekken kan. Hy heeft
[Seite 512] dus ter ontdekking van een loogzoutig bestaan-
deel een zeer onzeker middel gebruikt; eens-
deels om dat in dit geval geene opbruissching
zekerheid geeft van ’t niet aanwezen van een
loogzoutig bestaandeel, andersdeels, om dat
dit ook geen zeker kenmerk zijn kan van een
loogzoutig bestaandeel, dewijl Vitrioolzuur met
met alle waterachtige vochten een opbruisschen
verwekt.

2.) Te besluiten, dat ’er geen loogzout aanwezig
is, om dat ’er geen opbruisschen plaats heeft,
is ook eene dwaaling; dewijl het een dierlijk
vocht is, en uit een aanmerkelijk gedeelte
brandstof bestaat. Hier door kan ’t gemakke-
lijk geschieden, gelijk Doctor ramm reeds
aangemerkt heeft; dat ’t brandstoffelyke veel
grooter verwantschap heeft met het loogzout,
dan de bygevoegde zuuren, en in dit geval
kan ’er geen opbruisschen plaats hebben. Dus
ontstaat ’er ook, wanneer men in water daar
gemeene zeep in is opgelost geene opbruis-
sching, maar alleenlijk eene running. Zal
men daarom hier uit besluiten, dat in de zeep
geen loogzout gevonden wordt?

3.) De grootste Scheikundigen komen daarin over-
een, dat ’t loogzout als dan maar met zuuren
opbruischt, wanneer het met eene genoegzaa-
me hoeveelheid vaste lucht bezwangerd is, en
dat die lucht te gemakkelyker ontwikkeld
worde, hoe meerder zy met andere bestaan-
[Seite 513] deelen verbonden is. ’Er kan dus in een lichaam
een loogzout aanwezig zijn, schoon ’er met
zuuren geen opbruisschen ontstaat.

4.) Het allersterkste vitrioolzuur verbrandt de mees-
te lichaamen, verbreekt tevens hunne te zaa-
menmenging, zo dat men dus ook van deze zyde
geen besluit kan opmaaken voor een niet of al
aanwezig loogzout. Geheel anders werken de
verdunde zuuren.

5.) Zelf kunnen de gevolgen, die goldwitz,
uit zyne eigen proefnemingen trekt, juist niet
altoos steekhouden. Hy liet b. v. in de VII.
en VIII. proef vuile, en door by gedaan vi-
trioolzuur te zaamengeronnen Ossegal, na dat
hy ’er het dikke af had genomen, uitdampen;
daar nu dit vocht aan zyne oppervlakte altijd
eenen zuuren smaak hadde, zo besloot hy daar
uit, daar ’er geen loogzout in de gal gevon-
den wierd, dewijl anders het zuur zich met
’t loogzout zoude hebben vereenigd. Veel
naauwkeuriger kan dit verschijnsel van een on-
volkomen verzaadiging afgeleid worden; naa-
melijk van eene al te groote hoeveelheid van
vitrioolzuur, waar door ’t aanschieten van kry-
stallen verhinderd wordt. Want anders zoude
goldwitz, zo wel uit dit mengsel de kry-
stallen van ’t zout van Glauber bekomen, als
cadet en röderer ’er die uitgekreegen
hebben.

6.) De door ’t vuur gedaane Proeven met Gal,
[Seite 514] hielt goldwitz voor onnuttig. Maar waar-
om zoude toch deze man alleenlijk niet instaat
zijn geweest om de bestaandeelen van de Gal
door ’t vuur te ontdekken? Andere Scheikun-
digen hebben die wel in ’t werkgesteld, en
daadlijk door dezelve ’t aanwezen van loog-
zout bevonden. Want ’t is een afgedaane zaak,
dat cadet (Memoir. de l’Acad. des sc. Paris 1767.
p. 73.) uit de Gal door ’t vuur een mijnstof-
felijk loogzout bekomen heeft, ’t welk geen
een Scheikundige voor een voordbrengsel van
’t vuur zal houden; ten minsten hadden die
Proeven verdient hier ook aangetoond te wor-
den. Had goldwitz zyne Proeven in ’t vuur
ook in ’t werk gesteld, zo zoude hy in dit ge-
val eenen gelyken uitslag ’er van gehad, en ’t
loogzoutig bestaandeel der Gal niet ontkend
hebben, of, zo de Proef anders was uitge-
vallen, zoude hy ten minsten aangetoond heb-
ben, dat hy door de werking des vuurs, dat
loogzout niet verkrygen konde, ’t welk cadet
en röderer gekreegen hadden.

7.) Maar geloofde goldwitz, dat hy ’t loog-
zoutig bestaandeel van de Gal met grond moest
tegenspreeken, dan had hy billijk ook de Proe-
ven van andere Scheikundige, van eenen ca-
det
en röderer, die langs den natten weg
’t loogzoutig bestaandeel van de Gal ontdek-
ten, vooraf behooren te wederleggen.

[Seite 515] Zie hier nu den uitslag der Proefnemingen van
richter.

1.) Alle zuuren deeden, indien zy met behoorly-
ke voorzichtigheid aangewend wierden, de Gal
daadelijk runnen, en bragten, naar de onder-
scheiden zuuren, ook onderscheiden soorten
van middelzouten voord. Zo verkreeg hy dus
door middel van vitrioolzuur ’t zout van Glau-
ber
, door salpeterzuur de teerlingsvormige salpe-
ter (nitrum cubicum),
door ’t zoutzuur ’t keu-
kenzout.
Hier uit blijkt, dat de Gal een waar
mijnstorffelijkloogzout bevat, ’t geen met ’t een
of ander zuur verbonden, een onderscheiden
middelzout uitmaakt, dat ook door de Proef-
nemingen van cadet en röderer beves-
tigd wordt. Zo wel de Osse als Varkensgal,
komen daarin overeen, dat zy beide een mijn-
stoffelijk loogzout in zich hebben; want door
byvoeging van vitrioolzuur verkreeg hy zo
wel uit Osse als Varkensgal ’t zout van Glauber.

2.) Zo wel by de overhaaling (destillatio) der Var-
kens-als Ossegal, gaat ’er voor eerst een wa-
terachtig vocht over, dan eindelijk volgt ’er
een na pis gelykend vocht. Een astreksel van
sernambucqhout wierd hier door purperrood,
de opgeheven kwik (merc. subl. corros.) wierd met
een wit nederplofsel ter neergeploft, en de
syroop van vioolen kreeg’er eene schoone groe-
ne koleur door. Een bewijs, dat het daar zijn
van een vlugtig loogzout volkomen zeker stelt.

[Seite 516]

3.) Ook toont ’t ammoniakzout (sal ammon.), dat de
Schryver door vermenging van zoutzuur met
het zo genoemde pisachtig vocht verkreeg, dui-
delijk ’t aanwezen van een vlugtig loogzout.

4.) Het na de overhaaling te rugblyvend overschot,
gebrand, en uitgeloogd, gaf het zuiverste mijn-
stoffelijk loogzout, ’t welk met Vitriool-Sal-
peter
-en Phosphorzuur zeer zigtbaar opbruisch-
te en verscheiden middenzouten gaf. Daar
voords dit zout in de openlucht niet vervliegt,
maar witter wordt, zo blijkt ’t daar uit, dat
dit geen plantaartig, maar een mijnstoffelijk
zout is.

5.) Voords dat de Gal in haaren natuurlyken staat
ook zoutzuur in zich bevat, is door gedaane
Proefnemingen genoeg bewezen. Want door
wijngeest wordt ’er een zuiver keukenzout in
ontwikkeld, ’t welk in ’t vuur knapte en eene
zilver oplossing nederplofte, ja zelf doet ook
’t vitrioolzuur door de overhaaling ’t zoutzuur
in den ontvanger overgaan; dit zuur verwde
de vioolensyroop groen, en plofte eene oplos-
sing van hoornzilver met een wit nedergeplof-
sel ter neder. Naar alle waarschynelijkheid is ’t
mijnstoffelijk loogzout
in de Gal in eenen natuur-
lyken staat met ’t zoutzuur verbonden, by ge-
volg is ’er daadelijk een keukenzout aanwezig;
’t welk ook nog door de vierkantige krystal-
len, die men door ’t vergrootglas in de Gal
ontdekt, nader bevestigd wordt.

[Seite 517]

6.) Dat ’er ook brandstof in de Gal gevonden
wordt, toont zo wel haare ontvlambaarheid,
als ’t door overhaaling verkreegen Salpeter-
zuur, aan; voords wordt ’t ook nog beweezen
door de oly, die deels op ’t pisachtig vocht
drijft, deels aan de zyden van den kromhals
zich vasthegt. Waar door tevens ook de grond
gelegd wordt, ten bewyze van de eigenaar-
aartige zeepachtige natuur der Gal.

7.) Geen ’t minste teeken van yzer kan men in de Gal
ontdekken, ’t zy door den zeilsteen, ’t zy door
’t opheffen (sublimatio) met vlugtig loogzout.

8.) Dat de in de Gal zich bevindende aarde van
eenen kalkachtigen aart zy, blijkt daar uit,
dewijl men door byvoeging van Vitrioolzuur
eene zuivere Gyps verkreeg.

9.) De menigte der waterachtige bestaandeelen,
blijkt deels uit de natuurlyke vloeibaarheid
der Gal, deels uit de groote hoeveelheid
van waterachtig vocht, dat by de overhaaling
overkomt.

10.) Door ’t vergrootglas ontdekt men in de Gal
vierkantige zoutkrystallen, die de grootste ge-
lijkheid met t’ keukenzout bezitten.

Appendix A.5 By §. 490.

Eene der voortreffelijkste Verhandelingen over
de Bestaandeelen van de Pis, is de door de Genees-
kundige Faculteit te Göttingen bekroonde Prijs-
verhandeling van hendr. fred. link (Commen-
[Seite 518] tatio de Analysi Urinae et origine calculi. Göttingae

1789.) Uit deze zal ik hier de voornaamste zaa-
ken uittrekken.

De Autheur heeft op de Pis eerst door Rea-
gentia
Proeven genomen. Langs dezen weg toont
hy aan:

1.) Dat in de Pis een onvermengd zuur, doch geen
loogzout aanwezig is.

2.) Dat zich in de Pis eene kalkaarde bevindt.

Als men de Pis in de openlucht staan laat,
zal men een dubbel bezinksel ontdekken; een
wit, geleyaartig bezinksel, dat zich reeds in ’t
begin nederzet, en een bruin, klompachtig, dat
eerst, als de Pis tot verrotting overgaat, neer-
zinkt.

Deze opgenoemde veranderingen worden ook
door ’t vuur, doch schielyker voordgebragt.

Behalven ’t zuur, en de kalkaarde, is ’er ook
nog een olyachtig bestaandeel en vastelucht aan-
wezig.

Het eerste geleyaartige bezinksel, hielt de Au-
theur voor een strembaar water (lympha); ’t vult
gewoonlijk de tusschenruimte der steenen van de
blaas op, en ’t wordt gemeenelijk voor slijm gehou-
den.

De Schryver trekt uit zyne gedaane Proeven,
deze algemeene stellingen:

1.) De Pis is een geheel eigenaartig zoutachtig
vocht, of veel liever eene oplossing van eene
zwavellever. Maar dit is van zo eenen by zonde-
[Seite 519] ren aart, dat ’t water noch door de lucht,
noch door ’t vuur door uitdamping ’er zich laat
afscheiden; daar ondertusschen ’t zont door by-
komst van de Dampkringslucht zodaanig ge-
heel vernield wordt, dat ’t zich niet weer door
’t bygieten van water laat herstellen.

2.) Het Phosphorzuur, of ten minste deszelfs
grondslag, schijnt ’t voornaamste bestaandeel
van de Pis uit te maaken. Door de bykomst
der oly en ’t vlugtig loogzout ontstaan ’er een
van den Phosphorus eenigsins afwykend zuur,
naamelijk een Phophorisch zuur, ’t welk, ge-
lijk de wijnsteenroom (cremor tartari) met een
plantaartig loogzout verzaadig eenen oplosbaa-
ren wijnsteen geeft, en ook met vlugtig loog-
zout zich vereenigd.

3.) De oly, het vlugtig Loogzout en de ontvlam-
baare lucht schynen eenen gemeenschappely-
ken grondslag te hebben; doch de verbinding
van onderscheiden zuuren met eenen en den-
zelfden grondslag, brengt drie onderscheiden
lichaamen voord. Het is daar door zeer waar-
schynelijk, dat deze grondslag niet alleen in
de Pis, maar ook in de overige vochten van
’t menschelijk lichaam aanwezig, en met Phos-
phorisch zuur verbonden is.

4.) Dit Phosphorisch zuur maakt met eene zekere
hoeveelheid kalkaarde verbonden het boven-
genoemde eerste bezinksel, of het strembaar
water (lympha) uit. Menigmaal is ’t Pho-
[Seite 520] sphorzuur zo zuiver, dat het dit bezinksel
opgelost houdt, en in dit geval vertoonen zich
de teekenen van een ontbonden zuur.

5.) Het keukenzout en het mijnstoffelijk loog-
zout zijn in de Pis maar by toeval aanwezig.
Dat het loogzout in de Pis onvermengd ge-
vonden wordt, blijkt uit deszelfs aanzijn in
de gal, en in het speeksel. Uit eene ver-
binding van ’t Phosphorzuur met dit loogzout
ontstaat ’t Parelzout.

6.) Dus is de natuurlyke gesteldheid der Pis, zo
lang zy in ’t levend lichaam nog geene veran-
dering heeft ondergaan. Doch zo dra komt
de invloed van de lucht en de warmte ’er niet
by, of om duidelyker te spreeken, zo dra de
medewerking van ’t leven ophoudt, wordt ’t
vlugtig loogzout van ’t olyachtige deel ont-
bonden. Dit vlugtig loogzout maakt, wan-
neer ’t met eene genoegzaame hoeveelheid Pho-
sphorzuur verzaadigd is, het smeltbaar zout
(sal fusibile), en verdrijft ’t eerste bezinksel
(het strembaar water), ’t welk in het over-
vloedig Phosphorzuur opgelost gehouden
wierd. Door eenen sterken graad van vuur
wordt het loogzout, de oly en de ontvlam-
baare lucht uitgedreeven; het Phosphorzuur,
dat nog iets van deze deelen te rug hielt,
gaat wegens gebrek aan waterig vocht naar
den bodem, bedekt het eerste nederzinksel,
en maakt op deze wyze het tweede.

[Seite 521] Voords heeft de Autheur de dagelijksche ver-
anderingen van de Pis aan zijn eigen lichaam waar-
genomen, zy bestaan in deze volgende.

De warmte van de Pis was altoos gewisselijk
de zelfde, zo wel in de zomer, als in den winter
en zo wel terstond na ’t middageeten, als eenen lan-
gen tijd daarna; zy bedroeg gewoonlijk 27° naar
de schaal van reaumur.

De Pis, die terstond na ’t eeten geloosd wordt,
is geelachtig; doch ook dikwils zonder koleur, en
zeker geheel waterig. Het eerste bezinksel ver-
toont zich binnen 4-5 uuren, na dat ze geloosd
is. Dan wanneer men veele pisdryvende mid-
delen gebruikt heeft, als water, wijn, en voor-
naamelijk bier, is de Pis waterig, en ’t bezinksel
komt eerst binnen eenen dag, of ook wel eerst na
2-3 dagen te voorschijn. Vijf of zes uuren na
’t eeten, wordt de Pis geeler, en ’t bezinksel ver-
toont zich reeds binnen 2-3 uuren, en zo gaat
’t voord, tot dat men eindelijk, als men met door
op nieuw weder te eeten de afscheiding stoort,
eene troebele Pis loost, die terstond een bezinksel
geest. Na een sober avondmaal volgt dit eerst
den volgenden morgen.

Deze waarnemingen kan men ’t best op de
volgende wyze doen: als by eene maatige levens-
wyze; rust van ’t lichaam, en maatige beweeging;
zes uuren te slaapen; en spyze uit plantgewas-
sen, en vleesch bestaande te nuttigen. By deze
levenswyze zal men den volgenden dag om 6 nur
[Seite 522] eene donkere Pis loozen, die na een half uur be-
zinksel geeft; en om twaalf uuren, zal de Pis
troebeler zijn.

Eene geele troebele Pis zal na ’t eeten, by-
zonderlijk zo men appelen gebruikt heeft, ter-
stond waterig zijn.

Ofschoon de koleur, de reuk, en ’t bezinksel
zo veele veranderingen ondergaat, zo bestaat toch
’t geheel onderscheid alleenlijk in de meerder of
minder hoeveelheid van bestaandeelen.

In ’t algemeen zal alles wat kramptrekking ver-
oorzaakt, de Pis waterig maaken, en het Phosphor-
zuur in grooter hoeveelheid ontbinden. –


Appendix B UITLEGGING
DER
PLAATEN
.

[Seite 523]

Appendix B.1 PLAAT I.

Vertoont het hart van een kind, van zynen
achterkant; met zynen bodem iets opgeligt, de
luchtpijp weggenomen zijnde, op dat de overige
deelep zo veel te duidelyker in ’t oog zouden val-
len.

Zie bladz. 57. 66. 69. 70.

a. De bovenste holle ader.

b. De onderste holle ader.

c. De voorste of rechter boezem.

d. Het aan dien boezem vastgehegt oor.

e. De hartsholte van die zelfde zyde.

f. De tronk van de longslagader.

g. Deszelfs linker takken, en

h. Deszelfs rechter takken.

i. Het viertal longaders.

k. De achterste of linker boezem.

[Seite 524]

l. Het hier aangehegt oor.

m. De harts holte van die zelfde zyde.

n. De bogt van de groote slagader.

o. De algemeene tronk, overgaande in

p. De rechter ondersleutelbeens slagader, en

q. De kropslagader van die zyde.

r. De linker kropslagader.

s. De ondersleutelbeens slagader van die zyde.

t. De algemeene longslagader (want dus was zy in
dit lijk), en de tusschenribbige slagaders uit de
groote slagader komende.

u. De ader zonder wederga.

w. De linker kroonader van ’t hart.

x. De rechter kroonader.


Appendix B.2 PLAAT II.

figuur 1.

Het rechter oog van een volwassen mensch,
iets vergroot, de bovenste helft van het hoorn en
harde vlies is weggenomen, en den rand van den
regenboog afgesneeden van den hairkring, en een
weinig opgeligt; zo dat beide de kamers van ’t oog
konnen gezien worden.

Zie bladz. 209. en volg.

[Seite 525]

a. Het hardevlies.

b. Het hoornvlies.

c. Het vaatachtig vlies.

d. De hairkring.

e. De regenboog.

f. De haairband.

g. Het beursjen, ’t welk ’t krystalvocht bevat.

h. De gezichtszenuw met de middelpuntige slag-
ader.

figuur 2.

De voorste snede van ’t oog van eene vrucht van
8 maanden, insgelijks vergroot.

Zie bladz. 211. en volg.

a. Het haairvlies.

b. De haairstipjens.

c. Het druivenvlies.

d. Het vlies van den oogappel, gelijk het ter de-
zer tijd in zijn middenpunt begint te verdwy-
nen.


Appendix B.3 PLAAT III.

Behoorende tot de nederzakking der zaadballen
uit den onderbuik, in eene vrucht.

Zie bladz. 386. en verg.

[Seite 526]

figuur 1.

Vertoont eene bykans voldraagen tweelings-
vrucht, niet evenredig in groei; de linker zaad-
bal is reeds uit de holte van den onderbuik uitge-
vallen: de rechter is op dat tijdpunt waargenomen
op ’t welk dezelve den naauwen weg begonnen is
in te dringen.

a. De rechter zaadbal met den bybal, zittende op
het nu te zaamengevouwen cylindervormig op-
waards klimmend uitsteeksel van den penszak.

b. De spooren der zaadvaten van die zelfde zyde; en

c. Van het afvoerend vat.

d. Het nederdaalend uitbreidsel van den penszak,
de gedaante vertoonende van een opgeblaazen
zakjen.

e. Het mondjen van den penszak, leidende door den
naauwen wegnaar het genoemde zakjen, waarin
de linker zaadbal nu reeds zit.

f. De spooren der zaadvaten van die zelfde zyde;
en

g. Van het afvoerend vat.

h. De pisblaas met derzelver bodem in den blaas-
band eindigende, aan weerszyden met de navel-
slagaderen vereenigd.

[Seite 527]

figuur 2.

Eene vrucht van 4 maanden, de beide zaad-
ballen liggen nog in de holligheid van den onder-
buik besloten; het opklimmend uitsteeksel van den
penszak, op dien tijd voor’t grootst gedeelte niet
dan eene langwerpige plooi vormende; aan de on-
der en voorkant van dit plooitjen is ’t mondjen van
den penszak gelegen, zigtbaar.


Appendix B.4 PLAAT IV.

Een ey door een miskraam uitgedreeven, waar-
schynelijk in de eerste maand na de bevruchting;
het is losgesneeden, doch een weinig vergroot,
verbeeld.

Zie bladz. 435. en volg.

figuur 1.

a. Het vezelachtig omgeboogen vlies.

b. De vlokjens van het mosachtig vlies, door welk
het eytjen in het dikke buitenste vlies is inge-
hegt.

c. De binnenste oppervlakte van het buitenste vlies
[Seite 528] van ’t ey, op dien tijd met een krystalachtig
vocht gevuld.

d. Het opengesneeden binnenste vlies van ’t ey.

figuur 2.

De uitwendige gedaante van het zelfde eytjen.


Appendix C BYVOEGSELS
en
VERBETERINGEN.

[Seite 529]

Bladz. 105. r. voor mensch die sterk inadem duit-
komen –– cubioque lees mensch, die sterk
inademt, uitkomen –– cubicque

–– 147. r. 16. v. halfzwarte (leucaethiopes) af-
hangt, l. halfzwarte [anders kakkerlakken ge-
naamd (leucaethiopes)] afhangt

–– 277. r. 15. v. §. 353. l. §. 352.

–– 281. r. 2. v. XVIII. Afdeel. l. XXVIII.
Afdeel.

–– 308. r. 9. v. perystalticus l. peristalticus

–– 397. r. 14. v. §. 522. l. §. 520.

–– 445. r. 17. voeg by ’t woord navelblaasjen,
deze aanteekening: Het zy my geoorloofd over de be-
stendigheid van ’t raadselachtig navelblaasjen deze
twee dingen aan te merken, dat naamelijk dit teder en
ligtelijk bedervend deeltjen naauwelijks anders, dan
in eene zeer versche vrucht gezien kan worden,
en dat als dan zyne grootte zo gering, en het
vaatjen, waar door het aan de navelstreng gehegt
wordt, zo sijn is, dat een aller naauwkeurigst on-
derzoek en eene voorzichtige handgreep, tevens
met een vergrootglas noodig zy, om hetzelve te
vinden, ’t geen ik nog zelf dezer dagen heb be-
vonden, daar ik een aller fraaist, door miskraam
uitgedreeven ey, naauwelijks zo groot als een duiven
ey opende: en eene aller tederste vrucht naauwelijks
zo groot als een mier, daar in besloten vond, in
[Seite 530] welken binnesten omtrek van ’t ey, ik op ’t eerste
gezicht geen spoor kon vinden van ’t navelblaasjen.

Doch naauwkeuriger onderzoekende, en het
binnenste vlies van ’t buitenste een weinig afschei-
dende, vond ik het zelve waarlijk tusschen deze
beide geplaatst, wel zo klein, dat het naauwe-
lijks zo groot was als een mostaard zaad, dan ech-
ter zeer duidelijk met zijn eigenaartig vocht op-
gevuld, en door een zeer wel te kennen draad met
de korte en dikke navelstreng zydelings verbonden.

Bladz. 455. r. 10. v. §. 529. l. §. 592.

–– 476. r. 25. v. En ’t veel l. En veel

–– 481. r. 26. v. ontleedkundige l. ontleedkun-
digen

–– 486. r. 15. v. vrucht tot welken l. vrucht,
toe welken

Appendix D By den Drukker dezes zijn mede
gedrukt en te bekomen:

[Seite 531]
  1. j. h. v. swinden, Positiones Physicae, cum
    tabulis Vol. I. et Vol. II. Pars I. 8vo. maj.
  2. m. van geuns, Orationes II. de Civium Vale-
    tudine Reipublicae rectoribus in primis com-
    mendanda. 4to. maj.
  3. s. j. van geuns, Plantarum Belgii confoederati
    indigenarum Specilegium. 8vo. maj.
  4. f. j. voltelen, Diatribe memorabilem septen-
    nis Apositiae historiam exhibens. cum tabu-
    lis. 8vo. maj.
  5. a. p. nahuys, Dissertatio Chemica de Aquae
    Origine, ex basibus Aëris puri et flammabilis,
    secum invicem combinatis. 8vo. maj.
  6. m. herz, Proeve over den Hoofdzwymel, of
    de Duizeligheid; met eene Voorafspraak,
    en Brief over de Krankzinnigheid, door b.
    nieuhoff.
    gr. 8vo.
  7. j. kämpf, Verhandeling over de Hypochondrie.
    gr. 8vo.
  8. j. brucker’s, Eerste beginselen van de Historie
    der Philosophie, III. Stukken. gr. 8vo.
  9. h. van alphen, Digtkundige Verhandelingen.
    gr. 8vo.
[interleaf]

Appendix E

[Tab. I]
I.xxx
[interleaf] [Tab. II]
II.xxx
[interleaf] [Tab. III]
III.xxx
[interleaf] [Tab. IV]
IV.xxx
Notes
*).
[Seite XVII]

De taalkundige leezer zie hier over de Comm.
de rebus in scient. Natur. et Medic. gestis.
Vol. XXX.
pag. 354. sq.

*).
[Seite 1]

Dus schreef reeds voor langen tijd de opsteller van ’t
boek, het welk gemeenlijk aan hippocrates wordt toege-
schreven Epidemie. Sect. 8. §. 19. ‘„De dingen,
welke de lichaamen bevatten, of van binnen bevat wor-
den, of die in ons met aandrift bewogen worden, komen
ter beschouwing voor,“’ welke beroemde plaats gelegenheid
gegeven heeft tot het uitnemend werk van abr. kaau
boerhaave,
ten tytel voerende: Impetum faciens dictum hip-
pocrati
per corpus consentiens. L. B. 1745. 8vo.

*).
[Seite 3]

chr. andr. koch de proportione solidorum ad fluida in
C. H.
Goett. 1737. 4to.

*).
[Seite 6]

jo. mart. butt. de spontanea sanguinis separatione.
Edinb. 1763. 8vo. recus. in Cl. sandifort thesauro Vol. ii.

*).
[Seite 8]

c. gu. pörner Experimenta de albuminis ovorum et seri
sanguinis convenientia.
Lips. 1754. 4to.

*).
[Seite 9]

Zie deszelfs werk ten tytel voerende nuove Osservaz.
ed Esperienze sul sangue
etc. in Scelta di opusc. interessanti
Mediol. vol. xvi. pag. 102. sq.

†).
[Seite 9]

Philos. Transact. vol. lxvi. P. 1. pag. 244. sq.

*).
[Seite 11]

jo. mar. della torre nuove Osservaz. intorno la Storia
nat.
Neap. 1768. 8vo. pag. 95. sq. tab. iv. en deszelfs
nuove osservaz. microscop. ibid. 1776. 4to. pag. 83. sq. tab.
xiv. fig. 2–7.

Dat het een gezichtkundig bedrog geweest is, heefe
c. h. koestlin door proefnemingen (met de glaazen bol-
letjens zelve van della torre in ’t werk gesteld) geleerd,
zie deszelfs fascic. animadvers. Stuttg. 1780. 4to. pag. 12. sq.

†).
[Seite 11]

Phil. Transact. vol. lxiii. P. ll. p. 303. sq. tab. xii.

*).
[Seite 12]

g. chr. reichel. de sanguine ejusque motu experimenta.
Lips. 1767. 4to. pag. 27. fig. iii. g. g.

*).
[Seite 15]

ruisch Thesaur. anat. vii. pag. 11. tab. iii. fig. 6.
Vergelijk hier mede Thesaur. 1. pag. 14. sq. tab. ii. fig. E.

*).
[Seite 16]

Zie Comment. Soc. Scient. Goetting Tom. viii.

†).
[Seite 16]

Zeer veel heb ik omtrent deze vooronderstelling aan-
gemerkt in myne verhandeling de vi vitali sanguinis, welke
onder de stukken van het Göttings koninglijk Genootschap
van Wetenschappen A°. 1787. gevonden wordt, Vol. ix.
pag. 3. enz.

*).
[Seite 17]

Omstandiger heb ik over deze proefnemingen gehan-
deld in Medicin. Biblioth. Vol. 1. pag. 177. en vervolg.

*).
[Seite 19]

hieron. dav. gaubii Spec. exhibens ideam generalem
solidarum c. h. partium.
L. B. 1725. 4to.

†).
[Seite 19]

abr. kaau boerhaave de cohaesione solidorum in corpore
animali
in Nov. Comm. Acad. Petropolit. Tom. iv. pag. 343 sq.

*).
[Seite 20]

‘„De eigenschappen van de lucht zijn nog niet ge-
noeg bekend. – Dit is intusschen zeker, dat dezel-
ve tot het soudeersel behooren, waar door de bestanddee-
len van alle de vaste lichaamen in ’t geheele Rijk der Na-
tuur verbonden worden, zo dat bykans geen metaal,
geen been, noch steen, noch schelp, noch zout worde
opgelost, of de ontwikkelde lucht vertoont zich“’ dus zijn
de woorden van haller De Corp. Hum. functionibus Vol.
iii. p. 271.

*).
[Seite 22]

dav. chr. schobinger (Praef. hallero) De telae
cellulosae in fabrica C. H. dignitate.
Goett. 1748. 4to.

*).
[Seite 26]

Indien men deze fyne tusschenruimtens van het cel-
achtig weefsel, waardoor het de vochten, gelijk eene
spons opneemt, met den naam van vaatjens gelieve te
bestempelen, stem ik gaarne toe, het geen g. hunter,
beweerde (medical Observ. and Inquiries Vol. ii. pag. 27.
enz.) Dat naamelijk dit weefsel, waarvan wy handelen,
even zo wel als de overige deelen van ’t lichaam, uit
vaten bestaat. Dan, indien dit de meening van hunter
was, dat het geheele celachtig weefsel uit rolronde adert-
jens (cylindricis venulis
) zoude bestaan, waardoor wy, in
de ontleedkunde gewoonlijk vaten verstaan, verpligten
my de omzichtigste microscopische proeven, in welke ik
my zorgvuldig van een gezichtkundig bedrog heb gemijd,
waardoor schijnvaatjens my konden bedriegen, een ander
gevoelen te omhelzen.

*).
[Seite 27]

Verschillend denkt g. hunter hier over. Zie l. c.
p. 33. sq.

*).
[Seite 28]

Duidelyker nog bevond ik zulks in het dood lichaam
van eene groote aap van Angola (cynomolgos), zijnde van
het vrouwelijk geslacht, in ’t welk aan de koude blootge-
steld zijnde, ik de omschreven vetklomp onder den ve-
nusheuvel geplaatst, geheel en al konde uitpellen.

†).
[Seite 28]

g. xav. jansen Pinguedinis animalis Consideratio phy-
siologica et pathologica.
L. B. 1784. 8vo.

§).
[Seite 28]

joach. died, brandis Comm. (praemio regio ornata)
de oleor. vnguinosor-natura. Gott. 1785. 4to. pag. 13. sq.

**).
[Seite 28]

joach. jac. rhades De ferro sanguinis hum. aliisque
liquidis animalium.
Goett. 1753. 4to. Cap. iv. de adipe hu-
mano.

dav. h. knape (praes. segnero) De acido pinguedinis
animalis.
Ibid. 1754. 4to.

laur. crell. v. Cl. Chemisches Journal 1778. P. 1.
pag. 102. sq.

*).
[Seite 30]

Dat integendeel de bloedelooze gekorven diertjens
uit het vet, het welk zy zeer overvloedig bezitten, hun
[Seite 31] voornaamste voedsel trekken, is de vry waarschijnlyke
gissing van p. lyonet. Tr. anat. de la Chenille qui ronge
le bois de saule.
pag. 428. 483. sq. et praef. pag. xiii.

*).
[Seite 32]

c. forsten verschuir Or. de recentiorum medicorum,
inprimis Belgarum meritis, in phaenomenis et effectibus prin-
cipii, quod vitam animalem constituit, indagandis.
Groning.
1781. 4to.

m. vangeuns De eo quod vitam constituit in corpore a-
nimali. Groning. 1758. 4to. recus. in sandifortii Thes.
Vol. ii.

jo. th. van der kemp De vita et vivificatione materiae
humanum corpus constituentis.
Edinb. 1782. 8vo.

*).
[Seite 41]

Zie over de verschillende oorzaaken der Sympathie
dan. langhans De consensu partium c. h. Gott. 1749.

*).
[Seite 44]

gu. fr. ad. gerresheim De sanitate cuivis homini
propria. L. B.
1764. 4to.

*).
[Seite 50]

De ongelukkige mich. servetus, als ook de be-
roemde andr. caesalpinus, schynen nader gekomen te
zijn aan de kennisse van de wezendlyke omloop des
bloeds, dan de overigen, welke men gemeenlijk hier on-
der rekent.

Het zy ons geoorloofd weinige woorden van ser-
vetus
hier aan te halen, voorkomende in zyne Natuur-
kundige Verhandeling, welke hy ingelascht heeft in zijn
befaamd, en voor hem noodlottig werk, thands by uitstek
zeldzaam, ten tytel voerende Christianismi restitutio etc.
(Viennae Allobrog. 1553. 8vo.) Deze Verhandeling komt
voor in het 5de boek van dat werk de trinitate divina in
quo agitur de spiritu sancto.
Waar onder andere het vol-
gende gelezen wordt: ‘„het is de leevensgeest, welke door
de openingen der vaten, door de slagaders medegedeeld wordt
aan de aderen, in de welke hy gezegt wordt natuurlijk te zijn
.“’

Doch van caesalpinus is de stelregel aanmerkelijk
omtrent de ‘„aderen die boven den band opzwellen, en
niet beneden dezelve.“’ Waaruit het duidelijk blijkt,
dat hy niet ver af zy geweest van de waare kennisse der
beweeginge des bloeds, welke te vinden is in deszelfs
Quaestionum medicarum L. ii. Quaest. 17. pag. 234.

*).
[Seite 51]

Exercitat. anatomica de motu cordis et sanguinis in ani-
malibus
guil. harvei Angli, med. regii etc. Francof. sum-
ptib. Guil. Fitzeri. a. 1628. 72 paginis 4to. c. fig. aen.

†).
[Seite 51]

Om de beweging van het bloed in de kikvorschen
te beschouwen etc. is het bankjen van lieberkuhn, ’t welk
men gemeenelijk noemt de kikker-machine, zeer geschikt.

Zo men lust heeft dezelve te beschouwen in een
dier met warm bloed voorzien, zijn de bebroeide eieren
het geschikste, en wel voornaamelijk op den vierden en
vijfden dag der broeijinge onder een eenvoudig Micros-
coop, hoedaanig dat van lyonet is, geplaatst.

§).
[Seite 51]

g. remus Experimenta circa circulationem sanguinis in-
stituta.
Goett. 1752. 4to.

Zie haller De sanguinis motu experimenta anatomica.
Commentarior. societ. scient. Goetting. Tom. iv. ad a. 1754.

Ei. De eodem argumento Sermo 11. Operum minorum Tom.
1. p. 63. sq.

laz. spallanzani De fenomeni della circolazione etc.
Mutin. 1773. 8vo.

*).
[Seite 55]

ger. van swieten De arteriae fabrica et efficacia in
corpore humano.
L. B. 1725. 4to.

†).
[Seite 55]

Vergelijk over de verscheiden gevoelens omtrent
het getal van de rokken der slagaderen:

alex. monro (de Vader) In medical Essays and observa-
tions
Vol. ii.

de lazône In mém. de l’Acad. des sc. des Paris a. 1756.

b. s. albini Annotat. academ. L. iv. pag. 30. sq. tab.
v. fig. 1.

vinc. malacarne Della osservaz. in Chirurgia. Taurin.
1784. 8vo. Vol. ii. pag. 103. sq.

*).
[Seite 56]

fr. ruysch Respons. ad ep. problematicam iii. ook in
thesaur. anat. iv. tab. iii.

*).
[Seite 58]

v. d. kemp. L. C. pag. 51.

*).
[Seite 69]

casp. fr. wolff De orificio venae coronariae magnae
in lect. Acad. scientiar. Petropolit.
A. 1777. P. 1.

petr. fabarrani De eod. argumento in Atti de Siena
Vol. vi.

*).
[Seite 70]

Vergelijk achill. mieg Specim. ii. Observation. Bo-
tanicarum.
Basil. 1776. 4to. p. 12. etc.

*).
[Seite 71]

eustachii Tab. viii. fig. 6. – Tab. xvi. fig. 3.

†).
[Seite 71]

Ibid. Tab. xvi. fig. 6.

*).
[Seite 73]

Das denkt na weiterecht en anderen de beroemde
fontana Richerche filosofiche sopra la Fisica animale Florent.
1775. 4to. p. 101. seq. Maar haller heeft al lang gela-
den de bewyzen van dezen beroemden man in Nov. lit-
ter. Gottingensibus
wederlegt, als mede de beroemde e. b.
c. hebenstreit
, welke onlangs het werk van fontana in
’t Hoogduitsch heeft overgezet. Leypz. 1785. 8vo. p. 328.

*).
[Seite 74]

Act. Acad. scient. Petropol. pro A. 1780. maxime A.
1781. P. 1. pag. 211. De textu cartilagineo cordis; sive de filis
cartilagineo-osseis eorumque in basi cordis distributione
.

*).
[Seite 75]

ruysch Thesaur. Arat. iv. Tab. iii. fig. 1. 2.

*).
[Seite 77]

In geene eeneontleding van een levendig dier heb ik
het hart in zyne te zaamentrekking zich inderdaad dui-
delijk genoeg zien verkorten, dan in de ontleding van
de waterslang (coluber natrix), in welkesoort van slangen, die
in de bosschen digt by onze stad (Göttingen) liggende som-
tijds ter lengte van 4 voeten gevangen worden, levendig
opengesneden zijnde, het hart in elke ontsluiting, de
maat van zyne toesluiting ten minsten twee linien in de
lengte te boven ging.

*).
[Seite 79]

Myne bereekening verschilt weinig van die, welke
cu. heberden bygebragt heeft uit de Engelsche luchtstree-
ken. Zie Medical Transact. Vol. ii. p. 21.

*).
[Seite 80]

Met deze aanmerking komt vrywel overeen de
langzaame polsslag van die dieren, welke in den winter-
tijd in eenen aanhoudenden slaap gedompeld liggen. By
voorb. in eene Bergrot geeft in den zomertijd ’t hart omtrent
150 slagen in eene minuut; maar zo men het dier in de
wintermaanden opgegraven zal hebben, zal deszelfs hart
in den zelfden tijd naauwlijks 50 maal slaan. Vergelijk
hier mede de Naturgesch. des Hamsters p. 168. van mynen
grooten vriend sulzer.

*).
[Seite 81]

Het gebeurt echter zomtijds, schoon zeer zelden
dat het rechter gedeelte van het hart door eene al te groo-
te verzaameling van aderlijk bloed overstelpt tegens de
orde der Natuur eer verlamd wordt, dan het linker ge-
deelte; het geen ik niet lang geleden by het ont-
leden van een levendig konijn bevonden heb. Want
nadat (het geen niet ongewoon is in het levendig open-
snyden van deze bange dieren) reeds van ’t begin af de
bewegings-orde van het hart onstuimig en beroerd was
geworden, zo dat zomwylen vier te zaamentrekkingen van de
boezems schielijk op elkanderen volgden, terwijl intus-
[Seite 82] schen de holligheden onbewogen bleven, hield het voor-
ste gedeelte van het hart op, daar intusschen het agter-
ste gedeelte van het zelve gestaadig voordging met te klop-
pen, dus agt minuuten verloopen zijnde, sneed ik het hart
’er uit, ’t welk nog trok met zijn linker gedeelte, en
dompelde het in koud water, wanneer het bloed, dat ’er
in besloten was, ’er uitgespoelt zijnde, ook al de bewe-
ging van die helfte ophield; maar toen ik wederom na
verloop van drie minuuten het hart, ’t geen niet meet
scheen te kunnen gaande gemaakt worden, gelegt had,
op de warme palm van myne hand, begon op nieuws
dezelfde linkerholligheid verscheiden minuuten agter een
te slaan, ofschoon de rechter holligheid en de boezems
van beide de zyden onbeweeglijk bleven. De beroemde
proefneming van haller, waar door hy de twee holle
aders in een levendig dier toegebonden, en de longslagader
in het zelve doorgesneden hebbende, te weeggebracht
heeft, dat het linker gedeelte van het hart insgelijks het rech-
ter overleefde, behoort veel eer tot de volgende afdeeling.

*).
[Seite 83]

Dat dit zeer bekend verschynsel, ’t welk thans zeer ge-
makkelijk om te verklaaren is, wel eer erasistratus be-
drogen hebbe, zo dat hy daar uit meende, dat ’er lucht
in de slagaderen ware, zulks moet men toegeven aan de
bel rompene Natuurkunde van die eeuw.

Maar dat ’er in onze tyden een man geweest zy,
die deze verouderde misvatting opgewarmt, ja zelf
met eene zeldzaame hardnekkigheid in meer dan een ge-
schrift heeft durven verdedigen, daar over zullen zich de
nakomelingen verwonderen.

Onder andere werkjens, in welke hy van zyne Na-
tuurkundige Landslieden wederlegd is, behooren wel
voornaamelijk, dat van den beroemden p. moscati
Osservationi ed esperienze sul sangue fluida, e rappreso. Me-
diol. 1783. 8vo. En dat van den zeer beroemden carmi-
nati
Risultati di sperienze, e osservazioni sui vasi sanguini,
e sul sangue.
Ticin. 1783. 4to.

*).
[Seite 84]

a. c. sabatier E. in vivis animalibus ventriculorum cor-
dis eadem capacitas.
Paris. 1772. 4to.

†).
[Seite 84]

j. n. weiss De dextro cordis ventriculo post mortem
ampliori. Altorf. 1767. 4to.

§).
[Seite 84]

sam. aurivillius De vasorum pulmonalium et cavitatum
cordis inaequali amplitudine.
Goetting 1750. 4to.

**).
[Seite 84]

v. haller Elem. Physiolog. T. 1. tab. 1. fig. 1. 2.

*).
[Seite 85]

De Ontleedkundigen verschillen zeer omtrent den E-
gel, sommige ontkennen dat in dit dier een harte zakjen is, an-
dere beweeren dat het zelve plaats hebbe, onder de laatsge-
melden bevinden zich lancisius, haller enz.; doch on-
der de eerst genoemde na blazius, peyer, harder, be-
vind zich inzonderheid de beroemde octavian. tozzetti
(in zijns Vaders Relaz. d’alcuni viaggi in diverse parti della
Toscana
ed. 2. Tom. vii. p. 166. etc.) duverney, wel-
ke schrijft dat het middelschot zich in den Egel bevindt
in plaats van het harte zakjen, schijnt den midden weg te
houden.

Na de dikwijls herhaalde ontleding van een’ Egel,
heb ik gezien, dat het harte zakjen in deze soort van
Dieren in ’t geheel zeer dun is, en minder bepaald van
gedaante, oorsprongelijk uit het naby gelegen slapper
weefsel van het middelschot; doch somtijds was het zo
dun en alleen maar te zaamengesteld uit zeer tedere en
losse celletjens, dat het nauwlijks den naam van een waar
harte zakjen scheen te verdienen.

†).
[Seite 85]

e. sandifort Natuur en Geneeskundige Bibliotheek Vol.
ii. p. 661.

*).
[Seite 89]

De proefnemingen van hales, door welke by het
uitspringend bloed in zeer lange glaazen buizen, welke
hy op de slagader van levendige dieren geplaatst had,
opvong, en dus de hoogte van de sprong afmat, zijn
voorzeker fraai, gelijk alle proefnemingen van dezen
Man, als geboren tot soortgelyke ondernemingen. Dan
indien men intusschen daar uit de krachten van het hart
wilde bereekenen, moet men bedenken, hoe zeer de ko-
lom van het bloed, ’t welk in de holle buis bevat is, en
geen’ uitweg vindt, op de linker holligheid van het hart
drukke en dezelve belemmere, enz.

De bereekening van hales intusschen, komt hier
op uit: by stelde dat het bloed uit de kropslagader van
een mensch sprong tot de hoogte van 7 1/2 voet: hy be-
paalde de oppervlakte van de linker holligheid van ’t
hart, gelijk aan 15 vierkante duimen, en gevolglijk de bloed-
zuil, welke op de linker holligheid van ’t hart drukte,
gelijk aan 51,5 ponden, welke door deszelfs te zaamentrek-
king wierden verwonnen en voordgedreven. Statical Essays
Vol. ii. p. 40. ed. Lond. 1733. 8vo.

*).
[Seite 90]

Zie den beroemden fontana op de aangehaalde
plaats, alwaar hy diepzinnig handelende over dat voorrecht
van het hart, het zelve eenigsins heeft willen bepaalen.
Dan hierop heeft haller reeds voor lang geandwoord in
Indice Litterario Goetting.

†).
[Seite 90]

Zie haller De motu cordis a stimulo nato in Comm.
Soc. scient. Goetting.
Tom. i.

*).
[Seite 92]

Vergelijk de Descriptio nervorum cardiacorum, Jaen.
1772. 4to. Tab. 1. van mynen geachten leermeester in de
Ontleedkunst jo. em. neubaver.

En zie hallers gissing betreklijk de afteekening van
het linker gedeelte van ’t hart, door deszelfs Leerling
andersch in de Nov. Comm. Soc. scient. Goetting. Tom. ii.
tab. ad p. 1.

*).
[Seite 93]

andr. wilson’s Enquiry into the moving powers employed
in the circulation of the blood.
Lond. 1774. 8vo. p. 35. seq.

*).
[Seite 94]

Vergelijk car. wern. curtius De monstro humano cum
infante gemello.
L. B. 1762. 4to. p. 39. seq. fig. 4. et van
haller
Oper. Minor. Tom. iii. p. 33. ook cu. cooper
In Philos. Transact. Vol. lxv. p. 316.

*).
[Seite 95]

gualth. verschuir De arteriar. et venar. vi irritabi-
li: eiusque in vasis excessu: et inde oriunda sanguinis di-
rectione abnormi.
Gron. 1766. 4to.

†).
[Seite 95]

Vergelijk in de Platen van den beroemden walter
Tab. Nervor. Thorac. et abdom. hepaticam dextram tab. ii.
O. Tab. iii. l. Lienalem Tab. ii. P. Tab. iii. m. Tab.
iv. o. – Mesentericam super. Tab. ii. Q. Tab. iii.
s. – Mesentericam infer. Tab. ii. T. aliasque plures.

*).
[Seite 96]

haller De nervor. in arter. imperio. Goetting. 1744.
4to.

†).
[Seite 96]

th. kirkland’s Inquiry into the present state of me-
dical Surgery.
Lond. 1783. 8vo. Vol. i. p. 306.

*).
[Seite 97]

de lamure Recherches sur la cause de la pulsation des
artéres.
Monspel. 1769. 8vo.

*).
[Seite 99]

Zie Physiological Essays, containing an inquiry into the
causes, which promote the circulation of the fluids in the very
small vessels of animals
etc. etc. ed. 2. Edinb. 1761. 12mo.

*).
[Seite 100]

g. e. stahl De vena portae porta marloum. Halae
1698. 4to.

*).
[Seite 102]

eustachii Tab. XV. fig. 1-6.

†).
[Seite 102]

malpighius is de eerste geweest die de natuur der
longen naauwkeurig onderzocht heeft in de twee brieven
daar over aan borellus geschreven. Ik heb my bediend
van de uitgave die achter ’t werk gevoegd is van th. bartho-
linus
De pulmonum substantia et motu diatrib. Hafn. 1663. 4to.

De beroemde g. fr. hildebrandt heeft een korte verhan-
deling van deze ingewanden uit goede bronnen verzamelt,
gegeven: zie zyne Diss. de pulmonibus. Goetting. 1783. 4to.

*).
[Seite 103]

Beroemd zijn de overwinningen, welke haller
voornaamelijk sinds de jaaren 1744 tot 1752 op hamberger
behaalt heeft, die met eene verwonderlyke hardnekkig-
heid, heeft durven verdedigen zo wel de veerkrachtige
lucht in de borstholte, als het tegen elkanderen werken
van de tusschenribbige spieren van beiderleie soort, die
’er belang by hebben lezen over dit verschil:

g. e. hamberger De respirationis mechanismo et usu ge-
nuino Diss. una cum scriptis, quae ad controversiam de me-
chanismo illo agitatam pertinent.
Jen. 1748. 4to.

haller Memoir. sur plusieurs phenomenes importans de
la respiration; fondé sur les experiences;
aan het einde van
deszelfs verhandeling sur la formation du coeur dans le pou-
let.
Laus. 1758. 12mo. Vol. ii. p. 201-364.

c. f. t. (de beroemde trendelenburg de Vader)
Continuatio contro versiae de mechanismo respirationis Hamber-
geriano etc. Goett. 1749. 4to.

––– Fernere Fortsetzung der Hallerischen und Ham-
bergerischen Streitigkeiten vom Athemholen. Rostoch. 1752.
4to.

Relationes Goettingenses de libris novis. Vol. iv. p. 477.

*).
[Seite 105]

keil zyne spoorbystere lust in de Genees-en Wis-
kundige bereekening volgende, schreef aan beide de longen
meer den 1744000000 celletjens toe.

†).
[Seite 105]

lieberkuhn stelde even zo ongerijmd de oppervlakte
van de luchtcelletjens der longen gelijk met 1500 vier-
kante voeten.

*).
[Seite 106]

eustachius Tab. xxvi. fig. 13.

*).
[Seite 108]

portal in Memoir. de l’Acad. des scienc. de Paris A. 1780.

†).
[Seite 108]

Het ware werktuigelyke en de beweging van de borst
hebben in de voorgaande eeuw naauwkeurig opgespoord.

jo. swammerdam, een zeer beroemd man Tract. de
respiratione usuque pulmonum
. L. B. 1677. 8vo.

jo. mayou, van wiens lof wy beneden spreken zul-
len. Tract. de respiratione etc. Oxon. 1668. 8vo.

malach. thruston De respirationis usu primario. Lond.
1670. 8vo.

hallers verdiensten omtrent dit stuk hebben wy zo
even aangeroert. Onder de latere komen behalven hem
wel inzonderheid voor.

j. g. amstein (praes. Oetinger) De usu et actione mus-
culorum intercostalium
. Tubing. 1769. 4to.

th. fr. trendelenburg Fil. De sterni costarumque in
respiratione vera genuinaque motus ratione
. Goett. 1779. 4to.

bordenave et sabatier in Mem. de l’Acad. des scienc.
de Paris
A. 1778.

*).
[Seite 109]

halter De musculis diaphragmatis. Bern. 1733. 4to.
Id. Icon. Anatomic. Fasc. 1. tab. i.

b. s. albini Tabul. Musculorum Tab. xiv. fig. 5.
6. 7.

j. g. roederer De arcubus tendineis musculorum Progr.
1. Goetting. 1760. 4to.

santorini Tab. posthum. x. fig. 1.

*).
[Seite 110]

De anatomicis administrationibus Lib. viii. Cap. 8. In
het algemeen is dit gantsche boek rijk in proefneemin-
gen, betreklijk de ademhaling.

†).
[Seite 110]

eph. kruger De nervo phrenico. Lips. 1759. recus. in
Cl. sandifort Thesaur. Tom. iii.

walter Tab. nervorum thorac. et abdom. Tab. i. fig. 1. B. i.

*).
[Seite 112]

Hoe over oud het denkbeeld van de lucht zy, als
het levens voedsel, blijkt zelfs uit het boek de Flatibus,
het welk onder de werken van hippocrats geplaatst
wordt, wiens Schryver een drievoudig voedsel voor het
menschelijk lichaam stelt, te weten de spijs, den drank,
en de lucht, doch dit laatstgemelde onderscheid hy van
de overige twee als levensvoedsel, daarom, om dat wy
het zelve zonder gevaar van het leven zelf geen korte
tijd kunnen ontbeeren.

†).
[Seite 112]

Vergelijk hier omtrent de Verhandeling van den
groeten harvei De succi alibilis aërei necessaria renovatione,
met de Verhandeling van den beroemden Hoogleeraar in de
Starrekunde greaves, in deszelfs Description of the pyra-
mids in Aegypt.
pag. 101. ed. Londin. 1646. 8vo.

Ook deszelfs onsterflyke Landgenoot edm. halley
Discourse concerning the means of furnishing air at the Bot-
tom of the Sea in any ordinary Depths
in Philos. Transact.
Vol. xxix. No. 349. p. 492.

*).
[Seite 114]

De vaste lucht, en de met Brandstof bezwangerde
(phlogisticatus) schynen wederom alleen slechts in trap van
elkanderen te verschillen. De beroemde kirwan houdt ze
beide voor gedephlogisteerde lucht, welke, zo zy alleen
maar verzadigd is met brandstof, tot vaste lucht wordt;
maar zo zy van dezelve ten eenemaal overvloeit, ge-
phlogisteerde lucht wordt. Dat deze onderscheiding zeer
waarschynelijk is, leeren my ook de proefnemingen van den
beroemden lichtenberg, mynen waarden Amptgenoot,
welke daar mede uitmuntend overeenkomen.

*).
[Seite 115]

Om te beproeven, hoe lang een dier eene zekere
hoeveelheid van een bepaald soort van lucht by herhaa-
ling zoude kunnen inademen, voor en al eer ze voor
’t zelve doodelijk werd, nam ik drie Honden van
omtrent dezelfde grootte, en sterkte, van welke ik
den eersten eene blaas omtrent 20 vierkante duimen
gedephlogisteerde lucht bevattende, door middel van
een buisjen in de opgesneden luchtpijp (aspera ar-
teria
) bond. Deze hond stierf na verloop van 14 mi-
nuuten.

Den tweeden heb ik dezelfde blaas met dampkrings
lucht opgevuld in de luchtpijp gebonden, en deze kwam
om het leven op het einde van de 6de minuut.

Eindelijk bond ik aan de luchtpijp van den derden
die zelfde blaas, gevuld door de laatste gephlogisteerde
uitademinge, van den eersten hond, en deze was de vier-
de minuut reeds gestorven.

De met brandstof belaaden lucht dus naderhand uit
de blaas in een bekwaamer vat gedaan, vertoonde die
verschijnfels, welke ik boven aangeroerd heb; ik heb ee-
ne beschryving en afbeelding van de werktuigen, welke
ik gebruikte om deze proefnemingen naauwkeurig in het
werk te stellen gegeven in Medik. Biblioth. Vol. i. pag.
174. Tab. i.

*).
[Seite 116]

Een groot gedeelte van deze aanmerkelyke verschijn-
selen, met welke in de laatste tien jaaren, zo wel de
Natuurkundige leer (physica) over de door kunst gemaakte
luchten, als de Natuurkunde van den mensch (physiologia)
betreklijk het stuk van de ademhaling zo uitnemend ver-
rijkt en opgehelderd is, zijn voor honderd en meer jaa-
ren bekend geweest aan den schranderen Geneesheer jo-
mayou,
wiens verhandeling De sal-nitro et spiritu nitro-
aëreo,
(met welke naam hy de gedephlogisteerde lacht
bestempeld heeft) uitgegeven te Oxon. 1674. 8vo. ik
met groot vermaak gelezen en herlezen heb.

†).
[Seite 116]

j. andr. hammerschmidt De notabili discrimine inter
sanguinem arteriosum et venosum.
Goetting. 1753. 4to.

*).
[Seite 118]

Dus genoemd, om dat ze door rob. hooke vooral
is opgesierd. Zie th. sprat Histor. of the royal Society.
Lond. 1667. 4to. p. 232. Doch ze is reeds voor langen
tijd door vesalius in ’t werk gesteld, en wegens des-
zelfs fraaiheid ten sterksten aanbevolen De Corp. Hum.
Fabrica
p. 824.

†).
[Seite 118]

g. harvey De circul. sang. ad J. Riolanum p. 258. ed.
Glasgov. 1751. 12mo.

En vooral Exercit. de gener. animal. p. 263. ed. princ.

Lond. 1651. 4to.

§).
[Seite 118]

Vergelijk p. j. daoustenc De respiratione. Lugdun.

1743. 4to. p. 54.

rob. whytt On the vital and other involuntary motions of
animals
p. 222. Edinb. 1751. 8vo.

*).
[Seite 119]

p. l. m. maloet et jac. savary E. ut ceteris animali-
lus ita homini sua vox peculiaris.
Paris. 1757. 4to.

*).
[Seite 120]

fab. ab aquapendente De visione, voce, et auditu. Patav.
1603. fol.

jul. casserius placentus De vocis auditusque organis.
Ferrar. 1600. fol.

jan. marc. busch De mechanismo organi vocis huiusque,
functione.
Groning. 1770. 4to.

†).
[Seite 120]

eustachii Tab. xlii.

morgagni Advers. Anatom. prim. Tab. ii.

santorini Observ. Anatom. Tab. iii. fig. 1. 2. 3.

§).
[Seite 120]

e. s. albini Tab. Musculor. Tab. x. fig. 1-15. Tab.
xi. fig. 45-48. Tab. xii. fig. 1–7.

*).
[Seite 121]

Zie de proeven welke om dit geschil te beslissent,
in Gottingen genomen zijn by j. g. runge De voce eius-
[Seite 122] que organis.
L. B. 1753. 4to. Vergelijk jos. ballanti In
Comment. Instit. Bonon.
T. vi.

vicq d’azyr in Memoir. de l’Acad. des Scienc. de Pa-
ris
A. 1779.

*).
[Seite 122]

Vergelijk over de beroemde proefneeming reeds voor
lang door galenus in het werk gesteld, onder anderen
w. courten Philos. Transact. N. 335.

morgagni Epist. Anatom. xii. 20.

En wel voornaamelijk p. p. molinelli in Comment.
Instit. Bonon.
Tom. iii.

*).
[Seite 123]

In het algemeen blijkt het, dat bet menschelijk
strottenhooft zeer buigzaam is om de stem der dieren na
te bootzen, zelfs uit het voorbeeld van de woestste Vol-
keren, vergelijk hier by, by voorb. over de inwooners
van nieuw Guineë op de Zuidkust van Africa, welke men
Papus noemt, nic. witsen Noord-en Oost-Tartarye,
cd. 2. Amst. 1705. Vol. i. p. 165.

†).
[Seite 123]

Van de Aethiopiers, de Groenlanders, de inwoon-
ders van Canada, en California, van de inwoonders
van Kamtschatka enz. heb ik de getuigenissen van de ge-
[Seite 124] loofwaardigste Reizigers voorhanden, zo dat het my als
eene geloovelyke zaak voordkomt, het geen rousseau van
het zingen beweert, dat het den mensch van natuur niet
eigen schyne te zijn enz. Dictionaire de Musique Vol. i.
p. 170. ed. Genev. 1781. 12mo.

*).
[Seite 125]

Alphabeti vere naturalis Hebraici delineatio. Salzbac.
1657. 12mo.

†).
[Seite 125]

Grammatica linguae Anglicanae, cui praefigitur de la-
quela s. sonorum omnium loquelarium formatione tract. Gram-
matico-physicus.
Ik gebruik de 6de Londensche uitgave
1765. 8vo. (ed. curante th. hollis).

*).
[Seite 126]

Surdus loquens Amsterd. 1692. 8vo. De eerste uitga-
ve, naderhand vermeederd uitgegeven onder de tytel
Diss. de Loquela ibid. 1700.

†).
[Seite 126]

Zie over derzelver vorming chr. theoph. kratzen-
stein
Tentamen praemio coronatum resolvendi problema ab A-
cad. Scientiar. Petropolit. propositum: de Natura et charactere
sonorum litterarum vocalium.
Petrop. 1781. 4to.

*).
[Seite 127]

fr. lupichius De risu. Basil. 1738. 4to.

†).
[Seite 127]

j. f. schreiber De stetu. L. B. 1728. 4to.

§).
[Seite 127]

dav. c. imm. berdot De susperio. Basil. 1756. 4to.

*).
[Seite 128]

j. melch. fr. albrecht (praes. hallero) Experimen-
ta in vivis animalibus circa tussis organa exploranda instituta.

Goetting. 1751. 4to.

†).
[Seite 128]

marc. beat. l. jac. porta De sternutatione. Basis.
1755. 4to.

§).
[Seite 128]

c. j. s. thiel De singultu. Goetting. 1761. 4to.

**).
[Seite 128]

just. godofr. gunz. (praef. walthero) De oscitatione
Lips. 1738. 4to.

*).