Table of contents

[titlePage_recto]
BESCHRIJVING
DER
BEENDEREN
VAN HET
MENSCHELIJK LIGCHAAM,
NAAR AANLEIDING VAN BLUMENBACH.

TE AMSTERDAM,
BIJ. J. MÜLLER & COMP.
1834
.
[titlePage_verso]

OVER DE
BEENDEREN
VAN HET
MENSCHELIJK LIGCHAAM.

[titlePage_recto] [titlePage_verso]
[titlePage_recto]
BESCHRIJVING
DER
BEENDEREN
VAN HET
MENSCHELIJK LIGCHAAM,
NAAR AANLEIDING VAN BLUMENBACH.

AMSTERDAM,
J. MÜLLER & COMP.


1834
.
[titlePage_verso]
GEDRUCKT BIJ C. A. SPIN.

VOORBERIGT.

[[V]]

Door de uitgave van dit osteologisch Handboek
wensch ik eene behoefte te vervullen, welke er be-
staat, sedert het bekende werk van
blumenbach:
Geschichte und Beschreibung der Knochen, niet
meer verkrijgbaar is. Zonder mij slaafs aan dit
werk te houden, heb ik het tot leiddraad gekozen
bij de vervaardiging van dit geschrift, en bied
hierbij den Nederlandschen beoefenaar der weten-
schap eene vertaling van hetzelve aan, met alle die
hijvoegselen en veranderingen, welke de tegenwoor-
dige stand der wetenschap mij toeschijnt noodzake-
lijk te maken. Hieruit vloeit voort, dat mijn arbeid
gedeeltelijk een oorspronkelijk werk, gedeeltelijk
slechts eene vertaling is.

De menigvuldige aanteekeningen, waarmede blu-
menbach
zijn Handboek als overladen heeft, heb ik
gemeend (hoezeer derzelver waarde gaarne erkennen-
de) te moeten achterwege laten, omdat zij naar
mijn inzien, of te
veel of te weinig bevatten. Te
veel, zoo men alleen de kennis van het mensche-
[Seite VI] lijk geraamte zich ten doel stelt; te weinig, zoo men
daarmede vergelijkende osteologie wil verbinden. Bo-
vendien komen uitgebreide aanteekeningen in een
Handboek, in een’ algemeenen zin, mij minder gepast
voor. Dezelfde overtuiging heeft mij genoopt, slechts
de hoofdpunten der wetenschap aan te stippen, zon-
der in eenige ontwikkeling te treden, daar ik deze
tot de osteologische lessen bespare. Ook heb ik ge-
oordeeld, de Hoofdstukken over de
gehoorwerktuigen
en over het tongbeen te moeten uitlaten, omdat
beide, als niet tot het geraamte behoorende, geene
plaats in een osteologisch Handboek mogen beslaan,
en ook in de beenkundige lessen nooit behandeld
worden. Dit zij ter voorafsprake genoeg gezegd.
Mogt mijn arbeid niet geheel ondoelmatig gerekend
worden, zoo zal ik mij voor denzelven rijkelijk be-
loond achten.


INHOUD DER HOOFDSTUKKEN.

[[VII]]

EERSTE GEDEELTE.

Bladz.

TWEEDE GEDEELTE.


EERSTE GEDEELTE.


ALGEMEENE BEPALINGEN.

[Seite 1]

EERSTE HOOFDSTUK.
over de beenderen in het algemeen.

§ 1.

De beenderen zijn harde, brosse deelen, bijna alle
ondoorschijnend, witachtig-geel van kleur, ongevoe-
lig, van al de deelen des ligchaams het langst de rot-
ting wederstaande, en bij het verdroogen na den dood
volkomen hunne gedaante behoudende. Terwijl zij de
spieren tot punten van aanhechting, en de weeke dee-
len tot steun en bescherming dienen, bepalen zij in het
algemeen de gedaante en bewegelijkheid des ligchaams.

§ 2.

Deze eigenschappen zijn zij aan hun zamenstel
verschuldigd. Zij bestaan namelijk uit eene dierlijke,
doorschijnende, met talrijke bloedvaten doortrokkene
geleiachtig-kraakbeenige stof en uit kalkaarde, met
phosphor- en koolzuur vereenigd. Deze dierlijke stof en
dit aardachtig bestanddeel zijn echter niet chemisch,
maar slechts mechanisch met elkander verbonden.

§ 3.

De aardachtige bestanddeelen geven aan de beenderen
de hardheid, brosheid, ondoorschijnendheid, de wit-
[Seite 2] geelachtige kleur en de weinige vatbaarheid voor rot-
ting. Een’ beperkten graad van elasticiteit, de vorm-
baarheid en hun eigenaardig leven zijn zij aan de
dierlijke stof verschuldigd.

§ 4.

Men kan de onderscheidene beenderen van het ge-
raamte het voegzaamst tot drie hoofdvormen brengen.

1°. Platte, breede of vlakke beenderen (ossa plana,
lata et ampla.

2°. Pijp- of lange beenderen (ossa cylindrica, longa).

3°. Gemengde beenderen (ossa mixta).

§ 5.

Onder den naam van platte beenderen verstaat men
degene, welke bij uitgebreiden omvang eene slechts
geringe dikte voegen, die echter steeds aan de ran-
den aanmerkelijker is dan in het midden. Zij worden
door twee beenplaten gevormd, waarvan de eene eene
bolle, de andere eene holle oppervlakte heeft. Tus-
schen dezelve in, zit een celachtig weefsel, den naam
van diploe voerende. Zij voegen zich tot holten za-
men, bestemd ter bevatting van weeke deelen.

§ 6.

De pijpbeenderen zijn degene, bij welke de lengte
de breedte en dikte overtreft. In het midden van eene
eenigzins kokervormige maar tevens regelmatig ge-
wrongene gedaante, verbreeden zij zich aanmerkelijk
aan de uiteinden, en vormen aldaar gewrichtshoofden,
door middel van welke zij in onderling verband staan.
Alle zijn hefboomen door spieren in beweging gebragt
wordende, tot wier aanhechting zich scherpe kanten
en verhevenheden op hunne oppervlakte bevinden.

[Seite 3]

De ledematen grootendeels zamenstellende, verminde-
ren zij benedenwaarts allengs meer en meer in lengte.
Hun maaksel is inwendig celachtig, vooral aan de
uiteinden; uitwendig vast, inééngedrongen en als eene
beenschors, welke in het midden van het been dik-
ker is dan aan de uiteinden. Hun middelst gedeelte
is hol en met beenmerg gevuld.

§ 7.

Tot de gemengde beenderen worden degene gebragt,
welke meer dik dan lang en breed of ook wel rond-
achtig zijnde, noch tot de lange, noch tot de platte
beenderen behooren. Een sponsachtig, netgewijs in-
ééngedrongen weefsel, door eene zeer dunne been-
schors bedekt, kenmerkt dezelve. Zij zijn klein, maar
menigvuldig en vereenigen hierdoor in hunne zamen-
voeging bewegelijkheid met stevigheid.

§ 8.

In sommige beenderen echter zijn de kenmerken
derwijze gemengd, dat zij door inwendig maaksel tot
de eene, door gedaante tot de andere klasse be-
hooren.

§ 9.

Alle deze beenderen hebben dit eigenaardige, dat zij
uit tweederlei zelfstandigheid bestaan, namelijk uit een
los, sponsachtig (substantia spongiosa) en uit een vast,
ineengedrongen
weefsel (substantia compacta). Het laatste
naar buiten geplaatst, vormt de beenschors; het eerste
is het inwendig, sponsachtig weefsel der beenderen.
Beide echter zijn van één en hetzelfde maaksel, daar
de cellen, welke in het binnenste van het been losse
mazen vormen, allengs naar de buitenste oppervlakte
[Seite 4] zich te zamen pakken, en zich alzoo tot eenc vastere
schors inéénvoegen(1).

§ 10.

Wanneer wij de beenderen in hunne onderlinge za-
menvoeging tot vorming van het geraamte, als ook
met de weeke deelen in verband beschouwen, zien wij
dat zij alle met beenvlies bedekt zijn; dat zij veelal in-
wendig beenmerg bevatten; dat zij daar, waar zij zich
geleden, met kraakbeen omkorst, of ook wel door kraak-
beenige verlengsels met elkander verbonden zijn, of ve-
zelachtig-kraakbeenige platen tusschen zich hebben;
eindelijk dat zij aan hunne gewrichtsuiteinden door een
gewrichtsvlies omgeven zijn, waarin het lidvocht (syno-
via
) wordt afgezet.


TWEEDE HOOFDSTUK.
over het beenvliés (periosteum).

§ 11.

Het beenvlies (periosteum) is een vezeldradig vlies
(membrana fibrosa), hetwelk de beenderen van rond-
om tot aan de kraakbeenige oppervlakte omgeeft, of
waar deze ontbreekt, van het eene been tot het an-
der overgaat. Aan de gewrichten smelt het gedeel-
telijk met het vlies der kraakbeenderen (perichondrium),
gedeeltelijk met den kapselband inéén.

§ 12.

Deszelfs binnenste vast inééngedrongen gladde op-
[Seite 5] pervlakte is ten naauwste, vooral in volwassen leef-
tijd, met de oppervlakte der beenderen verbonden; de
buitenste is losser, ruwer, vlokkiger en staat met on-
derscheidene weeke deelen in verband.

§ 13.

Hetzelve ontvangt een groot aantal bloedvaten,
welke zoowel tot deszelfs voeding dienen, als door
hetzelve heen, in de beenderen dringen. De slagaders,
tot het been behoorende, kunnen in drie soorten ver-
deeld worden:

1°. Slagaders voor het mergkanaal, alleen in de
pijpbeenderen aanwezig.

2°. Slagaders voor het sponsachtig weefsel, het-
welk de uiteinden der pijp- en het geheel der platte
en gemengde beenderen uitmaakt.

3°. Slagaders voor de beenschors.

De aders vergezellen de slagaders niet; zij komen
daarom ook door bijzondere openingen te voorschijn, en
zijn in bijzondere beenige kanalen ingevat, in welke
slechts de binnenste rok dezer vaten zich voortzet.

Watervaten laten zich zeer duidelijk in het been-
vlies aanwijzen; bovendien wordt derzelver aanwe-
zigheid door de verschijnsels van vorming en voeding
in de beenderen genoegzaam bewezen.

Zenuwen bezit hetzelve niet; vandaar deszelfs on-
gevoeligheid.

§ 14.

Uit het voorafgaande kan men het nut van het
beenvlies gemakkelijk opmaken. Het bevestigt en be-
paalt den loop der bloedvaten, tot voeding des beens
dienende; hel verbindt de aanzetsels met het hoofsdtuk
[Seite 6] des beens; houdt de beenderen in onderling verband,
en geeft hierdoor meerdere stevigheid aan het geheele
beenstelsel. Als bijkomende nuttigheid verdient op-
gegeven te worden, dat het tot aanhechting der pe-
zen, peesplaten en banden dient.


DERDE HOOFDSTUK.
over het beenmerg (medulla oossium).

§ 15.

De inwendige ledige ruimte der beenzelfstandigheid
is met een olieachtig vet (beenmerg) gevuld. Dit wordt
door uitwasemende vaten in een bijzonder vlies, uit
celwijsweefsel bestaande, afgezet, hetwelk den naam
van mergvlies draagt, of ook wel minder juist inwen-
dig beenvlies
genoemd wordt.

§ 16.

Het is gedurende het geheele leven niet van de-
zelfde gesteldheid, noch ook in dezelfde hoeveelheid
aanwezig. Evenzeer verschilt het, naar gelang van
de diersoorten, van de individu’s en van de ziekten
des ligchaams.

§ 17.

Deszelfs nut, waarover vroeger zoo veel is getwist,
komt eenvoudig daarop neder, dat het de holten vult,
welke in de beenderen vereischt worden, om een’ be-
hoorlijken omvang met ligtheid en stevigheid te ver-
eenigen. Voorts vormt het eene vetlaag rondom de
[Seite 7] vaten, door welke deze tegen wrijving en beleediging
beschermd worden.


VIERDE HOOFDSTUK.
over het kraakbeen (cartilago).

§ 18.

Men kan drieërlei soorten van kraakbeen aannemen:

1°. Zuiver kraakbeen, zonder bijmenging van eeni-
ge andere stof, gelijk het aan de omkorsting der ge-
wrichtsuiteinden van de beenderen voorkomt.

2°. Met peesvezels vereenigd en als tusschen de-
zelve ingestrooid, het zoogenaamd vezelachtig kraakbeen
(fibro-cartilago).

3°. Met aardachtige bestanddeelen vereenigd, ge-
lijk het zich als oorspronkelijke grondlaag der been-
deren vertoont.

§ 19.

I°. Tot het zuiver kraakbeen, hetwelk in den ge-
zonden toestand niet in beenstof overgaat, en daarom
ook den naam van blijvend kraakbeen (cartilago per-
manens)
voert, worden de kraakbeenige omkorstingen
der gewrichtsuiteinden, de kraakbeenderen der rib-
ben en verschillende kraakbeenige platen gebragt,
welke niet tot het geraamte behooren, maar tot on-
dersteuning van de weeke deelen des ligchaams dienen.

§ 20.

Deze allen hebben een dun, doorschijnend, tame-
lijk vast bekleedsel (perichondrium), met het beenvlies
[Seite 8] overeenkomende. De kleur is meestal blaauwachtig
of roodachtig wit, somtijds geel, in enkele melkwit.
Het maaksel bestaat in sommige uit vezelen, welke
regtdoor van de eene oppervlakte naar de andere
gaan. Het chemisch zamenstel houdt 2/3 water en 1/3
vaste dierlijke stof, welke volgens hatchett en davy,
uit gestremd eiwit en phosphorzuren kalk bestaat.

§ 21.

Zij bezitten slagaders en aders, welke echter op de
kraakbeenige omkorsting der gewrichtsuiteinden nooit
duidelijk aangetoond zijn. Of er opslorpende vaten in
bestaan, is nog niet uitgemaakt. Zenuwen bezitten
zij stellig niet.

§ 22.

De physische eigenschappen van het blijvend kraak-
been zijn elasticiteit, geringe buigzaamheid en bros-
heid (met eene gave, gladde breuk); deszelfs leven is
gering; vandaar het volslagen gemis van gevoeligheid,
de weinige vormbaarheid en het zwak herstellingsver-
mogen. Aan de rotting wederstaat het wel is waar,
lang, maar door water wordt het eindelijk toch opge-
lost. In den Papiniaanschen ketel gaat het geheel tot
gelei over. Het droogt spoedig en gemakkelijk.

§ 23.

Deszelfs nut verschilt naar gelang van de deelen.
De kraakbeenige omkorsting der gewrichten vermin-
dert den schok en de wrijving der oppervlakten, en
vermeerdert de uitgestrektheid der beweging. De
kraakbeenderen der weeke deelen ondersteunen dezel-
ve niet alleen, maar hebben ook op derzelver werk-
zaamheid een’ grooten invloed. De kraakbeenderen
[Seite 9] der ribben oefenen een gewigtig vermogen bij de adem-
haling enz.

§ 24.

II°. Het vezeldradig kraakbeen (fibro-cartilago) uit
peesvezelen en kraakbeen zamengesteld, krijgt hierdoor
geheel andere eigenschappen. Het is van meerdere
bloedvaten voorzien, echter van zenuwen ontbloot.
Het perichondrium omgeeft hetzelve niet.

§ 25.

Door de ingemengde peesvezelen krijgt het meer-
dere taaiheid en buigzaamheid, maar laat zich daar-
om ook niet even als het kraakbeen verbreken. Des-
zelfs elasticiteit is aanmerkelijk. Het herstellingsver-
mogen is veel grooter dan van het kraakbeen.

§ 26.

De vezeldradige kraakbeenderen zijn of tusschen been-
deren geplaatst, welke, hoewel bewegelijk, echter niet
over elkander heenglijden, of zij zijn losse schijven
in de gewrichten, of zij dienen als steunpunten voor
gewrichtshoofden.

§ 27.

III°. De derde soort van kraakbeen is datgene, hetwelk
slechts in de eerste tijdperken der ontwikkeling be-
staande, naderhand gedeeltelijk opgeslorpt wordt, ge-
deeltelijk met de daarin afgezette beenstof zich ver-
bindt. Dit niet blijvende kraakbeen draagt den naam
van tijdelijk of verbeenend kraakbeen (cartilago tempo-
raria, sive ossescens).
Over hetzelve nader bij de been-
wording (Osteogenesis).


VIJFDE HOOFDSTUK.
over het gevvrichtsvlies (membrana synovialis).

[Seite 10]

§ 28.

Rondom de kraakbeenige omkorsting der geledingen
vindt men een weivlies (gewrichtsvlies), hetwelk ter
eener zijde de gewrichtsoppervlakten bekleedt, ter an-
dere met den kapselband der gewrichten zamengroeit,
en even als alle overige weivliezen, een’ gesloten’ zak
voorstelt, in welken het lidvocht (synovia), door uit-
wasemende vaten afgezet wordt.

§ 29.

Het lidvocht (synovia), is een halfdoorschijnend,
kleverig en draderig vocht, hetwelk zich stremmende in
gelei overgaat, en ligt in water oplosbaar is. Het gaat
spoedig in rotting over, en sluit eene dierlijke zelfstan-
digheid in zich, welke met eiwit overeenkomt. Groo-
tendeels uit deze stof en uit water bestaande, bevat
het, volgens lassaigne en boissel, ook nog vet, on-
strembare dierlijke stof, chlorkalium en chlornatrium.

§ 30.

Het lidvocht heeft ten doel, de gewrichtsoppervlakten
glad en glibberig te houden, ten einde derzelver bewe-
ging te bevorderen en de inééngroeijing te voorkomen.

§ 31.

Bovendien vindt men in de gewrichten ophoopin-
gen van vet en celwijsweefsel, welke de wrijving ver-
minderende, hierdoor de beweging bevorderen. Zij
voeren den ongepasten naam van klieren van havers
(glandulae haversii).


ZESDE HOOFDSTUK.
over de verbindingen der beenderen.

[Seite 11]

§ 32.

Men kan de wijze, waarop de beenderen des lig-
chaams zich onderling vereenigen, tot twee klassen
brengen, tot eene bewegelijke en onbewegelijke, en el-
ke weder, gelijk uit het hieronder geplaatst overzigt
blijkt, in de navolgende afdeelingen splitsen:

verbinding der beenderen.





1e. Klasse.
bewegelijke
geleding, gewricht.
1e. Orde.
in meer dan
ééne rigting.
1°. met elkander rakende en
vrije oppervlakten. Enar-
throsis.

2°. met elkander rakende en
ineengedrongen oppervlak-
ten. Arthrodia.
3°. met zamenhangende opper-
vlakten. Amphiarthrosuis.

2e. Orde.
slechts in ééne
rigting.
1°. met ongelijke oppervlak-
ten. Ginglymus angularis.
2°. met gelijkvormige opper-
vlakten. Ginglymus late-
ralis.
2e. Klasse.
onbewegelijke
zamen- of invoeging.
1°. met aanliggende randen. Harmonia.
2°. met in elkander grijpende randen. Sutura.
3°. in elkander geplant. Gomphosis.

§ 33.

Geleding is die vereeniging der beenderen, door wel-
ke slechts derzelver kraakbeenig omkorste uiteinden
in bewegelijke aanraking gebragt worden.

§ 34.

[Seite 12]

Enarthrosis of diepe geleding is: dat twee kraakbee-
nige oppervlakten der beenderen door een bol hoofd
aan den eenen en eene meer of min diepe kom aan
den anderen kant, elkander raken en vrijelijk zich
op elkander bewegen. Wenteling en rondvoering kun-
nen door dezelve geoefend worden.

§ 35.

Arthrodia of ondiepe geleding is: dat het kogelvor-
mig gewrichtshoofd van het eene been in eene on-
diepe en kleine holte van het andere, vrije speling
heeft, en als het ware over dezelve heenglijdt. Min-
der beperkte, maar ook veel minder stevige rondvoe-
ring dan in de Enarthrosis, is de beweging, aan
dit gewricht eigen.

§ 36.

In de Amphiarthrosis of twijfelachtige geleding, zit-
ten de gelijkvormige gewrichtsoppervlakten stijf op el-
kander en oefenen slechts eene geringe beweging.

§ 37.

Ginglymus angularis of hoekscharniergewricht draagt
zijnen naam, doordien bij hetzelve twee ongelijke
vlakten derwijze in elkander vatten, dat even als in
een gewoon scharnier, slechts regtstreeksche buiging
en uitstrekking mogelijk zijn.

§ 38.

Bij het zijdelingsch scharniergewricht (Ginglymus latera-
lis),
zijn de beide oppervlakten gelijkvormig, en be-
paalt zich de beweging tot ronddraaijing in een’ hal-
ven cirkel, daar het eene been even als om eene spil,
zich rondom het ander wentelt.

§ 39.

[Seite 13]

Bij de onbewegelijke vereeniging raken de beenderen
elkander niet met hunne oppervlakten, maar vatten
met hunne randen in elkander, of bedekken zich met
dezelve onderling, of zijn ook wel in bijzondere hol-
ten ingeplant.

§ 40.

Harmonia heet zulk een verband, bij hetwelk de
beenderen met hunne ruwe en ongelijke oppervlak-
ten aan elkander liggen, zonder tandsgewijs in el-
kander te grijpen.

§ 41.

Naad of sutura draagt haren naam naar de zaagswijs
gekartelde randen, waarmede bij dezelve de beende-
ren in elkander vatten. In enkele sluiten de verdun-
de randen, even als de leijen der daken op elkander.
Men heet dit schubnaad (sutura squamosa).

§ 42.

Bij de Gomphosis zijn de beenderen in bijzondere
holten ingeplant, even als nagels in de gaten, welke
men voor dezelve geboord heeft. Strikt genomen be-
hoort deze vereeniging niet tot het beenstelsel; want de
tanden, de eenige deelen, bij welke dit plaats heeft,
kunnen eigenlijk niet tot hetzelve gebragt worden.


ZEVENDE HOOFDSTUK.
over de vorming en ontwikkeling des beenstelsels
(Osteogenesis).

§ 43.

De oorspronkelijke grondlaag van het geraamte be-
[Seite 14] staat uit kraakbeen, hetwelk alle deszelfs grondvor-
men reeds vertoont. In hetzelve wordt beenstof afge-
zet, welke meer en meer uitgroeijende, eindelijk groo-
tendeels de plaats van het oorspronkelijk kraakbeen
vervangt.

§ 44.

Het eerste tijdperk der beenwording bestaat in ont-
wikkeling van het slagaderlijk vaatstelsel, uit welks
bloed de kalkaarde afgezet wordt, die zich met het
kraakbeen verbindende, het beenstelsel vormt. Van-
daar de groote invloed, welken de slagaders door ha-
re rigting en aantal, op de beenwording hebben.(1)

§ 45.

De veranderingen, welke daarbij in het oorspron-
kelijk kraakbeen plaats grijpen, zijn: dat er door op-
slorping kanalen in ontstaan, welke daar, waar de
verbeening begint, een rood aanzien krijgen en meer
en meer in aantal toenemende, aan het kraakbeen het
sponsachtig aanzien geven, hetwelk later aan de been-
deren eigen is.

§ 46.

Door afzetting van kalkaarde verandert nu het
uitwendig aanzien des kraakbeens, en wordt het graauw
en ondoorschijnend. Dit geschiedt echter aanvankelijk
slechts op bepaalde plaatsen, aan welke men den naam
van verbeeningspunten (puncta ossificationis) geeft. Met
[Seite 15] derzelver oorsprong begint het tweede tijdperk der been-
wording.

§ 47.

Deze verbeeningspunten, welke naar gelang der
beenderen van verschillende gedaante zijn, ontstaan
met eenige weinige uitzonderingen, het eerst in het
midden van het kraakbeen, uit welk middelpunt
de beengroei zich voortzet. Enkele beenderen ont-
staan slechts uit één punt; de meeste uit meer dan één.

§ 48.

Deze vermenigvuldiging der beenpunten heeft tot
doel, den beengroei gemakkelijker te maken; het kind
eene mindere ruimte in het moederlijk ligchaam te
doen beslaan, en deszelfs doortogt door het bekken bij
de geboorte te bevorderen. Voorts heeft dezelve het
uitstekend nut, om de beenderen welke bestemd zijn,
om andere deelen in zich te bevatten, op de eenvou-
digste wijze, naar derzelver voortgaanden omvang,
te voegen. Vandaar dat de gescheiden beenstukken
niet eerder tot een geheel zamensmelten, voordat de
deelen, welke in dezelve bevat zijn, hun vollen was-
dom bereikt hebben.

§ 49.

De beenpunten, tot vorming der bijzondere been-
deren bestemd, ontstaan of gelijktijdig en gaan elkan-
der op eene gelijke wijze te gemoet; of er is oor-
spronkelijk in het midden van het been, slechts ééne
beenkern (diaphysis), bij welke zich naderhand, aan
de uiteinden van het oorspronkelijk kraakbeen, ande-
re voegen (epiphyses), die gelijkmatig voortgroeijen-
de, eindelijk de middelste beenkern bereiken, maar
[Seite 16] met dezelve niet vóór den vollen wasdom des ligchaams
inéénsmelten.


ACHTSTE HOOFDSTUK.
veranderingen van se beenderen na de geboorte.

§ 50.

Bij de geboorte zijn nog maar weinige beenderen
voltooid; de meeste vertoonen beenkernen in meer
of min volmaakten toestand; enkele bestaan nog maar
uit de kraakbeenige grondlaag.

§ 51.

Na de geboorte nemen de beenderen verder in groot-
te toe, en ontwikkelen zij zich zoowel uit- als inwen-
dig, tot dat zij van het vijftiende tot aan het twin-
tigste levensjaar, hunne meeste volkomenheid bereiken.

§ 52.

Gewigtig zijn de veranderingen, welke de schedel-
beenderen daarbij ondergaan. Bij de geboorte zijn de-
ze sponsachtig, buigzaam, door geene naden in elkan-
der grijpende, maar veeleer tusschenruimten overla-
tende, welke door de nog niet verbeende kraak-
beenige grondlaag gevormd worden en fontanellen hee-
ten. Men onderscheidt er drieërlei: 1°. groote fonta-
nel;
2°. kleine of zijdelingsche fontanellen; 3°. achter-
ste fontanel.
Wanneer de beenderen naderhand meer
en meer uitgroeijen, zoo worden deze tusschenruimten al
kleiner en kleiner, tot dat zij eindelijk, op een’ klei-
nen kraakbeenigen rand na, verdwijnen en de been-
deren tandsgewijs in elkander grijpende, de zoogenaam-
de naden vormen.

§ 53.

[Seite 17]

Terwijl dit geschiedt, groeijen de aangezigtsbeende-
ren, zoowel wat het kraakbeenig als het beenachtig
gedeelte aangaat, meer en meer uit. Tevens ontwik-
kelen zich de holten, welke onder den naam van
slijmboezems, met het reukwerktuig in verband staan,
en smelten de beide stukken, waaruit de onderkaak
bestaat, inéén.

§ 54.

In de pijpbeenderen vergroot zich het middelstuk
(diaphysis),
meer in de lengte dan in de breedte. De
eindstukken (epiphyses) groeijen nu uit, maar behou-
den echter, tot aan den volkomen’ wasdom toe,
tusschen zich en het middelstuk, eene kraakbeenige
plaat, als overblijfsel van het oorspronkelijk kraak-
been. Zijn zijn dan even als door eenen naad met het
middelstuk verbonden, en zoo men het kraakbeen ver-
nietigt, schijnen zij zich met eene holle oppervlakte
tegen de bolle en ruwe oppervlakte van het middelstuk
aan te sluiten. Dit is echter slechts een kunstmatig
voortgebragt gezigtsbedrog, daar allen in oorspronke-
lijke grondlaag één geheel uitmaken, in hetwelk zich
onderscheidene beenpunten zoodanig ontwikkelen, dat
zij eindelijk elkander raken en bij volslagen’ wasdom,
echter naar gelang der beenderen, op verschillende tij-
den, inééngroeijen.

§ 55.

De eindstukken (epiphyses), op deze wijze met het
middelstuk zamengesmolten zijnde, veranderen in apo-
physes
of uitsteeksels, welke men onware heet, om ze
van degene te onderscheiden, welke, zonder afzonder-
[Seite 18] lijke beenkernen te vormen, uit het oorspronkelijke
kraakbeen uitgegroeid zijn, en den naam van ware
uitsteeksels
voeren.

§ 56.

Nu neemt de lengte dezer beenderen niet meer toe;
maar zij kunnen zich echter in omvang uitzetten.
Naar gelang de spieren zich meer ontwikkelen, wor-
den ook de uitsteeksels sterker, en de oppervlakten
en verhevene lijnen tot derzelver inplanting, ruwer
en scherper. Even zoo hollen zich de groeven en
kuilen meer uit, naar mate de omvang der weeke
deelen toeneemt, tot welker bevatting zij bestemd zijn.

§ 57.

Men wachte zich echter, een en ander aan een’
bloot werktuigelijken invloed toe te schrijven. De uit-
steeksels, ruwe oppervlakten, scherpe lijnen, de kui-
len en sleuven der beenderen zijn wel gevolg, maar
geenszins een eenvoudig uitwerksel der ontwikkeling
van de weeke deelen. Het valt intusschen niet te
ontkennen, dat mechanische oorzaken den vorm der
beenderen kunnen veranderen(1).

§ 58.

Van het vijf-en-twintigste tot het veertigste of vijf-
tigste levensjaar veranderen de beenderen op geene
zeer merkbare wijze. De voorhoofdsboezems alleen
nemen in omvang toe; de tanden slijpen zich meer
en meer af; de beenderen worden kantiger en ruwer.
Zij blijven echter zeer vormbaar, gelijk door menig
ziektekundig bewijs zoude kunnen gestaafd worden.

§ 59.

[Seite 19]

In hoogen ouderdom wordt ook het beenstelsel even
als zoo vele andere deelen allengs gesloopt. Do ver-
sleten tanden vallen uit; de tandkassen verdwijnen;
de onderkaak verliest hare vroegere hoogte, verlengt
zich schijnbaar, en steekt hierdoor naar voren uit. De
naden verdwijnen, de beenderen verdunnen zich en
verliezen hunne vaste, ivoorachtige zelfstandigheid,
zoodat zij aardachtig en bros worden. Het beenmerg
vermeerdert zich en wordt donkerder van kleur. Op
sommige plaatsen vergroeijen de gewrichten en ver-
beenen de kraakbeenderen.


NEGENDE HOOFDSTUK.
over de tegennaturlijke beenwording.

§ 60.

Hiertoe behoort in de eerste plaats de herstelling
der beenzelfstandigheid, na beenbreuken of de vorming
van beenweer (callus). Dezelve doorloopt nagenoeg
dezelfde tijdperken, als de beenwording in de eerste
tijden der ontwikkeling.

§ 61.

Verhoogd leven des slagaderlijken stelsels in den
omtrek van de beenbreuk is het eerste verschijnsel,
hetwelk bij dezelve opgemerkt wordt. Uitzweeting
van plastische lympha het tweede. Deze gaat daarna
in kraakbeen over, in hetwelk zich bloedvaten ont-
wikkelen, die zich door inmonding met die der ge-
brokene uiteinden verbinden. In dit kraakbeen vor-
[Seite 20] men zich kanalen en cellen, welke zich met die van de
gebroken uiteinden vereenigen.

§ 62.

Het kraakbeen op deze wijze voorbereid zijnde,
wordt er beenstof in hetzelve afgezet; eerst aan de
binnen- en buitenoppervlakte des gebroken beens, en
later tusschen deze beide in. Dit beenweer krijgt al-
lengs in alles den aard van been, maar is meer zaam-
gepakt en vaster dan gezonde beenzelfstandigheid. –
Rondom herstelt zich het beenvlies, voor zoo verre dit
bij de breuk is verloren gegaan, en door een en an-
der vormen allengs de beide einden van het gebroken
been een vast geheel met de nieuw gevormde stof.

Door ziekelijke oorzaken, verkeerd aangewende mid-
delen, te verre onderlingen afstand van de gebroken’
einden, voorbijschuiving van dezelve, zamengestelde
beenbreuken, enz. wordt het beenweer in eene zoo
groote hoeveelheid afgezet, dat hierdoor aanzienlijke
gezwellen ontstaan. Men bestempelt dit met den zeer
ongepasten naam van woekerend beenweer (callus luxu-
rians)
(1).

§ 63.

Aan hetzelfde herstellingsvermogen is de vorming
dier beenzelfstandigheid haren oorsprong verschuldigd,
welke in de plaats treedt van beenstukken door ver-
zwering en beenversterving, of ook wel door uitwen-
dige oorzaken vernield.

§ 64.

[Seite 21]

Door ziekelijke oorzaak vormt zich somtijds de
beenstof in te groote hoeveelheid, waardoor of alge-
meene
of plaatselijke verdikking des beens te weeg ge-
bragt wordt. Zoo deze in het laatste geval zich over
den geheelen omvang uitstrekt, heet zij exostosis; zoo
zij zich tot het een of ander punt beperkt, hyperos-
tosis.
Elk dezer gebreken is aan verschillende wijzi-
gingen onderhevig. Ook kan zich het sponsachtig
weefsel des beens, zonder ophooping van beenstof, uit-
breiden, en hierdoor het been doen opzwellen. Spina
ventosa. Exostosis cavernosa.

§ 65.

In tegenoverstelling wordt somtijds de kalkaarde of
oorspronkelijk in te geringe hoeveelheid afgezet, en
blijft hierdoor het geheele beenstelsel in een’ verweek-
ten toestand: aangeboren beenverweeking (osteo-mala-
cia congenita.)
Of wordt zij na de geboorte, ja zelfs
in volwassen leeftijd, aan de beenderen ontnomen:
verkregen beenverweeking (osteo-malacia acquisita.) Dit
geschiedt vooral bij vrouwen, die snel achtereen
gebaard hebben(1). Zoo bij de verweeking zich uit-
zetting der beenderen, vooral aan de gewrichtsuit-
einden voegt, heet zij rachitis.

§ 66.

De beenderen zijn aan eene eigenaardige verzwering
(caries) onderhevig, welke meestal van eene algemeen
[Seite 22] op het ligchaam werkende ziekteoorzaak afhangt, en
naar derzelver verschillenden aard een onderscheiden
karakter aanneemt; weshalve men caries syphilitica,
scorbutica, scrophulosa, caet.,
onderscheidt.

§ 67.

Tot de afwijkingen in de beenvorming behooren
ook alle die veranderingen, welke de gedaante der
beenderen ondergaat door de ontaarding der deelen,
die met hen in verband staan.

§ 68.

Eindelijk moeten tot de tegennatuurlijke beenwor-
ding de verbeening en kalkachtige omkorsting van
weeke deelen gebragt worden, hetzij deze van eene
ziekelijke oorzaak, hetzij van ouderdom afhangen.
De wijze intusschen waarop dit geschiedt, verschilt
in vele opzigten van de natuurlijke beenvorming.


TWEEDE GEDEELTE.


BESCHRIJVING DER BEENDEREN.

[Seite 23]

EERSTE HOOFDSTUK.
over den schedel in het algemeen.

§ 69.

Men verdeelt het geraamte in den schedel, den romp
en de ledematen, van welke de eerste wederom de
bekkeneels- en aangezigtsbeenderen tot onderdeelen heeft.

§ 70.

Het hekkeneel is de groote holte, waarin de herse-
nen bewaard liggen; de aangezigtsbeenderen strekken
zich van den neuswortel zijdwaarts uit tot aan de
wangen en beneden tot aan de kin.

§ 71.

Met uitzondering van de onderkaak en de gehoor-
beentjes, zijn alle overige beenderen aan den schedel
door naden of invoeging onbewegelijk met elkander
verbonden.

§ 72.

De menschelijke schedel is voornamelijk in twee-
derlei opzigt van dien aller overige dieren onderschei-
den; ten eerste, door den ongemeen grooten omvang
zijner hersenholte in verhouding tot het aangezigt;
ten tweede door zijn meer loodregt profil.

§ 73.

[Seite 24]

Deze verhouding van de hersenholte tot het aan-
gezigt wijzigt zich wel is waar, naar den verschil-
lenden ouderdom en naar de onderscheidene menschen-
rassen, maar is toch altijd aanmerkelijk grooter, dan
bij eenig ander dier, hoezeer hetzelve ook tot de ge-
daante van den mensch moge naderen.

§ 74.

Niet alle menschenschedels echter zijn elkander ge-
lijk. Dit verschil hangt af van leeftijd, kunne en
volksaard. Hoe groot hetzelve ook zijn móge, en hoe-
veel sommige schedels ook tot den dierlijken vorm
naderen: er blijft echter tusschen den mensch en die
dieren welke het meest met hem in gedaante over-
eenkomen, eene groote klove, die zoowel door het
gemis van gescheiden tusschenkaaksbeen(1), als door
het vooruitsteken der kin, maar vooral door het min-
der uitpuilen van het aangezigt en deszelfs betrekke-
lijk mindere ontwikkeling wordt voortgebragt.

§ 75.

Tot de veranderingen, door leeftijd in de gedaante
van den schedel voortgebragt, behoort, behalve het-
geen wij er hierboven reeds van gezegd hebben, in
de eerste plaats, dat, na de tandenwisseling, de voor-
heen bijna cirkelvormige boog van den aan beide zij-
den geplaatsten tandkassenrand in eene meer ellip-
tische gedaante verandert, om de talrijke blijvende
tanden des te beter te kunnen bevatten, waardoor dan
[Seite 25] ook de wezenslijn alles gelijk zijnde in dezelfde mate
van deszelfs vroegere loodregte rigting, moet afwijken;
ten tweede, dat de hoek der onderkaak, welke vóór
het te voorschijn komen der tanden stomp is, allengs
tot den regthoek begint te naderen(1).

§ 76.

Het sexueel onderscheid laat zich tot de volgende
hoofdpunten terug brengen. In de vrouw is de ge-
daante van het hoofd kogelvormig; de omvang van de
hersenholte in verhouding tot het aangezigt, grooter;
de voorhoofdsboezems minder ruim; de oppervlakte
van het voorhoofdsbeen gladder, met minder uitpui-
lende wenkbraauwbogen; de gaten tot doortogt der
zenuwen geringer; de aangezigts-beenderen dun-
ner; de uitwendige neusopening naauwer; de tand-
kassen-rand meer elliptisch; de tanden kleiner; de
mondholte korter en naauwer; alle uitsteeksels min-
der uitgewerkt en hierdoor de beenderen gladder(2).

§ 77.

Tot beoordeeling van het nationaal verschil moet
men zijne aandacht vestigen op de meerdere of min-
dere grootte van den hoek, welken de wezenslijn (li-
nea facialis)
door camper uitgedacht, met den horizont
maakt(3); op den omvang van de kruinoppervlakte
der schedels(4); op de diepte en lengte der fossa ba-
[Seite 26] silaris
(1); op het uitpuilen van den jukbeensboog; op
de lengte van het verhemelte, de plaatsing van het
achterhoofdsgat, den onderlingen afstand der oogkas-
sen, de dikte en de hierdoor voortgebragte zwaarte
der beenderen, enz.

§ 78.

Behalve deze bestaan er nog tegennatuurlijke af-
wijkingen in de gedaante des schedels; onder deze,
welke in het oneindige verschillen, en niet wel tot
bepaalde hoofdpunten van onderscheid kunnen gebragt
worden, munten vooral diegene uit, welke van eene
betrekkelijk te lange of te korte onderkaak afhangen.

§ 79.

Het bekkeneel is uit de volgende acht beenderen te
zamen gesteld:

  • 1. het voorhoofdsbeen.
  • 2. 3. de beide wand- of kruinbeenderen.
  • 4. het achterhoofdsbeen.
  • 5. 6. de slaapbeenderen.
  • 7. het wiggebeen.
  • 8. het zeefbeen.

TWEEDE HOOFDSTUK.
over het voorhoofdsbeen.

§ 80.

Het voorhoofdsbeen (os frontis) (bij de Arabieren
het kroonbeen, os coronale, genoemd), is het grootste
[Seite 27] van alle schedelbeenderen en wat deszelfs gedaante
betreft, niet ongelijk aan eene drinkschaal of mossel-
schelp.

§ 81.

Het staat met 12 naburige beenderen in verband;
namelijk: 1, 2, met de wandbeenderen; 3, het wigge-
been; 4, het zeef been; 5, 6, de bovenkaaksbeenderen;
7, 8, de jukbeenderen; 9, 10, de neusbeenderen en
11, 12, de traanbeentjes.

§ 82.

Bij de vrucht bestaat dit been uit twee gelijke stuk-
ken(1), welke in de eerste levensjaren door eenen
naad met elkander verbonden zijn, gewoonlijk echter
naderhand te zamen groeijen. Niet zelden blijft deze
voorhoofdsnaad (sutura frontalis) bestaan, en wel bij
breede voorhoofden menigvuldiger dan bij smalle(2),
bij mannen echter zoowel als bij vrouwen. Dikwijls
althans blijft er een spoor van dezen naad aan den
neuswortel.

§ 83.

Het geheele been helpt drie holten vormen, de
kersen- oog- en neusholte. Hierdoor kan het geschikt
in drieën verdeeld worden: 1°. het voorhoofdsgedeelte;
2°. hel oogholtegedeelte; 3°. het neusgedeelte.

§ 84.

I. Het voorhoofdsgedeelte (pars frontalis) is het groot-
ste der drie, van buiten gewelfd, van binnen uit-
gehold.

[Seite 28]

De voorste oppervlakte der buitenzijde(1) is meest-
al glad en als afgeslepen. Gewoonlijk zijn er in het
midden, boven de oogen, aan beide zijden een paar
knobbels (tubera frontalia), op de plaats namelijk,
waar bij de vrucht de verbeening eenen aanvang heeft
genomen.

Meer naar onderen, bij den neuswortel, liggen een
paar kleinere verhevenheden: wenkbraauwbogen (arcus
superciliares),
die echter eerst na het einde van het
eerste levensjaar beginnen op te zetten. Zij zijn door
eene driehoekige plaat (glabella) van elkander geschei-
den, en dragen even als het gansche voorhoofd, veel
bij tot de karakteristieke gedaante van het gezigt.(2)

Het voorhoofdsgedeelte grenst van weerszijden aan
de oogholtengedeelten, door middel van den boogvor-
migen rand der oogholten, die van binnen iets dieper
dan de glabella begint, en van buiten in een getand
uitsteeksel (processus orbitalis externus s. malaris) eindigt.

Achter hetzelve ligt de fossa temporalis, en van
hetzelve af rijst een oneffene rand achterwaarts in de
hoogte, welke de gladde oppervlakte van het voor-
hoofdsbeen van de ruwere zijvlakte van het bekkeneel
(planum semicirculare) afscheidt.

§ 85.

II. Het gedeelte van het voorhoofdsbeen, dat het
verwulfsel der oogholten vormt (pars orbtialis), is plat
[Seite 29] uitgehold en loopt van den genoemden boogvormigen
rand naar achteren(1).

Naar voren toe ziet men gewoonlijk de bewijzen van
twee merkwaardige deelen van het oog. Aan de bin-
nenzijde namelijk meest een groefje, of een stompe
doren (spina trochlearis), waaraan de zoogenaamde
katrol van de bovenste schuinsche oogspier vastzit.
Aan de buitenzijde naar het jukbeensuitsteeksel toe,
eene eenigzins ruwe plaats, op welke de traanklier
ligt.

§ 86.

III. Eindelijk blijft nog het deel over, dat met den
neus in verband staat, (pars nasalis).

Het begint onder de glabella met eene diep uitge-
holde groeve, uit welker midden een getande doorn
(spina nasalis) voortkomt, die even als de groeve tot
bevestiging der neusbeenderen, maar ook tot aanhech-
ting van het middelschot van den neus dient.

Aan weersijden loopen een paar van voren breede,
van achteren smallere met cellen voorziene randen,
achterwaarts; op welke de cellen van het zeef been
passen.

Aan den voorkant, waar deze randen het breedst
zijn, voeren een paar groote, meest onregelmatige
[Seite 30] openingen naar de voorhoofdsboezems (sinus frontales),
welke in het middelste en onderste gedeelte van
dit been als ingegraven zijn. Hoewel derzelver begin-
sels, volgens albinus, reeds in eene menschelijke vrucht
van 9 maanden aanwezig zijn, beginnen zij echter
eerst tegen het einde van het eerste levensjaar zich
eenigzins uit te breiden(1).

§ 87.

Zij zijn meestal door een doorbroken middelschot
van elkander gescheiden, hetwelk, wanneer de voor-
hoofdsnaad in wezen gebleven is, gewoonlijk door den-
zelven als in twee platen gesplitst wordt, zoodat elke
helft van het been eene plaat vormt, die met eene
ruwe oppervlakte tegen die der andere zijde aansluit.
Dikwijls is elke dezer holten als in meer vakken ver-
deeld, die gedeeltelijk zelve nog bijzondere celletjes
vormen; in ’t algemeen echter wijken zij dikwijls(2)
in gedaante, omvang en wijze van zamenvoeging met
de cellen van het zeef been af. Hunne grootste opening
loopt eindelijk in een trechtervormig kanaal uit, het-
welk door het traanbeentje, het neusuitsteeksel der bo-
venkaak en het zeef been gevormd wordt, in den neus
afdaalt, en van voren in het middelste neuskanaal
(meatus narium medius) met eene schuinsche opening
eindigt.

Beide de holten en hare gangen zijn met een tee-
[Seite 31] der, zeer vaatrijk vezeldradig slijmvlies (membrana fibro-
so-mucosa
) bekleed, welks ontelbare slagaderen een
dun slijmachtig vocht afzetten.

§ 88.

Aan de inwendige oppervlakte van het voorhoofds-
been, langs den voorhoofdsnaad, wordt het voorhoofds-
gedeelte(1) door de aanhechting van het seisvor-
mig verlengsel van het harde hersenvlies in twee
helften gedeeld.

Tot deze aanhechting dient midden op het been eene
lange sleuf (sulcus frontalis) die naar boven toe vlak-
ker en onduidelijker wordt, welker randen echter be-
nedenwaarts te zamen komen, in eenen gewelfden rand
met een’ scherpen kam (crista frontalis) uitloopende(2).

Op de overige groote vlakte vertoonen zich nog ver-
scheidene soorten van groeven en sleuven, over wier oor-
sprong vroeger reeds gehandeld is, en die zich voor
het overige ook op de inwendige vlakte der overige
schedelbeenderen bevinden.

Hiertoe behooren de takkige sleuven van de arteria
meningea anterior;
verder de vingervormige indruk-
sels en hersenheuvels (impressiones digitatae et juga ce-
rebralia
), die zich naar de sleuven en kronkels van de
[Seite 32] hersenen voegen; somtijds bestaan er ook groeven voor
de Pacchionische klieren van het harde hersenvlies(1).

§ 89.

De indrukken en verhevenheden zijn aan het oog-
holtegedeelte het duidelijkst, waar do voorste hersen-
kwabben liggen.

Grootendeels behooren zij ook tot het neusgedeelte,
daar zij het deksel voor de voorhoofdsboezems en ge-
deeltelijk ook voor de cellen van het zeefbeen vor-
men. Hier zijn zij door de groote zeefbeens-insnijding
(incisura ethmoidea) als uitgesneden, in welke de zeef-
plaat met den hanenkam komt te liggen, en aan welker
voorsten rand, naar de crista frontalis toe, gemeenlijk
een paar groeven, ter bevatting der kleine vleugels
van den hanenkam, te vinden zijn.

§ 90.

Nog zijn de gaten van het voorhoofdsbeen te ver-
melden.

Eerstelijk, het foramen supraorbitale aan den rand
der oogholte bij de glabella, tot doortogt der voor-
hoofdszenuwen van den eersten tak van het vijfde paar
en van eenige bloedaderen. Soms is in plaats van dit aan
de eene zijde eene kleine groef. Vervolgens twee of drie
foramina orbitalia interiora s. ethmoidea aan den bin-
nensten rand van het oogholtegedeelte. Het voorste
is meest een foramen proprium, dat namelijk de been-
deren zelve doorboort, en tot doorgang der neuszenu-
wen van den genoemden tak van het vijfde paar dient.
De achterste zijn meest foramina communia (die name-
lijk eerst door de verbinding van twee aan elkander
[Seite 33] stootende beenderen gevormd worden) en zijn voor de
zeefbeens-slagaderen bestemd.

Eindelijk bevindt zich aan de binnenvlakte van het
been, onder den voorhoofdskam, het zoogenaamde blinde
gat (foramen coecum),
hetwelk soms een foramen pro-
prium
is, en soms als een commune met behulp van den
daaraan stootende hanekam gevormd wordt. Het is ook
niet altoos gesloten, maar meermalen open, gaat dan in
de voorhoofdsboezems over, en verleent aldus doortogt
aan het celwijsweefsel en de kleine bloedvaten, wel-
ke van het alhier bevestigd uiteinde van het sikkel-
vormig verlengsel van het harde hersenvlies afkomen.


DERDE HOOFDSTUK.
over de wand- of kruinbeenderen.

§ 91.

De wand- of kruinbeenderen (ossa verticis, sincipitis,
parietalia, site bregmatis)
zijn een paar eenvoudige
schaalvormige beenderen, die voor een groot gedeelte
het gewelf van het bekkeneel uitmaken.

§ 92.

Zij liggen naast elkander, en zijn bovendien met 5
andere beenderen verbonden, namelijk: 1, met het
voorhoofdsbeen; 2, het achterhoofdsbeen; 3, 4, de slaap-
beenderen; en 5, het wiggebeen. Deze hunne verbindin-
gen zijn te merkwaardiger, aangezien door dezelve drie
ware naden benevens de schubnaad gevormd worden.

§ 93.

Zij zijn de eenigste der acht schedel beenderen,
[Seite 34] welke zich uit een eenig verbeeningspunt vormen,
terwijl ieder derzelve bij de vrucht naar eene platte
schub gelijkt(1), wier afgeronde hoeken, ter plaatse
waar zij met de nabijliggende beenderen verbonden zijn,
de zoogenaamde fontanellen tusschen zich laten(2), die
zich gedeeltelijk eerst in het tweede jaar, of nog
later(3) sluiten. Ook ontstaan somtijds in den uiter-
sten omvang dezer beenderen, de driehoekige been-
tjes (ossicula Wormiana), welke wij nader zullen
vermelden.

§ 94.

Elk dezer beide beenderen heeft eene bijna vierhoe-
kige gedaante, en laat zich daarom zeer gevoegelijk
in vier hoeken en even zoo vele randen verdeelen.

§ 95.

Deze zijn: 1 de voorhoofdshoek (angulus frontalis) mid-
den op het voorhoofdsbeen; 2. de achterhoofdshoek (occi-
pitalis)
op het achterhoofd; 3. de tepelhoek (mastoï-
deus)
boven het tepelvormig uitsteeksel, de stompste
van alle; 4. de wiggebeenshoek (sphenoïdeus) aan de
slapen van het hoofd, als in eene hoekige punt ver-
lengd.

§ 96.

[Seite 35]

De randen laten zich het best naar de naden, wel-
ke zij vormen, benoemen. Van daar: 1. kroonrand
(margo coronalis),
van voren aan den kroonnaad;
2. pijlrand (sagittalis) boven den pijlnaad, de lang-
ste van alle; 3. lambdarand (lambdoïdeus) achterwaarts
aan den achterhoofdsnaad; en 4. schubrand (squamo-
sus)
naar buiten en beneden als schuins afgeslepen,
aan den schubnaad van het slaapbeen, de kortste.

§ 97.

De buitenste oppervlakte dezer beenderen(1) is ge-
welfd en aan het bovenste gedeelte even zoo glad,
als de voorste vlakte van het voorhoofdsbeen, uit
welks zijden, zoo als boven gezegd is, het planum
semicirculare
ontspringt, dat nu hier aan de wand-
beenderen met een’ oneffen’ boogvormigen rand voort-
loopt.

§ 98.

Aan de binnenste holle vlakte(2) vertoonen zich
weder, even als in het voorhoofdsbeen, vingervormi-
ge indrukken en verhevenheden voor de hersenen,
gedeeltelijk ook groeven voor de Pacchionische klie-
ren; voorts talrijke en getakte sleuven voor de arteria
meningea media,
weshalve men deze binnenste vlakte
met een vijgenblad vergeleken heeft. De hoofdstam
dezer takken begint aan den wiggebeenshoek (angulus
sphenoïdeus),
met eene diepe sleuf, welke soms nog
door eene beenplaat, als ware het eene brug, bedekt
is, en dan een gesloten kanaal vormt(3).

[Seite 36]

Bovendien zijn er op deze vlakte nog een paar bree-
de platte sleuven voor de aderboezems van het har-
de hersenvlies; namelijk, langs den pijlrand voor den
overlangschen boezem (sinus longitudinalis), overeen-
komende met die van het voorhoofdsbeen; aan den
tepelhoek (angulus mastoïdeus) echter eene korte, voor
een gedeelte van den zijdelingschen boezem.

§ 99.

Als gaten zijn slechts de wandbeensgaten (foramina
parietalia)
(1) op te geven, welke niet eens altijd be-
staan, en aan beide zijden van den pijlnaad naar ach-
teren toe, een paar uitlozingsvaten van santorinus (emis-
saria Santorini
) voor het harde hersenvlies, doorlaten.


VIERDE HOOFDSTUK.
over het achterhoofdsbeen.

§ 100.

Het achterhoofdsbeen(2) (os occipitis)(3) is desgelijks
een groot vlak been, de gedaante hebbende eener mos-
sel schelp, door hetwelk het geheele hoofd op den hals
[Seite 37] rust, dat echter veelmeer dan alle overige beenderen
des schedels, zoowel in grootte, als in onderlinge ver-
houding zijner deelen afwijkt.

§ 101.

Het staat 1, 2, met de kruinbeenderen; 3, 4, met de
slaapbeenderen; 5, met het wiggebeenen 6, met den
eersten halswervel in verband.

§ 102.

Bij de menschelijke vrucht bestaat het uit vier(1) af-
zonderlijke stukken(2) die wel is waar op het einde
[Seite 38] van het eerste levensjaar als zamengelijmd schijnen,
echter dikwijls nog in volwassen leeftijd het overblijf-
sel van de vroegere scheiding aan de knobbels vertoonen.

§ 103.

Naar aanleiding dezer vier oorspronkelijke verbee-
ningspunten, laat het been zich gevoegelijk op de vol-
gende wijze verdeelen; in,

a. het achterhoofdsgedeelte (pars ovcipitalis) het breed
mosselvormig gedeelte aan den nek;

b. de beide knobbelgedeelten (partes condyloïdeae),
welke op de bovenste halswervels liggen;

c. het grondstuk of wiggebeenstuk (pars basilaris sive
cuneiformis)
het korte dikke beenstuk, dat van voren
aan het wiggebeen grenst en eerst in mannelijken leef-
tijd met hetzelve vergroeit.

Verder onderscheidt men aan den omtrek van het
been drieërlei randen:

a. den lambda- of achtersten rand (margo lambdoïdeus
s. posterior),
welke het achterhoofdsgedeelte omschrijft;

b. de tepel- of middelste randen (margines mamillares
s. medii)
aan beide zijden der partes condyloïdeae, wel-
ke de tepelvormige gedeelten van het slaapbeen als in
eene halve maan omvatten;

c. de steen- of voorste randen (margines petrosi s. ante-
riores)
naast het grondstuk, langs de beide rotsbeenderen.

§ 104.

Eerst handelen wij over de buitenste oppervlakte(1)
van het been, naar orde dezer drie stukken.

I. Op het achterhoofdsgedeelte worden vooral naar
onderen toe, door de aanhechting van talrijke en ster-
[Seite 39] ke spieren velerlei groeven en verhevenheden ge-
vormd.

Vooreerst namelijk, omtrent in het midden, de uit-
wendige hoofdbuil (protuberantia occipitalis externa)
die
dan eens meer, dan eens minder uitsteekt, meestal
echter de gedaante van eenen haak heeft.(1).

Van deze gaat aan beide kanten eene boogvormig
verhevene lijn naar de tepelvormige uitsteeksels. En
onder deze, meest evenwijdig met haar, gaan een paar
andere die dikwijls in een’ spitsen heuvel tusschen de
aanhechting van den m. rectus capitis posticus ma-
jor
en obliquus superior uitloopen. Midden door deze
twee lijnen heen strekt zich, van genoemde buil af tot
den achtersten rand van het groote achterhoofdsgat
(foramen occip. magnum) de uitwendige achterhoofdsdoorn
(spina occipitalis externa)
uit.

§ 105.

II. De beide knobbels(2) (condyli) liggen aan beide
[Seite 40] kanten der voorste helft van het groote achterhoofds-
gat, elkander van achter naar voren naderende, meer
of min(1) gewelfd, en over ’t algemeen in grootte,
verhouding der lengte tot de breedte en in rigting zeer
onderscheiden(2).

Vlak achter deze knobbels liggen een paar vrij die-
pe groeven (fossae condyloïdeae) en zijdwaarts een
paar ruwe kantige verhevenheden voor de doornach-
tige uitsteeksels (processus spinosi.)

§ 106.

III. Het grondstuk (pars basilaris) loopt kegelvormig
van de knobbels naar het midden van het wiggebeen,
en is aan de buitenzijde gedeeltelijk stomphoekig, ge-
deeltelijk vlak rondachtig.

§ 107.

Nu volgt de beschrijving der inwendige oppervlak-
te(3) van het been, volgens dezelfde orde.

I. Het achterhoofdsgedeelte, in welks midden voor-
eerst de inwendige achterhoofdsbuil (protuberantia oc-
cipitalis interna)
is op te merken. Van deze buil
loopen als uit een gemeenschappelijk middelpunt
de uitpuilende kruislijnen (lineae cruciatae eminentes), in
[Seite 41] wier hoeken zich vier vlakke en breede kuilen bevin-
den; in de beide bovenste namelijk twee kleinere voor
de achterste hersenkwabben; in de beide onderste
(waar het been gewoonlijk het dunst is) twee grootere
voor de kleine hersenen; aan de bovenste wederom
vingervormige indrukken en hersenheuvels, ook ge-
deeltelijk adergroeven enz.

Bovendien zijn aan dit gedeelte nog eenige als met
den vinger gegrifte sleuven, tot aanhechting der ader-
boezems van het harde hersenvlies, op te merken. Van het
einde van den pijlnaad namelijk tot aan de achter-
hoofdsbuil, meestal ter regter zijde, de voortzetting van
de sleuf van den overlangschen boezem; zijdwaarts van
het kruis die van de dwarse boezems(1), waarvan
meestal die van den regterkant met de overlangsche
sleuf éénen weg houdt; en eindelijk benedenwaarts aan
beide zijden van het groote achterhoofdsgat, in de rig-
ting der strotadergaten, de achterste achterhoofdsboe-
zems(2).

§ 108.

II. De knobbelstukken (partes condyloïdeae) verhef-
fen zich aan deze inwendige oppervlakte naar buiten
toe in puntige uitsteeksels, welke men strotader- of
doornwijze uitsteeksels (processus jugulares vel spinosi)
noemt; deze worden door eene halvemaanswijze groef
[Seite 42] van den overdwarsen boezem omgeven, en omschrij-
ven dus voor een gedeelte het strotadergat.

§ 109.

III. Het grondstuk (pars basilaris) is hier tot eene
ondiepe sleuf uitgehold, en gaat, opwaarts stijgende,
het wiggebeen te gemoet, met hetwelk het in de jeugd
door eene kraakbeenige schijf vereenigd is, maar met
de jaren meestal te zamen groeit.

Aan weerszijden van dit grondstuk loopen een paar
boogvormige groeven van de onderste steenboezems (si-
nus petrosi inferiores)
naar het gescheurde gat (foramen
lacerum).

§ 110.

Eindelijk zijn nog de gaten van dit been te vermelden,
zoowel eigene als gemeenschappelijke.

In de eerste plaats het groote achterhoofdsgat (fora-
men occipitale magnum)
(1), meest ei- of bijna ruit-
vormig, waardoor het verlengde ruggemerg benevens
de venae vertebrales en spinales naar buiten, en de ge-
lijknamige slagaderen benevens de nervi accessorii, naar
binnen gaan.

Vervolgens de voorste knobbelgaten (foramina condy-
loïdea anteriora),
welke de gewrichtsknobbels van ach-
teren en van binnen, naar voren en naar buiten door-
[Seite 43] boren. Zij laten het twaalfde zenuw-paar (nercus hypo-
glossus)
door, en zijn soms, ten minste aan den eenen
kant, door een tusschenschot in tweeën gedeeld.

Niet zoo bestendig worden de achterste knobbelgaten
(foramina condyloïdea posteriora)
gevonden die dikwijls,
ten minste aan de eene zijde, ontbreken, en tot doorgang
van een Santoriaansch uitlozings-vat dienen.

Somtijds vindt men nog aan het achterhoofdsbeen
het tepelgat (foramen mastoideum) waarvan wij nader
gewagen zullen, in den omtrek van den tepelrand, of
het loopt tusschen dezen en de slaapbeenderen als een
gemeenschappelijk gat door; soms ontbreekt het ge-
heel.

Gewigtiger is het strotader- of gescheurde gat (fora-
men jugulare s. lacerum)
een groot gemeenschappelijk
gat, welks binnenste of achterste rand, naast den uit-
gang der voorste knobbelgaten, door het achterhoofds-
been gevormd wordt. Hierover handelen wij straks nader.


VIJFDE HOOFDSTUK.
over de slaapbeenderen.

§ 111.

De slaapbeenderen(1) (ossa temporum) maken de
onderste zijdelingsche gedeelten(2) van den schedel
uit, en bevatten tevens de werktuigen van het gehoor.

§ 112.

[Seite 44]

Zij staan met vijf naburige beenderen in verband. Na-
melijk: 1, 2, met de wandbeenderen door middel van
den schubnaad; 2, met het achterhoofdsbeen; 3, met
het wiggebeen; 4, met de jukbeenderen; 5, met het on-
derkaakbeen, door middel van hunne gewrichtsopper-
vlakte.

§ 113.

In de voldragene menschelijke vrucht en het pas-
geboren kind bestaat het slaapbeen uit twee stukken:
het schubbeen namelijk met den daaraan hangenden
ring van het trommelvlies, en het rotsbeen. Bij vruch-
ten van vijf maanden of van vroeger tijdperk is ook de-
ze onvolkomene, van boven opene ring zelfs nog van
de schubbeenderen afgezonderd, zoodat dan het gan-
sche been uit drie enkele stukken te zamen gesteld is(1).

§ 114.

Wij zullen ook nu eerst de uitwendige oppervlakte
(2) van dit been nagaan.

Het gedeelte, hetwelk aan het geheele been zijnen naam
geschonken heeft, gelijkt naar eene breede, platte, regt-
opstaande schub, welke met haren scherpen halfcirkel vor-
migen rand zich aan het wand- en wiggebeen aansluit.

Uit deszelfs basis verheft zich eenigzins naar voren
het jukbeensuitsteeksel (processus zygomaticus), hetwelk
op een’ aanzienlijken afstand van het been zich voor-
waarts ombuigt en met een’ ruwen getanden naad zich
aan het jukbeen aansluit. Aan deszelfs wortel ziet
men het dwarse gewrichtsknobbeltje voor de onder-
[Seite 45] kaak, achter hetwelk do gewrichts-holte (cavitas ar-
ticularis
s. glenoïdea) ligt, welke het gewrichtshoofd
der onderkaak opneemt, en aan de achterzijde door
een tweede zwakker gewrichtsknobbeltje bepaald wordt.

De grenzen tusschen deze geledingsholte en den
voorsten rand van den uitwendigen gehoorgang wor-
den door de spleet van glaser (fissura Glaseri)(1) ge-
trokken, achter welke de snaar van de trommel
(chorda tympani) in een bijzonder kanaal naar voren
en naar buiten loopt(2).

De uitwendige gehoorgang(3) (porus acusticus externus)
wordt eerst na de geboorte in de eerste levensjaren door
eene eenvoudige uitbreiding of verlenging van den
trommelvliesring gevormd; hetgeen echter meestal
verkeerd of duister opgegeven wordt. Deze onvol-
komene vlakke ring zelve namelijk, begint met be-
nedenwaarts, bijna als in eene halvemaan, breeder te
worden, of vormt eene naar boven uitgebroken maar
te gelijk beneden- en buitenwaarts gewelfde schijf, welker
[Seite 46] uitsnijding allengs naauwer en eindelijk geheel gesloten
wordt, zoodat dan reeds uit den voormaligen ring eene
binnenwaarts vlak uitgeholde schaal geboren is, welke
zich van achteren aan den rand van de trommel-
holte aansluit, en dan op eenigen afstand van het
trommelvlies, en van hetzelve uitspringend naar voren
loopt, om zich aldaar met een’ uitgesneden gebogen
rand te openen. Bij verderen wasdom wordt in de eerste
plaats deze gebogen rand, als ook het vlak daarboven
gelegen gedeelte van het slaapbeen, allengs meer naar
buiten gedreven en verlengd, zoodat hierdoor het trom-
melvlies meer naar binnen dringt en beter beveiligd
wordt. In de tweede plaats wordt de buitenzijde van
de hierboven gezegde vlak uitgeholde schaal tot een
aan den boven- en binnenrand vrij staande schulp
met gebogene randen uitgewerkt.

Aan de achterste zijde van dezen uitgesneden boog-
vormigen rand ligt het tepelvormig uitsteeksel (proces-
sus mastoïdeus)
hetwelk eveneens eerst na de geboorte
gevormd, en ten gevolge der ontwikkeling van den
m. sterno-cleido-mastoïdeus steeds meer uitgewerkt wordt,
waarom hetzelve dan ook in gespierde lijken het langst
is. Aan desxelfs wortel zit binnenwaarts eene diepe
sleuf, in welke de m. biventer maxillae inf. zich vast-
hecht. Dit uitsteeksel zelf is meestal door een of
meerdere aanmerkelijke holten en vele bijvakken als
het ware uitgehold(1), die meestal gedeeltelijk onder-
[Seite 47] ling, gedeeltelijk met de trommelholte(1) gemeen-
schap oefenen.

Achter dit uitsteeksel treft men gewoonlijk het fo-
ramen mastoïdeum s. mamillare
s. occipitale venosum aan,
door hetwelk eene uitlozingsbuis van santorinus en
soms ook een kleine tak der art. carotis ext. heen-
gaat(2).

Meer naar voren, omtrent in het midden der schof-
felvormige schulp van den uitwendigen gehoorgang, ont-
springt achter denzelve het stijlvormig uitsteeksel(3) (pro-
cessus styliformis
), hetwelk ook eerst in de kindschheid
[Seite 48] uit eene bijzondere diepe groef voortkomt, en dan
schuins naar voren en naar binnen afdaalt, en zoowel
wat zijne lengte als dikte en overige gedaante betreft,
zeer afwijkt(1).

Tusschen het tepelvormig en het stijlvormig uit-
steeksel, doch digter bij dit laatste, en eenigzins naar
binnen, opent zich het foramen stylomastoïdeum, het-
welk de uitgang is van het kanaal van fallopus, door
hetwelk het zevende zenuwpaar naar buiten dringt.

Naast het stijlvormig uitsteeksel naar binnen toe, is
eene aanzienlijke, diepe en glad uitgeholde kuil, (fossa
jugularis
) naar boven in het rotsbeen als ingegraven,
welke den bulbus venae jugularis opneemt, en welker
achterste rand een gedeelte van den voorsten wand
van het gescheurde gat vormt, door hetwelk de
strotader heengaat. Vóór dezen rand ligt dan ééne an-
dere halvemaanswijze uitsnijdiug, welke tot hetzelfde
gat behoort, en de zwervende zenuw met de terug-
loopende van willis doorlaat. Eindelijk bevindt zich
vlak vóór deze uitgeholde groef een weinig buiten-
waarts, de ingang van het wijde maar korte en als eene
knie gebogen kanaal, tot doorgang van de arteria
carotis cerebralis
(2) en van de tusschenribs zenuwen.

§ 115.

Wij zullen nu de inwendige oppervlakte beschouwen.

Aan derzelver boogvormigen rand vormt de schub-
[Seite 49] naad een gedeeltelijk vingerbreede ruwe en scherp
toeloopende zoom.

De overige vlakte van het schubachtig gedeelte heeft,
even als de vorige beenderen, vingervormige indruk-
sels en hersenheuvels enz. bijzonder ook vaatgroe-
ven van de middelste hersenvlies-slagader (arteria me-
ningea media).

Achter het rotsbeen steekt nog een plat beenstuk uit,
hetwelk aan de voormalige fontanella casserii grenst,
en waarin de fossa sigmoïdea voor den zijdelingschen
boezem (sinus lateralis)
van het harde hersenvlies in-
gedrukt is, aan welks achtersten rand het bovengenoem-
de tepelvormig gat (foramen mastoïdeum) zich meest als
een bedekt kanaal opent.

Het rotsbeen wordt aan deze binnenste vlakte door
een’ scherpen rug, aan welken de bovenste rotsboe-
zems (sinus petrosi superiores)
zich in eene eigene sleuf
vasthechten, in twee kantige vlakten verdeeld, waarvan
de eene naar boven en naar voren, de andere naar
achteren gekeerd is.

Op de eene vertoont zich eerstelijk naar achteren
toe eene boogvormige verhevenheid van het daaron-
der liggend bovenst halfcirkelvormig kanaal.

Verder in het midden, eenigzins naar voren, de
zeer schuinsche, onder een dun beenplaatje voort-
loopende inwendige opening van het Fallopiaansche
kanaal.

Daarnaast, maar meer naar binnen en beneden-
waarts, de uitgang van den bovengenoemden canalis
caroticus
(1).

[Seite 50]

Op de achterste vlakte ligt nabij de fossa sigmoïdea
eene zich schuins naar achteren openende spleet, door
welke de achterste waterleiding van cotunnius naar
buiten treedt.

Vlak boven hetzelve een zwak bewijs van den boven-
sten schenkel van het daaronder liggend onderst half-
cirkelvormig kanaal.

En nog verder naar voren de meatus auditorius, of
porus acusticus internus, eene wijde opening, welke
op het eerste gezigt tot een’ blinden, aan het eind ge-
sloten gang schijnt te voeren, doch op welker bodem
drie als in eenen driehoek nevens elkander staande
groeven zich onderscheiden laten, twee naar bene-
den gekeerd, de derde tusschen dezelve naar boven.
Van de beide eerste vertoont zich de voorste door hare
nette ombuiging als de grondvlakte van het daarachter
liggend slakkenhuis; de achterste daarentegen stoot
aan het portaal van den doolhof; beide deze groeven
zijn met zeer kleine gaatjes tot doorgang van de dunne
vezels der gehoorzenuwen doorboord. De derde of
bovenste gaat een weinig dieper, en verliest zich in
eene aanmerkelijke opening, namelijk in den ingang
vanhet Fallopiaansche kanaal.

Men vindt vlak onder dezen inwendigen gehoor-
gang aan den rand van het foramen lacerum, een’ engen
[Seite 51] gewelfden gang, welke tot de voorste Cottunnische
waterleiding voert.

Eindelijk verdienen nog twee zenuwkanalen ver-
meld te worden, onlangs in het slaapbeen door arnold
ontdekt. Het een, onder den naam van canalis tympa-
nicus,
komt aan de onderste oppervlakte van het rots-
been, in eene kleine groeve voor, tusschen den canalis
caroticus
en de strot-aderkuil. Het rijst in de trommelholte
op, tot doortogt van den nervus Jacobsonii dienende. Het
andere, den naam van canalis mastoïdeus voerende,
zit in het benedenst gedeelte van het Fallopiaansche
kanaal, een weinig boven het foramen stylo-mastoïdeum
en laat den ramus auricularis nervi vagi door(1).


ZESDE HOOFDSTUK.
over het wiggebeen.

§ 116.

Het wiggebeen (os sphenoïdeum s. cuneiforme), soms
ook basilare, polymorphon s. multiforme, vespiforme
enz. geheeten, draagt zijnen meest gewonen en
meest gepasten naam naar de menigvuldige naden,
sleuven, en andere verbindingen, waarmede het tus-
schen de overige schedel- en vele andere beenderen
als ingeklemd is. Daarvan komt ook zijne geheel
eigene, veelvormige, moeijelijk te beschrijven ge-
[Seite 52] daante, en de groote menigte zijner uitsteeksels, welke
aan geen ander been van het geraamte zoo talrijk zijn.

§ 117.

Dit been staat vooreerst met de zeven overige been-
deren van het bekkeneel in verband; vervolgens 8,
met het ploegbeen; 9, 10, met de jukbeenderen, en 11,
12, met de verhemelte-beenderen.

§ 118.

Bij de vrucht bestaat het wiggebeen uit drie enkele
stukken, het middelstuk namelijk, en de beide zij-
stukken(1).

§ 119.

Dien ten gevolge kan men het been zelf gevoege-
lijk in het middelste gedeelte (basis) en in de beide
zijstukken (partes laterales) verdeelen.

Het eerste bevat den turkschen zadel met de daar-
onder liggende sinus sphenoïdalis en de processus
clinoïdei.

De tweede bevatten de groote vleugels (alae magnae)
en de vleugelwijze uitsteeksels (processus pterygoïdei).

§ 120.

I. Aan het middelste gedeelte vertoont zich zeer
dikwijls eene afwijking, die des te merkwaardiger
is, omdat voor het overige de vorm van de grond-
vlakte der hersenen en van het binnenste der sche-
delholte(2) bestendiger is, dan van andere deelen
des ligchaams. Deze afwijking bestaat daarin, dat in
vele schedels de bovenste vlakte van het grondstuk
des achterhoofdbeens tot aan de achterste processus
[Seite 53] clinoïdei nadert, in andere daarentegen verre daarvan
verwijderd blijft, zoodat het wiggebeen met eene ei-
genaardige schuinsche vlakte van het uiteinde van
dit grondstuk schuins naar de processus clinoïdei op-
rijst(1), en hierdoor een afdak (clivus) schijnt te vor-
men.

Dit verschil is zoo aanmerkelijk en blijkbaar, dat daar-
door het profil van dit ligchaam des wiggebeens, als het
van voren naar achteren verticaal wordt doorsneden,
in het eerste geval eenen vierhoek, en in het tweede eenen
vijfhoek voorstelt. De bovenste zijde van dezen vijf-
hoek loopt van de achterste processus clinoïdei naar
de voorste, over den zadel heen. De tweede zijde
vormt van voren den scherpen kant, tot aanhechting
van het middelschot van den neus; de derde een’ der-
gelijken naar beneden voor het ploegbeen. De vierde
loopt naar achteren, en grenst aan het achterhoofds-
been; terwijl eindelijk de vijfde naar voren en naar
boven loopt, den clivus vormende, welke soms langer
is dan de gansche vierde oppervlakte, tegen welke het
achterhoofdsbeen aanligt(2).

Tot de veranderingen, welke dit afdak in de grond-
vlakte van den schedel te weeg brengt, behoort voor-
namelijk de veel diepere en naauwere ligging van den
zadel, en de groole verlenging der ruimte van de
[Seite 54] achterste processus clinoïdei tot aan het achterhoofds-
gat(1).

§ 121.

De zadel (sella turcica) heeft van boven eene uit-
geholde vlakte voor de glandula pituitaria, en aan ie-
dere zijde eene andere tot aanhechting der receptacula
of sinus cavernosi van het harde hersenvlies(2).

Vóór den zadel liggen de zoogenaamde zwaard’swijze
uitsteeksels (processus ensiformes s. clinoïdei anteriores)

welke van weerszijden in een paar lange punten, naar
voren met een’ getanden rand uitloopen.

Achter den zadel, bij het afdak, vindt men de veel
kleinere processus clinoïdei posteriores s. inclinati.

Soms verheffen zich nog aan weerszijden van den
zadel, doch meer naar voren, de processus clinoïdei
medii,
s. pyramidales, die zich ook wel eens met de
achterste knoppen der voorste processus clinoïdei ver-
binden, en een eigen gat vormen. Niet zoo dikwijls
vindt men de achterste processus clinoïdei zoowel met
de voorste (namelijk ringvormig) als ook, zoo er mid-
delste zijn, met deze verbonden. Onder deze voorste
gaat de scherpe rug tot aanhechting van het mid-
delschot van den neus naar beneden, aan welks beide
zijden de zoogenaamde wiggebeens-slijmholten zich in
den bovensten neusgang openen. Dezelve vormt van
[Seite 55] onderen een’ stompen hoek, van welken een gelijke
rand naar achteren loopt, die op het ploegbeen past,
aan welks beide kanten de wiggebeens-horentjes (cornua
sphenoïdalia)
liggen, zijnde dit een paar driehoekige
gewelfde kleine beenplaten, die dikwijls tot het wigge-
been zelf, soms echter ook tot het zeefbeen behooren,
en hier de zoogenoemde slijmboezems helpen sluiten.

Hierop volgt eindelijk naar achteren toe de reeds ver-
melde vlakte, tegen welke het grondstuk van het ach-
terhoofdsbeen zich aansluit, en die gewoonlijk in gevor-
derden ouderdom tot één stuk met hetzelve zamen-
groeit.

§ 122.

Het grootste gedeelte van dit middelstuk van het
wiggebeen is, de processus clinoïdei slechts uitgezon-
derd, door wiggebeensboezems uitgehold, die kleiner
zijn, dan de voorhoofdsboezems, maar voor ’t overige
tot hetzelfde doel dienen. Gewoonlijk zijn er twee, die
door een verticaal middelschot van elkander gescheiden
zijn, dat echter niet zoo als het middelschot der voor-
hoofdsboezems, doorbroken is. Naar voren toe openen
zij zich, in het bovenst neuskanaal (meatus narium supe-
rior
). Soms zijn zij door vele beenplaten in cellen en vak-
ken verdeeld; in andere, zeldzamer gevallen, ontbreken
zij geheel. Zij zijn met eene soort van diploë gevuld;
hun inwendig bekleedsel is hetzelfde wat men in de
overige slijmboezems vindt.

§ 123.

II. Nu volgen de beide zijstukken, waartoe gelijk
gezegd is, de groote vleugels en de beide vleugelwijze
uitsteeksels (processus pterygoidei)
behooren.

[Seite 56]

De groote vleugels strekken zich van binnen en ach-
teren, naar buiten en naar voren, en tevens ook naar
boven uit. Zij hebben eene schier prismatische ge-
daante, waardoor men dezelve in de volgende drie
hoofdvakken verdeelen kan:

1. Hersen- of inwendige vlakte (superficies cerebralis s.
interna)
op welke de middelste hersenkwabben liggen,
waarom dezelve dan ook, even als de overige schedel-
holte, vingervormige indruksels en hersenheuvels bezit;

2. Slaap- of buitenste oppervlakte (superficies tempo-
ralis externa)
de grootste van alle. Dezelve grenst van
boven aan den wiggebeenshoek der wandbeenderen, is
in het midden door een’ verheven’ en in de dwarste
loopenden rug als in twee helften verdeeld, en loopt
achter- en benedenwaarts uit in den wiggebeensdoorn
(spina sphenoïdalis s. anqularis
)(1), aan welks achter-
kant de kleine vleugels van ingrassias(2) liggen.

3. Oogholte- of voorste oppervlakte (superficies orbi-
talis s. anterior)
de kleinste vlakte, welke de achterste
helft van den buitensten wand der oogkas vormt.

§ 124.

De beide vleugelwijze uitsteeksels (processus pterygoï-
dei)
dalen achterwaarts naast het ligchaam van het
wiggebeen naar beneden af. Er zijn aan elke zijde
twee, een groote en een kleine.

Het grootst of buitenst vleugelwijs uitsteeksel (proces-
sus pteryg. major s. externus)
ligt naar buiten en zij-
ne buitenste oppervlakte is als ’t ware eene voortzet-
[Seite 57] ting der slaapoppervlakte van den grooten vleugel;
van onderen grenst dezelve aan de achterzijde der
bovenkaak.

Het kleinst of binnenst vleugelwijs uitsteeksel (proces-
sus pteryg. minor s. internus)
is smaller, ligt binnen-
waarts vlak achter de verhemelte-beenderen, met
welke het van weerszijden de groote, bijna vierhoe-
kige, achterste opening der neusholte, de zoogenaam-
de choana, vormt. Naar onderen eindigt het in een’
buitenwaarts gekromden kleinen haak (hamulus) tot
aanhechting van den m. circumflexus palati.

De achterste ruimte tusschen de beide vleugelwijze
uitsteeksels heet de vleugelwijze groeve (fossa pterygoïdea).

Regt boven dezelve, en naar de choana toe, gaat
van het einde van het rotsbeen eene vlakke sleuf naar
beneden, in welke het kraakbeenig gedeelte der Eusta-
chiaansche buis ligt.

§ 125.

Eindelijk komen in aanmerking de gaten, welke zich
aan het wiggebeen bevinden. Zij liggen meest ter
zijde van het middelstuk.

Vooreerst namelijk onder de processus clinoïdei de
gezigtszenuwgaten (foramina optica) tot doorgang der ge-
zigtszenuwen en der arteria ophthalmica.

Vervolgens meer naar beneden en naar achteren,
waar de groote vleugels aanzitten, de ronde of boven-
ste kaakbeengaten (foramina rotunda s. maxillaria supe-
riora)
tot doorgang van den tweeden tak van het
vijfde paar.

Nog meer naar achteren en naar buiten de eironde
of onderste kaakbeengalen (foramina ovalia s. maxillaria
[Seite 58] inferiora)
voor den derden tak van het vijfde paar. Dit
gat is op de bovenste of inwendige vlakte door eene
sleuf met het vorige verbonden.

Nog meer naar achteren en naar buiten in den
wiggebeensdoorn, de doorngaten (foramina spinosa), tot
doortogt der arteria meningea media.

Naar achteren, regt boven den processus pteryg. int.,
is een kanaal, als ’t ware door het been heen ge-
boord, onder den naam van Vidiaansch kanaal (cana-
lis Vidianus)
(1) s. pterygoïdeus, tot doorgang van den
Vidiaanschen tak van het vijfde paar(2).

Van de beide oogholtespleten (fissurae orbitales s. sphenoï-
dales)
welke zich in den achtergrond der oogholte ope-
nen, is de bovenste eene eigene spleet (fissura pro-
pria
), welke namelijk door het wiggebeen alleen ge-
vormd wordt, en in wijdte, gedaante enz. dikwijls
verschilt. Zij dient tot doorgang van drie geheele ze-
nuwparen, namelijk van het derde, vierde en zesde;
voorts van den eersten tak van het vijfde paar, van
den peesachtigen band, waaruit drie spieren van den
oogappel, de abducens, adducens en deprimens ont-
staan, en van de vena ophthalmica.

De onderste spleet der oogholte (fissura spheno-maxil-
laris)
is eene gemeenschappelijke spleet (fissura com-
munis
), welke voornamelijk door het wigge- en bo-
venkaakbeen, doch voor een gedeelte ook naar ach-
teren door het verhemelte- en naar voren door het juk-
been gevormd wordt. Zij laat den tweeden tak van
[Seite 59] het vijfde paar door, en is voor ’t overige met been-
vlies overtrokken.


ZEVENDE HOOFDSTUK.
over het zeefbeen.

§ 126.

Het zeefbeen(1) (os ethmoïdeum s. cribriforme, ook
spongioïdes(2), colatorium etc.) is het kleinste van alle
de acht bekkeneels-beenderen, en ongemeen ligt; maar
desniettemin zoowel wegens zijn buitengewoon teeder
en zamengesteld maaksel, als ook wegens de werk-
tuigen tot den reuk, welke het bevat, van het hoog-
ste belang. Hoe moeijelijk deszelfs gedaante ook te
bepalen zij, zoo kan dezelve toch met eenen stomp-
hoekigen hollen teerling vergeleken worden, welke
regt tusschen de beide oogholten ingeschoven(3) van
[Seite 60] boven naar de hersenholte en van onderen naar den
neus is gekeerd.

§ 127.

Deze verborgene ligging intusschen brengt hetzelve
met eene menigte der naburige beenderen in verband.
Te weten, gewoonlijk: 1, met het voorhoofdsbeen;
2, het wiggebeen; 3, 4, de bovenkaakbeenderen, 5,
6, de verhemeltebeenderen; 7, 8, de neusbeenderen;
9, 10, de traanbeentjes en 11, het ploegbeen; soms
ook nog 12, 13, met de onderste sponsbeenderen.

§ 128.

In de menschelijke vrucht bestaat het geheele middel-
schot van den neus en zelfs de hanenkam alleen uit eene
kraakbeenige plaat, en is de verbeening slechts aan
de zijstukken begonnen; deze stukken echter zijn,
zoowel als het geheele reukwerktuig der menschelijke
vrucht en van het pasgeboren kind, nog zeer onvol-
maakt, naauw, en in het geheel niet ontwikkeld(1).

§ 129.

Het zeefbeen kan men het best in drieën verdee-
len, te weten:

  • 1. het zeefplaatje;
  • 2. het middelschot met den hanenkam;
  • 3. de zijstukken.

§ 130.

I. Het zeefplaatje, ook de zeef (cribrum) genaamd,
[Seite 61] waarvan het geheele been zijnen naam heeft ontleend,
ligt van boven in eene horizontale rigting van voren
naar achteren, past in de zeefbeensinsnijding (incisura
ethmoïdea)
van het voorhoofdsbeen, en dekt derhal-
ve slechts het middelste derde gedeelte, van de ge-
heele oppervlakte des beens, terwijl daarentegen het
overig gedeelte van weerskanten door het neusgedeelte
van het voorhoofdsbeen bedekt wordt(1). Aan den voor-
kant wordt het door den hanenkam uit deszelfs mid-
den ontspringende, in tweeën gedeeld.

§ 131.

II. Het middelschot (septum osseum) benevens de van
voren op hetzelve rustende hanenkam (crista galli) staat
loodregt van voren naar achteren. De hanenkam ver-
schilt dikwijls in hoogte en dikte. Meestal bevat de-
zelve ledige cellen, even als het tepelvormig uitsteek-
sel. Men kent ook voorbeelden, waarin dezelve als
tot een’ kleinen boezem is uitgehold, welke naar voren
met de voorhoofdsboezems te zamen komt. Aan zijnen
wortel steken aan beide zijden de kleine apophyses
alares
uit, waarmede hij in een paar daartoe passen-
de groeven van het voorhoofdsbeen ligt.

Het eigenlijk zoogenaamd septum narium is daar,
[Seite 62] waar het aan de voorzijde van den hanenkam naar beneden
daalt en aan den neusdoorn van het voorhoofdsbeen ligt,
het sterkst. Voor het overige is het een dun, zeer dik-
wijls naar den eenen of anderen kant scheefgebogen(1)
beenplaatje, hetwelk van onderen in een’ eenigzins
sterkeren boogvormigen en ruwen rand uitloopt, wel-
ke op het ploegbeen ligt.

In geval de wiggebeenshorentjes een gedeelte van het
zeefbeen uitmaken, zitten deze of op den achtersten rand
van het middelschot, of op de achterste zeef beenscellen.

§ 132.

III. De zijstukken hebben, wegens hun ingewik-
keld maaksel, ook den naam van doolhof verkregen,
en laten zich gevoegelijk weder verdeelen in:

  • 1. de gedraaide of sponsbeentjes;
  • 2. de zeefsbeenscellen;
  • 3. de zoogenaamde papiervormige beentjes.

§ 133.

De gedraaide of sponsbeentjes (conchae s. ossa tur-
binata s. spongiosa superiora)
vormen eigenlijk eene
sponsachtige ruwe beenplaat(2), welke met het mid-
delschot evenwijdig loopt; met haar’ bovensten rand
aan het neusuitsteeksel der bovenkaak ligt, maar van
achteren tot over het midden heen, dwars doorgesne-
den, en hierdoor als in twee vleugels verdeeld is.

[Seite 63]

Deze vleugels zijn schelpvormig gewelfd, zoodat de
bolle oppervlakte naar het middelschot, en de holle
naar de oogholten toegekeerd is.

De onderste dezer beide vleugels, bijna vrij hangen-
de, is de middelste schelp (concha media), welke zich
achterwaarts te zamen rolt, en met hare holle zijde
den meatus narium medius dekt. Somwijlen vormt de-
zelve eene kleine blaas, welke santorinus tot de slijm-
holten bragt(1).

De bovenste vleugel (concha superior s. Morgagniana)
(2) is veel kleiner dan de vorige, van boven en van
achteren gewelfd, loopt daarentegen van onderen in
een’ boogvormigen eenigzins vooruitstekenden rand
uit, die den meatus narium super. bedekt; soms is
deze bovenste schelp door eene diepe sleuf weder in
twee nog kleinere verdeeld(3); soms treft men er
nog meerdere verscheidenheden in aan(4).

§ 134.

De zeefbeenscellen of boezems (cellulae ethmoïdeae s.
sinus)
zijn aan weerskanten van het zeefbeen tusschen
de sponsbeenderen en de papiervormige platen, even als
bijencellen van voren naar achteren geplaatst. Naar bo-
ven toe zijn zij open, en worden daar ter plaatse door de
beide onderste randen van het neusgedeelte des voor-
[Seite 64] hoofdsbeens bedekt; zoo ook de voorste aan de buiten-
ste zijden door de traanbeentjes en door het neusuit-
steeksel der bovenkaak, de achterste, die van achte-
ren en van onderen soms eene dunne beenachtige blaas
vormen, aan hunnen bovensten rand door het oogholte-
gedeelte der verhemeltebeenderen enz. Het aantal en
de verdeeling dezer cellen zijn niet altoos dezelfde.
Gewoonlijk zijn er vijf groote aan elke zijde, waar-
van de voorste zich in de voorhoofdsboezems, de mid-
delste en de achterste in den neusgang openen; soms
staan er ook meerdere, naast of boven elkander. Hunne
tusschenschotten zijn zeker wel de fijnste beenplaat-
jes aan het gansche geraamte.

Vlak onder de voorste cellen ligt eene smalle haak-
vormig gebogene, maar veelhoekig zonderling gewon-
dene beenplaat, die slechts van voren gedeeltelijk met
den voorsten wand der cellen, gedeeltelijk met het
voorste uiteinde der concha media verbonden is, maar
voor ’t overige geheel vrij verre naar achteren uit-
puilt, en daarom ook wel processus uncinatus konde ge-
heeten worden. Dezelve stoot somtijds met zijne onderste
getande uitsteeksels aan de onderste sponsbeenderen.

§ 135.

De papiervormige beentjes (ossa papyracea s. plana)
zijn de buitenste wanden dezer cellen, die van hunne
teederheid en gladde oppervlakte dezen naam ontleend
hebben, en met de aan hun’ voorsten rand liggende
traanbeentjes den binnensten wand der oogholte uit-
maken.

§ 136.

Tot de gaten van het zeefbeen behooren vooreerst
[Seite 65] die, welke op de bovenste dwarsplaat gevonden wor-
den, naar welke het gansche been zijnen naam draagt.
Hun aantal is onbepaald, soms klimt het van drie tot
vier twaalftallen; en daar zij tot doorgangen der reukzenu-
wen dienen, zoo zijn degene welke digt aan beide zij-
den van den hanenkam liggen, door welke het middel-
schot van den neus zijnen zenuwvezelen ontvangt,
(zoo als schneider te regt heeft aangemerkt)(1) groo-
ter dan de naar buiten liggende. De eerste zijn niet
zoo zeer enkel gaten, als wel kokertjes, welke aan den
bovensten rand van het middelschot achterwaarts naar
beneden gaan.

De overige gaten, namelijk de orbitalia interiora en
vervolgens het blinde gat (foramen coecum) zijn reeds
hierboven vermeld.

[Abschnitt 137 fehlt]


ACHTSTE HOOFDSTUK.
over de naden.

§ 138.

Alle de tot hiertoe beschreven beenderen vormen te za-
men de schedelholte, grootendeels door echte naden
(suturae verae)
met elkander in aanraking zijnde, aan
welke men de namen van sutura coronalis, sagittalis
en lambdoïdea geeft. – Hierbij voegt zich somtijds, zoo
het voorhoofdsbeen in twee stukken gescheiden blijft,
de sutura frontalis. Onder de minst gewoone afwijkin-
[Seite 66] gen moet gesteld worden, dat zich door het wandbeen
of door het achterhoofdsbeen een dwarsnaad uitstrekt(1).

§ 139.

Het maaksel der naden is zoodanig dat de beende-
ren met hunne gekartelde randen over en weder in
elkander grijpende, hierdoor op de meest vaste wijze één
geheel
uitmaken. Aan de buitenste oppervlakte doen
zij zich meer gekarteld dan van binnen voor, en dat
wel omdat de binnenste beenplaat der schedelbeende-
deren vroeger voltooid is dan de buitenste.

§ 140.

Hoewel de tijd, waarop de naden bij het kind be-
ginnen gevormd te worden, zich niet geheel naauw-
keurig laat bepalen, zoo kan men toch stellen, dat te-
gen het einde van het eerste levensjaar, de schedel-
beenderen in elkander beginnen te vatten. Bij gezon-
de kinderen zijn de naden, met uitzondering van den
voorsten fontanel, tegen het midden van het tweede
jaar alle aanwezig(2).

§ 141.

Derzelver oorsprong laat zich uit de straals-wijze ver-
beening der schedelbeenderen verklaren, en evenzeer
moet hun doeleinde hierin gezocht worden. De been-
stralen immers, uit verschillende punten der oor-
spronkelijk kraakbeenige grondlaag van den schedel
[Seite 67] uitgaande, blijven zoo lang voortgroeijen, als de ont-
wikkeling der hersenen zulks vordert. Zij naderen el-
kander hierdoor onderling en vatten inéén, steeds eenen
kraakbeenigen rand, als overblijfsel van het oorspron-
kelijk kraakbeen tusschen zich houdende, welke daar-
om ook des te meer gekarteld is, naarmate het voor-
werp jonger is, en slechts verdwijnt als de naden door
ouderdom vergroeijen.

§ 142.

Hieruit volgt, dat de zoogenaamde naden noch
dienen om den schedel in verscheidene beenstukken
te splitsen, noch ook slechts verbindings toestellen
zijn. Veeleer moet men met albinus en soemmering,
het geheele hoofd in deszelfs oorspronkelijke vor-
ming, als één geheel beschouwen, en aan de naden
geene andere werking toeschrijven, dan dat zij aan de
schedelbeenderen het vermogen geven om in hunne
zamenvoeging zich naar de ontwikkeling der hersenen
(1) te voegen. Eene tweede nuttigheid bestaat hierin,
dat zij bij uitwendig geweld den schok breken, om
welke reden dan ook beenbreuken van den schedel
dikwerf aan de naden ophouden.

§ 143.

Regelmatig verdwijnen de naden in meer gevorder-
den leeftijd, echter niet altijd op dezelfde wijze. Ook
geschiedt zulks in enkele gevallen, door ziekelij-
ke oorzaak reeds in de eerste kindschheid. Het
vroegst verdwijnt de naad, welke het tepelvormig ge-
[Seite 68] deelte van het slaapbeen met het achterhoofdsgedeelte
van het grondstuk des achterhoofdsbeens verbindt, som-
tijds reeds bij kinderen van weinig jaren. Dit kan niet
dan eenen gewigtigen invloed op den vorm van den
schedel hebben(1).

§ 144.

Door ware naden vatten alleen die schedelbeenderen
in elkander, welke een stevig verwulfsel ter be-
dekking der hersenen moeten vormen. De overige
beenderen van het hoofd, welke minderen wederstand
te bieden hebben, zijn of slechts door harmonia aan-
ëengevoegd, of bedekken zich schubvormig door den
zoogenaamden schubnaad (sutura squamosa).

Niet zelden vindt men in de ware naden kleine
regelmatige, meestal symmetrisch geplaatste beentjes,
welke somtijds ook in den schubnaad aangetroffen wor-
den. Het menigvuldigst zijn zij in den lambda-naad.
Zij heeten ingelaschte beentjes, tusschennaads beentjes,
of het meest algemeen, hoewel geheel onjuist, Wor-
miaansche beenderen (ossa Wormiana).

§ 145.

Zij zijn meestal een gevolg van alle de oorzaken,
welke eene te snelle en te groote uitzetting der sche-
delholte in de eerste levensjaren te weeg brengen. Dit
zoo zijnde verdienen zij hulpmiddelen te heeten, door
welke aan het gemis van stevig verband in die ge-
vallen te gemoet gekomen wordt, waarin de uitzet-
ting te snel gaat voor den regelmatigen groei van de
schedelbeenderen uit een enkel beenpunt. – In en-
[Seite 69] kele, doch zeldzame gevallen, worden zij door osteo-
malacia-congenita
voortgebragt, voornamelijk zoo zich
daarmede hydrocephalus paart.


NEGENDE HOOFDSTUK.
over den schedel en zijne gronbvlakte in ’t algemeen.

§ 146.

De uit alle hierboven beschrevene beenderen ge-
vormde schedelholte vertoont eene buitenste opper-
vlakte, welke van boven, ter zijde en van achteren,
glad is, benedenwaarts echter zich kantig, met uit-
steeksels en ruime gaten voordoet. Naar voren is de-
zelve smaller dan naar achteren, en in het midden als
’t ware zijdwaarts te zamen gedrukt; voor ’t overige
verschilt de graad van welving naar gelang der voor-
werpen.

§ 147.

Aan den omvang hebben de beenderen niet overal
dezelfde dikte. Het dikst is dat gedeelte van het ach-
terhoofdsbeen, hetwelk met de buitenste achter-
hoofdsbuil overeenkomt, het dunst het schubgedeelte
van het slaapbeen, en het onderst gedeelte van het ach-
terhoofdsbeen. – Dit verschil in dikte staat zoowel
met het evenwigt van het hoofd op den eersten hals-
wervel, als met de meerdere stevigheid in verband,
welke het achterst gedeelte van het hoofd wegens de
sterke zich aan hetzelve inplantende rugspieren, be-
[Seite 70] hoort te bezitten. De algemeene meerdere of mindere
dikte der schedelbeenderen hangt voorts zoowel van
leeftijd, als van tegennatuurlijke oorzaken af.

§ 148.

Wij gaan over tot de grondvlakte der schedelholte
(basis cranii),
in derzelver zamenhang. Eerst hande-
len wij over derzelver verdeeling; ten tweede over
de daarin gegrifte sleuven voor de aderboezems van
het harde hersenvlies, en eindelijk zullen wij de daar-
in aanwezige gaten herhalen.

§ 149.

Men verdeelt de schedelholte voornamelijk in twee
deelen: in holten voor de groote en voor de kleine
hersenen.

I. Voor de groote hersenen zijn drieërlei kuilen
aan de grondvlakte des schedels, namelijk:

1. het gewelf der oogholten voor de voorste hersen-
kwabben.

2. de groote groeven, welke voornamelijk door de
bovenste oppervlakte van de groote vleugels des wigge-
beens, en het daaraan grenzende slaapbeen gevormd
worden, voor het voorst gedeelte der achterste hersen-
kwabben.

3. de bovenste kuilen tusschen de kruislijnen van
het achterhoofdsbeen, voor het achterst gedeelte der
achterste hersenkwabben.

II. De holte voor de kleine hersenen (cavum cerebelli)
is de diep schaalvormige ruimte, welker bovenste raad
zich van den scherpen rug der rotsbeenderen achter-
waarts tot aan de binnenste achterhoofdsbuil uit-
strekt.

§ 150.

[Seite 71]

Tot de sleuven, welke van de aanhechting der ader-
boezems van het harde hersenvlies op de grondvlakte
des schedels gewoonlijk te zien zijn, behoort vooreerst
het begin en het einde van den overlangschen boezem,
welke zich van het blinde gat van voor den hanenkam
af, onder de pijlnaad door, tot aan de binnenste
achterboofdsbuil uitstrekt.

§ 151.

Van deze buil gaan naar beide zijden in sterk ge-
kromde bogten de zijdelingsche of groote dwarse
boezems, welke in de Svormige groeven (fissurae sig-
moïdeae)
uitloopen, en van daar zich in de strotader-
gaten uitloozen. Gewoonlijk zijn beide sleuven van
ongelijke diepte en wijdte, en zoo als het schijnt, die aan
den regterkant, zoo als ook het gescheurde gat (foramen
lacerum)
terzelfder zijde wijder dan aan den linkerkant.

Van dezelfde inwendige buil loopen benedenwaarts,
aan weerszijden van het groote achterhoofdsgat naar de-
zelfde strotadergaten de achterste achterhoofdsboezems.

Vóór de strotadergaten liggen aan weerszijden van
het grondstuk des achterhoofdsbeens, waar het aan
het voorste uiteinde der rotsbeenderen ligt, de onder-
ste rotsboezems.

Aan den scherpen rug der rotsbeenderen de kleine
bovenste rotsboezems (sinus petrosi superiores).

En eindelijk aan beide kanten van den turkschen
zadel de zoogenaamde holle boezems of receptacula.

§ 152.

Ten laatste herhalen wij de gaten welke op de grond-
vlakte van den schedel aanwezig zijn:

[Seite 72]
  • 1. het blinde gat. (foramen coecum)
  • 2. de gaten van de zeefplaat. (foramina cribrosa)
  • 3. de gezigtszenuwgaten. (foramina optica)
  • 4. de bovenste oogholtespleten. (fissurae orbitales
    superiores
    )
  • 5. de ronde gaten. (foramina rotunda)
  • 6. de eironde gaten. (foramina ovalia)
  • 7. de doorn wijze gaten. (foramina spinosa)
  • 8. de uitgang van het kanaal voor de hoofdslag-
    ader. (canalis caroticus)
  • 9. de binnenste opening van het Fallopiaansche
    kanaal. (apertura interna canalis Falloppii)
  • 10. de inwendige gehoorgang. (porus acusticus in-
    ternus
    )
  • 11. de uitgang van de voorste waterleiding van Co-
    tunnius. (aquaeductus Cotunnii anterior)
  • 12. de uitgang van de achterste dezer waterlei-
    dingen. (aquaeductus Cotunnii posterior)
  • 13. de strotadergaten. (foramina jugularia)
  • 14. de tepelgaten. (foramina mastoïdea)
  • 15. het groote achterhoofdsgat. (foramen occipitale
    magnum
    )
  • 16. de voorste knobbelgaten. (foramina condyloïdea
    anteriora
    )
  • 17. de achterste knobbelgaten. (foramina condyloïdea
    posteriora
    )

TIENDE HOOFDSTUK.
over de gelatsbeenderen in ’t algemeen.

[Seite 73]

§ 153.

De tot hiertoe beschrevene beenderen maken den
eigenlijken schedel uit. Alle de overige beenderen
aan het hoofd, de bovenkaakbeenderen namelijk, be-
nevens de met dezelve verbondene beenderen, de
onderkaak en de tanden, worden te zamen onder den
naam van gelaatsbeenderen begrepen.

§ 154.

Zij dienen vooreerst tot het gebit, en helpen in
verband met den schedel, de neus- en oogholten
vormen.

§ 155.

Gelijk zij in het algemeen door hunne verhouding
tot den schedel het menschelijk hoofd van dat der
dieren onderscheiden, zoo kenmerken zij ook in het
bijzonder het eigenaardige van den gezigtsvorm, zoo-
wel bij verschillende volken, als in onderscheidene
individu’s.

§ 156.

Men verdeelt dezelve in met den schedel onbewe-
gelijk verbondene beenderen, en in bewegelijke, of de
onderkaak. Tot gene behooren, behalve de tanden,
de volgende beenderen.

  • 1, 2, de bovenkaakbeenderen.
  • 3, 4, de verhemeltebeenderen.
  • 5, 6, de jukbeenderen.
  • 7, 8, de neusbeentjes.
  • 9, 10, de traanbeentjes.
  • 11, 12, de onderste sponsbeentjes, en
  • 13, het ploegbeen.

ELFDE HOOFDSTUK.
over de bovenkaakbeenderen.

§ 157.

De bovenkaakbeenderen(1) (ossa maxillaria s. malae)
zijn die beide aanzienlijke, maar grootendeels holle,
en tamelijk ligte beenderen, van eene moeijelijk te
bepalen veelhoekige gedaante, welke onder den neus
en aan het verhemelte te zamen komen, en zich zijd-
waarts naar de jukbeenderen en bovenwaarts tot aan
het voorhoofdsbeen uitstrekken(2).

§ 158.

Even als het wiggebeen met alle de overige been-
deren van den schedel in verband staat, zoo is ook
de bovenkaak met alle onbewegelijke gelaatsbeenderen
vereenigd, voor welke zij tevens, als ware het een
grondstuk, tot steun en bevestiging dient. Bovendien
raken zij bovenwaarts aan het voorhoofds- en zeefbeen, en
bevatten zij in hunnen onderrand de bovenste tandenrij.

§ 159.

In de voldragen menschelijke vrucht hebben de bo-
venkaakbeenderen over ’t algemeen meestal reeds de-
zelfde gedaante als bij volwassenen; ook bestaat elk
[Seite 75] derzelve reeds uit één enkel stuk. De deelen echter staan
dan in eene andere verhouding tot elkander(1). Voor-
al zijn zij, even als de geheele gedaante van het kin-
derlijk gelaat zulks aantoont, zeer laag, voornamelijk
aan de buitenzijde. Ook is de slijmboezem, welke na-
derhand zoo ruim wordt, nog weinig volmaakt en
klein, daarentegen zijn de zes tandencellen in elk de-
zer beide beenderen des te aanzienlijker.

§ 160.

Men kan elk bovenkaakbeen gevoegelijk in vier vlak-
ten verdeelen, namelijk:

  • I. in de groote, meest gewelfde buitenvlakte,
  • II. in de binnenste, naar de neusholte gekeerde vlakte,
  • III. in de bovenste, tot de oogholte behoorende, en
  • IV. in de onderste, welke het grootste gedeelte van
    het verhemelte vormt.

§ 161.

I. De buitenste vlakte (facies malaris) verre weg de
grootste van alle, strekt zich bovenwaarts van den neus-
wortel, en benedenwaarts van den naad tusschen de
snijtanden, eerst naar de jukbeenderen, en dan nog
verder achterwaarts tot aan de wijsheidskiezen, en naar
de vleugels van het wiggebeen uit.

Zij laat zich insgelijks in vier gedeelten splitsen:

1. Het bovenste vormt het neus-uitsteeksel (processus
nasalis)
een smal bijna spatelvormig beenstuk, hetwelk
naar het voorhoofdsbeen toe tusschen den neus en de
traanbeentjes ligt. Daar van deszelfs verschillende
breedte de rigting der neusbeenderen grootendeels af-
[Seite 76] hangt, zoo brengt het zeer veel tot het eigenaardige
van den gelaatsvorm toe. Zijne buitenste zijde wordt
door een’ tamelijk scherpen rug in tweeën gedeeld.
Het voorste gedeelte vertoont soms eene aanmerkelijk
diepe sleuf. De achterste helpt het traankanaal vor-
men, met het bovenste uiteinde zijner binnenste zijde
den trechtervormigen uitgang der voorhoofdsboezems,
en soms hierdoor ook de voorste cellen van het zeef-
been sluitende.

2. Geheel naar buiten, onder de oogholten, ligt het
wanguitsteeksel (processus malaris), een kort, dik en
zeer hecht uitsteeksel, aan het einde met eene getande
ruwe oppervlakte, welke zeer vast in het jukbeen grijpt.

3. Benedenwaarts wordt de buitenste vlakte der bo-
venkaak door den tandkassenrand (limbus alveolaris) be-
grensd, en vertoont zij, voornamelijk aan den voorkant,
waar de beenplaat tegen de daaronder liggende wortels
der tanden aansluit, langwerpige indruksels.

4. Achterwaarts eindigt deze buitenste oppervlakte
in eene gewelfde verhevenheid (tuberositas maxillaris),
welke benedenwaarts de wijsheidstanden in zich bevat
en naar boven met eene dunne plaat naar den rand
der oogholten oprijst.

§ 162.

II. De binnenste- of neusoppervlakte (facies nasalis)
des bovenkaakbeens is naar de neusholte gekeerd,
en vangt bovenwaarts met de binnenste vlakte van
het neusuitsteeksel aan, achter welke het traankanaal
(canalis lacrymalis) in eene diep uitgesnedene sleuf
naar beneden gaat. Tusschen deze en het overig ge-
deelte der binnenste oppervlakte, zit een dwarse
[Seite 77] rug, tot aanhechting der onderste sponsbeenderen,
onder welken het been zich in de dwarste ombuigt
en zich tevens uitholt, tot vorming van den bodem
der neusholte.

In het midden, waar beide bovenkaak beenderen met
eenen diep uitgeholden naad aan elkander stooten, vor-
men zij bovenwaarts eenen ruwen kam (crista nasa-
lis
) met eene sleuf in het midden, in welke het ploeg-
been past. Voorwaarts loopt deze in eene stompe punt
uit (spina nasalis), tegen welke het kraakbeenig mid-
delschot van den neus ligt.

Achterwaarts is de buitenste zijdewand dezer neus-
vlakte als uitgebroken, om de zeer wijde, hoekige
opening van den kaakboezem te vormen.

§ 163.

III. De bovenste oppervlakte van dit been vormt het
oogholtevlak (planum orbitale), hetwelk tevens den bo-
dem der oogholte uitmaakt, tamelijk glad en effen is,
en slechts achterwaarts door eene diepe sleuf doorsne-
den wordt, welke zich naar het midden toe, onder
de bovenste beenplaat, als ware het eene brug, ver-
liest, en een kanaal voor den ramus infraorbitalis van
den tweeden tak van het vijfde paar vormt. Niet
zelden strekt zich van de plaats, waar deze sleuf in
het kanaal overgaat, tot aan het foramen infraorbitale,
eene eigene spleet of scheur uit (fissura infraorbitalis).

§ 164.

IV. Eindelijk de onderste vlakte des bovenkaakbeens
(facies palatina), welke aan de buitenzijde den limbus
alveolaris
vormt, en dan achterwaarts met eene welving
in de hoogte stijgt.

[Seite 78]

In volwassen leeftijd heeft ieder bovenkaakbeen
acht tandkassen, welke in den limbus alveolaris even
als eene boogvormige reeks van bijëncellen, naast el-
kander liggen, en zich ten naauwkeurigste naar de
grootte en gedaante van de in dezelve gewortelde tan-
den rigten. Die der oogtanden zijn om die reden zeer
diep. De tusschenschotten tusschen de cellen der kiezen
zijn meest poreus en van een sponsachtig weefsel.

Het verhemelte is aan eenige schedels meer, aan
andere minder gewelfd; doch zoo als het schijnt, zon-
der verhouding tot het verschil van kunne; achter-
waarts vereenigt het zich door eenen dwarsen naad met
de verhemeltebeenderen, welke aldaar door de boven-
kaakbeenderen geheel omvat en ingesloten worden.

Aan den voorkant van het verhemelte, doet zich
achter de snijtanden, vooral bij voldragene vruchten of
jonge kinderen, doch ook dikwijls bij volwassen personen,
aan elk bovenkaakbeen eene gebogene spleet of scheur
voor (fissura incisiva), welke midden tusschen den
buitensten snijtand en den hoektand begint, en naar het
voorste verhemelte-gat (foramen palatinum anterius) loopt,
aldaar van weerszijden eenen naad vormende, welke
het gevoelen niet onwaarschijnlijk maakt, dat er in een
vroeger tijdperk van ontwikkeling, ook bij den mensch
een gescheiden tusschenkaakbeen bestaat, hetwelk later
aan de voorzijde met de boven-kaakbeenderen inéén
smelt, maar meestal aan het verhemelte door eenen-
halvemaan’swijzen naad afgezonderd blijft. De waarne-
ming, dat deze naad de vier snijtanden omschrijft, en de
aanwezigheid van de snijtanden in het stuk, hetwelk
bij de hazenlip of geheel of gedeeltelijk van de bo-
[Seite 79] venkaakbeenderen afgescheiden is, geven kracht aan
dit gevoelen(1).

§ 165.

Het eigenlijk ligchaam der bovenkaak is door den
kaakboezem (sinus maxillaris) of het zoogenaamde an-
trum Highmori
uitgehold, welke langs zijne wanden,
voornamelijk naar het jukuitsteeksel toe, door verschei-
dene kleine tusschenschotten als in bijvakken verdeeld
is. Langs deszelfs bovenste en voorste vlakte gaat de
canalis infraorbitalis door. Aan den binnensten rand
der oogholten, digt onder de platte beenderen van het
zeefbeen, bevinden zich soms de cellulae orbitariae van
haller, welke zich in de voorste cellen van het zeef-
been openen. De wijde opening van den kaakboe-
zem wordt door het verhemeltebeen, het onderste
sponsbeen, en door de bovenste schelp van het zeef-
been grootendeels gesloten, zoodat hij zich slechts met
een of soms met twee ronde gaten in den middelsten
neusgang opent.

§ 166.

Ten slotte zijn de overige gaten van het been op te
noemen.

Hiertoe behoort het foramen infraorbitale, de uitgang
van het kanaal van denzelfden naam, hetwelk wij reeds
vermeld hebben, en dat zich van voren onder de oog
holte, soms met meerdere nevens elkander liggende
gaatjes, opent.

[Seite 80]

Vervolgens het voorste verhemeltegat (foramen palatinum
anticum)
of de canalis incisivus, hetwelk van voren
met twee openingen, uit den bodem der neusholte,
aan beide zijden der crista nasalis naar beneden gaat,
en dan tot een gemeenschappelijk gat inéén-smelt,
hetwelk zich in het midden achter de snijtanden op den
verhemeltenaad opent. Er gaat eene buis door, on-
der den naam van canalis Stensoni, door welke het slijm-
vlies der neusholte met dat van het verhemelte ge-
meenschap oefent. In de buis verspreiden zich bloed-
vaten en zenuwtakken van den ramus nasopalatinus van
den tweeden tak van het vijfde paar(1).

De uitgang van het traan-kanaal (canalis lacrymalis)
opent zich in den ondersten neusgang.

Verder helpt het bovenkaakbeen ook grootendeels
tot de vorming der onderste oogholte-spleet (fissura or-
bitalis inferior).

Eindelijk ook tot die van den sulcus pterygopalati-
nus,
waarover in het volgend Hoofdstuk zal gehandeld
worden.


TWAALFDE HOOFDSTUK.
over de verhemelte-beenderen.

§ 167.

De Verhemelte-beenderen(2) (ossa palatina) zijn als
’t ware eene voortzetting der bovenkaakbeenderen, daar
[Seite 81] zij aan alle kanten als in één stuk met hen voortgaan,
en even als deze elkander in het midden raken. Zij
zijn veel kleiner, maar desgelijks van eene veel-
hoekige, moeijelijk te bepalen gedaante(1).

§ 168.

De verhemelte-beenderen liggen grootendeels tus-
schen de bovenkaakbeenderen en de vleugelwijze uitsteek-
sels (processus pterygoidei)
van het wiggebeen, en staan
bovendien nog met het zeef been, de onderste spons-
beenderen en het ploegbeen in verband.

§ 169.

Reeds bij de vrucht(2) staan zij in dezelfde ver-
houding tot de bovenkaakbeenderen, zijn even als deze
reeds zeer ontwikkeld, echter nog laag; het bovenst
gedeelte tot de oogholten behoorende is zeer gering; de
processus pyramidalis zeer groot, enz.

§ 170.

Vermits de verhemelte-beenderen het achterste ge-
deelte van het verhemelte, de neus- en oogholte helpen
vormen, zoo verdeelt men dezelve gevoegelijk in I. het
verhemelte-gedeelte (pars palatina), II. het neus-gedeel-
te (pars nasalis)
en III. het oogholte-gedeelte (pars orbi-
talis).

§ 171.

I. Het verhemelte-gedeelte (pars palatina) ligt hori-
zontaal, vlak achter de verhemelte-oppervlakte van het
bovenkaakbeen. Hetzelve is even als deze aan den on-
[Seite 82] derkant oneffen, aan den bovenkant daarentegen glad-
der en meer uitgehold. Ook wordt daar, waar beide
verhemelte-beenderen aan elkander grenzen, de crista
nasalis
voor het ploegbeen voortgezet, en achterwaarts
aan het einde van den naad, welke het verhemelte in
de lengte doorsnijdt, eene spina palatina gevormd.

Naar achteren en naar buiten loopt dit gedeelte van
het verhemelte-been in een tamelijk sterk, hoekig,
aan het uiteinde scherp afgepunt, tepelvormig uitsteek-
sel uit, dat tusschen het onderste vorkvormig uiteinde
des processus pterygoïdeus in ligt, en met zijne achter-
ste vlakte de fossa pterygoïdea benedenwaarts sluit.

§ 172.

II. Het neusgedeelte (pars nasalis) staat aan den bui-
tensten rand van het vorige horizontale gedeelte bijna
loodregt in de hoogte, en vormt eene breede been-
plaat, welke zich naar boven en tevens eenigzins naar
achteren uitstrekt, en een aanmerkelijk gedeelte van
de groote opening van den kaakboezem sluit.

Nagenoeg in het midden dezer beenplaat vindt men
aan den binnenkant een’ verheven rug in de dwarste,
welke tot aanhechting van het onderste sponsbeen dient.

Naar den bovenrand toe vertoont zich eene zwakke
spoor van eene dergelijke verhevenheid voor de zooge-
naamde middelste schelp.

§ 173.

III. Het oogholte-gedeelte (pars orbitalis), het klein-
ste der drie gedeelten, hetwelk een veelhoekig, ech-
ter in de fraaist gevormde koppen tamelijk vierkant lig-
chaam is, dat aan den achtergrond der oogholten,
tusschen het bovenkaakbeen, het wigge- en zeefbeen
[Seite 83] ligt, en den achtersten hoek van den bodem der oogholte
uitmaakt.

Gewoonlijk is het met beencellen gevuld; soms heeft
het naar achteren toe eene grootere cel, die met den
sinus sphenoïdeus inéén loopt(1), doch bij zeer goed
gevormde schedels is ook dit geheele gedeelte door een
eigen klein boezemtje even als eene blaas zuiver uitge-
hold, en oefent dan slechts door een eng kanaal met
den sinus sphenoïdeus gemeenschap.

§ 174.

Aan de buitenzijde van het neusgedeelte des verhe-
melte-beens loopt van boven naar beneden, en tevens
een weinig naar voren, eene aanmerkelijk diepe sleuf
(sulcus spheno- of pterygo-palatinus), welke bovenwaarts
met de van achteren daaraan grenzende processus pterygoï-
dei
van het wiggebeen en beneden met de daaraan lig-
gende bovenkaak, den canalis pterygo-palatinus vormt,
in welken de nerni pterygo-palatini van den tweeden tak
van het vijfde paar naar beneden gaan. Van boven
vangt dit kanaal aan met eene diepe, op verschillende
wijze uitgeholde insnijding, welke den naam van foramen
pterygo-palatinum
draagt, en zich tusschen het oog- en
neusgedeelte van het been bevindt. Benedenwaarts
verdeelt het zich in drie gangen, waarvan de groot-
ste (canalis pterygo-palatinus anterior of major)(2)
op de verhemelte-oppervlakte in het groote foramen
palatinum posticum
eindigt; van de beide kleinere opent
[Seite 84] zich de eene (canalis pterygo-palatinus posterior)(1)
aan den onderkant van den processus pyramidalis; de
andere (canalis pterygo-palatinus exterior)(2) tusschen
dit uitsteeksel en de daarnevens liggende kas der wijs-
heidskies.


DERTIENDE HOOFDSTUK.
over de jukbeenderen.

§ 175.

De jukbeenderen(3), zoo als zij volgens den aange-
nomen Griekschen en Latijnschen naam heeten, of
ook wangbeenderen (ossa jugalia s. zygomatica, ook os-
sa malarum
) zijn een paar hechte, sterke, van buiten
gewelfde, van binnen vlak uitgeholde beenderen, door
middel van welke de bovenkaakbeenderen met de slaap-
beenderen verbonden worden, en welke ook meer dan
een derde gedeelte van den omvang van den buiten-
sten rand der oogholten bedragen(4).

§ 176.

Behalve met de bovenkaakbeenderen staan zij met
geene andere gelaatsbeenderen, maar daarentegen met
den schedel, en wel met de slaapbeenderen, het voor-
hoofdsbeen en het wiggebeen, in verband.

§ 177.

Daar zij voornamelijk dienen om de bovenkaak over
[Seite 85] en weder met den schedel te verbinden, worden zij
reeds vroeg gevormd, en hebben zij reeds in de vol-
dragene menschelijke vrucht eene aanzienlijke grootte,
hoewel nog niet geheel den later natuurlijken vorm,
vermits hun dan de getande eindvlakten aan hunne
drie groote uitsteeksels ontbreken(1).

§ 178.

Ieder jukbeen heeft nagenoeg de gedaante van een
verschoven vierkant met drie breede en ééne smalle
zijde; echter vindt men in de verhouding dezer zijden
tot elkander groote verscheidenheid.

Men kan hetzelve gevoegelijk in drie uitsteeksels
verdeelen: I. het kaakuitsteeksel; II. het voorhoofdsuit-
steeksel,
en III. het jukbeensuitsteeksel.

§ 179.

I. Het kaakuitsteeksel (processus maxillaris) is het
breedste, en neemt den ganschen smallen kant van
den vierhoek in. Het begint van boven, digt bij het
foramen infraorbitale, loopt naar beneden en naar bui-
ten, en heeft aan de binnenzijde eene meerendeels
groote, gedeeltelijk scherp getande vlakte, met welke
het zich vast aan het jukuitsteeksel der bovenkaak
aansluit.

§ 180.

II. Het voorhoofdsuitsteeksel (processus frontalis) staat
buitenwaarts als het ware regt op in de hoogte, en grijpt
met een’ scherp getanden naad in de processus orbitalis
externus
van het voorhoofdsbeen.

Voorwaarts loopt dit uitsteeksel in den ronden uit-
geholden rand der oogholte uit. Achterwaarts helpt
[Seite 86] het de jukbeensinsnijding (incisura zygomatica) vormen,
en binnenwaarts wordt het in eene dunne beenplaat
verlengd, welke met een’ ruwen, onwaren naad aan
den voorsten rand van den grooten vleugel des wigge-
beens stoot.

§ 181.

III. Het jukbeensuitsteeksel (processus zygomaticus) ligt
achter- en benedenwaarts, is veel kleiner dan het
kaakuitsteeksel, loopt echter meest in dezelfde rigting
schuins naar achteren, en hecht zich aan het jukuit-
steeksel van het slaapbeen vast.

§ 182.

De kleine gaatjes in dit en de volgende beenderen,
dienen tot doorgang van den nervus subcutaneus malae,
en van eenige bloedvaatjes. Zij worden niet bestendig
gevonden en zijn daarom geene bijzondere vermelding
waard.


VEERTIENDE HOOFDSTUK.
over de neusbeenderen.

§ 183.

De neusbeenderen (ossa nasi) zijn een paar langwer-
pige kleine, maar tamelijk sterke beenderen, welke
te zamen bijna de gedaante van eenen vlakken zadel
hebben, en het bovenste of beenachtig gedeelte van
den neusrug uitmaken(1).

§ 184.

[Seite 87]

Zij staan slechts met het vooorhoofdsbeen en de bo-
venkaakbeenderen in verband, daar zij digt onder de
glabella van het eerste, op deszelfs neusdoorn (spina na-
salis)
en tusschen de neusuitsteeksels der laatste, naast
elkander liggen. Zelden steekt het septum narium van
het zeef been zooverre uit, dat zij ook dit raken.

Gewoonlijk zijn zij slechts door een’ onwaren, soms
echter door een’ van buiten sterk getanden, en der-
halve waren naad aan elkander verbonden; ook heb
ik ze soms geheel en al te zamengegroeid bevonden, enz.

§ 185.

In de voldragen vrucht, ja zelfs reeds in de eerste
helft der zwangerheid, zijn deze beenderen niet alleen
volkomen ontwikkeld(1), maar ook, dewijl zij van
voren vrij liggen, en tamelijk onverhinderd kunnen
voortgroeijen, in verhouding tot alle schedel- en ge-
laatsbeenderen van eene aanzienlijke grootte. Behal-
ve de gehoorbeentjes geraken over het algemeen gee-
ne andere beentjes aan het geheele geraamte vroeger
dan deze tot zulk eene volmaaktheid.

§ 186.

Elk neusbeen heeft nagenoeg de gedaante van een
onregelmatig langwerpig vierkant, is van boven het
sterkst, in het midden smal en van onderen het
breedst, waar het tegelijk naar buiten toe, in eene
benedenwaarts gaande punt verlengd is, die echter
soms ook naar binnen, ter plaats waar beide neusbeen-
deren aan elkander grenzen, eene voorwaarts loopende
korte en stompe punt vormt.

§ 187.

[Seite 88]

Aan de buitenste oppervlakte zijn de neusbeenderen
vrij glad. Op de binnenste echter ruw, en door een’
scherpen rug, vooral van boven, als in twee vlakten
verdeeld, waarvan de binnenste naast elkander, de
buitenste echter boven de neusholte komen te liggen.


VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
over de traanbeentjes.

§ 188.

De traanbeentjes(1) (ossa lacrymalia s. unguis) zijn
de kleinste gelaatsbeenderen, van een teeder doch fraai
weefsel, omtrent de gedaante eener vischschub heb-
bende(2).

§ 189.

Zij liggen aan den binnensten rand der oogholten;
bereiken bovenwaarts het voorhoofdsbeen, voorwaarts
het neusuitsteeksel der bovenkaak, en achterwaarts de
papiervormige platen van het zeef been, waarvan zij
als het ware eene voortzetting zijn. Soms verlengen
zich de onderste sponsbeenderen tot aan hun’ bin-
nensten kant.

§ 190.

De traanbeentjes groeijen wel is waar in de men-
schelijke vrucht niet zoo sterk uit als de neusbeen-
deren, maar zijn toch in de voldragen vrucht, reeds
[Seite 89] volmaakt en sterk ontwikkeld(1), en ofschoon zij
aan hun’ geheelen rand door andere beenderen wor-
den ingesloten, zoo zijn zij toch in verhouding tot
deze zeer groot.

§ 191.

Zij werken bijna in hun’ geheelen omvang tot de
vorming der oogholten mede. Alleenlijk loopt het on-
derst uiteinde van hunnen voorsten rand in een dun,
eenigzins naar binnen gebogen klein haakje (hamulus)
uit, hetwelk den ductus lacrymalis aan den binnen-
kant der bovenkaak helpt sluiten.

§ 192.

De buitenste vlakte van elk traanbeentje is over
’t geheel genomen, glad en uitgehold. Dezelve wordt
echter door een’ scherpen bijna snijdenden rand (cris-
ta longitudinalis
), welke aan den voorkant van boven
naar beneden tot aan den hamulus gaat, in twee vlak-
ten van ongelijke grootte verdeeld.

De achterste vlakte is de grootste, en maakt met
de daaraan rakende drie beenderen, eene effene ge-
meenschappelijke vlakte voor de oogholte.

De voorste is in vele hoofden zeer smal, in andere
breeder; altijd echter veel smaller dan de achterste
vlakte. Zij is als eene sleuf uigehold, welke in ver-
band met den achtersten rand van het neusuitsteeksel
der bovenkaak, den ingang tot het traankanaal (canalis
lacrymalis)
vormt.

§ 193.

De binnenste oppervlakte van het traanbeentje is
plat gewelfd, oneffen en ruwer dan de buitenste, en
[Seite 90] bedekt grootendeels de voorste zeefbeenscellen (cellulae
ethmoïdeae
). Ook helpt dezelve den uitgang des voor-
hoofdsboezems vormen. Op de plaats, waar van bui-
ten de crista longitudinalis loopt, vertoont zich hier
eene vlak ingedrukte sleuf.


ZESTIENDE HOOFDSTUK.
over de onderste sponsbeederen.

§ 194.

De onderste sponsbeenderen (conchae inferiores, ossa
turbinata, s. spongiosa inferiora)
liggen buitenwaarts
onder in de neusholte, zijn even als de schelpen van
het zeef been, van een week, sponsachtig weefsel, en
hebben zeker eenige gelijkvormigheid met schalen eener
mosselschelp, als men zich deze in die rigting voor-
stelt, dat haar lange buitenste rand naar beneden,
het slot naar boven, en de gewelfde buitenvlakte naar
het middelschot van den neus gekeerd is. Echter
verschillen de sponsbeenderen zoowel in gedaante als
in grootte, en ik heb dezelve ook in zeer fraai ge-
vormde schedels onder de gedaante van een’ scherpen,
in het geheel niet schelpvormig gerolden rand gezien.

§ 195.

Zij zijn voornamelijk met de bovenkaak- en verhe-
meltebeenderen verbonden, somtijds echter raken zij
ook, zoo als gezegd is, met hun’ bovensten rand aan
de kleine uitsteeksels van de processus uncinatus van
het zeef been, en met hun’ bovensten en voorsten hoek
aan de inwendige vlakte der traanbeentjes.

§ 196.

[Seite 91]

Hoe teeder zij ook zijn mogen, zoo vangen zij toch
met hunne verbeening omstreeks in het midden der
zwangerheid reeds in zoo verre aan, dat de kleine
kraakbeenige schelp als met een los net van sponsach-
tige draden doorweven is. In de voldragene vrucht
zijn zij echter reeds even veel als de traan- en neus-
beentjes ontwikkeld(1).

§ 197.

Elk dezer beide beenen stelt zoo als gezegd is, eene
schelpvormig gebogene plaat voor, welker buitenvlakte
uitgehold, de binnenste gewelfd is. Het laat zich gevoe-
gelijk in drie randen verdeelen, I. de voorste, II. de
bovenste, en III. de onderste.

§ 198.

I. De voorste rand is de kortste en als ’t ware vlak
afgeknot in eene schuinsche rigting voorwaarts aan de
binnenzijde der bovenkaak liggende, als ware het aan
den wortel van de processus nasalis; met zijn’ bovensten
hoek den uitgang van het traankanaal dekkende, reikt
het met zijn’ voorsten tot aan den buitensten rand der
neusholte.

§ 199.

II. De bovenste rand is zoodanig naar buiten omge-
slagen, dat een smal als het ware benedenwaarts om-
gebogen beenplaatje naast hem heen schijnt te gaan,
hetwelk zich over den ondersten uitgesneden rand der
groote opening van het antrum maxillare heenslaat.
Naar achteren komt deze rand met den ondersten in
eene lange punt te zamen (hamulus palatinus), welke
[Seite 92] aan een’ bijzonderen kam van het neusgedeelte des
verhemelte-been’s vastzit.

§ 200.

III. De onderste rand is de langste en dikste van
de drie, zeer sponsachtig, ruw en oneffen, voorts boog-
vormig gekromd. Dezelve bedekt den ondersten der drie
zoogenaamde neusgangen.


ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
over het ploegbeen.

§ 201.

Het ploegbeen of kouter (vomer), zoo als het wegens
zijne gedaante heet, is het eenige ongepaarde been on-
der de met den schedel verbonden aangezigtsbeenderen.
Hetzelve stelt, met uitzondering van het bovenste ein-
de, eene platte te zamen gedrukte verticaal staande plaat
voor, en maakt een groot gedeelte van het middel-
schot van den neus uit(1).

§ 202.

Het is van boven met het wiggebeen en het zeef been,
van onderen met de bovenkaak- en de verhemelte-been-
deren verbonden.

§ 203.

Het heeft reeds in de menschelijke vrucht tegen het
midden der zwangerheid eene aanmerkelijke grootte,
hoewel de gedaante dan nog zeer afwijkt van degene,
[Seite 93] welke later aan hetzelve eigen is. Zijn omtrek na-
melijk is dan nog niet zoo als naderhand ruitvormig,
maar eerder spilvormig. Zijne beide platen zijn boven-
waarts langs hunne geheele lengte verre van elkan-
der verwijderd, en sluiten zich benedenwaarts niet
lot een’ scherpen rand, maar tot eene langwerpige
vlakte inéén.

§ 204.

Met de jaren sluiten zich de beide platen digter aan-
één, en groeijen somtijds geheel en al te zamen, of la-
ten slechts in het midden eene enge tusschenruimte,
of van voren eene spleet over, enz. Tevens wordt de-
ze plaat hooger, en verkrijgt de gedaante van een ver-
schoven vierkant, hetwelk men gevoegelijk in vier ran-
den kan verdeden 1. den bovensten; 2. den voorsten;
3. den ondersten en 4. den achtersten.

§ 205.

I. De bovenste rand is verre weg de sterkste; dezel-
ve vormt eene uitgeholde vlakte, welke aan weerskan-
ten en gedeeltelijk naar achteren in een paar platte en
rondachtige uitsteeksels uitloopt. De plat uitgeholde
sleuf, door welke zij van elkander gescheiden worden,
neemt den ondersten scherpen rand van het wiggebeen
op. De uitsteeksels daarentegen vereenigen zich met de
cornua sphenoïdalia.

§ 206.

II. De voorste rand is meerendeels de langste en te-
vens de dunste, meest fijn getand, of als’t ware door-
gebroken, enz. Hij dient achterwaarts het beenachtig
septum van het zeef been, en voorwaarts het kraakbee-
nig middelschot van den neus tot aanhechting; meer-
[Seite 94] malen neemt hij deze in eene sleuf op, welke nog van
de voormalige splijting der beide platen overgebleven is.

§ 207.

III. De onderste rand is als het ware het kouter van
het ploegbeen, hetwelk zich in de bovengenoemde sleuf
van den neus-kam zoowel van de bovenkaak als van
de verhemelte-beenderen voegt.

§ 208.

IV. De achterste rand eindelijk, welke de choana in
twee helften splitst, is glad en effen; vangt van boven
van de platte uitsteeksels des bovensten rands tamelijk
breed aan, en loopt benedenwaarts, naar den verhemel-
te-doorn
spits toe.


ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
over de oog-holten.

§ 209.

Ten slotte van de beschrijving der onbewegelijke ge-
laats-beenderen zullen wij nog in ’t bijzonder van de
holten gewagen, welke ter bevatting der gezigts- en
reukwerktuigen bestemd zijn; zij worden door de ver-
eeniging van de gelaatsbeenderen met elkander en met
den schedel gevormd. Vooreerst over de oogholten.

§ 210.

De beide oogholten (orbitae) of zoo als celsus ze noemt,
foramina oculorum, hebben bijna de gedaante van een
paar vierzijdige, maar afgeronde en schuins liggende
piramiden, welke met hunne grondvlakten naar vo-
[Seite 95] ren, en met hunne punten naar achteren zijn ge-
keerd(1).

§ 211.

Hoe menigvuldig ook de gedaante der oogholten ten
opzigte der wijdte, diepte en voornamelijk der verhou-
ding van de breedte van haar’ voorsten rand tot des-
zelfs hoogte moge verschillen, zoo is toch hare we-
derzijdsche ligging bij volwassene menschen altijd zoo-
danig, dat de beide binnenste wanden vrij evenwijdig
loopen, en slechts weinig van voren naar achteren van
elkander afwijken, terwijl de buitenste sterk van vo-
ren naar achteren elkander naderen, het deksel vrij
horizontaal ligt, en de bodem schuins van buiten naar
binnen en te gelijk van voren naar achteren in de hoog-
te stijgt. Het gevolg dezer inrigting is, dat de assen
der oogholten, volgens de berekening van camper, in
de streek van den turkschen zadel tot eenen hoek te za-
men komen, waardoor de oogen een grooter veld be-
strijken, dan wanneer de assen parallel waren.

§ 212.

Zeven beenderen des schedels dragen door hunne
vereeniging tot de vorming der oogholten bij.

  • 1. Het oogholte-gedeelte (pars orbitalis) van het voor-
    hoofdsbeen maakt derzelver verwulfsel uit.
  • 2. Het oogholte-vlak (planum orbitale) der bovenkaak
    vormt het grootste gedeelte, en 3. het oogholte-
    gedeelte (pars orbitalis)
    van het verhemelte den
    achtersten kleinen hoek van derzelver bodem.
  • 4. De binnenste oppervlakte van het jukbeen.
  • [Seite 96] 5. de oogholte-vlakte (superficies orbitalis) der groote
    vleugels van het wiggebeen vormen den buiten-
    sten wand.
  • 6. Het traanbeentje echter, en
  • 7. het papiervormig plaatje (pars papyracea) van het
    zeef been den binnensten.

§ 213.

De in de oogholten op te merken kanalen en openin-
gen zijn de volgende:

  • 1. Het bovenst oogholte-gat (foramen supraorbitale).
  • 2. 3. De binnenste oogholte-gaten (foramina orbitalia
    interna).
  • 4. Het gesigtszenuw-gat (foramen opticum).
  • 5. Het ronde gat (foramen rotundum).
  • 6. 7. De beide oogholte-spleten (fissurae orbitales) de
    bovenste en de onderste.
  • 8. Het onderste oogholte-kanaal (canalis infraorbi-
    talis)
    en
  • 9. de ingang van het traankanaal (canalis lacryma-
    lis).

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
over de neusholten.

§ 214.

De Neusholten (nares internae) zijn twee digt naast
elkander liggende korte maar zeer ruime kanalen, van
welker zijwanden en bovenst deksel verscheidene op-
gerolde beenplaten naar beneden gaan. Zij worden
[Seite 97] door het middelschot van het zeef been, het ploegbeen,
en den neuskam der bovenkaak en der verhemelte-been-
deren, in twee helften verdeeld, welke echter dik-
wijls van ongelijke wijdte zijn; voorwaarts openen zij
zich met de door de bovenkaak en neusbeenderen ge-
vormde opening; achterwaarts met de choana, welke
door de vereeniging van het wiggebeen met de verhe-
melte-beenderen ontstaat.

§ 215.

Deze holten zijn eigenlijk door de veertien volgende
beenderen gevormd, namelijk door vijf gepaarde en
vier ongepaarde:

  • 1. het zeefbeen,
  • 2. het wiggebeen,
  • 3. het voorhoofdsbeen,
  • 4. het ploegbeen,
  • 5. 6. de bovenkaakbeenderen,
  • 7. 8. de verhemeltebeenderen,
  • 9. 10. de neusbeenderen,
  • 11. 12. de traanbeenderen,
  • 13. 14. de onderste sponsbeenderen.

§ 216.

Door de aanhechting der drieërlei sponsbeenderen
worden aan weerszijden van het middelschot der neus-
holte, naar buiten toe, drie boogvormige sleuven of
gangen gevormd (meatus s. semicanales) welke boven
elkander liggen en meest in dezelfde rigting van voren
naar achteren loopen(1).

[Seite 98]

De onderste gang (meatus inferior) wordt beneden-
waarts aan den bodem der neusholte door het onderste
sponsbeen bedekt. In zijn’ bovensten voorsten hoek
opent zich de uitgang van het traankanaal.

De middelste gang is de kortste, gaat vóór den processus
uncinatus
van het zeefbeen en de groote opening van
den kaakboezem heen en wordt door de middelste schelp
van het zeef been bedekt. In dezen gang openen zich
de vermelde boezems der bovenkaak benevens de voor-
hoofdsboezems.

De bovenste gang loopt achterwaarts over de vorige
heen, en wordt door de bovenste schelp van het zeef-
been bedekt; in denzelven openen zich de zeefbeens-
cellen en wiggebeens-boezems. Alle deze gangen heb-
ben het nut, dat zij aan het slijmvlies der neusholte
eene meerdere uitgebreidheid geven, dat zij de voch-
ten afvoeren, welke in de slijmboezems afgescheiden
worden; eindelijk, dat zij het hoofd ligter maken.

§ 217.

Met de neusholte staan de reeds meermalen vermel-
de slijmboezems in verband, welke tot uitbreiding der
neusholte en tot hare bevochtiging dienende, tevens het
hoofd ligter maken.

§ 218.

De groote, slechts zeer zelden bij volwassene men-
schen ontbrekende slijmboezems zijn vierderlei, name-
lijk:

  • I. De voorhoofdsboezems (sinus frontales).
  • II. De kaakboezems (s. maxillares).
  • III. De zeefbeen-boezems (s. ethmoïdei).
  • IV. De wiggebeensboezems (s. sphenoïdei).

§ 219.

Tot de kleinere doch niet zoo bestendig voorko-
mende holen van deze soort behooren:

  • 1. De Hallerische oogholte-cellen (cellulae orbitariae).
  • 2. De Santorinische boezems in de middelste schelp
    van het zeefbeen.
  • 3. Het boezemtje in het oogholte-gedeelte van het
    verhemelte-been.

§ 220.

De gaten, welke zich in de neusholte openen, zijn
behalve de openingen der slijmholten:

  • 1. Die, welke zich ontelbaar in de zeefplaat van
    het zeefbeen bevinden.
  • 2. De binnenste oogholte-gaten (orbitalia interna).
  • 3. De voorste verhemelte-gaten (palatina antica).
  • 4. De uitgang van het traankanaal (canalis lacryma-
    lis).
  • 5. Het foramen pterygo-palatinum.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
over de overige uitwendige openingen aan den schedel.

§ 221.

Hiertoe behoort vooreerst de jukbeensinsnijding
(incisura zygomatica),
de zoo sterke boog, waardoor het
jukbeen met het slaapbeen verbonden wordt, welke
in het algemeen veel toebrengt tot het verband der
[Seite 100] gelaatsbeenderen met den schedel. Over ’t algemeen
is dezelve van verschillende wijdte en lengte; deze
hangt meest van de gedaante der fossa basilaris af,
gene van de grootte der groeven aan de grond-
vlakte der hersenholte, welke de middelste her-
senkwabben opnemen. Zijn deze naar buiten diep
uitgehold, dan is de jukbeensinsnijding naauwer en
zoo ook omgekeerd.

§ 222.

De overige merkwaardige openingen aan de buiten-
zijde van den schedel zijn:

  • 1. De wandbeengaten (foramina parietalia).
  • 2. De bovenste oogholtegaten (foramina supraorbitalia).
  • 3. De onderste oogholtegaten (foramina infraorbitalia).
  • 4. Het voorste verhemeltegat (foramen palatinum
    anticum).
  • 5. De achterste verhemeltegaten (foramina palatina
    postica,
    benevens de beide naburige uitgangen
    voor de kleinere canales pterygo-palatini).
  • 6. De Vidiaansche kanalen (canales Vidiani).
  • 7. De onderste oogholtespleten (fissurae orbitales in-
    feriores).
  • 8. De eironde gaten (foramina ovalia).
  • 9. De doornachtige gaten (foramina spinosa).
  • 10. De ingang van het kanaal voor de hoofdslagader
    (canalis caroticus).
  • 11. De uitgeronde gladde groeven voor de bulbi der
    strotaderen en daarnevens de gescheurde gaten
    (foramina lacera).
  • 12. De spleten van glaser (fissurae Glaseri).
  • 13. De buitenste gehoorgangen (meatus auditorii externi).
  • 14. De foramina stylo-mastoïdea.
  • 15. Het groot achterhoofdsgat (foramen occipitale mag-
    num).
  • 16. De voorste knobbelgaten (foramina condyloïdea an-
    tica).
  • 17. De achterste knobbelgaten (foramina condyloïdea
    postica).
  • 18. De tepelgaten (foramina mastoïdea).

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
over het onderkaakbeen.

§ 223.

De onderkaak(1) (maxilla inferior s. mandibula)(2)
is verre weg het grootste en sterkste van alle ge-
laatsbeenderen(3); zij heeft eene parabolische ge-
daante, en staat alleen met het slaapbeen in verband,
met hetwelk zij zich op eene nader te beschrijven
wijze geleedt.

§ 224.

Hare verbeening vangt vroeg aan, en vertoont
zich reeds in menschelijke vruchten van twee of drie
maanden, van eene aanzienlijke grootte, maar in eene
gedaante die van hare toekomstige zeer verschilt. Over
’t algemeen bestaat de onderkaak bij de vrucht en bij
het voldragen kind(4) nit twee helften, die van
[Seite 102] voren aan de kin elkander raken. Dezelve is ook
wegens het gemis van tanden zeer laag, vooral aan
de kanten, en heeft dan ook nog maar twaalf tand-
kassen, in plaats van de zestien, welke er zich nader-
hand in bevinden enz. Reeds in de eerste maanden
na de geboorte verbeent de synchondrosis der kin
zeer stevig(1), en bij het uitkomen der melk-
tanden wordt ook de aanvankelijk elliptische vorm
van het been meer en meer in eene parabolische ver-
anderd.

§ 225.

Het ligchaam bestaat uit de kin en uit den on-
dersten tandkassenrand (limbus alveolaris), welke ten
opzigte van zijnen omvang en van den boog, dien hij
maakt, volkomen met dien der bovenkaak overeen-
komt. Het wordt aan weerszijden van de daaraan gren-
zende uitsteeksels gescheiden door den sinus obliquus,
naast welken binnenwaarts een ruwe rand tot aan-
hechting van den m. buccinator ligt. Aan den voor-
kant zit aan de inwendige oppervlakte der vroegere
synchondrosis eene meer of minder merkbare stompe
punt (spina mentalis interna), aan welke de m.m. genio-
glossus, geniohyoïdeus
en mylohyoïdeus zich vasthech-
ten. Daaronder liggen twee vlakke groeven voor den
m. biventer maxillae inferioris.

§ 226.

De vleugelwijze uitsteeksels vangen buiten en be-
nedenwaarts met den grooten hoek aan, welke naar
[Seite 103] het oor opstijgt, en welks verschillende rigting zoo
veel tot den karakteristieken gelaatsvorm bijdraagt.

Buitenwaarts zijn dezelve vlak, aldaar tot aanhech-
ting van den m. masseter dienende. Aan de binnenste
zijde van den achterrand zijn ruwe indruksels van de
bevestiging van den m. pterygoïdeus internus.

§ 227.

De uitsteeksels, in welke deze vleugel zich ver-
deelt, zijn tweederlei. Het kraaijenbeks- en knobbel-
uitsteeksel
(processus coronoïdeus en condyloïdeus.)

Het eerste ligt naar voren en heeft de gedaante van
een’ platten achterwaarts gebogen haak, welke met
een’ breeden wortel aanvangt, en naar boven vrij spits
toeloopt. Het komt in de jukbeensinsnijding te lig-
gen, en dient den m. temporalis voornamelijk tot aan-
hechting.

§ 228.

Zijn achterste, vrij scherpe rand is boogvormig uit-
gesneden (incisura sygmoïdea) en loopt in het knobbel-
uitsteeksel uit, door middel van hetwelk de geheele
onderkaak zich met den schedel geleedt.

De beide condyli zijn een paar rondachtige plat-
gedrukte knobbels, welke op een’ smallen hals zitten,
en in de breedte, van buiten naar binnen en tevens
eenigzins naar achteren gekeerd zijn, zoodat zij niet
in dezelfde lijn naast elkander liggen, maar van voren
naar achteren stomp convergeren.

§ 229.

Over de wijze, waarop deze knobbels zich met de
slaapbeenderen geleden, is vroeger veel getwist, vooral
over de vraag: of zij meer in de holte dan of zij meer
[Seite 104] tegen het tuberculum articulare liggen. Bij naauwkeurig
inzien echter vindt men dadelijk, hoe zij zich tot heide
verhouden. Bij een’ gesloten mond namelijk liggen zij
meer in de geledingsgroeven; bij een’ geopenden daar-
entegen worden zij meer voorwaarts naar het gewrichts-
knobbeltje gestuwd.

In het gewricht zelf ligt eene uitgeholde bewegelijke
vezelachtig- kraakbeenige schijf, door welke de onder-
kaak eene ligtere en uitgestrekter beweging verkrijgt,
zoodat dezelve niet alleen in een’ boog op en neder,
maar ook voor- en achterwaarts en tevens zijdwaarts
heen en weder, ja zelfs als in een’ kring verschoven
kan worden.

§ 230.

Bovendien zijn in de onderkaak de beide openingen
van het kanaal op te merken, door hetwelk de nervus
dentalis inferior
van den derden tak des vijfden paars,
benevens beiderlei bloedvaten van denzelfden naam
heengaan. Achteren en binnenwaarts, namelijk omtrent
in het midden der zijvleugels, het foramen maxillare posti-
cum,
als de ingang van dit kanaal; van waar ook nog
eene sleuf voor den nervus mylohyoïdeus schuins naar
voren gaat, en dan tot uitgang het foramen mentale s.
maxillare anticum
aan de buitenzijde der kin, nagenoeg
onder de tweede kies.


TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
over de tanden(1).

[Seite 105]

§ 231.

De tanden zijn harde deelen, eenigzins in maaksel
met de beenderen overeenkomende, maar door meer-
dere hardheid, vorming en andere bijzonderheden zoo-
danig van dezelve onderscheiden, dat zij eerder tot
het hoornweefsel dan wel tot het beenweefsel verdienen
gebragt te worden.

§ 232.

Zij zijn in de kassen der beide kaken bevat, waarin
zij oorspronkelijk gevormd worden. Wanneer zij nader-
hand uitgroeijen, vinden hunne wortels in dezelve
veilige bewaarplaatsen, in welke zij beschermd, ge-
voed, en zoo lang zulks met hun leven bestaanbaar is,
onderhouden worden.

§ 233.

Men onderscheidt aan elken tand wortel, hals en
kroon.
Het eerste deel is in de tandkas verborgen;
het andere puilt buiten dezelve uit; tusschen beide
in is een versmald gedeelte, hals.

§ 234.

Naar gelang de gedaante van de kroon en den wortel
verschilt, worden de tanden in snijhoek- en maaltan-
den
onderscheiden.

[Seite 106]

Zij zijn, gedurende het geheele leven niet ten zelf-
den getale aanwezig, noch ook van dezelfde gedaante
en maaksel. Bij de geboorte ontbreken de tanden ge-
heel, zoo men eenige weinige gevallen uitzondert;
in de beide eerste levensjaren worden er twintig klei-
ne, smalle tanden, met knoestvormige kronen en
dunne, korte wortels gevormd, welke uitvallen, om
door twee-en-dertig andere grooter en zwaarder tanden
allengs vervangen te worden. Deze heeten blijvende,
gene wissel- of melktanden.

§ 235.

In volwassen leeftijd is het met de tanden aldus
gelegen. De snijtanden, ten getale van vier, in elke
kaak, onderscheiden zich door breede kroonen, met
een’ scherpen, beitelvormigen rand, door eene van
voren rondachtig gewelfde, van achteren vlak uitge-
holde oppervlakte en door enkelvoudige wortels.

Van de hoektanden zijn er twee in elke kaak. Eene
kegelvormige, puntige, min of meer scherpe kroon,
en een lange, zaamgedrukte wortel zijn hunne ken-
merken. De maaltanden of kiezen verdeelt men in
ware en onware. De onware, door hunter tweepuntige,
(bicuspides)
genaamd, twee in getal, in elke kaak,
doen zich als verdubbelde hoektanden voor. De kroon
is derhalve tweepuntig, met de eene punt naar binnen,
de andere naar buiten gekeerd; de wortel is als uit
twee wortels zaamgegroeid. In de ware, drie ten ge-
tale in elke kaak, is de kroon breed, in vele punten
uitspringend en de wortel twee- of drie, ja soms vier-
of vijfdubbeld.

§ 236.

[Seite 107]

Elke tand bestaat uit twee zelfstandigheden: email
en beenachtige zelfstandigheid. Het email vormt de
schors voor de kroon. Het is eene, melkwitte, gladde,
als het ware gepolijste stof, uit dierlijke gelei met
kool- en phospherzuren kalk bestaande, van zeer ge-
ringe levenskracht, noch vaten, noch zenuwen bezit-
tende, hierdoor ongevoelig en zonder herstellingsver-
mogen, maar daarom jnist het best tot bekleeding der
tanden geschikt; weshalve het dan ook het dikst is,
waar zij het meest aan de werking van nadeelige oor-
zaken blootgesteld zijn. Van de beenzelfstandigheid
onderscheidt het zich door het vaster, porseleinachtig
maaksel, door de melkwitte kleur en de rigting der
vezels.

§ 237.

De beenachtige zelfstandigheid, ook wel ivoor ge-
heeten, het binnenste van de kroon en den geheelen
wortel zamenstellende, onderscheidt zich van het eigen-
lijk beenweefsel, door gemis van mergeellen, laags-
wijze vorming van buiten naar binnen, harder, vaster
en meer inééngedrongen maaksel. Zij is bijna krijt-
wit van kleur en zeer ondoorschijnend.

§ 238.

De beenachtige zelfstandigheid ontstaat het eerst, en
maakt den vasten grondslag van den geheelen tand uit.
Eerst ontwikkelt zich in de kaken der menschelijke
vrucht, gedurende het laatste tijdperk der zwangerheid,
en verder in het pas geboren kind, eene weeke, pap-
achtige stof, in gedaante met den nader te vormen
tand overeenkomende en door een vlies bedekt, het-
[Seite 108] welk van het tandvleesch afkomt en eenen zak vormt,
waarin later de stoffen ter vorming van den tand
afgezet worden. Wanneer dit voor den melktand ge-
schied is, zoo ontwikkelt zich een tweede zak voor
den blijvenden tand. Beide hangen eerst geheel, en
later slechts door een toegesnoerd gedeelte te zamen.

§ 239.

In deze zakken nu wordt, zoowel voor de blijvende
als voor de melktanden uit het slagaderlijk bloed de
beenstof afgezet; hetgeen voor de snij- en hoektanden
laagsgewijze in kringen, van buiten naar binnen en
van onderen op, maar voor de maaltanden op eene
eenigzins verschillende wijze geschiedt. Eerst vormt
zich de kroon, daarna de wortel. In het midden
blijft eene holte over, welke al kleiner en kleiner
wordt, maar toch groot genoeg blijft, om bloedvat
en zenuw tot den tand door te laten.

§ 240.

Op deze beenstof wordt in alle deelen van den
tand, welke buiten het tandvleesch zullen komen te
zitten, het email aangevoegd. Dit geschiedt straals-
wijze, als ware het bij kristalschieting. Het is eerst
eene weeke stof, welke daarna in eene hardere, bijna
glasachtige, overgaat en vooral aan de oppervlakte der
kroon vast en inééngedrongen is.

§ 241.

De vorming der melktanden vangt met de kroon
aan; daarna ontwikkelt zich de wortel. Terwijl deze
nu uitgroeit en de tand in grootte toeneemt, oefent
dezelve zulk eenen druk op het tandvleesch, dat door
prikkeling der opslorpende vaten en derzelver hieruit
[Seite 109] voortvloeijende vermeerderde werkzaamheid, het tand-
vleesch zich verdunt, en eindelijk vaneen splijt, om
doortogt aan den tand te verleenen. Dit geschiedt
echter niet, zonder hevige terugwerking op het geheele
ligchaamsgestel.

§ 242.

De melktanden komen in de volgende orde te voor-
schijn; eerst de twee middelste snijtanden der bovenkaak,
nagenoeg in de zesde of zevende maand na de geboorte,
daarna de twee middelste der onderkaak. Hierop volgt
het buitenst paar snijtanden, dan eens het eerst in de
boven- dan eens het eerst in de onderkaak. Na deze
komt het eerste paar maaltanden te voorschijn. In het
tweede jaar verschijnen de hoektanden; eerst de on-
derste, daarna de bovenste, en tegen het einde van het
tweede jaar, het tweede paar maaltanden. In het zesde
of zevende jaar voegt er zich de derde kies bij, welke
echter niet verwisseld wordt, en dus niet wel tot de
melktanden kan gebragt worden. Het is een blijvende
tand, vroeger dan de overige gevormd, om bij de
tandwisseling de kaken tot steun en tot vast punt van
tegenstelling te dienen.

§ 243.

De melktanden blijven omtrent tot aan het zevende
levensjaar bestaan, vallen alsdan bij opvolging uit,
en worden door de blijvende vervangen. De verwij-
derde oorzaak van dit verschijnsel is in de eigenaar-
dige vorming der tanden gelegen. Daar deze immers
zoodanig is, dat zij allengs de plaats innemen van
die deelen, welke dezelve voortbragten, waardoor zij
hunne voedster als het ware vernietigen, zoo vloeit
[Seite 110] hieruit voort, dat zij eenmaal gevormd zijnde, niet
verder groeijen kunnen. De overige deelen nu in
wasdom toenemende, worden zij allengs te klein voor
de holten, waarin zij bevat zijn. Dit kan niet geschie-
den zonder dat tevens het verband, hetwelk hen met
deze vereenigt, al losser en losser wordt. Door een en
ander begint eerst hunne voeding te kwijnen, en houdt
dezelve naderhand op. Onnutte deelen des ligchaams
geworden zijnde, moeten zij uit hetzelve verwijderd
worden. Hiertoe zetten zich de opslorpende vaten
in werking, door welke allengs de geheele wortel ver-
nietigd wordt. De kroon alleen overblijvende, blijft
nu waggelend in de tandkas zitten, tot dat de ge-
ringste uitwendige oorzaak dezelve doet uitvallen.

§ 244.

Spoedig na het verdwijnen der melktanden komen
de blijvende te voorschijn. Ten onregte echter zou-
de men stellen, dat deze op eene werktuigelijke wijze
de melktanden voortstuwen, en zoo doende uitdrijven.
Derzelver plaatsing, achter de melktanden, de been-
achtige middelschotten tusschen beide, de vliezige zak,
welke de beginsels der blijvende tanden omgeeft, dit
alles wederspreekt dit gevoelen genoegzaam.

Eene andere vraag intusschen is het, of de druk
door den meer en meer uitgroeijenden blijvenden tand
teweeg gebragt, de opslorpende vaten niet tot vermeer-
derde werkzaamheid aanzetten, en aldus de vernietiging
van den wortel des melktands kunne teweeg brengen?

§ 245.

Hieraan hecht zich tevens het denkbeeld, dat de
blijvende tand niet volkomen in de kas van den
[Seite 111] melktand treedt, maar dat hij zich eene nieuwe hol-
te vormt, zamengesteld slechts voor een gedeelte uit
de oude tandkas, welke te smal is voor den breede-
ren blijvenden tand.

§ 246.

Het eerst komen nu de middelste onderste snijtanden
te voorschijn; hierop volgen de middelste boventanden,
dan de buitenste van de boven- en onderkaak; voorts
het eerste paar maaltanden, eerst boven en dan onder;
het tweede paar maaltanden; de hoektanden, eerst bo-
ven dan beneden; het vierde paar maaltanden, zijnde
het derde er reeds, gelijk in § 242 gezegd is, en ein-
delijk in het 16e, 18e, 19e, 20e of 23e jaar, door-
gaans eerst in de boven- dan in de onderkaak het
vijfde paar maaltanden, aan hetwelk men gewoonlijk
den naam van wijsheidskiezen geeft.

§ 247.

Deze tanden blijven in den volwassen leeftijd be-
staan, maar vermits zij even als de melktanden geen
herstellingsvermogen hebben, zoo is hiervan het ge-
volg, dat de kroonen door het gebruik meer en meer
afslijtende en de wortel, door den verminderenden
bloedsomloop, in hoogen ouderdom minder gevoed wor-
dende, de holten door welke de slagader en zenuw
heengaan, zich vernaauwen en eindelijk sluiten. Ge-
lijktijdig verminderen de tandkassen in omvang door
afnemende voeding, en daar zij eindelijk geheel en
al verdwijnen, zoo worden de tanden als verstorvene
en onnut geworden deelen uitgestooten. Zoo gaan de
tanden, welke later dan de overige deelen des lig-
chaams gevormd zijn, spoediger dan deze te niet en
[Seite 112] naderen zich hierdoor de beide uiterste tijdperken des
levens, met dit onderscheid alleen, dat hier de tand
uitvalt, met behoud des wortels, na vernietiging van
de tandkas, daar de tandwortel verloren gaat, wes-
halve de kroon, hare vastheid verliezende, komt te
vallen.


DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
over de ruggegraat in het algemeen.

§ 248.

Het tweede en voorzeker niet onaanzienlijkst gedeel-
te van het menschelijk geraamte, is de tronk of romp,
welke bestemd is, om de borst- en buiksingewanden
te bevatten, en veel meer kraakbeenderen in zijne za-
menvoeging bezit, dan de schedel of de ledematen.
Gevoegelijk verdeelt men denzelven in de ruggegraat,
de borstholte en het bekken.

§ 249.

In den ruimsten zin genomen is de ruggegraat een
geleede koker, zich van den nek tot aan den aars uit-
strekkende en aldaar in eene stompe niet holle punt
uitloopende. Bij eene hooge mate van stevigheid voegt
dezelve dien graad van bewegelijkheid, welke tot den
opgerigten stand en gang van den mensch gevorderd
wordt. Deze bewegelijkheid is daarom ook niet over-
al even groot.

§ 250.

Zij is als het ware de eerste grondlijn van de ontwik-
[Seite 113] keling der menschelijke vrucht, daar haar grond-
vorm reeds van de derde week na de bevruchting en
de aanvang harer verbeening met talrijke beenkernen,
nagenoeg tegen het einde der tweede maand, zich be-
gint te vertoonen.

§ 251.

Zij bestaat eigenlijk uit 33 stukken, van welke 24
ware wervelen zijn, en de eigenlijke wervelkolom uit-
maken. Zij rusten op het heiligbeen, weder uit vijf
inééngegroeide wervelstukken bestaande, aan hetwelk
van onderen het staartbeen, uit vier stukken zamenge-
steld, is toegevoegd.

§ 252.

De wervelkolom wordt in wervelen voor den hals,
voor de borst of den rug en voor de lendenen ver-
deeld, en is niet overal even stevig.

De onderste wervelen, op het heiligbeen rustende,
zijn de zwaarste. Aan den rug worden zij allengs dun-
ner tot tusschen de schouders. Van daar verbreeden
zij zich eenigzins, om zich naar boven weder te ver-
smallen en zich eindelijk met een’ breeden wervel aan
het achterhoofd te voegen.

§ 253.

Van ter zijde beschouwd, en in den opgerigten stand,
vormt de ruggegraat eene dubbele S vormige bogt in
welke de ligchamen der halswervelen slechts vlak naar
voren gebogen zijn, die van den rug daarentegen met
eene groote, vlakke bogt naar achteren uitsteken,
waardoor de ruimte der borstholte zich vergroot. De
lendenwervelen springen dan weder voorwaarts in de
buikholte, en het heiligbeen buigt zich eerst naar ach-
[Seite 114] teren en daarna met het staartbeen eenigzins naar
voren.

§ 254.

Zoo men deze bogten van achteren langs de punten
der doornwijze uitsteeksels beschouwt, vindt men de gol-
ving wegens derzelver verschillende grootte en onder-
scheidene rigting veel minder sterk dan van ter zijde(1).

§ 255.

Het kanaal, hetwelk tot bevatting van het rugge-
merg door de ruggegraat heen gaat, strekt zich van het
bovenst staartbeenstuk tot aan het groote achterhoofds-
gat uit, aldaar in de hersensholte uitloopende. In de
lendenwervelen is dit kanaal het wijdst en even als in
de halswervelen van eene driehoekige gedaante; in de
rugwervelen daarentegen meer rondachtig en van den
6den tot den 9den tevens het naauwst. In het heiligbeen
is het zeer gering en als plat gedrukt; het eindigt al-
daar bij het eerste staartbeenstuk.

§ 256.

Zoo men de beide eerste halswervelen uitzondert, heb-
ben de overige wervelen het volgende met elkander gemeen:

Zij bestaan van voren uit het zoogenaamde ligchaam,
hetwelk eenigzins naar eenen cilinder gelijkt; zijdwaarts
[Seite 115] en naar achteren gaan de uitsteeksels in den zooge-
naamden boog over.

§ 257.

In de menschelijke vrucht en het pas geboren kind
bestaat elke wervel nog uit drie afzonderlijke been-
kernen, waarvan de eene het ligchaam, de beide an-
dere echter, welke van achteren een overblijfsel van
het oorspronkelijk kraakbeen tusschen zich hebben,
den boog uitmaken(1).

§ 258.

Het ligchaam is van een sponsachtig maaksel, en
als het ware, slechts met eene dunne beenschors be-
dekt. Aan deszelfs voorste en achterste oppervlakte
zijn veelvuldige openingen tot doortogt van de voe-
dende bloedvaten, en de bovenste en onderste opper-
vlakte zijn gladder, dan de beide andere.

§ 259.

Van den tweeden halswervel af, ligt tusschen de
ligchamen van alle overige eene zeer elastieke vezel-
achtig kraakbeenige schijf, cartilago intervertebralis, in
de meeste aan den voorkant van meerdere dikte dan
van achteren en uit concentrische ringvormige platen
bestaande. Deze worden naar het midden en een wei-
nig naar achteren weeker, en zijn aldaar zelfs als
door eene slijmige kern gevuld; die echter aan uit-
wendigen druk meerderen tegenstand biedt dan de
hardere randen, en hierdoor dan ook het voornaamst
steunpunt der ruggegraat uitmaakt, terwijl hare buig-
[Seite 116] zaamheid het meest van de elastische randen af-
hangt.

§ 260.

De boog der wervelen is vaster van maaksel dan
het ligchaam, en bezit, de bovenste halswervel alleen
uitgezonderd, zeven uitsteeksels, namelijk twee dwarse,
aan elke zijde één; desgelijks twee paar schuinsche,
het een aan de boven–, het andere aan de beneden-
zijde, daarom ook opklimmende en nederdalende gehee-
ten; eindelijk een doornwijs uit het midden der ach-
tervlakte voortkomende.

§ 261.

De boog vormt, in gemeenschap met de achter-
vlakte des ligchaams, de groote opening tot doortogt
van het ruggemerg. Voorts heeft elke wervel, nage-
noeg aan den wortel van zijn dwars uitsteeksel, eene
halvemaanswijze insnijding, welke op die van den na-
burigen wervel passende, met denzelven een gemeen-
schappelijk gat vormt, door hetwelk eene ruggemerg-
zenuw heengaat. Zoodanige zijn er aan weerszijden
dertig, namelijk acht voor den hals–, twaalf voor
de rug- of borst–, vijf voor de lendenzenuwen en
bovendien vijf in het heiligbeen voor de heiligbeens-
zenuwen.

§ 262.

De wervelen zijn door talrijke zeer stevige banden
te zamen vereenigd. De beide eerste bezitten een’
bijzonderen toestel van banden, welke eene afzonder-
lijke beschrijving vordert. Bij de overige kunnen zij
in gemeenschappelijke en in eigene onderscheiden
worden.

§ 263.

[Seite 117]

De gemeenschappelijke banden zijn degene welke zich
zoo wel aan den voor- als achterkant der wervel-
ligchamen uitstrekken, namelijk:

1°. Het ligamentum longitudinale anterius, hetwelk
reeds aan den eersten halswervel aanvangt en het(1)

2°. ligamentum longitudinale posterius, hetwelk meer
gepast ligam. longit. internum zoude heeten, en eerst
bij den derden halswervel begint(2).

§ 264.

Tot de bijzondere of eigene banden brengt men:

1°. Het ligamentum intervertebrale, hetwelk ligt vóór de
voegen der wervelligchamen en uit stevige zich over-
kruissende vezels bestaat, die, zoo als gezegd is, zich
in de vezelachtige kraakbeenige schijven, tusschen de
ligchamen der wervelen, verliezen(3).

2°. De ligamenta intercruralia, welke zich in de
tusschenruimten der bogen bevinden, en in de liga-
menta interspinalia
uitloopen. Deze laatste liggen tus-
schen de doornwijze uitsteeksels(4).

3°. De ligamenta apicum, welke zich aan de uiterste
punten der doornwijze uitsteeksels, van den eenen tot
den anderen wervel uitstrekken(5).

4°. De ligamenta articularia, welke van het hoogste
belang zijn, en vrij vast de schuinsche uitsteeksels
omvatten.


VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
over den eersten halswervel.

[Seite 118]

§ 265.

De beide eerste halswervelen hebben veel eigenaar-
digs, en vorderen daarom eene bijzondere beschrijving.

De eerste halswervel, atlas, is laag, plat, bijna ring-
vormig en bestaat, niet gelijk de overige wervelen,
uit een ligchaam en een doornwijs uitsteeksel, maar
het heeft twee bogen, een’ voorsten en een’ achter-
sten. Zijdwaarts is dezelve van aanzienlijke zijstukken
voorzien, door welke hij van boven met de knobbels
van het achterhoofd, van onderen met den tweeden
wervel in verband staat(1).

§ 266.

Ook vormt hij zich in de menschelijke vrucht niet
zoo als de overige uit drie, maar slechts uit twee
beenkernen.

§ 267.

De voorste boog, de plaats van wervelligchaam
vervangende, verbindt zich met de beide zijstuk-
ken, en heeft aan zijne binnen- of achtervlakte eene
kleine, halfronde geledingvlakte, in welke zich het
groot tandvormig uitsteeksel van den volgenden wervel
voegt. Uit zijne buitenste of voorste oppervlakte rijst
in het midden een klein knobbeltje op.

§ 268.

De beide stevige zijstukken zijn boven en beneden
tot schuinsche geledingvlakten uitgehold, en vervangen
[Seite 119] de plaats der schuinsche uitsteeksels van de overige
wervelen. De beide bovenste zijn een weinig meer
van elkander verwijderd, of liever een weinig smaller
en langwerpiger dan de onderste.

Aan den binnensten of benedensten rand der beide
bovenste geledingvlakten bevindt zich aan elke zijde
eene kleine groef, aan den voorkant door een knob-
beltje bepaald, in welke de dwarse band tot bevestiging
van het tandvormig uitsteeksel van den tweeden hals-
wervel zich uitstrekt.

De dwarse uitsteeksels zijn van aanzienlijke grootte;
in plaats van het doornwijs uitsteeksel echter, het-
welk het draaijen van het hoofd beletten zoude, vindt
men aan den achterkant van den achtersten boog,
slechts een klein stomp knobbeltje. De boog zelf laat,
als het hoofd niet naar achteren gebogen is, eene
aanmerkelijke ruimte tusschen zich en het doornwijs
uitsteeksel van den tweeden wervel, over.

§ 269.

Het groote gat (foramen magnum) door dezen ring-
vormigen wervel gevormd, is veel grooter dan in den
volgenden, vermits het, behalve het ruggemerg, ook
nog het tandvormig uitsteeksel des tweeden halswer-
vels moet opnemen.

De gaten der dwarse uitsteeksels zijn bovendien veel
wijder, en somtijds door een tusschenschot in tweeën
gedeeld.

Ook zijn de insnijdingen, welke tot de vier gemeen-
schappelijke galen (§ 261) voeren, en achter de beide
zijstukken liggen, lager en regtstandiger, dan aan de
volgende wervelen. De bovenste, welke tot ingang
[Seite 120] der arteria vertebralis en tot uitgang van het eerste paar
halszenuwen dienen, zijn somtijds door eene beenplaat
bedekt, waardoor zij de gedaante van een gemeen-
schappelijk gat nabootsen.

§ 270.

De geheele wervel is zeer naauw met het achter-
hoofdsbeen verbonden, welks knobbels eene ondiepe
geleding (arthrodia) met deszelfs gewrichtsoppervlakte
uitmaken, slechts weinig speling zijdwaarts, meerdere
naar voren en naar achteren toelatende.

§ 271.

Vier gewrichtsbanden dienen voornamelijk tot dit
verband:

1°. De ligamenta articularia, sive annulata, welke
rondom de gewrichten der achterhoofdsknobbels gesla-
gen zijn.

2°. Het ligamentum obturatorium anterius, hetwelk
de opene ruimte tusschen den voorsten boog en het
achterhoofd vult. Hetzelve belet de al te sterke ach-
teroverbuiging van het hoofd en beschermt het rug-
gemerg(1).

3°. Het ligamentum, obturatorium posterius, hetwelk
in de achterste ruimte tusschen het achterhoofdsbeen
en den achtersten boog van den atlas ligt. Het be-
perkt de buiging van het hoofd naar voren, en be-
veiligt het ruggemerg. Beide zijn breed en slap en
verliezen zich in de zijdelingsche gewrichtsbanden.


VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
over den tweeden halswervel.

[Seite 121]

§ 272.

De tweede halswervel, draaiwervel (epistropheus) ge-
naamd, verschilt in gedaante geheel van den eersten.
Hij is veel smaller, tevens ook veel sterker, aan de
voorzijde van eene aanzienlijke hoogte en een eigenaar-
dig maaksel(1).

§ 273.

Oorspronkelijk wordt hij ook uit vier beenkernen ge-
vormd, in welk opzigt hij zich zoowel onderscheidt
van den eersten halswervel, bij welken er twee, als van
de overige, bij welken er drie beenpunten zijn.

§ 274.

Het meest echter kenmerkt hij zich door het tand-
vormig uitsteeksel (processus odontoïdeus),
hetwelk naar
eenen afgeronden tepel gelijkt, die uit het bovenst uit-
einde van den wervel met een’ smallen hals te voor-
schijn komende, een zijdelings scharniergewricht met
den boog van den atlas vormt (z. § 38). Hiertoe be-
vindt zich aan deszelfs voorkant eene geledingvlakte,
welke op die van den eersten halswervel past. Door
middel derzelve kan de atlas, tegelijk met het hoofd,
zich om dit uitsteeksel, als om eene spil heen en we-
der draaijen. Deze beweging wordt echter beperkt
door den dwarsen band (z. § 268) welke zich om den
hals van het tandvormig uitsteeksel heenslaat.

§ 275.

[Seite 122]

Van onderen zitten als aan den wortel van het uit-
steeksel, twee gewelfde geledingsvlakten, op welke de
vroeger vermelde onderste geledingvlakten van den eer-
sten wervel rusten. Zij sluiten echter niet zeer naauw
op elkander en hebben somtijds eene kraakbeenige
schijf tusschen zich. Aan den onderkant des wervels,
en verder achterwaarts, zijn een paar andere veel klei-
nere geledingvlakten, welke naar de onderste schuin-
sche uitsteeksels der overige wervelen gelijken.

Tusschen deze laatste en de vorige in, liggen zijd-
waarts de dwarse uitsteeksels (processus transversi) wel-
ke veel korter zijn dan die van den atlas. Het doornwijs
uitsteeksel (processus spinosus)
daarentegen is veel ste-
viger en langer, en voegt bij een’ scherpen, schuins
nederdalenden rug, een stomp uiteinde, hetwelk in
tweeën verdeeld is.

§ 276.

De opening voor het ruggemerg is in dezen wer-
vel veel naauwer dan in den vorigen, en komt in ge-
daante met die der volgende overeen.

Het kanaal in de dwarse uitsteeksels is eigenaardig,
knievormig gebogen, nagenoeg even als de canalis ca-
roticus
van het slaapbeen.

§ 277.

De beide eerste halswervelen bezitten een’ eigenen
toestel van banden, welks stevigheid derzelver ont-
wrichting schier onmogelijk maakt. Hiertoe behooren,
behalve de in het vorig Hoofdstuk vermelde:

1°. het ligamentum suspensorium, hetwelk van den
voorkant van het tandvormig uitsteeksel, digt onder zijn
[Seite 123] stomp tepelvormig uiteinde afkomt, en zich tot aan den
voorrand van het groote achterhoofdsgat uitstrekt(1);

2°. de ligamenta lateralia, een paar korte stevige ban-
den welke bovenwaarts ter zijde van het tandvormig
uitsteeksel zitten, en zich aan het voorste en buiten-
ste gedeelte van het groote achterhoofdsgat vasthechten;

3°. het ligamentum transversum atlantis, sive cruci-
forme
achter den hals van het tandvormig uitsteeksel,
hetwelk van boven aan het achterhoofdsbeen en van
onderen aan het ligchaam van den tweeden halswer-
vel bevestigd is, en hierdoor het tandvormig uitsteek-
sel belet achter uit te wijken en het ruggemerg te
drukken(2);

4°. het ligamentum vaginale s. capsulare, door het-
welk de gewrichtsvlakte aan den voorkant van het
tandvormig uitsteeksel met de vlakte aan den ach-
terkant des voorsten boogs van den atlas verbonden is.


ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
over de overige halswervelen.

§ 278.

De overige vijf halswervelen vormen als het ware
te zamen een’ stompen kegel, en zijn in het algemeen
kleiner dan de volgende, maar tevens van een vaster
weefsel(3).

§ 279.

[Seite 124]

Hunne ligchamen zijn naar voren niet zeer gewelfd,
en steken niet zoo veel als aan de rugwervelen uit,
om aan den slokdarm en de luchtpijp meerdere ruim-
te te verschaffen. Uit de bovenste oppervlakte rijst
aan weerszijden een aanmerkelijk uitsteeksel op, het-
welk zich in eene daarop sluitende vlakte van den
daarboven geplaatsten wervel voegt, en hierdoor de
stevigheid van den nek vermeerdert.

§ 280.

Hunne schuinsche uitsteeksels hebben eene meer
scheve rigting dan die der overige wervelen. Ook is
hun scherpe rand even als in de rugwervelen naar
buiten, en niet zoo als in de lendenwervelen, naar vo-
ren en naar achteren gekeerd; hunne geledingvlakten
zijn vlakker en niet zoo als in de lendenwervelen hol
in den eenen, bol in den anderen wervel.

De dwarse uitsteeksels zijn in de eerste plaats, even
als in de beide bovenste wervelen, tot doortogt der
wervelbloedvaten, aan hunnen wortel doorboord, zoo-
dat zij gezamenlijk een telkens afgebroken kanaal vor-
men; in de tweede plaats echter onderscheiden zij
zich daardoor, dat zij even als eene goot uitgehold
zijn, en voor- en achterwaarts in korte uitsteeksels
uitloopen, tusschen welke de halszenuwen doorgaan.
Vele ontleedkundigen tellen daarom ook negen uit-
steeksels aan dezelve. Het doornwijs uitsteeksel is,
althans in den derden, vierden en vijfden halswervel
kort en breed, ten einde het achteroverbuigen van
het hoofd niet te beletten. Om dezelfde reden is het aan
zijn uiteinde gespleten, en beneden als eene sleuf
[Seite 125] uitgehold. Tot aan den vijfden wervel zit de achter-
ste nekband er aan vast.

§ 281.

De onderste halswervel onderscheidt zich door eeni-
ge bijzonderheden van de overige. Deszelfs ligchaam
heeft eene meer gewelfde en uitpuilende gedaante,
en maakt ook door zijn overig zamenstel den overgang
tot de rugwervelen. Aan deszelfs benedenrand ziet
men meestal eene kleine vlakte, welke in verband
met die van den bovensten rugwervel, tot geleding der
eerste rib dient. Ook ontbreekt meestal aan deszelfs
dwars uitsteeksel het gat voor de bloedvaten der wer-
velen, en is de sleuf voor de halszenuwen niet zoo
duidelijk als in de overige. Het doornwijs uitsteeksel
is bovendien veel langer en komt in gedaante met
dat der rugwervelen overeen.

§ 282.

Terwijl het hoofd op den bovensten halswervel
voor- en achterwaarts gebogen en op den tweeden
even als om eene spil ginds en herwaarts kan be-
wogen worden, dient de gemeenschappelijke zamen-
voeging der overige halswervelen, zoowel om deze
beide soorten van beweging te bevorderen, als om
de zijdelingsche buiging naar de schouders mogelijk
te maken.


ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
over de borst- of rugwervelen.

[Seite 126]

§ 283.

De twaalf rug- of borstwervelen zijn van de geheele
ruggegraat de minst bewegelijke; zij hebben de dunste
vezelachtig- kraakbeenige schijven tusschen hunne lig-
chamen, en onderscheiden zich door vele bijzonder-
heden, welke met hunne verhouding tot het overig
gedeelte der borstholte en met de geleding der rib-
ben in verband staan(1).

§ 284.

Derzelver ligchamen houden ten aanzien der grootte,
het midden tusschen de hals- en lendenwervelen. De
oppervlakten, door welke zij elkander raken, zijn
vlakker dan in de halswervelen. De beide bovenste
zijn aan den voorkant als het ware platgedrukt, even
als aan de halswervelen; de drie daarop volgende
daarentegen zijdwaarts als zaamgedrukt, en over het
algemeen de smalste van de geheele ruggegraat. Ter
plaatse waar de boog begint, ziet men van weers-
zijden eene kleine geledingvlakte, met welke het bin-
nenst geledinghoofdje der ribben zich vereenigt. Deze
zijn in de beide onderste rugwervelen, somtijds ook
in de bovenste eigene geledingvlakten; in de negen
overige gemeenschappelijke.

§ 285.

De schuinsche uitsteeksels dezer wervelen hebben
[Seite 127] eene meer regtstandige rigting dan aan den hals, even
als aldaar met hunne gewrichtsoppervlakten naar bui-
ten gekeerd zijnde.

De dwarse uitsteeksels ontspringen als het ware uit
de vorige; zij zijn stevig en lang, in de bovenste ech-
ter korter dan in de overige, en in den zevenden het
allerlangst. Meer benedenwaarts vermindert hunne
lengte, zoodat zij in de beide onderste het kortst zijn.
Allen loopen in dikke knoppen uit, die in de beide
onderste wervelen bijna als eene halvemaan zijn uit-
gesneden. Omstreeks van den vierden tot aan den
elfden loopt een bijzondere band langs dezelve(1).

Aan de voorzijde ziet men vlak bij hun uiteinde eene
gewrichtsvlakte ter geleding met de buitenste en ach-
terste gewriehtshoofden der ribben (tubercula costarum).
Deze ontbreekt in de twee onderste.

Van de doornwijze uitsteeksels hebben de drie of
vier bovenste eene tamelijk regtstandige rigting en
zijn vrij ver van elkander verwijderd. De volgende zes
hellen schuins naar beneden en stuiten hierdoor op
elkander. De laatste liggen weder bijna horizontaal en
naderen tot den vorm der lendewervelen, hoewel zij
dunner zijn. Over het algemeen is derzelver gedaante
bijna prismatisch, met eenen naar boven gekeerden
scherpen rug.

§ 286.

In het algemeen zijn de zijgaten dezer wervelen
naauwer dan aan den hals; desgelijks de gaten voor
het ruggemerg, althans van den zesden tot aan den
negenden.

§ 287.

[Seite 128]

Gelijk de laatste halswervel, door zijne gedaante den
overgang tot de rugwervelen uitmaakt, zoo gaat ook
de onderste rugwervel in de lendenwervelen over.
Voornamelijk staan zijne schuinsche uitsteeksels bo-
ven- en benedenwaarts in eene tegengestelde rigting;
de bovenste namelijk, even als bij de vorige, met de
gewrichtsvlakte naar achteren, de onderste daarentegen
met dezelve naar voren, even als in de lendenwerve-
len. Ook heeft deze laatste, even als de onderste
schuinsche gewrichtsvlakte der lendenwervelen, een’
gewelfden rug.


ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
over de lendenwervelen.

§ 288.

De vijf lendenwervelen maken het benedenst gedeel-
te van de eigenlijke wervelkolom uit. Zij zijn de ste-
vigste, en tevens door de dikte hunner vezelachtig kraak-
beenige schijven de bewegelijkste van allen(1).

§ 289.

Hunne ligchamen zijn werkelijk dikker dan die der
vroeger vermelde wervelen, en aan hunne benedenste
oppervlakte, ten minste achterwaarts, vlak uitgehold.
Van voren zijn zij hooger dan van achteren, gelijk zulks
voor het evenwigt bij de vroeger vermelde natuurlijke
buiging der ruggegraat en voor den opgerigten stand
en gang van den raensch gevorderd wordt.

§ 290.

[Seite 129]

De schuinsche uitsteeksels der lendenwervelen ver-
dienen ter naauwernood dezen naam, daar zij bijna
loodregt staan. Zij zijn over het algemeen zeer stevig,
en hebben eene geheel andere rigting dan (aan de ove-
rige wervelen, daar zij met hunne randen naar voren en
naar achteren gekeerd zijn. De bovenste zijn als eene
sleuf uitgehold. De onderste staan digter bij elkander
en zijn cilindrisch gewelfd.

§ 291.

De dwarse uitsteeksels ontspringen als het ware te-
gelijk uit het ligchaam en uit de bovenste schuinsche
uitsteeksels; zij zijn een weinig naar achteren gebogen.
Aan de beide bovenste lendenwervelen zijn zij kort,
aan den derden langer, aan de beide onderste weder
korter en gedeeltelijk ook dunner en stomp-puntig. Dit
alles dient om de zijdwaartsche buiging des ligchaams
gemakkelijker te maken.

Somtijds, echter op eene zeer onregelmatige wijze,
vindt men tusschen de dwarse uitsteeksels en de boven-
ste schuinsche, naar achteren toe, de zoogenaamde
processus accessorii, weshalve vele ontleedkundigen
negen uitsteeksels aan de lendenwervelen hebben toe-
geschreven.

§ 292.

Het doornwijs uitsteeksel is in deze wervelen kort
maar breed, vlak zaamgedrukt, boven en beneden-
waarts als scherp afgeslepen en aan het uiteinde als
het ware stomp afgeknot. Aan den eersten en laatsten
wervel is hetzelve het kortst en bij alle heeft het eene
bijna horizontale rigting.

§ 293.

[Seite 130]

De onderste lendenwervel heeft zoowel als de on-
derste hals- en rugwervel, iets zeer eigenaardigs. Zijn
ligchaam is van voren veel hooger dan van achteren,
en vormt hierom ter plaatse van zijne vereeniging met het
heiligbeen, het zoogenaamde voorgebergte (promonto-
rium
). Zijne onderste schuinsche uitsteeksels echter
hebben weder dezelfde rigting als in de rugwervelen,
namelijk de naar voren gekeerde gewrichtsvlakte. Ook
staan zij veel verder uit elkander dan aan de overige len-
denwervelen.


NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
over het heiligbeen.

§ 294.

Het heiligbeen (os sacrum s. latum s. os clunium)
is verreweg het grootste been van de ruggegraat, van
een sponsachtig ligt weefsel, naar voren uitgehold en
tamelijk glad, naar achteren gewelfd, ruw en oneffen;
in het geheel omtrent naar eene stompachtige gekrom-
de schop gelijkende.

In het vrouwelijk geraamte is het meestal vlakker
en minder sterk gekromd dan in het mannelijke(1).

§ 295.

Het is achterwaarts tusschen de heupbeenderen in-
gevoegd, helpt de bekkenholte vormen, en is als het
[Seite 131] ware het voetstuk, waarop de geheele ruggegraat met
hoofd, borst en armen rust.

§ 296.

Eigenlijk is het een zamengesteld been, hetwelk
meestal uit vijf, minder uit zes, wervelmatige stukken
als zamengegroeid, en in jeugdige voorwerpen in even
zoo vele stukken duidelijk gescheiden is. Somtijds is
het met den ondersten lendenwervel, somtijds met het
bovenste staartbeenstuk zamengegroeid.

§ 297.

Oorspronkelijk echter bestaat de kraakbeenige grond-
laag van dit been in de menschelijke vrucht uit één stuk,
waarin men tegen het tijdperk der geboorte 21 been-
kernen kan onderscheiden. Vijf namelijk voor elk der
drie bovenste naar wervelen gelijkende stukken, van
welke het middelste derzelver ligchaam uitmaakt;
twee, welke van weerskanten naar voren liggen, zijn
dwarse, en twee grootere, evenzoo naar achteren ge-
plaatst, schuinsche uitsteeksels. De beide onderste
stukken daarentegen hebben even als de eigenlijke
wervelen, elk slechts drie beenkernen.

§ 298.

Het gedeelte hetwelk derzelver ligchaam uitmaakt,
is vlak, en in de kindschheid en jeugd van de ove-
rige door vezelachtig kraakbeenige schijven gescheiden,
welke wel is waar, tegen den tijd der manbaarheid
meest vergroeijen, maar echter nog in hoogen ouder-
dom sporen nalaten. Het bovenste dezer stukken
vormt aan den bovenkant eene even zoo breede gele-
dingsoppervlakte, als aan de eigenlijke wervelen van
de wervelkolom.

[Seite 132]

Het onderste daarentegen loopt in eene stompe punt
uit, met eene in de dwarste liggende oppervlakte,
waarmede het eerste lid van het staartbeen zich ge-
leedt.

§ 299.

De gezamenlijke uitsteeksels van deze naar wer-
velen gelijkende stukken zijn als inéén gesmolten en
onduidelijk. Hiervan zijn de beide bovenste schuins
opstijgende uitgezonderd, welke met hunne aanmer-
kelijke uitgeholde vlakten naar achteren en naar
binnen gekeerd zijn, om zich met de schuins neder-
dalende uitsteeksels van den ondersten lendenwervel
te geleden. De overige schuinsche uitsteeksels van
beiderlei soort zijn als in ruwe knobbels te zamen ge-
groeid, die aan den achterkant paarsgewijs van boven
naar beneden convergeeren.

De dwarse uitsteeksels zijn het onduidelijkst, dewijl
zij in de breede zijstukken van het been te zamen
smelten. Het bovenste paar vormt aan den voorkant
van de vermelde schuins naar boven stijgende uitsteek-
sels, een paar breede vleugels, welker bovenste en
achterste rand met de dwarse uitsteeksels van den laat-
sten lendenwervel evenwijdig loopen, en eene ruimte
tusschen zich laten, door welke de laatste lenden-
zenuw heengaat; hun voorste rand daalt aan het voor-
gebergte zijdwaarts naar beneden, en loopt in de stompe
grenslijn (linea innominata) uit, welke het zoogenaam-
de groote bekken van het kleine scheidt.

De beide bovenste wervelstukken van het heilig-
been zijn aan beide kanten, door middel van de zoo-
genaamde symphysis sacro-iliaca, tusschen de achter-
[Seite 133] stukken van het darmbeen ingevoegd. De kraakbee-
nige oppervlakte, waarmede zij hiertoe omkorst zijn,
is vlak uitgehold, en heeft nagenoeg eenige overeen-
komst met den omtrek van een menschenoor.

Van de doornwijze uitsteeksels ziet men gewoon-
lijk slechts aan de drie bovenste wervelstukken ken-
bare blijken. Meer benedenwaarts zijn zij meest door
eene divergeerende spleet uiteengeschoven, welker ran-
den van weerszijden met ettelijke kleine knobbeltjes
bezet zijn, waarvan de onderste zich even als een
paar schuins naar beneden dalende uitsteeksels voor-
doen, zich met de schuins naar boven stijgende uit-
steeksels van het eerste lid van het staartbeen ver-
eenigende.

§ 300.

Naar achteren loopt door het heiligbeen een drie-
hoekig kanaal, hetwelk het einde van de geheele rug-
gemergsholte uitmaakt. Bovenwaarts is het wijd, en
is zijne opening schuinsch, van voren naar achteren
en naar beneden als afgeknot. Benedenwaarts verliest
het zich in de vermelde divergeerende spleet.

§ 301.

Naar het midden toe is het heiligbeen in zijne ge-
heele lengte met vier paar aanmerkelijke convergee-
rende openingen doorboord, welke aan weerskanten
naast de voormelde voegen der wervelstukken liggen.

Voorwaarts zijn deze openingen ruimer, en als het
ware trechtervormig, tot doortogt der heiligbeens-
zenuwen dienende.

Achterwaarts zijn zij naauwer; hunne randen zijn
ruwer en grootendeels door beenvlies gesloten.


DERTIGSTE HOOFDSTUK.
over het staartbeen.

[Seite 134]

§ 302.

Het staart- of stuitbeen (os coccygis) bestaat gewoon-
lijk uit vier stukken, welke in den meest natuur-
lijken toestand ook bij volwassen menschen niet ligt
zamengroeijen, maar door eene ware symphysis zamen
verbonden zijn, en derhalve een weinig medegeven(1).

§ 303.

Ook vormt het zich in de menschelijke vrucht,
niet gelijk het heiligbeen, uit één, maar uit vier af-
zonderlijke kraakbeenderen.

§ 304.

Deze vier stukken maken als het ware een’ aan-
hang van het heiligbeen uit; zij loopen met deszelfs
onderst uiteinde in ééne rigting voort, puilen achter-
waarts in de onderste opening van het bekken uit,
en dienen vooral den endeldarm tot ondersteuning(2).

§ 305.

[Seite 135]

Het bovenste stuk is verreweg het grootste, van
aanmerkelijke breedte, en van twee paar duidelijke
uitsteeksels voorzien, namelijk van twee korte stompe
dwarse uitsteeksels, en dan achterwaarts van twee
uitpuilende langere en spitsere, welke als het ware
de plaats van de schuins opstijgende uitsteeksels der
vroeger vermelde wervelen vervangen, en naar de
beide opgegeven gelijkvormige uitsteeksels van het
onderst en achterst gedeelte des heiligbeens gerigt
zijn. Aan de overige drie stukken, die allengs meer
en meer in grootte afnemen, ziet men slechts zwakke,
minder kenbare sporen van zijdelingsche uitsteeksels,
behalve deze echter geene andere.

§ 306.

De gezamenlijke vier stukken van het staartbeen
zijn voor het overige geheel digt, zonder doorloopend
kanaal en zonder andere bepaalde opening.


EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
over de heup- of ongenaamde beenderen.

§ 307.

De beide ongenaamde of heupbeenderen (ossa inno-
minata s. anonyma s. coxarum)
zijn de grootste van alle
[Seite 136] de platte beenderen van het geraamte; boven- en
achterwaarts breeder en fraai uitgeslepen, beneden-
en voorwaarts massiver meer convergeerend en ge-
deeltelijk doorbroken en uitgehold(1).

§ 308.

Voorwaarts zijn zij door kraakbeen met elkander
vereenigd, achterwaarts hebben zij het heiligbeen
tusschen zich, en vormen met dit en met het staart-
been, de zoogenaamde bekkenholte. In de heupkom-
men bevinden zich de dijebeenderen.

§ 309.

In de menschelijke vrucht bestaan zij uit drie af-
zonderlijke beenkernen, welke in de heupkom te za-
men komen, en nagenoeg eerst in het zevende jaar
te zamen groeijen. Soms echter blijven de sporen dezer
scheiding nog later, en tot op den tijd der manbaar-
heid, merkbaar.

§ 310.

Volgens de plaatsing dezer oorspronkelijke drie been-
kernen, wordt nu ook elk ongenaamd been weder
in even zoo vele deelen gescheiden, waaraan men
den naam van bijzondere beenderen geeft.

De beide bovenste groote uitgebreide deelen dragen
den naam van darmbeenderen, ossa ilium.

De middelste, van voren aan elkander stootende,
heeten schaambeenderen (ossa pubis s. pectinis).

De naar beneden dalende worden zitbeenderen (ossa
ischii s. coxendicis)
genoemd.

§ 311.

Nu handelen wij over elk der drie beenderen in
[Seite 137] het bijzonder; en in de eerste plaats over de darm-
beenderen, welke verreweg het grootste gedeelte van
de ongenaamde beenderen uitmaken.

Deze verschillen zeer in dikte; vooral naar het
middelst gedeelte toe, en wel, zoo als het schijnt,
zonder bepaalde verhouding tot ouderdom en kunne.
In het midden is er door gemis van diploë, eene
dunne doorschijnende plek.

De buitenste of achterste vlakte, of de zoogenaamde
rug van dit been is vlak, en vertoont slechts een
paar zeer zwakke, golvende indruksels en verheven-
heden.

De binnenste of voorste oppervlakte wordt in twee
ongelijke helften verdeeld, welke elkander in eenen
stompen hoek raken.

De achterste dezer beide helften (planities articularis)
is verreweg de kleinste, en wordt door eenen scher-
pen rand van den voorsten gescheiden. Dezelve dient
tot vaste vereeniging met het heiligbeen (symphysis
sacro-iliaca
) en is daarom naar voren, waar zij tegen
den vermelden scherpen rand aanstoot, voorzien van
eenen eenigzins verheven ruwen knoest, nagenoeg ter
breedte van eenen duim, in omtrek naar een menschen-
oor gelijkende. Dezelve past volkomen op de daar-
mede overeenkomende, vlak uitgeholde, vroeger ver-
melde kraakbeenige oppervlakte van het heiligbeen.

Achterwaarts is het overig, grooter gedeelte van deze
helft ook ruw en oneffen. Het is van twee knobbels
voorzien, welke door eene insnijding van elkander
gescheiden zijn, zittende de een boven, de andere, on-
der dezelve: de achter-bovenste en achter-onderste knobbel.

[Seite 138]

De voorste helft is veel grooter, gladder, en slechts
naar het midden toe, geheel vlak uitgeslepen. Be-
nedenwaarts stoot zij aan den stompen rug (linea in-
nominata
), welke zich van het voorgebergte des hei-
ligbeens alhier voortzet.

Nu volgt de opgave der randen van dit been.

De bovenste, grootste (crista ilei) is bijna eene span
lang, boogvormig en in jeugdige voorwerpen van
eene smalle lijst voorzien, welke dikwijls nog tot in
de jaren der manbaarheid, als eene epiphysis aan-
gelijmd schijnt.

Dezelve vormt de eigenlijke zoogenaamde heup, is
achterwaarts, waar zij over het heiligbeen heen, uit-
puilt, het dikst; in het midden, het dunst; voor-
waarts eindigt dezelve in eenen stompen hoek of in
den voorbovensten knobbel des darmbeens (tuberculum
spina superior ilei).
Van daar daalt de voorste, klei-
nere rand in eene halvemaanswijze ingesneden lijn
naar beneden en loopt in eene stompe punt uit, spina
inferior ilei
of vooronderste knobbel des darmbeens;
deze steekt over den bovensten rand van de heupkom uit.

Benedenwaarts, als ware het aan den voet van de-
zen heuvel, stoot het heupbeen tegen het schaam-
been, aan, en maakt op de plaats der vereeniging,
een geheel vlak indruksel over hetwelk de Fallopiaan-
sche of Poupartsche peesachtige boog uitgespannen is.

§ 312.

Het schaambeen is het tweede en kleinste gedeelte
van het on genaamde been, en bestaat uit een stevig,
prismatisch dwarsstuk en een daaruit vlak naar be-
neden dalend gedeelte.

[Seite 139]

Het eerste (ramus superior s. transversalis s. horizon-
talis
) vangt aan de voormelde voeg en aan den voor-
sten rand van de heupkom aan, en maakt naar
boven toe, eenen vlak uitgeholden boog, welke voor-
waarts digt bij de schaambeens-vereeniging, in eenen
stomp uitpuilenden knobbel (tuberculum spinosum pubis)
eindigt, tot vasthechting dienende van de buitenste
strook van den voorsten liesring.

Van den onderkant des vermelden tuberculum spi-
nosum
daalt nu het ander stuk naar beneden, waar-
door de schaambeenderen gezamenlijk onder de syn-
chondrosis,
den grooten boog vormen, welke in het
vrouwelijk geraamte, in een’ stompen hoek uitgehold
en meer naar voren uitgebogen is, en tevens scherper
randen heeft, dan in het mannelijke.

Beide de schaambeenderen zijn door eene twijfel-
achtige geleding met elkander vereenigd, welke den
naam van symphysis of synchondrosis ossium pubis
voert. Elk derzelve is daarom met eene vezelach-
tig kraakbeenige plaat omkorst, die aan de eene zijde
eene bolle, aan de andere eene holle oppervlakte
vertoont.

§ 313.

Het derde gedeelte van het ongenaamde been, het-
welk in grootte omtrent het midden tusschen de beide
vorigen houdt, draagt den naam van zitbeen, aan het-
welk men het voorste, onderste en achterste gedeelte kan
onderscheiden.

Het voorste en verreweg kleinste gedeelte (ramus
anterior s. adscendens
) raakt aan den schaambeens-
boog, en is als het ware eene verlenging van het
[Seite 140] vermelde platte, nederdalende stuk van het schaam-
been.

Het onderste tuber ischii of zitbeensknobbel, is dik,
knobbelig en het eigenlijke steunpunt des ligchaams in
de zittende houding.

Beide deze gedeelten zijn, even als de kam van het
darmbeen, tot aan den volwassen leeftijd toe, in eene
lange lijstvormige epiphyse ingekast.

Het achterste gedeelte (ramus posterior s. descendens)
is het grootste en sterkste van alle. Zijn buiten-
ste rand wordt van den zitbeensknobbel af, achterwaarts
tot aan het achterste uiteinde van den grooten kam des
darmbeens gerekend; dezelve vormt twee aanmerkelij-
ke insnijdingen van ongelijke grootte en diepte. De
onderste insnijding (luna alb. s. incisura ischiatica infe-
rio
) is klein en vlak, en dient om de pees van den m.
obturator internus
door te laten. Dezelve wordt door
eenen scherp uitpuilenden hoek (spina) van de andere
insnijding gescheiden. Deze incisura ischiatica supe-
rior,
welke echter eigenlijk tot het darmbeen behoort,
en eerder incisura iliaca behoorde te heeten, is zeer diep,
elliptisch uitgesneden, ligt tusschen de heupkom en het
achterste uiteinde van het darmbeen, en dient tot door-
togt van de groote zitbeenszenuw en van twee aanmer-
kelijke slagaderen, de iliaca posterior (s. glutea) en
ischiatica.

§ 314.

De heupkom (acetabulum) door middel van welke het
geheele overig ligchaam op de dijebeenderen rust, en door
dezelve gedragen wordt, ligt juist op de plaats, waar in de
onrijpe vrucht de drie stukken van het ongenaamde
[Seite 141] been bij elkander komen. Hare rigting is schuinsch, met
den bovensten tamelijk scherpen rand (supercilium)
naar buiten uitstekende. Deze maakt tevens het dik-
ste gedeelte van het geheele been uit.

De holte der heupkom zelve is op haren bodem en
naar den binnensten en ondersten rand toe, door eene
kleine maar diepe groef afgebroken, en hierdoor als het
ware in twee ongelijke helften verdeeld. De bovenste
en buitenste is van eene meest halvemaanswijze gedaan-
te, en van eene kraakbeenige geledings-oppervlakte
voorzien. De onderste en binnenste is ruw, en loopt aan
den benedenrand in eene diepe insnijding (incisura ace-
tabuli
) uit, welke achter het achterste uiteinde van de-
ze halvemaanswijze kraakbeenige oppervlakte naar be-
neden gaat en door vezelachtig kraakbeen bedekt wordt.

Gelijk de buitenste kraakbeenige oppervlakte de ei-
genlijke geleding uitmaakt, waarin het hoofd van het
dijebeen zich beweegt, zoo dient de ruwe inwendige groef
tot het opnemen van Haversiaansche klieren, welker
geledingvet deze beweging gemakkelijker maakt.

Eindelijk is op den bodem van de inwendige groef
benedenwaarts nog eene ruwe kleine diepte op te mer-
ken, in welke de ronde band (ligamentum teres) zit,
welks onderst uiteinde aan het hoofd van het dijebeen
bevestigd is.

§ 315.

Naast de heupkom, naar voren en naar beneden, wordt,
door de zamenvoeging van het schaam- met het zitbeen,
het zoogenaamde eironde gat, foramen magnum ovale
het grootste foramen proprium van het geheelen geraamte,
gevormd, hetwelk in het vrouwelijk bekken meestal
[Seite 142] merkelijk grooter is dan in het mannelijke. Het heeft
omtrent de gedaante van eenen ongelijkzijdigen drie-
hoek, welks langste zijde vóór de heupkom, de kort-
ste echter onder de schaambeenderen ligt.

In den bovensten hoek is tusschen beide zijden eene
vlakke groef tot doorgang van den nervus obturatorius en
van de bloedvaten van denzelfden naam. Het overige
gedeelte dezer opening is door een vlies gesloten.


TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
over het bekken in het algemeen.

§ 316.

De heupbeenderen voegen zich met het heiligbeen
te zamen, tot vorming van het zoogenaamde bekken.
De darmbeenderen verbinden zich daartoe tot eene twij-
felachtige geleding met het heiligbeen en desgelijks
de schaambeenderen onderling. Het is eene opene hol-
te, welke in de darmbeenstreek breed aanvangt en zich
benedenwaarts kokervormig versmalt. Door de onge-
naarade lijn wordt het in het groote bekken (boven de
lijn)
en in het kleine (onder de lijn) verdeeld.

§ 317.

Aan het kleine bekken onderscheidt men weder de
eigenlijke bekkenholte, de bovenste opening (ingang)
en de onderste (uitgang). De bovenste opening wordt
omschreven door de ongenaamde lijn. De onderste
door het staartbeentje, de heilig- en zitbeensbanden;
[Seite 143] de knobbels der zitbeenderen, den ondersten of neder-
dalenden schaambeenstak en den schaambeenshoek.

§ 318.

De bovenste opening is of meer of min ovaal, het zij
in de lengte, het zij in de dwarste, of rond, of bijna
driekantig, somtijds zelfs, hoewel zelden, hartvormig
van gedaante. De onderste opening kan niet met eene
bepaalde figuur vergeleken worden. In den verschen
toestand is dezelve, met vrijlating van de natuurlijke
openingen des ligchaams, door zachte deelen gesloten,
dewijl de bovenste als voortzetting der buikholte geheel
open blijft.

§ 319.

Aan de bovenste zijn meestal de schuinsche en dwarse
doormetingen de grootste en is de regte de kleinste; aan de
onderste is de afstand tusschen den hoek der schaambeen-
deren en het teruggebogen schaambeen het grootst,
het kleinst de afstand tusschen de zitbeensknobbels.
Behalve deze beide moeten als openingen van het bekken
nog de zitbeensinsnijding en het eironde gat opgegeven
worden.

§ 320.

Tot onderling verband der beenderen welke het bek-
ken zamenstellen, dienen de volgende banden:

I. tot vereeniging van de darmbeenderen met het heilig-
been.

Drie aan de achterzijde:

1. Het ligamentum posticum longum(1) zich van het
knoestig einde van den darmbeenskam tot aan het vier-
de wervelstuk des neiligbeens uitstrekkende.

[Seite 144]

2. Het ligamentum posticum breve(1) vlak onder het
vorige.

3. Het ligamentum posticum laterale(2) van hetzelfde
gedeelte van den darmbeenskam, dwars naar de bovenste
groote vleugelwijze uitsteeksels des heiligbeens gaande.

Twee aan de voorzijde.

1. Het ligamentum transversale superius(3) van den bo-
venrand van den darmbeenskam, naar het dwars uit-
steeksel van den vijfden en somtijds ook van den vierden
lendenwervel gaande.

2. Het ligamentum transversale inferius(4) korter dan
het vorige, maar steviger en een weinig lager; van het
binnenst dwars uitsteeksel des ondersten lendenwervels
zich uitstrekkende.

II. tot vereeniging van het zitbeen met het heilig- en
staartbeen.

1. Het ligamentum sacro-ischiaticum(5) hetwelk ach-
terwaarts van het vierde en vijfde wervelstuk des hei-
ligbeens naar de binnenvlakte van den onderkant des
zitbeensknobbels gaat.

2. Het ligamentum spinoso-sacrum(6) korter dan het
vorige en dwars vóór hetzelve zich heenslaande van het
vijfde wervelstuk des heiligbeens en het eerste staart-
beenstuk zich tot den zitbeensdoorn uitstrekkende.

Deze beide banden zijn van groot gewigt zoowel tot
ondersteuning der bekken-ingewanden, als tot bevor-
[Seite 145] dering van de geboorte des kinds bij de baring; vandaar
de groote nadeelen, welke of te groote stijfheid of te
groote slapte derzelven na zich slepen.

III. Banden van het staartbeentje.

1°. Het ligamentum posticum coccygis longum ontstaat
uit de onderste parabolische ruimte van het heiligbeen
en plant zich aan de punt van het staartbeen in.

2°. Het ligamentum posticum coccygis breve onstaat aan
elke zijde van het bovenst uitsteeksel des bovensten
staartbeenstuks, en plant zich in aan de onderste knob-
bels van het heiligbeen.

3°. Het ligamentum posticum coccygis laterale bestaat
uit vezelen van het lig. sacro-ischiaticum, welke zich
aan weerszijde van het staartbeen uitbreiden.

§ 321.

Het doel van het bekken behoort uit een tweele-
dig oogpunt beschouwd te worden. Als voortzetting
der buikholte ondersteunt het de buiksingewanden en
beschermt het dezelve. Als punt van aanhechting
voor de spieren der onderste ledematen, is het zoo-
wel het middelpunt van hetwelk de beweging der on-
derste ledematen uitgaat, als het middel, door het-
welk de geheele tronk op de onderste ledematen uit-
gestrekt gehouden wordt. Van daar staat deszelfs eigen-
aardige gedaante in den mensch, met deszelfs opge-
rigten stand en gang in verband, en wijzigt het bek-
ken zich in de diersoorten naar gelang der meerdere
of mindere ontwikkeling van de achterste toestellen
tot beweging.

§ 322.

Het bevat de inwendige voortplantingswerktuigen
[Seite 146] en dient in de vrouwelijke kunne zoowel tot bewa-
ring der vrucht gedurende derzelver ontwikkeling als tot
derzelver doortogt, bij de baring. Hieruit laat zich ver-
klaren, waarom het bekken in het vrouwelijk geslacht,
eene andere gedaante heeft dan in het mannelijke
en waarom deszelfs meerdere of mindere ruimte, en
andere bijzonderheden eenen zoo gewigtigen invloed
op de verlossing oefenen.

§ 323.

Behalve de meerdere teederheid, die aan het vrou-
welijk bekken even als aan de overige deelen harer
bewerktuiging eigen is, laten zich de overige pun-
ten van onderscheid hoofdzakelijk tot de volgende te-
rugbrengen.

In de vrouw is het heiligbeen breeder, in de
dwarste minder sterk gekromd, in de lengte regter
afloopend en met staartbeentjes verbonden, welke
smaller en bewegelijker zijn.

De darmbeenderen overdekken het heiligbeen aan
den achterkant niet zoo verre als in den man. Zij
gaan met eene grootere bogt in de schaambeenderen
over en hebben hierdoor eene grootere helling. Do
schaambeenderen steken minder vóóruit, en de hoogte
van hun gewricht is kleiner. Ter vergrooting van de
hier benoodigde ruimte, staan de zitbeensknobbels meer
buitenwaarts; desgelijks ook de randen van de onderste
takken der schaambeenderen. De hoek onder den
schaambeensboog is van 90°-100° terwijl dezelve in
den man slechts van 70°-80° is. De heupkommen
zijn meer naar voren geplaatst; de lendenen meer in-
gevallen; de hoek van vereeniging met den laatsten
[Seite 147] lendenwervel is scherper; de helling des bekkens tot
den horizont grooter; de dijebeenderen aan de heup-
gewrichten staan verder uitéén; derzelver halzen zijn
dwarser en hierdoor is de schoot wijder enz.

§ 324.

Van deze eigenschappen, welke alle met de in
het vrouwelijk ligchaam vereischt wordende meerdere
ruimte in verband staan, grijpen somtijds afwijkingen
plaats, welke nadeelig werken op de zoo straks opge-
gevene geslachtsverrigtingen des bekkens en zich hoofd-
zakelijk tot verwijding, vernaauwing en scheefwording
bepalen.

§ 325.

Deze misvormingen hangen af of van afwijkingen
in gedaante van het een of ander gedeelte des bek-
kens, of zij worden door oorzaken voortgebragt, wel-
ke oorspronkelijk buiten het bekken werken en het-
zelve slechts op eene secondaire wijze aandoen. Hier-
toe behooren:

  • 1°. de beenverweeking, zoowel aangeboren als ver-
    kregen;
  • 2°. de krommingen van de ruggegraat, hoewel deze
    van minderen invloed zijn;
  • 3°. de ontwrichting der hoofden van het dijebeen,
    of de manke gang (claudicatio), waarvan het
    uitwerksel verschilt naar mate of slechts één,
    of beide gewrichtshoofden ontheupt zijn.

§ 326.

Ook verdienen onder de uit dit oogpunt belangrijke
afwijkingen, de gewrichtsverstijvingen (ancyloses) ge-
noemd te worden, hetzij van één, hetzij van alle ge-
[Seite 148] wrichten des bekkens. Onder deze is die van het darm-
met het heiligbeen menigvuldiger dan van de schaam-
beenderen met elkander, van het heiligbeen met het
staartbeen, of van de staartbeensstukken onderling.

§ 327.

Ten laatste gewagen wij met een enkel woord van
het verschil der bekkens in de onderscheidene volk-
stammen. Er schijnt volgens het scherpzinnig betoog
van m.j. weber, een bepaald verband te bestaan tus-
schen de gedaante van den schedel en van het bek-
ken(1); weshalve dan ook de karakteristieke vorm
der volkstammen niet minder in het bekken dan in
den schedel is uitgedrukt(2).

§ 328.

Tot bepaling der hierin gelegen kenmerken, heeft
men te letten op de afmetingen; op den omtrek van
het kleine bekken; de helling der darmbeenderen; de
plaatsing der heupkommen; de gedaante van den
schaambeensboog; de grootte van den hoek onder den-
zelven; op de rigting der zitbeensknobbels enz.


DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
over de ribben in het algemeen.

[Seite 149]

§ 329.

De ribben zijn 24 paarswijze, boogvormige, dunne,
elastieke beenderen, van een zeer poreus weefsel, van
verschillende lengte, en geplaatst in eene meer of min-
der schuinsche van achteren naar voren nederdalende
rigting(1).

§ 330.

Zij zijn achterwaarts met de rugwervelen geleed,
en van voren, onmiddellijk of middellijk met het borst-
been verbonden; hierdoor dragen zij het meeste tot
vorming der borstholte bij.

§ 331.

Hare verbeening begint reeds in de nog teedere,
ter naauwernood twee maanden oude vrucht, en is
dan reeds zeer volmaakt, zoodat slechts weinige andere
beenderen reeds vóór de geboorte eenen zoo volmaak-
ten graad van ontwikkeling bereiken.

§ 332.

Men verdeelt elke rib, gelijk alle dergelijke lange
beenderen, in het middelstuk en de beide uiteinden.

Het achterst uiteinde dient tot vereeniging der rib-
ben met de rugwervelen, met welke zij zich, door
middel van twee bijzondere geledinghoofdjes, gele-
den(2).

A. Het binnenst van deze beiden (capitulum articulare)
[Seite 150] ligt aan het buiteneinde der rib (hetwelk echter,
door de kromme rigting der rib, naar de borstholte
gekeerd is). Het past volkomen in de vroeger ver-
melde geledingvlakten, welke of als eigene holten aan
de ligchamen der ruggewervelen zelve, of als gemeen-
schappelijke
aan den rand der voeg tusschen twee der-
zelve te vinden zijn.

In het eerste geval is het geledinghoofd van de
daartegen liggende rib rondachtig; in het tweede als
in twee facetten gedeeld.

Tot hunne bevestiging en vereeniging dienen de
ligamenta capitelli costarum(1).

B. De buitenste geledingknobbel van het achterst
uiteinde der ribben (tuberculum articulare) is slechts aan
de tien bovenste paren duidelijk te bemerken. De-
zelve past op de vroeger vermelde geledingvlakten
van het uiteinde der dwarse uitsteeksels van de
ruggewervelen, en wel derwijze dat het tuberculum
der rib naar onderen gekeerd is, en tegen den boven-
rand van het daaronder liggend dwars uitsteeksel
aanstoot.

Hunne bevestiging geschiedt door de ligamenta trans-
versalia externa
(2).

Tusschen deze beide geledinghoofden ligt de zooge-
naamde hals (collum s. cervix) der ribben, welke in de
onderscheiden ribben van eene verschillende rigting is,
en aan welken ook bijzondere peesachtige banden be-
vestigd zijn.

a) Namelijk: de ligamenta transversaria interna, welke
[Seite 151] naar de naburige dwarse uitsteeksels der ruggewervelen
gaan(1) en

b) Van de tweede rib af, ligamenta externa, welke
naar de schuinsche uitsteeksels heengaan(2).

§ 333.

Het middelstuk, hetwelk in het al gemeen bij den mensch
sterker gekromd is dan bij de overige zoogdieren, kan
in de meeste ribben (de beide bovenste paren en het
onderste uitgezonderd), weder in twee ongelijke helften
verdeeld worden, welke door eene achterwaarts merk-
bare uitbuiging van elkander gescheiden zijn.

De achterste helft is verre weg de kleinste meestal
cilindrisch of prismatisch, en loopt van het buitenste
geledinghoofd schuins naar beneden en naar buiten
tot aan de vermelde uitbuiging.

De voorste veel langere helft is meer platgedrukt
met scherpe kanten, en maakt met de vorige eenen
dubbelden flaauwen hoek, vermits zij aldaar zoowel,
een weinig sterker naar voren, als ook tevens meer
naar beneden dan deze gebogen wordt.

Meestendeels is aan den benedenrand van deze lan-
gere helft, digt bij de uitbuiging een snijdend uitsteek-
sel, hetwelk ten minste van de derde tot aan de tiende
rib merkbaar is en eene sleuf vormt, welke echter
niet (zoo als gemeenlijk gezegd wordt) tot het opne-
men der tusschenribbige bloedvaten en zenuwen dient.

§ 334.

Het voorst uiteinde der ribben is een weinig steviger
dan het naburige deel van het middelstuk; het is
[Seite 152] rondachtig en heeft eene ruwe, hoekige oppervlakte,
aan welke de kraakbeenige verlengsels der ribben zit-
ten; somtijds is het vorksgewijz’ gespleten.

Aan de zeven bovenste paren strekken zich deze
verlengsels tot aan het borstbeen zelf uit, en deze
worden daarom ware ribben (costae genuinae) genoemd.

De verlengsels der vijf onderste paren daarentegen
staan in geen onmiddellijk verband met het borstbeen,
en heeten daarom onware ribben (costae nothae s. spuriae.)


VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
over het bovenste ribbenpaar.

§ 335.

De bovenste rib heeft in haar geheel veel dat in
het bijzonder opgemerkt verdient te worden.

In het algemeen is zij de kortste van alle; tevens
de breedste en het sterkst gekromd.

Ook ligt zij meestal horizontaal, met hare randen
naar buiten en binnen gekeerd; niet zoo als de overi-
ge, welke meer of minder verticaal en met hare ran-
den naar boven en beneden gekeerd zijn; zij heeft
derhalve eerder eene seisvormige, dan (zoo als de overige
ribben) eene boogvormige gedaante.

§ 336.

De hals maakt aan zijn achterst uiteinde eenen min-
der stompen hoek met het ligchaam, dan bij de overige
ribben; dezelve is meestal een weinig meer te zamen
gedrukt en niet zoo rondachtig als aan deze.

§ 337.

[Seite 153]

Het ligchaam is aan de bovenste vlakte gladder dan
aan de onderste, en heeft vooral in het midden, eene
vlakke groef, tot aanhechting van den m. scalenus medius.
Zijne achterste helft heeft stomper, de voorste daaren-
tegen scherpe randen.

§ 338.

Het voorste uiteinde bezit eene aanmerkelijke een
weinig uitgeholde vlakte, waarin het kraakbeenig ver-
lengsel vastzit, hetwelk hier een gedeelte van het borst-
been schijnt uit te maken.

Aan den bovensten rand van dit uiteinde vormt het
daarop rustende sleutelbeen soms eene holte, en vóór
dezelve zit gedeeltelijk de m. subclavius.

Het voormelde kraakbeenig verlengsel onderscheidt
zich ook nog doordien het gewoonlijk overal van ge-
lijke dikte en in het algemeen veel korter en sterker is
dan bij alle volgende waardoor de rib zelve de minst
bewegelijke wordt.


VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
van de overige ware ribben.

§ 339.

De bijzonderheden van de overige ware ribben ko-
men hierop neder:

Zij nemen naar rang van hare plaatsing van boven
naar beneden, steeds in lengte toe.

[Seite 154]

Zij zijn niet volkomen evenwijdig geplaatst, vermits
de achterste uiteinden merkelijk digter bijéén staan
dan de voorste; de kraakbeenige verlengsels loopen
uit deze weder convergeerend naar het borstbeen.

§ 340.

Ten opzigte van haren vorm nadert de tweede rib
tot de eerste en is bijna even zoo sterk gekromd; de
rigting van haar ligchaam houdt het midden tus-
schen deze en de daarop volgende ribben; en maakt
hierdoor eenen zacht gewelfden overgang van gene
tot de derde en volgende ribben.

§ 341.

De kraakbeenige verlengsels nemen, naar afdalen-
de volgorde, steeds in lengte toe, en in stevigheid af.

Zij loopen kegelvormig toe, en leggen zich in ver-
schillende bepaalde hoeken tegen het borstbeen aan.
Terwijl namelijk de kraakbeenige verlengsels van het
bovenste ribbenpaar, van boven naar het borstbeen
afdalen, houden die van het tweede paar, meestal
eene horizontale rigting; die der overigen rijzen van
beneden naar het borstbeen op, en bevestigen zich
met spitse hoeken aan hetzelve.

Aan hunne punten eindigen zij als met een knopje,
hetwelk in de daarvoor bestemde groef van den kant
van het borstbeen past, en aldaar eene soort van ge-
leding maakt, welke zoo wel door bijzondere kapsel-
als ook door de gemeenschappelijke zich doorkruisen-
de banden bevestigd wordt, waarmede het borstbeen
als het ware overtrokken is.


ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
van de valsche ribben.

[Seite 155]

§ 342.

Terwijl de ware ribben naar volgorde in lengte
toenemen, verminderen de vijf valsche ribbenparen
weder allengs in lengte.

Het bovenste paar is gemeenlijk het aller langste
van alle twaalf.

Het onderste is kort. Somtijds, echter niet bij de
meeste volkomenheid van maaksel, is het zelfs korter
dan het bovenste paar der ware ribben.

§ 343.

Voor het overige zijn zij minder sterk gebogen dan
de ware ribben.

Zelfs zijn de beide onderste paren slechts weinig
gekromd.

Ook hebben deze laatste aan hun achterst uiteinde
geenen werkelijk te onderscheiden hals.

§ 344.

Hetgeen echter deze ribben het meest kenschetst,
is, dat derzelver kraakbeenige verlengsels het borst-
been niet bereiken, maar dat de verlengsels van het
achtste paar slechts tegen de verlengsels van het
onderste paar ware ribben aanliggen; desgelijks die
van het negende paar tegen de verlengsels van het
achtste, die van het tiende tegen die van het
negende.

De verlengsels van deze drie paren dragen daarom,
[Seite 156] ter betere onderscheiding van de volgende, den naam
van inéénvloeijende (confluentes.)

De verlengsels der beide onderste ribbenparen daar-
entegen staan noch met de bovenste, noch ook onder-
ling in eenig onmiddellijk verband, maar loopen slechts
tusschen de naburige rug- en buikspieren.


ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
over het borstbeen.

§ 345.

Het borstbeen (sternum, os pectoris, os xiphoïdes) is een
langwerpig smal been, eenigzins in gedaante naar
eenen dolk gelijkende; voorwaarts is hetzelve bol,
achterwaarts een weinig hol; van een geheel eigen
weefsel; sponsachtig, maar toch zeer hard en ste-
vig(1).

§ 346.

Hetzelve sluit de borstholte aan den voorkant, en
strekt zich van het benedenst gedeelte van den hals
tot aan de hartekuil uit. Het ligt wel is waar slechts
tusschen de vijf bovenste ribbenparen, maar is toch
ook met de kraakbeenige verlengsels van het zesde en
zevende paar en met de beide sleutelbeenderen ver-
bonden.

§ 347.

De verbeening van het borstbeen heeft veel eigen-
[Seite 157] aardigs. Dezelve neemt in de menschelijke vrucht,
nagenoeg eerst in de vierde maand, eenen aanvang.

Dan echter vertoont zij reeds, zoo als ook in haar’
langzamen voortgang, veel meer afwijkingen dan eenig
ander been van het geraamte.

Vooreerst bestaat deszelfs oorspronkelijk kraakbeen
somtijds uit een enkel stuk, gemeenlijk echter even als
naderhand in den volwassen mensch, uit drie bijzon-
dere stukken.

Ten tweede vertoonen het aantal en de betrekkelijke
plaatsing der onderscheidene beenkerntjes in deze
kraakbeenige grondlaag vele verscheidenheid, vooral
in het zoogenaamd zwaardvormig uitsteeksel.

§ 348.

In de eerste levensjaren smelten deze kernen allengs
meer en meer inéén, tot dat eindelijk, meestal tegen
den tijd der manbaarheid, nog slechts drie stukken
aan het borstbeen te onderscheiden zijn; in welke het
ook het voegzaamst verdeeld wordt; zij ontleenen hunne
namen van de vroeger vermelde overeenkomst met
eenen dolk, namelijk:

1e. het bovenste, breedste stuk, het zoogenaamde
handvat;

2e. het middelste, langste, het lemmer; en

3e. de dikwerf slechts kraakbeenige, somtijds been-
achtige punt. (zwaardswijs’ kraakbeen.)

Eigenlijk maken de beide eerste stukken slechts het
ware borstbeen uit; zij zijn door een peesachtig vlies, het-
welk het geheele been bekleedt, met elkander verbonden.

§ 349.

Het handvat (manubrium sterni) kan eigenlijk weder
[Seite 158] in zijn groot beenachtig hoofdstuk en zijne beide, naar
buiten en boven tot het eerste ribbenpaar gerigte
kraakbeenige verlengsels verdeeld worden.

Aan het beenachtig hoofdstuk zijn zes randen op
te merken.

De eerste namelijk boven in het midden, is halve-
maansgewijs uitgesneden, afgerond, om de luchtpijp
gemakkelijk achter zich door te laten.

Van de punten dezer halvemaanswijze insnijding
gaan aan weerskanten twee andere breede randen di-
vergeerend naar beneden; met deze zijn de voorste uit-
einden der sleutelbeenderen, door middel van eene daar
tusschen liggende beweegbare kraakbeenige schijf, ge-
leed. Deze breede randen zijn boven en voorwaarts
gewelfd, beneden- en achterwaarts uitgehold; zij zijn
even als de andere geledingvlakten, met eenen kraak-
beenigen rand overtrokken.

Van de buitenste hoeken dezer randen gaan twee
andere convergeerend naar beneden, welke de lang-
ste van alle zijn. Aan hunne bovenste dikkere helft
puilen de gemelde kraakbeenige aanhangsels, even als
een paar hoorns uit, de onderste helft is daarentegen
dun en als het ware scherp.

De onderste rand is eindelijk ruw, oneffen en door
eene duidelijke en in de jeugd buigzame voeg, aan
eenen dergelijken rand van het zwaard als vast-
gelijmd.

§ 350.

Het zwaard is van ongelijke lengte, echter meestal
omtrent nog eens zoo lang als het handvat; het is echter
smaller, en wel daar ter plaatse, waar hetzelve tegen het
[Seite 159] handvat aanstuit, het allersmalst; benedenwaarts wordt
het aan de punt weder wat breeder.

De kanten van het zwaard zijn door boogvormige
insnijdingen als uitgeslepen, tusschen welke, even als
ook benedenwaarts aan de rondachtige breede punten,
andere, veel kleinere maar ook diepere insnijdingen
liggen, waarin de aanhangsels der ware ribben zich
voegen.

Die van het tweede ribbenpaar namelijk bevinden
zich tusschen de voeg van het handvat met het
zwaard. De insnijdingen voor de verlengsels van het
derde, vierde en vijfde paar zijn nagenoeg op dezelfde
breedte van elkander verwijderd.

Die daarentegen der beide onderste paren liggen
als in eene halve maan aan het ronde uiteinde van
het zwaard, digt bij elkander.

§ 351.

Eindelijk puilt aan de vermelde rondachtige punt
van het borstbeen, in het midden tusschen de nabu-
rige kraakbeenige verlengsels van het laatste paar ware
ribben, in de hartekuil, het zoogenaamd zwaards-
wijz’ kraakbeen
benedenwaarts uit (cartilago xiphoïdes
s. ensiformis s. mucronata
). Hetzelve is van onder-
scheiden gedaante, dikwijls tongvormig; of naar den
benedenrand toe breed afgeknot; of vorkvormig; of
driepuntig.

Het dient voornamelijk tot aanhechting van de na-
burige stroken van het middenrif, van de schuinsche
buikspieren en van den triangularis sterni.

§ 352.

Somtijds, echter vrij zelden, vindt men het on-
[Seite 160] onderste uiteinde van het zwaard met een gat door-
boord, dat echter in zijne plaatsing en grootte zeer af-
wijkt, en waarschijnlijk slechts toevallig ontstaat, als
de oorspronkelijke naburige beenkernen zich onvol-
komen aanéén sluiten.

In nog zeldzamer gevallen vindt men een dergelijk
gat in het zwaardwijz’ kraakbeen.


ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
over de borstholte in het algemeen.

§ 353.

De borstholte (thorax) uit de zeven-en-dertig hierbo-
ven vermelde beenderen zamengesteld, is kegelvormig
van gedaante, met de punt naar boven, de basis naar
beneden gekeerd, zijdwaarts gewelfd, van voren plat-
ter, van achteren het breedst en door de uitpuilende
wervelligchamen als het ware in twee gelijke vakken
gedeeld. Hare welving, welke in geene diersoort in
dezelfde mate als bij den mensch aangetroffen wordt,
staat bij hem met den opgerigten stand en gang in
verband.

§ 354.

Inwendig is het eene holte, welke van boven het
naauwst is, zich benedenwaarts allengs verwijdt,
om geheel naar onderen zich weder een weinig te
vernaauwen. Hierdoor staat dezelve tot den om-
vang der longen in eene gepaste verhouding. Ten
einde aan deze ingewanden het vermogen van uitzet-
ting en zamenvallen te geven, is zij uit een’ bewege-
[Seite 161] lijken toestel van beenderen gevormd, welke ingerigt
is, om zich bij de inademing te verruimen, bij de
uitademing te vernaauwen.

§ 355.

De ribben liggen om verschillende redenen niet
evenwijdig, maar van achteren veel digter bijéén dan
van voren. Ook zijn derzelver tusschenruimten niet
overal even groot. Tusschen de tweede en derde rib
is dezelve het grootst. De daarop volgende nemen in
breedte af, tot aan de tusschenruimten der drie laat-
ste ribben, welke in het algemeen zich weder eenig-
zins verruimen.

§ 356.

Wegens het verschil in lengte, de rigting en de
wijze van vereeniging met het borstbeen is het eerste
ribbenpaar het minst bewegelijk, en neemt de bewe-
gelijkheid der overige van boven naar beneden allengs
toe, tot aan de laatste of voorlaatste. Dit alles staat
met de verrigtingen der borstholte bij de ademhaling
in een bepaald verband.

Bij hare verruiming door het oprijzen der ribben,
vergroot zich de voorste ruimte meer dan de achter-
ste; van daar dan ook de meerdere breedte, welke
de longen aan den voorkant hebben.

§ 357.

Uit de wijze, waarop de ribben-kraakbeenderen
met het borstbeen verbonden zijn, en uit de draaijing
welke zij bij het oprijzen, ondergaan, blijkt, dat de
vernaauwing der borstholte bij de uitademing, niet
zoo zeer door spierkracht voortgebragt wordt als wel
een eenvoudig gevolg is der elasticiteit.

§ 358.

[Seite 162]

Hoewel zij de naam van borstholte voert, zoo moet ech-
ter de zamenvoeging der ribben met het borstbeen en
met de wervelen van grooten invloed op de buikholte
geacht worden, zoowel doordien zij gewigtige buiks-
ingewanden bedekt en beschermt, als omdat zij pun-
ten van aanhechting verschaft aan verschillende spie-
ren op de buikholte werkende.

Daar zij intusschen met de ademhalingswerktuigen in
naauwer verband staat, zoo vindt men daarom ook
eene gescheidene borstholte slechts in die dieren, bij
welke deze de meest mogelijke volkomenheid bezitten.


NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
over de bovenste ledematen.

§ 359.

De bovenste ledematen maken minder dan de tot
nu toe beschrevene beenderen, een zamenhangend ge-
heel met het overig geraamte uit, daar zij slechts
door middel van de sleutelbeenderen en van zachte
deelen met hetzelve verbonden zijn.

§ 360.

In de menschelijke vrucht ontwikkelen zij zich vroe-
ger dan de onderste ledematen. Hunne geheele ver-
beening echter is eerst na de geboorte voltooid.

§ 361.

Men verdeelt ze het voegzaamst in:

[Seite 163]
  • 1°. den schouder, uit het sleutelbeen en schouder-
    blad zamengesteld;
  • 2°. den bovenarm tot aan den elleboog;
  • 3°. den voorarm, van den elleboog tot aan den
    handwortel; en in
  • 4°. de hand zelve.

VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
over het sleutelbeen.

§ 362.

De sleutelbeenderen (claviculae, claves, ligulae, fur-
culae, ossa juguli)
zijn een paar kleine, zeer stevige
pijpbeenderen, welke aan hunne beide uiteinden, in
eene tegenoverstelde rigting, en zelfs bij mansperso-
nen, sterker dan bij vrouwen gebogen zijn(1).

§ 363.

Men verdeelt ze even als de overige pijpbeenderen,
het voegzaamst in het ligchaam en de beide uiteinden.

Het voorste uiteinde is binnen- en benedenwaarts
gekeerd, en verschilt zeer in grootte. Het is als het
ware dwars afgeknot en door eene bijna driehoeki-
ge kraakbeenige vlakte in de daartoe bestemde holte
aan het handvat des borstbeens op de vermelde wijze
geleed.

Tusschen de voorste uiteinden der beide sleutelbeen-
deren gaat dwars van het eene tot het andere, bo-
[Seite 164] ven aan de halvemaanswijze insnijding des borstbeens
het ligamentum interclaviculare.

§ 364.

Het ligchaam komt in dikte nagenoeg met een’ klei-
nen vinger overeen; is aan den bovenkant glad en
cilindrisch; aan den benedenkant vlakker, in de leng-
te stomp gesleufd, en naar de beide uiteinden toe,
ruw en ongelijk.

Hetzelve maakt, zoo als vermeld is, eene dubbelde
bogt. De voorste of grootste is naar voren gebogen,
en ligt meest midden boven de bovenste rib. Ach-
ter dezelve loopen de groote sleutelbeensbloedvaten.
Bij haren aanvang, achter het voorste uiteinde, ligt
aan den benedenrand eene vlakke, ruwe verheven-
heid, van welke een korte breede band, tot aan het
voorste uiteinde der eerste ribben en derzelver kraak-
beenig verlengsel gaat. Aan den bovenrand ligt om-
trent in dezelfde streek, de m. sterno-cleido-mastoïdeus.

De achterste of buitenste bogt is korter, maar sterk
gekromd en naar achteren gebogen, en ligt meest bo-
ven het ravenbeksuitsteeksel van het schouderblad. Aan
den voorsten rand van zijne insnijding is een ruw
knopje, aan hetwelk de delta-spier zich vasthecht.

Het been is in deze streek naar het buitenste uit-
einde toe langwerpig platgedrukt, en aan den onder-
kant ruw, hoekerig, tot aanhechting van het ligamen-
tum trapezoïdes,
door middel van welk het sleutel-
been met den processus coracoïdeus bevestigd is.

§ 365.

Het achterste uiteinde is naar buiten en naar bo-
ven gekeerd, en heeft aan den buitenrand eene rond-
[Seite 165] achtige kraakbeenige oppervlakte, welke meest door
een’ verheven rug, als in twee facetten verdeeld is, en
tot aanhechting van een’ kraakbeenigen band dient,
door welken het sleutelbeen met eene dergelijke kraak-
beenige vlakte van het acromion des schouderblads ver-
eenigd is.


EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
over het schouderblad.

§ 366.

De schouderbladen (scapulae, scoptula celsi, homo-
platae
) zijn een paar vlakke, grootendeels zeer dunne en
bijna doorschijnende, ligte beenderen, welke hunnen
naam van hunne plaatsing ontleenen(1).

§ 367.

Zij zijn slechts door middel der sleutelbeenderen met
het geraamte verbonden. In den staat van rust zijn
zij derwijze geplaatst, dat zij zich van de tweede tot
aan de achtste rib uitstrekken, met hunne achterste ran-
den, bijna evenwijdig naast de doornwijze uitsteeksels
van de ruggegraat, twee vingers breed van dezelve af
liggen. Deze randen naderen elkander schuins naar
achteren, zoodat zij wel een duimbreed van de daar-
onder liggende ribben afstaan, en over de punten der
doornwijze uitsteeksels uitpuilen.

§ 368.

Zij vangen in de menschelijke vrucht, zeer vroeg
[Seite 166] met hunne verbeening aan, en bereiken bij dezelve eene
aanmerkelijke grootte.

§ 369.

In het geheel genomen heeft elk schouderblad de
gedaante van eenen ongelijkzijdigen driehoek en kan
hierom het voegzaamst naar zijne drie randen, de bei-
de groote vlakten, en zijne aan den buitenhoek aanwe-
zige drie aanmerkelijke uitsteeksels beschreven worden.

§ 370.

Vooreerst komen de randen in aanmerking.

De achterste of binnenste rand, is de langste van alle;
dezelve wordt door een stompen hoek weder in twee
ongelijke helften gedeeld. De onderste en verreweg
de langste, is zeer zwak, boogvormig uitgehold, en loopt
in de onderste rondachtige punt van het been uit. De
bovenste kleinste helft gaat van den voormelden hoek
schuins naar boven en naar buiten.

Aan den hoek zelven ligt achterwaarts eene kleine
ruwe driehoekige vlakte, van welke de schuins opwaarts
stijgende graat, waarvan nader gesproken zal worden,
haren aanvang neemt.

De voorste of buitenste rand, is de dikste van alle drie
en maakt aan den voorkant als het ware eene dubbelde
lip, tusschen welke eene vlakke lange sleuf naar bene-
den gaat.

De bovenrand is de kortste en scherpste, en heeft
meestal aan zijn buitenst en onderst uiteinde, als het wa-
re aan den wortel van den processus coracoïdeus, eene
diepe halvemaanswijze insnijding, in welke een pees-
achtige band (het ligamentum, scapulae proprium pos-
terius
) uitgespannen is; deze is echter somtijds ver-
[Seite 167] beend, en dan alleen met eene kleine opening door-
boord.

§ 371.

De voorste vlakte van het schouderblad is naar de
ribben toe gekeerd vlak uitgehold, en als men den m.
subscapularis
gevuld, volgens welks hoofdbundels zich
ettelijke schuinsche lijnen van den achterrand af naar
den hals van het schouderblad rigten.

De achterste vlakte wordt bovenwaarts door de dwars
over dezelve, naar buiten in de hoogte loopende graat
in twee helften, of zoogenaamde groeven van zeer on-
gelijke grootte verdeeld. In de onderste ligt de m. in-
fraspinatus,
in de bovenste de m. supraspinatus.

§ 372.

De graat (spina) zelve, waardoor beide deze groeven
gevormd worden, heeft een’ tweeledigen oorsprong,
den eenen aan de voormelde kleine, driehoekige vlakte,
den anderen naar buiten, achter den zoogenaamden hals,
onder het acromion, hetwelk zich van daar in eene
uitgeholde bogt verheft. Van de eerste dezer beide
plaatsen van oorsprong rijst de graat allengs schuins naar
boven, haar bovenste rand wordt naar het midden
toe aanmerkelijk verdikt, en dan verliest hij zich in
een der drie gemelde uitsteeksels, namelijk in het acro-
mion.

§ 373.

Dit laatste (ook summus humerus genoemd) is terstond
bij den aanvang der verbeening eene ware apophysis,
welke uit de graat ontstaat en als een zeer stevig ruw,
aan het uiteinde plat en naar boven gebogen uitsteek-
sel achterwaarts tot midden over het opperarmbeen
[Seite 168] reikt, en hetzelve, bij het steunen van den elleboog,
tegenhoudt.

Bijna aan zijne punt, schuins naar binnen toe, is
eene langwerpige kraakbeenige oppervlakte, met wel-
ke, zoo als gezegd is, zich het achterst uiteinde van het
sleutelbeen geleedt.

§ 374.

Het tweede groote uitsteeksel aan het schouderblad
wordt wegens eene vermeende overeenkomst met eenen
ravenbek, processus coracoïdeus, of unciformis genoemd.
Hetzelve is in den aanvang, zelfs nog in de kinderjaren,
eene epiphysis. Het verheft zich boven den hals met
eene breede, korte, opgerigte basis, en eindigt dan bo-
ven het opperarmbeen, voorwaarts in een smal plat-
gedrukt uitsteeksel, hetwelk het sleutelbeen tot onder-
steuning dient.

§ 375.

Het derde uitsteeksel van het schouderblad is ein-
delijk de korte, dikke hals, welke tusschen de beide
vorige benedenwaarts ligt, en zich in een’ verheven rand
uitbreidt, welke de platte geledingholte tot het opnemen
van het hoofd van het opperarmbeen vormt. Deze is
vlak uitgehold, omtrent als een zeer vlakke kleine lepel,
en heeft bijna de grootte en den omtrek van een’ groo-
ten amandel, wien’s punt naar boven gekeerd is.

TWEE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
over het opperarmbeen.

[Seite 169]

§ 376.

Het opperarmbeen, hetwelk het tweede gedeelte van
den arm uitmaakt, wordt ook nog, maar niet juist, het
schouderbeen (oshumeri) genoemd, en is het grootste en
sterkste pijpbeen aan den geheelen arm(1).

§ 377.

Hetzelve staat bovenwaarts met het schouderblad, be-
nedenwaarts met de beide beenderen van den voorarm
in verband; voor het overige komt het, zoowel ten op-
zigte zijner beenwording, als zijner verdeeling in midden-
en eindstukken, met andere pijpbeenderen overeen.

§ 378.

Aan het bovenst uiteinde zijn de groote kogelvormige
geledingvlakte en de beide knobbels (tubercula), bene-
vens de daar tusschen liggende spleet op te merken.

De eerste bedraagt in omtrek nagenoeg het derde ge-
deelte van eenen kogel, en is, als men de as van den-
zelven door haar middelpunt trekt, met dezelve schuins
naar boven en binnen gerigt, zoodat als de arm rustig
aan zich zelven overgelaten, naar beneden hangt, alleen
het onderste gedeelte van dit geledinghoofd van zijne
denkbeeldige as af tot aan zijnen ondersten rand toe,
tegen de vlakke geledingholte van het schouderblad
te liggen komt.

In het algemeen is de kogelvormige oppervlakte van
[Seite 170] het opperarmbeen bijna viermaal grooter dan de gele-
dingvlakte, in welke zij zich voegt, waardoor zij vele
ruimte tot speling verkrijgt, en de volmaaktste arthrodie
van het geheele geraamte vormt.

Van de beide knobbels (tubercula) welke naast den
voorsten rand van het geledinghoofd, naar voren en
buiten liggen, is het binnenste het kleinste (tuberculum
minus
); het steekt echter tamelijk ver vooruit en dient
tot aanhechting van den m. subscapularis. Het wordt
van het grootere door eene diepe en lange sleuf (semi-
canalis
alb.) gescheiden, welke van daar, langs het
been, naar beneden gaat, en door eene soort van kraak-
beenige korst bedekt is, om de beweging van de daarin
liggende lange pees van den m. biceps, te verligten.

Aan het buitenst, of grootst tuberculum onderscheidt
men drie stompe vlakten, welke tot aanhechting van
even zoo veel spieren dienen. De voorste, namelijk
voor den supraspinatus; de middelste voor den infra-
spinatus;
de achterste voor den teres minor.

§ 379.

Het middelstuk is meest kokervormig, en naar de
beide uiteinden toe, vooral naar het onderst, een wei-
nig naar voren en naar binnen gebogen. Naar het bo-
veneinde toe is aan den voorkant de voortzetting van
de sleuf voor de lange pees van den biceps, en aan der-
zelver beide kanten zijn een paar verheven lijnen (spinae)
op te merken.

De binnenste scherpe lijn is korter en stomper; zij loopt
schuins van het tuberculum minus naar binnen, en dient
tot aanhechting van den teres major. De buitenste is
veel langer en scherper; zij strekt zich van den voorsten
[Seite 171] rand van het tuberculum majus van voren langs het
been, tot aan de katrol van den elleboog uit. Aan
dezelve zijn de latissimus dorsi, de pectoralis en deltoï-
deus
bevestigd.

Aan de achterste vlakte van het been is, omtrent
in dezelfde streek, waar zich voorwaarts het onderst
uiteinde der sleuf verliest, een zeer zwak, dikwijls
ter naauwernood merkbaar spoor van eene vlakke,
schuinsche groef te bemerken, welke van binnen naar
buiten gaat. Langs dezelve gaan de nervus radialis
en de arteria profunda humeri heen.

§ 380.

Naar het onderst uiteinde toe wordt het middelstuk
zelf reeds breeder, en vormt het twee zijranden, welke
in de nader te melden beide condyli zich verliezen.

Benedenwaarts liggen, digt boven de katrol, in
het midden, twee aanmerkelijke groeven, slechts door
een dun meest halfdoorschijnend middelschot van el-
kander gescheiden, waarvan de eene aan de voor- de
andere aan de achterzijde van het been is geplaatst.

De voorste is vlakker, en neemt als de arm gebo-
gen is, de kroon der ellepijp op.

Naast dezelve ligt voorwaarts nog eene andere,
veel vlakkere en daardoor minder merkbare groef,
welke in dat geval den rand van het bovenst uiteinde
van het spaakbeen (radius) opneemt.

De achterste daarentegen is verre weg de diepste,
daar in den uitgestrekten of regt hangenden arm het
olecranon achterwaarts in dezelve treedt. Vlak onder
deze beide groeven ligt de katrol (trochlea, rotula alb:)
welker binnenste of achterste rand dikker is en dieper
[Seite 172] naar beneden gaat dan de buitenste of voorste, in
welke zich bovendien de ellepijp voegt.

Naast haar’ kleinen rand, derhalve nog meer naar
buiten en naar voren, is een kogelvormig geleding-
hoofd (tuber alb:) langs hetwelk het einde van het
spaakbeen heengaat.

Eindelijk bevinden zich buitenwaarts aan het breeder,
benedenst uiteinde de beide condyli of gewrichtshoofden.

De buitenste is kort en stomp. Aan dezelve zitten
de strekspieren van den voorarm.

De binnenste is veel grooter, en dient tot aanhech-
ting voor de buigspieren van den voorarm.

Achterwaarts heeft dezelve eene breede, vlakke
sleuf, in welke de nervus cubitalis s. ulnaris naar be-
neden gaat.


DRIE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
over de ellepijp.

§ 381.

De voorarm maakt het derde gedeelte der bovenste
ledematen uit, zich van den elleboog tot aan den
handwortel uitstrekkende; dezelve bestaat uit twee pijp-
beenderen.

§ 382.

De ellepijp (ulna, cubitus s. focile majus) is het langste
van beide, een weinig krom gebogen, aan het bo-
venst uiteinde zeer dik en benedenwaarts zich ver-
smallende.

[Seite 173]

Het is zeer stevig met het opperarmbeen, en het
spaakbeen, maar daarentegen slechts weinig met den
handwortel verbonden(1).

§ 383.

Zijn bovenst zeer stevig uiteinde vormt eene groote,
halvemaanswijze insnijding, (sinus lunatus, cavitas se-
milunaris s. sigmoïdea major
), in welke de katrol van
het opperarmbeen zeer naauwkeurig past; soms is de-
zelve aan hare onderste helft, door eene dwarsgroef
afgebroken.

Het bovenst gedeelte van deze halvemaan is het
elleboog-uitsteeksel (olecranon s. processus anconaeus),
een zeer stevig uitsteeksel, hetwelk in de achterste
of diepere groef van het opperarmbeen ingrijpt.

Het benedenst gedeelte vormt de kroon (corone),
een kort uitsteeksel, hetwelk, als de arm sterk ge-
bogen is, in de voorste en vlakkere groef van het
opperarmbeen te liggen komt.

Digt onder deze groote uitsnijding, aan den voorsten
rand van de kroon, is een vlakke met eene kraak-
beenige korst bedekte boezem (sinus, cavitas semilu-
naris s. sigmoïdea minor
), in welke de rand van het
bovenst uiteinde des spaakbeens zich voegt.

Aan den buitensten rand van dezen boezem, onder
het olecranon, is eene scherpe, ruwe verhevenheid,
tot aanhechting van den m. supinator brevis; en vlak
midden onder de kroon is eene vlakkere ruwe streek
voor den m. brachialis internus.

§ 384.

Het middelstuk is meestal van eene prismatische
[Seite 174] gedaante; echter zoo, dat twee kanten van hetzelve
te samen een’ scherpen snijdenden rand, de derde
daarentegen een’ ronden rug vormen.

De scherpe rand (spina) is naar voren gekeerd, en
dient tot aanhechting van het ligamentum interosseum.

Naast denzelven ligt, op den eenen kant naar den
stompen rand toe, welke van het olecranon naar den
processus styliformis afdaalt, en meer naar achteren
en naar buiten gekeerd is, digt bij de spina, naar
boven toe, de m. abductor pollicis longus. En daarnaast,
meer naar beneden toe, de m. extensor major pollicis
en de m. indicator.

Op den anderen kant daarentegen, tusschen de spina
en den derden rand, welke van den achtersten hoek
der kroon afdaalt, en meer naar achteren en naar
binnen gekeerd is, ligt in eene sleuf de flexor pro-
fundus,
en meer naar onderen toe de m. pronator
quadratus.

§ 385.

Het onderst uiteinde is knobbelachtig afgerond.
Zijne gewrichtsvlakte geleedt zich met het os trique-
trum
van den handwortel.

Voorwaarts is aan den rand van deze vlakte een
rondachtig vakje (crista s. capitulum) hetwelk in de
zijdwaartsche uitholing van het onderst uiteinde van
het spaakbeen komt te liggen.

Aan den tegenovergestelden achtersten rand dezer
vlakte gaat een kort stomp uitsteeksel processus sty-
liformis
naar beneden, hetwelk als het ware de plaats
van den binnensten enkel aan den voet vervangt.
Naast denzelven, naar den rug van de hand toe, ligt
[Seite 175] in eene vlakke groef de pees van den m. ulnaris
externus.


VIER-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
over het spaakbeen.

§ 386.

Het spaakbeen (radius s. focile minus) is een weinig
korter dan de ellepijp, maar stevig, en in het alge-
meen meer kokervormig, en niet zoo kegelvormig als
dit been. Het maakt het hoofdverband uit tusschen
het opperarmbeen en de hand.

§ 387.

Zijn bovenst uiteinde bezit eene bijna cirkelronde,
vlak uitgeholde geledingvlakte, welke zich met den
knobbel van het opperarmbeen geleedt.

Deze geledingvlakte is benedenwaarts in eenen rond-
achtigen rand ingesloten, welke aan zijne achterzijde
eene gewelfde kraakbeenige oppervlakte heeft, in de
voormelde uitsnijding van de ellepijp passende.

Deze rondachtige rand zit op een’ smalleren hals,
en onder dezen ligt eene langwerpige ruwe verheven-
heid, aan welke de m. biceps vastzit.

§ 388.

Het middelstuk heeft nagenoeg dezelfde prismatische
gedaante, als de ellepijp. Het vertoont namelijk een’
scherpen snijdenden rand, en daarenboven twee stompe,
welke te zamen een’ ronden rug vormen.

De scherpe rand (spina radii) ligt naar achteren
[Seite 176] toe, en dient, even als die van het ander pijpbeen,
tot vasthechting van het ligamentum interosseum. Tus-
schen denzelven en den buitensten rand, welke naar
den rug van de hand gekeerd is, zit de m. adductor
pollicis longus.
En aan den anderen kant tusschen
de spina en den derden rand, welke naar binnen ligt,
en zich benedenwaarts tot aan den processus stylifor-
mis
uitstrekt, is benedenwaarts op de breede vlakte,
de pronator quadratus bevestigd.

§ 389.

Het onderst uiteinde van het spaakbeen is dik en
breed, en bezit eene ruime vlak uitgeholde kraakbee-
nige oppervlakte, welke door eene flaauwe verheven-
heid weder in twee ongelijke helften verdeeld wordt.
In de voorste grootere, ligt het os naviculare van den
handwortel; in de achterste kleinere het os lunatum.
Aan den achtersten rand van deze kraakbeenige vlakte
is eene naar boven met eene kraakbeenige korst be-
dekte insnijding, om de rondachtige facette der elle-
pijp op te nemen.

Aan den tegenovergestelden voorsten rand zit een
stomp kort puntje, (processus styliformis), hetwelk met
den buitensten enkel van het kuitbeen kan vergele-
ken worden.


VIJF-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
over de hand in het algemeen.

§ 390.

Het vierde en laatste gedeelte van de bovenste le-
[Seite 177] dematen is de hand, welke uit 27 beenderen bestaat
(de zoogenaamde zaadbeentjes er niet onder begrepen).
Zij worden door 40 spieren bewogen, en bevatten 124
gewrichtsbanden en peesscheden. Zij is voornamelijk
aan het spaakbeen van den voorarm bevestigd, en
heeft in de volmaakte rust steeds eene binnenwaarts
gebogen rigting, zijnde de breede binnenvlakte van
den duim naar den wijsvinger gekeerd.

§ 391.

Men verdeelt de hand weder in drie afdeelin-
gen:

A. de handwortel, carpus of achterhand,

B. de voorhand, metacarpus,

C. de vingers (den duim er onder begrepen).


ZES-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
over den handwortel.

§ 392.

De handwortel, (carpus s. brachiale) bestaat uit acht
kleine beenderen, welke tot de klasse der gemengde
behooren en alzoo van een sponsachtig weefsel zijn.

§ 393.

Hunne verbeening begint eerst na de geboorte,
maar hunne kraakbeenige grondlaag laat zich reeds in
de derde maand van het baarmoederlijk leven onder-
scheiden.

§ 394.

Zij liggen in twee rijen boven elkander, en wel
[Seite 178] halvemaansgewijs, zoodat de bolle vlakte naar den
rug van de hand, de holle naar den handpalm ge-
keerd is, terwijl de punten zich naar de muis van
den duim en naar de binnenste vlakte van den klei-
nen vinger rigten.

§ 395.

De vier beenderen van de bovenste op den voorarm
volgende rij, zijn bij opvolging, van de spaakbeens-
zijde naar de ellepijpszijde van den voorarm:

  • 1. het scheepswijsbeen, z. fig. I, 1. (os naviculare).
  • 2. het halvemaanswijsbeen, z. fig. I, 2. (os lunatum).
  • 3. het driekantigbeen, z. fig. I, 3. (os triquetrum).
  • 4. het erwtenbeentje; z. fig. I, 4. (os pisiforme).

De vier onderste even zoo beschouwd, zijn:

  • 5. het groot veelhoekigbeen, z. fig. I, 5. (os multan-
    gulum majus
    ).
  • 6. het klein veelhoekigbeen, z. fig. I, 6. (os multan-
    gulum minus
    ).
  • 7. het hoofdbeen, z. fig. I, 7. (os capilatum).
  • 8. het haakvormigbeen, z. fig. I, 8. (os unciforme).

§ 396.

1. Het os naviculare s. scaphoïdes s. cotyloïdes lyseri,
is het grootste der bovenste rij, en is schuins van bo-
ven en van voren naar beneden gerigt. Met zijne groot-
ste gewelfde geledingvlakte ligt het bovenwaarts in
de voorste der beide vermelde groeven van het bene-
denste uiteinde van het spaakbeen, digt bij den pro-
cessus styliformis.

Benedenwaarts stuit het met eene langwerpige even
eens gewelfde vlakte, welke door eene ruwe sleuf van
[Seite 179] de vorige gescheiden is, tegen de beide ossa multan-
gula
van de tweede rij.

Daarbij neemt hetzelve het hoofd van het os capi-
tatum
derzelfde rij in zijn’ kogelvormig uitgeholden
boezem op.

Achterwaarts ligt het tegen het volgend been aan.

§ 397.

2. Het os lunatum s. semilunare ligt met zijne ge-
welfde vlakte naar boven, in de achterste groef van
het onderste uiteinde des spaakbeens.

Benedenwaarts omvat het met zijne groote halve-
maansgewijze uitsnijding, naar welke het zijnen naam
draagt, het os capitatum van de tweede rij.

Ook stuit het met de daarnaast liggende kleinere
schuins naar beneden gekeerde insnede tegen het os
unciforme.

Voorwaarts ligt het met zijne bijna halvemaansgewijze
vlakte tegen het vorige been aan; en achterwaarts met
eene zeer vlak gewelfde onregelmatige tegen het volgende.

§ 398.

3. Het os triquetrum (s. triangulare s. cuneiforme),
nagenoeg van dezelfde grootte als het vorige, maar
langwerpig, met bijna stompe randen.

Bovenwaarts stuit het tegen het onderste uiteinde
van de ellepijp.

Benedenwaarts met zijne grootste vlak uitgeholde
facette tegen het os unciforme.

Aan het vorige geleedt het zich met eene kleinere
evenzoo vlak uitgeholde facette.

Aan het volgende met de kleinste, een weinig ge-
welfde vlakte.

§ 399.

[Seite 180]

4. Het os pisiforme (s. subrotundum, alb. s. os ex-
tra ordinem
), het kleinste van alle acht, stuit alleen
met eene een weinig uitgeholde vlakte zijdwaarts te-
gen het vorige, en kan zoowel naar zijne gedaante, als
naar zijne werking, vermits het de beweging van de
pees des m. ulnaris internus verligt, met een zaad-
beentje vergeleken worden.

§ 400.

Nu volgen de vier beenderen van de onderste rij.

5. Het os multangulum majus (s. trapezoïdes lyseri
s. trapezium), met scherpe, hoekige randen. Boven-
waarts stoot hel met eene rondachtige uitgeholde vlak-
te aan het os naviculare van de vorige rij.

Benedenwaarts met eene groote scheef gewelfde vlak-
te aan eene dergelijke vlakte van het voorhandsbeen
van den duim; en daarnaast met eene zeer kleine
aan het voorhandsbeen van den wijsvinger.

Achterwaarts met eene scheef driehoekige aan het vol-
gende.

Binnenwaarts heeft het een’ stompen rug, met eene
daar achter liggende ruwe groef, welke de pees des
m. flexor pollicis longus opneemt.

§ 401.

6. Het os multangulum minus (s. trapezium s. trape-
zoïdes)
der nieuweren, het kleinste in de tweede rij,
met even zulke scherpe, hoekige kanten als het vo-
rige. Het heeft enkel holle vlakten.

Bovenwaarts sloot het met eene dergelijke vierkante
vlakte aan het os naviculare.

[Seite 181]

Benedenwaarts met de grootste aan het voorhands-
been van den wijsvinger.

Voorwaarts met eene langwerpige bijna halvemaans-
wijze vlakte aan het vorige.

Achterwaarts met de kleinste aan het volgende.

Buitenwaarts, namelijk aan den rug van de hand,
laten de beide ossa multangula en het daaraan stoo-
tende os naviculare eene aanmerkelijke groef tusschen
zich, welke ook in de met de weeke deelen bedekte
hand gevoeld kan worden.

§ 402.

7. Het os capitatum (s. magnum) het grootste van
alle acht, ligt bovenwaarts met het ronde hoofd
waarvan het zijnen naam draagt, tegen het os navicu-
lare
en lunatum van de eerste rij aan; tegen het eer-
ste aan den voorkant met eene kogelvormige groote
vlakte; tegen het tweede naar boven toe met een’
langwerpig gewelfden rug.

Benedenwaarts stoot het met eene breede oppervlak-
te aan het voorhandsbeen van den middelsten vinger,
en daarnaast voorwaarts aan het voorhandsbeen van
den wijsvinger.

Voorwaarts met eene kleine vierhoekige vlakte, wel-
ke juist onder de kogelvormige vlakte van het hoofd
ligt, aan het vorige;

en achterwaarts met eene lange smalle facette aan
het volgende.

§ 403.

8. Het os unciforme (s. cuneiforme s. hamatum),
draagt zijnen naam naar een’ vlak gekromden haak
welke naar achteren en naar binnen gekeerd is, en
[Seite 182] is, en als het ware de eene punt van de halve maan
uitmaakt, welke de gezamenlijke beenderen van den
handwortel vormen.

Bovenwaarts ligt het met een’ smallen gewelfden
rug aan het os lunatum van de eerste rij; en achter-
waarts met eene groote bijna driehoekige vlakte aan
het os triquetrum.

Benedenwaarts met twee naast elkander liggende
facetten aan het voorhandsbeen van den ring- en van
den kleinen vinger.

Voorwaarts met de allergrootste scheef uitgeholde
vlakte aan het vorige been.


ZEVEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
over de voorhand.

§ 404.

De middel- of voorhand (metacarpus s. posthrachiale)
bestaat uit vijf naast elkander liggende korte en tevens
stevige pijpbeenderen, welke door middel der weeke
deelen, tot eene gemeenschappelijke breede oppervlak-
te te zamen vereenigd zijn; in den staat van rust is
dezelve, even als de overige gedeelten van de hand,
buitenwaarts of op den rug een weinig gewelfd, bin-
nenwaarts eenigzins uitgehold.

§ 405.

Elk dezer vijf beenderen draagt den naam van den
vinger, tot welken het behoort.

De metacarpus van den duim is de kortste en tevens
[Seite 183] de dikste van alle (zie fig. I, a). Dezelve is ook ver-
reweg de bewegelijkste, en staat met de overige in
geene zoo naauwe vereeniging, als deze onderling.

De overige nemen naar volgorde in lengte af.

Het voorhandsbeen van den wijsvinger is het lang-
ste van alle; dat van den kleinen vinger het kortste.

§ 406.

In de eerste plaats handelen wij van de bovenste
uiteinden
dezer beenderen.

Het voorhandsbeen van den duim (a) bezit eene bree-
de, onderscheidenlijk gebogen, rondachtige eindopper-
vlakte, die naar den rug en den binnenkant der hand
een paar verheven randen vormt, welke door eene
halvemaanswijze uitsnijding van elkander gescheiden
worden. Zijdwaarts daalt zij naar beneden, zoodat
zij in deze rigting een’ gewelfden rug heeft. Met deze
zoo eigenaardige vlakte past dit been op de naauwkeu-
rigste wijze, in eene dergelijke geledingvlakte van het
os multangulum majus van den handwortel. Bovendien
onderscheidt het uiteinde van dit voorhandsbeen zich
nog van de overige, doordien het niet zoo onmiddel-
lijk tegen dezelve aan ligt, en daarom ook geene kant-
facetle heeft, door middel van welke de vier overige
ossa metacarpi aan dit bovenste uiteinde door naauwe
amphiarthrosis te zamen verbonden zijn.

Het bovenst uiteinde van het voorhandsbeen van den
wijsvinger (b), omvat bijna in het midden met eene
breede, onregelmatig holle geledingvlakte het multan-
gulum minus.
Aan den voorkant stuit het met eene
zeer kleine rondachtige facette aan het multangulum
majus;
aan den achterkant met eene langwerpige bij-
[Seite 184] na spilvormige vlakte aan het os capitatum; onder de-
ze eindelijk achterwaarts met eene in twee driehoeken
gedeelde vlakte aan het volgende.

Het bovenst uiteinde van het voorhandsbeen van
den middelsten vinger (c) onderscheidt zich voornamelijk
door een op den rug van de hand stomp bovenwaarts
gerigt stijlvormig uitsteeksel. Met zijne bovenste groo-
te vierkante geledingvlakte stoot het tegen de grond-
vlakte van het os capitatum; voorwaarts tegen het vo-
rige, met eene naauwkeurig op hetzelve passende vlak-
te; achterwaarts met twee kleine rondachtige facetten
aan het volgende.

Het bovenst uiteinde van het voorhandsbeen van
den ringvinger (d) stuit aan den bovenkant tegen het
os unciforme.

Voorwaarts met twee kleine facetten aan die van
het vorige been. Achterwaarts met eene smalle in
de dwarste loopende vlakte aan het volgende.

Eindelijk vereenigt zich het bovenst uiteinde van
den kleinen vinger (e) boven en een weinig schuins voor-
waarts door eene breede gewelfde vlakte ook met het
os unciforme; en voorwaarts door eene smalle in de
dwarste loopende met het vorige.

§ 407.

De middelstukken zijn bij alle vijf schuins boogvor-
mig gekromd, en buitenwaarts een weinig gewelfd;
binnenwaarts een weinig uitgeslepen; en meest pris-
matisch met een’ rondachtigen rug en een’ naar bin-
nen gekeerden kant, welke aan weerszijden tot aan-
hechting van spieren dient.

Aan het voorhandbeen van den duim namelijk lig-
[Seite 185] gen aan den buitenkant de m. opponens pollicis, naar
den wijsvinger toe de abductor indicis, en in de tus-
schenruimten der overige de m.m. interossei. Want
terwijl de overige vier ossa metacarpi met de uitein-
den van weerskanten tegen elkander liggen, staan hun-
ne smaller middelstukken als de staven van een ras-
terwerk uitéén.

Achterwaarts ligt aan het os metacarpi van den
kleinen vinger de adductor metacarpi auricularis.

§ 408.

De onderste uiteinden zijn meer of min kogelvor-
mig gewelfd. Aan het voorhandsbeen van den duim
is het vlakker; bij de overige met verheven knopjes.

Dat des duims ligt met zijn voorst uiteinde geheel
van het naburig os metacarpi van den wijsvinger af-
gezonderd.

De overige vier daarentegen liggen digt bij elkan-
der; doch zonder zoo scherp bepaalde zijvlakten als
aan de bovenste uiteinden.

Elk is door de passende geledingvlakte met het ach-
terste lid des vingers verbonden.


ACHT-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
over den duim en de overige vingeren in het
algemeen
.

§ 409.

De beenderen der vingers, den duim er onder be-
grepen, bestaan uit rijen van geledingen welke men
[Seite 186] phalanges of leden noemt, waarvan degene, welke het
digtst bij de middelhand geplaatst zijn, de langste,
die van de punt daarentegen de kortste zijn.

De duim heeft er slechts twee, door gemis van het
tweede lid. De overige vingeren daarentegen hebben
er drie.

§ 410.

Het achterste lid van den duim en van de overige vier
vingeren, en dan ook het middelste van deze laatste,
zijn korte maar sterke pijpbeenderen die even als die
van de voorhand, flaauw boogvormig naar buiten ge-
bogen zijn; binnenwaarts echter zijn zij vlak met
scherpe kanten.

§ 411.

De leden daarentegen aan het toppunt geplaatst,
hebben in alle de vijf vingeren eene geheel eigene
moeijelijk te beschrijven gedaante, welke met die van
de punt van eenen pijl zoude kunnen vergeleken wor-
den. Aan den buitenkant zijn zij glad, binnenwaarts
daartegen ruw en oneffen, en naar de punt toe als in
een’ ruwen soms halvemaanswijzen knoest ingesloten.


NEGEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
over den duim in het bijzonder.

§ 412.

De duim staat verre van de overige vingeren af, zoo
als zijne bestemming zulks vordert, vermits hij alleen
als het ware de tegensteller der overige behoort te zijn.

§ 413.

[Seite 187]

Zijn eerste lid is met zijn bovenst uiteinde aan het
onderst van zijn voorhandsbeen door eene arthrodie ge-
leed even zoo als de bovenste uiteinden van dezelfde
leden der overige vingeren met de hunne.

Aan de beide zijranden van zijn middelstuk zit
aan den binnenkant de peesschede van den m. flexor
longus.

Het voorste uiteinde maakt, even als de gelijke uit-
einden van den eersten en tweeden phalanx, eene soort
van katrol (rotula, trochlea), met welke het voorste
lid, door middel van eenen ginglymus, geleed is.

§ 414.

Het voorste, of uiterste lid is wigvormig door zijn
breed, achterst uiteinde op de voormelde wijze aan het
vorige verbonden. Aan de binnenste platte oppervlakte
van het middelstuk, zit de pees van den flexor longus.
Het ander uiteinde loopt ruw knoestachtig uit.


VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
over de overige in het bijzonder.

§ 415.

Van de overige vingeren komt het eerste lid ten op-
zigte van zijne beide uiteinden en van derzelver gele-
dingvlakten, in het geheel genomen, met de leden
van den duim overeen.

Aan den binnenkant van het middelstuk zit aan de
beide zijranden de peesschede voor de flexores.

§ 416.

[Seite 188]

Het middelste lid, hetwelk zoo als gezegd is, aan
den duim ontbreekt, heeft aan zijn bovenst uiteinde
eene dubbelde vlak uitgeholde geledinggroef voor de
katrol van het onderst uiteinde des vorigen.

Aan de zijranden van zijn middelstuk zitten zoowel
de gespleten pezen van den sublimis, als ook de pees-
schede van den profundus.

Het onderste uiteinde is zoo als aan het vorige
lid.

§ 417.

Het voorste lid heeft aan zijn bovenst breed uiteinde
weder eene dubbelde vlakke groef, overeenkomende
met die van het vorige lid.

Aan den binnenkant van zijn middelstuk zit de pees
van den m. flexor profundus.

Het spits uiteinde gelijkt naar dat van den duim.


EEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
overzigt der bovenste ledematen.

§ 418.

De bovenste ledematen bestaan uit een aanzienlijk
getal beenderen welke, met uitzondering van het schou-
derblad en van de beenderen van den handwortel, pijp-
beenderen zijn, van boven naar beneden in lengte af-
nemende, en door gewrichten zoodanig met elkander
verbonden, dat aan het schoudergewricht de grootste
uitgestrektheid van beweging; aan den elleboog eene
[Seite 189] meer beperkte bewegelijkheid; en aan de hand de
menigvuldigste bewegingen gevonden worden.

§ 419.

Zoo doende vormen zij een’ bewegelijken toestel
die van zulk eene lengte, en het ligchaam derwijze
is aangevoegd, dat er geen deel van hetzelve bestaat,
hetwelk niet door de vingers bereikt kan worden. In
den mensch geenszins tot ondersteuning des ligchaams
bestemd, staan zij veeleer met zijne zoo verhevene
geestvermogens in het naauwste verband.

§ 420.

De rigting der sleutelbeenderen is zoodanig, dat
zij de plaatsing van de armen langs den tronk be-
palen, dezelve van de borstholte verwijderd houden,
en hun hierdoor eene grooter uitgestrektheid van be-
weging geven, weshalve hunne gedaante tot den op-
gerigten stand en gang van den mensch in bepaalde
verhouding staat, en zij zich in de diersoorten naar
het doeleinde der bovenste of voorste ledematen wij-
zigt, zoo zelfs dat de sleutelbeenderen bij de dieren
ontbreken, aan welke de voorpooten blootelijk tot
steun des ligchaams dienen.

§ 421.

De schouderbladen dienen tot bewegelijke gewrichts-
oppervlakten voor het opperarmbeen, door middel van
welke de bovenste ledematen in hun geheel naar bo-
ven, naar voren en naar achteren gevoerd kunnen
worden. Van daar staat hunne eigenaardige gedaante
bij den mensch in verband met de zoo menigvuldige
en zoo uitgestrekte bewegingen, welke door deszelfs
bovenste ledematen geoefend worden, en vereenvoudigt
[Seite 190] zij zich in de diersoorten, naar gelang het doeleinde
der bovenste of voorste ledematen beperkter is.

Voorts bedekken en beschermen zij de oksel-vaten
en zenuwen, houden zij, door hunne bewegelijkheid,
het ligchaam in evenwigt, verbreeden of versmallen
zij den tronk, naarmate zulks gevorderd wordt, en
werken zij eindelijk, door de inplanting der m.m. serrati
antici majores,
op de ademhaling.

§ 422.

Het opperarmbeen geleedt zich met het schouderblad
op de meest bewegelijke wijze. Zijn groot kogelvormig
gewrichtshoofd en de bijna vlakke kleine gewrichts-
kom van het schouderblad zijn oorzaak, dat het opper-
armbeen, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten,
schier in alle rigtingen rondgevoerd kan worden. Ten
einde het hieruit voortvloeijend gevaar van ontwrich-
ting minder groot te maken, is het schouderblad van
stevige uitsteeksels voorzien, welke het gewricht be-
schermen en het opperarmbeen tegenhouden. Ook
dienen ter beveiliging de spieren, welke van het schou-
derblad afkomende, over het schoudergewricht heen-
gaan.

§ 423.

Veel beperkter is de geleding van den voorarm met
het opperarmbeen. Hare beweging bestaat in buiging
en uitstrekking. De eerste wordt belemmerd door het
kroonwijs uitsteeksel der ellepijp en kan niet verder
gaan dan lot eenea hoek van 40°; tot de laatste is het
ellebooguitsteeksel van hetzelfde been een hinderpaal,
zoodat do voorarm noch geheel naar den bovenarm ge-
bogen, noch geheel op denzelven uitgestrekt kan worden.

§ 424.

[Seite 191]

De voorarm is uit twee beenderen zamengesteld,
waarvan het een zich op het ander beweegt en welke
over en weder in zulk eene verhouding tot elkander
staan, dat het dikke uiteinde van het een overeenkomt
met het dunne van het ander. In den staat van rust
liggen zij nagenoeg in dezelfde horizontale vlakte, naast
elkander. Wordt nu het spaakbeen van de ellepijp
afgedraaid, zoo heet dit achteroverbuiging (supinatio);
wordt het daarentegen naar de ellepijp toe, of liever
met zijn benedenst gedeelte kruiselings over dezelve
heen bewogen, zoo heet dit vooroverbuiging (pronatio).
De ellepijp is derhalve de spil, rondom welke het
spaakbeen zich wentelt. De hand, met het spaakbeen
zich hoofdzakelijk geledende, wordt hierdoor gedron-
gen deze beweging te volgen, en komt dus in de
pronatie met haren rug naar boven, in de supinatie
met denzelven naar beneden te liggen. Hieruit vloeit
voort, dat deze bewegingen der hand van de splitsing
des voorarms in twee beenderen afhangen, en dat zij
daarom ook in de diersoorten moeten ontbreken, bij
welke de beide voorarmbeenderen tot één been zijn
inééngesmolten.

§ 425.

In de menschelijke hand is de bolle zijde of de rug
naar boven en naar buiten, de holle of handpalm
naar beneden en naar binnen gekeerd. De handwortel
vormt eene stevige maar smalle basis ter geleding
met den voorarm, en is met de bolle oppervlakten
zijner beenderen van de bovenste rij in de gewrichts-
kuilen van het benedenst uiteinde van spaakbeen en
[Seite 192] ellepijp derwijze ingevoegd, det hierdoor de regtstreek-
sche buiging en uitstrekking van de hand mogelijk
gemaakt worden. Over hare holle oppervlakte gaat een
stevige band heen (ligamentum carpi proprium volare),
waardoor de zachte deelen welke naar de hand toe-
gaan, tegen uitwendig geweld beschut worden. Van
den handwortel af begint de hand zich, door middel
der voorhandsbeenderen, te verbreeden. Deze zijn aan
de beenderen der voorste rij van den handwortel zoo-
danig aangesloten, dat zij voor weinig beweging vatbaar
zijn, en slechts van boven een weinig van en tot el-
kander gebragt kunnen worden. Het uitgestrektst nog
is deze beweging voor den vierden en vijfden vinger.
Hiervan onderscheidt zich het voorhandsbeen van den
duim, hetwelk door zijne geheel op zich zelve staande
geleding met het groot veelhoekigbeen, en door de
zijdelingsche plaatsing van hetzelve, van de overige
vingers als het ware verwijderd is, maar hierdoor dan
ook in zijne bewegingen geheel vrij zijnde, tot alle de
overige vingers gevoerd kan worden, waardoor de men-
schelijke hand boven de voorpooten van alle overige
dieren uitmunt. De geledingen eindelijk der vinger-
leden zoowel onderling, als met de voorhandsbeen-
deren, zijn zoodanig ingerigt, dat buiging en uitstrek-
king door dezelve geoefend kunnen worden.

TWEE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
over de onderste ledematen in het algemeen.

[Seite 193]

§ 426.

De onderste ledematen zijn volgens denzelfden grond-
vorm als de bovenste zamengesteld, en kunnen daar-
om ook het geschiktst even als deze, in drieën ge-
splitst worden, t: w:

  • 1. in de dij (femur);
  • 2. in den schenkel (crus), waartoe scheenbeen, kuit-
    been en knieschijf behooren; en
  • 3. in den voet.

DRIE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
over het dijbeen.

§ 427.

Het dijbeen (os femoris) is het stevigste en grootste
onder alle de pijpbeenderen van het geheele geraamte.
In den beginne is het geheel regt, desgelijks in de
eerste kinderjaren, in het vervolg echter buigt het
allengs een weinig naar voren.

Het staat met het ongenaamde been, met het scheen-
been, en met de knieschijf in verband.

§ 428.

Van zijn bovenst uiteinde puilt de hals naar bin-
nen uit, op welken het kraakbeenig omkorste gele-
dinghoofd zit, door middel waarvan het door de uit-
[Seite 194] sluitend aldus genaamde enarthrosis in de heupkom
geleed is.

Dit geledinghoofd is in den aanvang eene epiphy-
sis.
De bewijzen daarvan laten zich, in doorgezaag-
de beenderen, nog ten tijde der manbaarheid zien.
Zijn omvang bedraagt ongeveer 2/3 van een’ volkomen’
kogel.

Zijne rigting is schuins naar boven, zoodat het
middelpunt zijner oppervlakte op de as van den hals
valt.

Naast dit middelpunt ligt benedenwaarts eene klei-
ne groef, in welke het benedenst uiteinde van het
ligamentum teres s. suspensorium zit; het bovenst na-
melijk is in de vroeger vermelde groef van de heup-
kom bevestigd.

De hals, op welken dit geledinghoofd rust, is dik
en kegelvormig; voor- en nog meer achterwaarts plat-
gedrukt, en in het algemeen een weinig naar voren
gerigt. Zijne as maakt met die van het been bij
manspersonen gemeenlijk eenen hoek van 45 graden
bij het vrouwelijk geslacht een’ eenigzins stomperen
hoek. Aan de breede basis van dezen kegelvormigen
hals liggen achterwaarts de beide trochanteres of draai-
jers,
welke beide, even als het geledinghoofd, aan-
vankelijk epiphysen zijn.

De groote is naar boven en naar buiten gerigt, en
gelijkt naar een’ stompen, korten naar binnen gebo-
gen haak.

De kleine is lager en meer binnen- en achterwaarts
als eene stompe punt geplaatst.

De groote draaijer dient tot aanhechting van de na-
[Seite 195] volgende spieren. Naar binnen toe zitten, digt bij rij-
ne punt, de pyriformis, de obturator internus en de
gemini; dieper naar beneden in zijne holle uitsnijding
de obturator externus; aan zijn’ gewelfden buitenkant
de gluteus medius; naast deze, naar voren toe in eene
aanmerkelijk vlakke groef, de gluteus minor; dieper
naar beneden, en naar buiten en naar voren, de vas-
tus externus;
en naast deze, nog een weinig dieper,
en meer naar voren, de cruralis.

Aan den voorkant der dij gaat van den grooten
trochanter naar den kleinen, in eene schuinsche rig-
ting, de ruwe lijn van aanhechting van den grooten
gewrichtsband, welke sich van daar over den hals
naar den buitensten rand van de heupkom uitstrekt.

Aan den achterkant daalt, omtrent in dezelfde streek
van den grooten trochanter naar den kleinen, een ver-
heven, stompe rug naar beneden, aan welken de
quadratus femoris vastgehecht is.

Aan den kleinen draaijer zelven hechten zich de
groote psoas en de iliacus internus.

§ 429.

Het middelstuk van het dijbeen is voor het overige
meest kokervormig; alleen vormt het achterwaarts eene
verheven’ lijn (linea aspera s. spina femoris), welke
bovenwaarts met eenen dubbelden wortel uit de bei-
de trochanteres ontspringt, en zich benedenwaarts al-
lengs in den buitensten knobbel verliest.

Dezelve dient tot punt van aanhechting voor eeni-
ge groote dijspieren; binnen- en bovenwaarts voor den
vastus internus; buitenwaarts voor den vastus externus;
voorwaarts voor den gluleus magnus, pectineus, biceps
[Seite 196] cruris
en de drie adductores femoris, namelijk den lon-
gus, brevis,
en magnus.

§ 430.

Benedenwaarts verbreedt zich het middelstuk weder,
en eindigt in de beide groote met eene kraakbeenige
korst bedekte geledinghoofden (condyli) welke op de-
zelfde wijze aanvankelijk eene epiphyse uitmaken, en
tot beweging van de knie dienen.

Voorwaarts zijn dezelve door een’ rondachtigen vlak-
ken boezem met elkander vereenigd, in welken de
knieschijf op en neder kan bewogen worden.

Achterwaarts puilen zij met twee groote gewelf-
de kraakbeenige oppervlakten uit, welke door eene
diepe insnijding van elkander gescheiden zijn; in de-
zelve liggen de groote vaten en zenuwen der knie-
holte.

Van binnen bevinden zich, aan weerszijden van de-
ze uitholing, twee kleine groeven, de eene aan den
binnensten knobbel meer naar beneden, de andere aan
den buitensten meer naar boven gerigt. Beide dienen
tot aanhechting van de ligamenta cruciata, welke zich
tusschen deze geledinghoofden en den achtersten rand
van het hoofd des scheenbeens uitstrekken; tevens be-
vestigen zij de buitenste halvemaanswijze vezelachtig
kraakbeenige schijf der kniegeleding.

Van de beide knobbels is de binnenste een weinig
grooter en sterker gewelfd dan de buitenste; en als
men een enkel dijbeen in eene regtstandige rigting
beschouwt, schijnt hij ook een weinig langer te zijn;
in het geraamte echter, als beide dijbeenderen in
hunne natuurlijke, naar de knieën gebogene rigting
[Seite 197] geplaatst worden, blijkt het, dat dit slechts een ge-
zigtsbedrog is.

Aan den buitenkant van beide geledinghoofden zit-
ten een paar ruwe verhevenheden (tubera); aan elken
kant ééne, tot aanhechting van spieren dienende.

Aan de binnenste namelijk, zit de adductor magnus
femoris,
en daarnaast naar achteren het binnenste
hoofd van de gemelli; aan de buitenste daarentegen
hun buitenst hoofd en daaronder in eene ruwe holte,
de popliteus.


VIER-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
over de knieschijf.

§ 431.

De tweede afdeeling van de bovenste ledematen
bevat de beide pijpbeenderen van den schenkel en de
knieschijf.

Deze laatste (patella s. rotula s. mola) is een rond-
achtig meest lensvormig been, omtrent in grootte en
gedaante gelijk aan eene groote een weinig platgedrukte
kastanje, welke aan den voorkant boven de kniegele-
ding komt te liggen.

§ 432.

Hare verbeening begint, even als die van vele an-
dere dergelijke rondachtige beenderen, eerst na de
geboorte, en is slechts na volbragten kinderlijken leef-
tijd voltooid.#

§ 433.

[Seite 198]

Dezelve is eigenlijk een bewegelijk aanhangsel van
het scheenbeen, wet welks knobbel haar onderst spits
uiteinde door de sterkste pees van het geheele ligchaam
vereenigd is.

§ 434.

Aan haren bovensten breederen rand hecht zich de
gemeenschappelijke pees der groote den schenkel uit-
strekkende spieren, namelijk van den rectus, vastus
externus
en internus en den cruralis.

§ 435.

Hare voorste vlakte is gewelfd, ongelijk en met een’
peesachtigen band overtrokken, welke als het ware
eene voortzetting is van de voormelde pees, en zich
benedenwaarts in de dikkere pees verliest, die uit
den onderrand der knieschijf voortkomt, en met den
knobbel van het scheenbeen zich verbindt.

§ 436.

De achterste vlakte heeft twee naast elkander lig-
gende uitgesneden vlakke uitholingen, welke door een’
verheven rug van elkander gescheiden worden; deze
komt in de voorste, rondachtige vlakke uitholing der
geledinghoofden van het dijbeen te liggen.

De buitenste dezer beide holten is, even als de
knobbel, op welken zij ligt, kleiner.

De binnenste is grooter, en ook een weinig dieper.


VIJF-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
over het scheenbeen.

[Seite 199]

§ 437.

Het scheenbeen (tibia) is na het dijbeen het groot-
ste pijpbeen aan het geraamte. Het loopt niet geheel
regt, maar is een weinig scheef gedraaid, zoodat de
binnenkant van het bovenst uiteinde, alwaar de bin-
nenste knobbel van het dijbeen er op rust, een wei-
nig meer achterwaarts, het benedenst uiteinde daar-
entegen met den binnensten enkel, voorwaarts te staan
komt.

§ 438.

Hetzelve is met zijne bovenste vlakte aan het dij-
been, met de onderste aan het kootbeen geleed; bui-
tenwaarts ligt het kuitbeen tegen hetzelve, en boven-
waarts staat het aan den voorkant, door middel van
de gemelde pees, met de knieschijf in verband.

§ 439.

Het bovenst uiteinde van het scheenbeen is door
eene breede dwarsvlakte als afgeknot. Op deze vlakte
liggen aan weerskanten twee groote omtrent niervor-
mige met kraakbeen omkorste, zeer vlakke diepten,
welke in het midden door een’ kleinen naar achteren
hoekigen heuvel, en voor en en achter, door een paar
kleine ruwe groeven van elkander gescheiden zijn,
waarin de ligamenta cruciata zich vasthechten.

De diepten zelve zijn met de beide bewegelijke seis-
vormige vezelachtig kraakbeenige schijven (cartilagi-
nes semilunares, zonae semilunares
borelli) gevuld. De
[Seite 200] ze zijn aan den omtrek dik en stevig, naar binnen dun
en week, en hechten zich met hare peesachtige punten
aan het scheen- en dijbeen vast.

Naar voren bevindt zich aan het bovenst uiteinde
van het scheenbeen een ruwe knobbel, tot vasthech-
ting van de dikke pees der knieschijf. Naast denzelven,
een weing meer benedenwaarts, is eene vlakke sleuf
tot aanhechting van de m.m. sartorius, semitendinosus
en gracilis.

Zijdwaarts ligt naar achteren en naar buiten eene
schuinsche kraakbeenige vlakte, tot geleding met het
bovenst uiteinde van het kuitbeen. Aan de tegenover-
gestelde zijde, namelijk naar achteren en naar binnen,
is eene ruwe dwarse lijst, aan welke de m. semi-mem-
branosus
bevestigd is.

§ 440.

Het middelstuk heeft eene eenigzins prismatische
gedaante, met twee breede vlakten en ééne smalle,
door één scherpen, en twee stompe randen van el-
kander gescheiden. De scherpe voorrand (crista s. spina
interior
) ligt meestal vlak van voren. Aan deszelfs
buitenzijde zit de smalle buitenvlakte, langs welke de
m.m. tibialis anticus, extensor longus digitorum pedis
en peronaeus tertius geplaatst zijn. Dezelve is omtrent
een’ duim breed, bovenwaarts uitgehold, benedenwaarts
een weinig gewelfd. Zij is van de naburige achter-
vlakte door den tweeden of achterrand (spina posterior
s. exterior
) gescheiden. Deze echter is slechts eene ruwe
smalle lijn, met den voorsten rand evenwijdig loopen-
de, en tot aanhechting dienende van den tusschen-
beensband (ligamentum interosseum),
welke tusschen
[Seite 201] de beide pijpbeenderen van den schenkel uitgespan-
nen is.

Naast deze ruwe lijn ligt naar achteren de achterste
vlakte van het scheenbeen, welke zeer bol en van
boven veel breeder dan beneden is. Nagenoeg vlak
op derzelver midden, zit de m. flexor longus digitorum
pedis,
en meer naar boven, in de rigting van den
ruwen achterrand, de m. tibialis posticus, en hier te-
genover naar den derden of binnenrand toe, in eene
schuinsche binnenwaarts nederdalende groef, de m.
soleus.

Deze derde, of binnenrand (spina interior) is stomp
rondachtig en naar den schenkel der andere zijde toe-
gekeerd. Tusschen denzelven en den scherpen voor-
rand ligt eindelijk de derde of binnenste vlakte van
het been, welke flaauw gewelfd, tamelijk glad, en
slechts met de uitwendige huid bedekt is.

§ 441.

Het onderst uiteinde heeft zijdwaarts aan den bui-
tenkant, een ruw, vlak indruksel, waarin het kuit-
been ligt.

Aan den benedenkant is eene diepe met kraakbeen
bekorste uitholing, door welke het scheenbeen met
het kootbeen, en hierdoor met den geheelen voet ver-
bonden is. Dezelve vormt eerst eene groote horizon-
tale meest vierkante vlakte, met twee naast elkander
liggende vlakke indruksels, door een’ zeer stomp ge-
welfden rug van elkander gescheiden; daarna loopt
zij binnenwaarts, in eene korte stompe naar beneden
dalende punt, uit.

Deze horizontale vlakte komt op den gewelfden rug
[Seite 202] van het kootbeen te staan. De punt daarentegen is
de binnenste enkel (malleolus internus) welke zich tegen
den binnensten en bovensten rand van het kootbeen
aansluit. Aan den ondersten en buitensten rand van
dezen enkel is eene kleine holte tot aanhechting van
het ligamentum deltoïdes, waardoor dezelve met het
hielbeen verbonden is. Op de rugzijde daalt, achter
den enkel, eene vlakke groef naar beneden, in welke
de pees van den tibialis posticus ligt, en naast dezelve
naar buiten eene andere, minder duidelijke, voor de
pees van den flexor longus hallucis.


ZES-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
over het kuitbeen.

§ 442.

Het kuitbeen (fibula s. perone) is een dun pijpbeen,
omtrent van dezelfde lengte als het vorige, met welks
beide uiteinden het zich vereenigt, doch het is een
weinig lager geplaatst, zoodat het iets meer naar be-
neden zakt, en van boven het dijbeen niet bereikt,
waardoor het niet onmiddellijk tot deszelfs ondersteu-
ning kan bijdragen.

Hetzelve staat alleen met het scheenbeen, en bene-
denwaarts met het kootbeen in verband.

§ 443.

Zijn bovenst uiteinde is stompachtig, knoestig. Schuins
naar binnen heeft het eene kraakbeenige vlakte, door
welke het zich aan eene dergelijke vroeger vermelde
vlakte van het scheenbeen voegt.

§ 444.

[Seite 203]

Het middelstuk is van eene driekantige gedaante, en
daarbij eenigzins van boven naar beneden en naar bui-
ten gedraaid.

Zijn voorste rand staat tegenover den achterrand van
het scheenbeen, en dient even als deze, tot vasthech-
ting van het ligamentum interosseum. Beneden- en bin-
nenwaarts loopt dezelve in eene groef uit, aan welke,
zoo als aan het buitenst gedeelte van den rand zelven,
de extensor proprius hallucis, de extensor digitorum pedis
longus,
en de peronaeus tertius vastzitten. Aan deszelfs
buitenzijde zit de voorste vlakte van het been, in het
midden gegroefd, naar beneden gewelfd, tot aanhech-
ting van de peronaeus longus en brevis dienende. De-
zelve wordt naar buiten door den buitensten rand be-
grensd, en tusschen dezen en den binnenrand is de
gewelfde achtervlakte, op welke benedenwaarts de
m. soleus en de flexor longus hallucis liggen. De binnen-
rand loopt in dezelfde groeve als de voorrand uit.
Tusschen denzelven en den voorrand zit in het midden
de derde of binnenvlakte, welke uitgehold is, en tot
aanhechting van den m. tibialis posticus dient.

§ 445.

Het benedenst uiteinde van het kuitbeen is lang-
werpig en vormt den buitensten enkel (malleolus exter-
nus).
Bovenwaarts ligt het in de vermelde, ruwe
vlakke uitholing van het scheenbeen, benedenwaarts
is het door middel eener gladde kraakbeenige opper-
vlakte met het kootbeen vereenigd. Naast deze ge-
ledingvlakte en een weinig dieper naar achteren, is
eene kleine groef, tot aanhechting van het ligamentum
[Seite 204] fibulae medium perpendiculare,
of fibulare calcanei, waar-
door de enkel met het hielbeen verbonden is. Naar
den rug van den voet toe, zit eindelijk eene ter naau-
wernood merkbare groeve voor de pezen van de pero-
naeus longus
en brevis.


ZEVEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
over den voetwortel (tarsus).

§ 446.

Men verdeelt den voet in:

  • 1°. den achtervoet of voetwortel (tarsus);
  • 2°. den voorvoet (metatarsus); en
  • 3°. de teenen.

§ 447.

De achtervoet (tarsus) bestaat uit zeven beenderen:

  • I. het kootbeen (talus).
  • II. het hielbeen (calcaneus).
  • III. het scheepswijsbeen (os naviculare).
  • IV. het groot wigvormigbeen (os cuneiforme majus).
  • V. het klein wigvormigbeen (os cuneiforme minus).
  • VI. het derde wigvormigbeen (os cuneiforme tertium).
  • VII. het teerlingbeen (os cubiforme)(1).

ACHT-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
over het kootbeen.

[Seite 205]

§ 448.

I. Het kootbeen (talus s. astragalus) heeft eene moeije-
lijk te beschrijven eenigermate dobbelsteenachtige ge-
daante; bovenwaarts is hetzelve gewelfd, beneden-
waarts uitgesneden, aan weerskanten plat ingedrukt;
naar voren en naar binnen eindigt het in een’ korten
dikken hals, welke in eene groote kogelvormige ge-
ledingvlakte uitloopt.

§ 449.

Het is tusschen beide enkels ingesloten, en staat
bovendien met het hiel- en scheepswijsbeen in verband.

§ 450.

Daar de bestemming van den mensch tot den opge-
rigten stand en gang eene vroege verbeening in den
voetwortel vordert, zoo begint dezelve voor dit en het
volgend been reeds in de menschelijke vrucht.

§ 451.

Bovenwaarts is het kootbeen (den hals alleen uitge-
zonderd) door eene groote gewelfde kraakbeenige vlakte
bedekt, welke aan den voorkant het breedste is, ach-
terwaarts smaller naar beneden gaat, langs het midden
vlak ingedrukt is, en aldus als het ware eene katrol
vormt, op welke de onderste oppervlakte van het
scheenbeen naauwkeurig past en zich op dezelve, door
eene soort van hoek- scharniergewricht voor- en ach-
terwaarts bewegen kan.

§ 452.

[Seite 206]

De randen van deze katrol slaan zich aan beide zij-
den als het ware naar beneden om, en vormen een
paar kleine kraakbeenige vlakten, tot aanhechting van
de beide enkels.

De binnenste is kleiner, bijna seisvormig, en neemt
den enklaauw van het scheenbeen op. De buitenste
is grooter, van de gedaante van eenen kwartcirkel,
en voegt zich aan den enklaauw van het kuitbeen.

§ 453.

Voorwaarts, en tevens schuins binnenwaarts puilt
de korte dikke hals van het kootbeen uit, welke, met
uitzondering van deszelfs onderkant, ruw en poreus is, en
aan den buitenkant in een groot breed geledinghoofd
eindigt, tegen hetwelk het scheepswijsbeen aanligt.

Aan den ondersten rand der kraakbeenige opper-
vlakte van dit geledinghoofd is een bijzonder zwak in-
druksel, als eene zwakke facette, voor de aanhech-
ting van het ligamentum cartilagineum, tusschen het
hiel- en scheepswijsbeen.

§ 454.

Aan den achterkant, en geheel benedenwaarts, als
het ware aan de basis van de groote katrol, is eene
schuinsche vlakke groef voor de pees van den flexor
longus hallucis.

§ 455.

Op de onderste holle vlakte van het geheele been zijn
twee uitgesneden kraakbeenige vlakten, welke door eene
diepe schuinsche dwarsgroef van elkander gescheiden
worden, en met twee gelijkvormige vlakten van het hiel-
been, door middel eener amphiarthrosis, verbonden zijn.

[Seite 207]

De achterste van beide is verreweg de grootste, breed,
boogvormig uitgehold. Dezelve ligt meer naar buiten.

De voorste is veel kleiner, vlakker, en eivormig van
gedaante. Dezelve ligt onder den binnensten rand van
den hals, en stuit tegen de stompe facette der kraakbee-
nige vlakte van het geledinghoofd.

De diepe schuinsche dwarsgroef, welke achter en
binnenwaarts het smalst is, wordt geheel door eenige
geledingbanden gevuld, welke tot vereeniging van dit
been met de volgende dienen.


NEGEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
over het hielbeen.

§ 456.

II. Het hielbeen (calcaneus) het grootste van alle de
beenderen van den achtervoet, is in het algemeen
van eene langwerpige maar evenwel moeijelijk te be-
palen gedaante, aan weerskanten te zamen gedrukt,
zoodat het als het ware op den scherpen kant te staan
komt, en aan het voorst uiteinde schuins afgeknot is.

§ 457.

Het is alleen van boven met het kootbeen, en van
voren met het teerlingbeen geleed.

§ 458.

Daar hetzelve het hoofdsteunsel van het menschelijk
ligchaam uitmaakt, en dat gewigtig nut reeds tegen
het einde van het eerste levensjaar begint te oefenen,
vangt het met zijne verbeening het vroegst van alle de
[Seite 208] beenderen des voetwortels aan, zoodat zijne eerste been-
kernen reeds in menschelijke vruchten van de zesde maand
ter grootte van eenen graankorrel gevonden worden.

§ 459.

De bovenkant van het hielbeen is op de achterste
hooge helft als het ware zamengedrukt, en naar voren
schuins afgeslepen.

Dit schuinsche gedeelte heeft twee kraakbeenige
vlakten, welke zeer naauwkeurig op de beide gelijk-
vormige vlakten passen, door welke het kootbeen op
het hielbeen ligt. Dien ten gevolge is de buitenste
de grootste, en heeft zij een’ gewelfden rug.

De binnenste is veel kleiner, vlakker, eivormig, en
meer naar voren geplaatst. Zij zit op een bijzonder
breed zijdelingsch uitsteeksel (sustentaculum cervicis tali
alb.) en smelt soms met hare voorste stompe punt met
eene derde nog kleinere, echter niet altoos zoo dui-
delijke kraakbeenige vlakte te zamen, welke dieper
naar beneden, en meer naar voren, aan gene zijde
van dit zijdelingsch uitsteeksel, op het toppunt van
den binnensten hoek van den bovenkant des beens te
liggen komt.

Deze beide groote geledingvlakten worden, even als
de daarop liggende van het kootbeen, door eene groef
van elkander gescheiden, welke echter vlakker is dan
die van het kootbeen, zich buitenwaarts in eene diepe
sleuf verliest, en tot bevestiging van de hierboven ge-
melde geledingbanden dient. Vóór deze groef (aan den
buitensten rand van het voorste gedeelte der bovenste
vlakte) is eene ruwe verhevenheid, tot aanhechting
van den extensor brevis digitorum pedis.

§ 460.

[Seite 209]

De binnenkant van het hielbeen is glad en breed
uitgeslepen, om onderscheidene pezen, vaten en ze-
nuwen gemakkelijk voorbij te laten. Aan den voor-
kant namelijk liggen onder het gemeld zijdelingsch
uitsteeksel, de pezen van den flexor longus hallucis en
den flexor longus digitorum pedis; meer achterwaarts de
pees van den tibialis posticus, de groote bloedvaten van
denzelfden naam, en het uiteinde van den hoofdstam
van de zitbeenszenuw.

§ 461.

De buitenzijde is langer dan de vorige, echter ruw
en oneffen. Naar voren komt hier, tusschen een paar
kleine verhevenheden, de pees van den peronaeus longus
te liggen.

§ 462.

De voorste laagste kant van het been eindigt in eene
een weinig schuinsche, meest rondachtige kraakbeenige
oppervlakte, waarmede het teerlingbeen zich verbindt.

§ 463.

De achterste vormt den eigenlijken zoogenaamden
hiel, eene groote langwerpige ruwe gewelfde vlakte,
aan wier bovenste schuinsche helft de zoogenaamde
Achilles-pees zit.

§ 464.

Eindelijk is de onderkant smal, achterwaarts ech-
ter een weinig breeder en hoekig.

Naar achteren en naar binnen namelijk ligt een zeer
groote knobbel, op welken de hiel steunt. Vóór den-
zelven ligt eene schuinsche dwarsgroef, tot aanhech-
ting van den flexor brevis digitorum pedis en van de
[Seite 210] peesschede van de voetzool. Naast deze ligt naar bui
ten eene kleine verhevenheid, aan welke de abductor
digiti minimi
zich vasthecht.

Naar voren is eene smalle langwerpige verheven-
heid, tot aanhechting van den peesachtigen band, door
welken het heiligbeen met het os cubiforme verbonden is.


ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
over de overige beenderen van den voetwortel.

§ 465.

De overige vijf beenderen van den voetwortel hebben,
zoowel in hunne matige grootte, als in hunne lig-
ging en late verbeening, meer overeenkomst met
de beenderen van den handwortel, dan de beide
vorige.

§ 466.

III. Het eerst komt het scheepswijze been (os navicu-
lare
) in aanmerking.

Dit ligt naar binnen, en wel in de dwarste; het
staat met het kootbeen en met de vier volgende beende-
ren van de voorste rij in verband.

Bovenwaarts heeft het een’ ruwen boogvormigen
rug.

Achterwaarts eene lepelvormige gladde groote groef,
waarmede het als ware het een deksel, tegen het groo-
te geledinghoofd van het kootbeen aanligt.

Voorwaarts bezit het drie facetten, voor de drie
daaraan stootende cuneiformia van de voorste rij.

[Seite 211]

Benedenwaarts is er aan den binnensten rand een
ruw klein uitsteeksel voor den m. tibialis posticus en in
het midden een ander, waardoor het aan het cubifor-
me
stoot.

§ 467.

De volgende vier beenderen liggen van voren in
ééne rij naast elkander.

IV. Aan de binnenzijde namelijk het groote wigvor-
mige been (cuneiforme majus.)

Het heeft van ter zijde gezien eene ruitvormige ge-
daante, en ligt met zijne grondvlakte naar beneden en
met de punt naar boven.

De achterste geledingvlakte, met welke het aan de
binnenste facetten van het naviculare stoot, is vlak uit-
gehold, naar boven toe puntig.

De voorste, waarmede het aan den voorvoet sluit,
is langer en halvemaansgewijs.

Naar binnen toe is het bol en ruw. Aan den on-
dersten, voorsten hoek zit de m. tibialis anticus aan
eene gladde oppervlakte. En aan den achtersten hoek,
naar beneden toe, aan een ruw klein uitsteeksel, de
m. tibialis posticus.

Buitenwaarts eindelijk is het zwak uitgehold, en
stoot het met eene kraakbeenige vlakte aan den voor-
sten rand van den metatarsus, en met eene andere aan
den achtersten rand van het volgende been.

§ 468.

V. Het klein wigvormig been (cuneiforme minus)
is het kleinste van alle de beenderen van den voet-
wortel,
en draagt dezen naam met dubbeld regt,
zoowel wegens zijne gedaante, als omdat het tus-
[Seite 212] schen de beide andere wigvormige beenderen als inge-
klemd is.

Zijne basis is naar boven gekeerd en vierhoekig;
de snijdende vlakte naar beneden gerigt. Achterwaarts
stoot het met eene holle vlakte aan de middelste fa-
cette van het scheepswijze been.

Voorwaarts met eene bolle aan het tweede voor-
voetsbeen.

Van zijne beide vierhoekige zijstukken is de binnen-
ste bol en naar het vorige gekeerd; de buitenste stoot
met twee rondachtige, slechts van achteren met el-
kander verbondene vlakten, aan het volgende.

§ 469.

VI. Het derde wigvormige been (cuneiforme tertium) is
ook wigvormig met de basis naar boven en met de
snijdende vlakte naar beneden gekeerd.

Achterwaarts stoot het met eene korte driehoekige
kraakbeenige oppervlakte aan de derde facette van het
os naviculare.

Voorwaarts met eene lange, smal toeloopende opper-
vlakte aan het derde voorvoetsbeen.

Digt aan den rand van deze laatste vlakte, stoot het
met eene smalle kleine streep aan het tweede voor-
voetsbeen; en aan denzelfden binnenkant aan het vorige,
met eene even zoo ronde en kleine vlakte, als die, welke
in de vorige paragraaf beschreven is.

Buitenwaarts ligt het met eene rondachtige vlakte
tegen den achtersten rand van het volgende.

§ 470.

VII. Het teerlingbeen (os cubiforme) is het grootste
onder de vier van de voorste rij.

[Seite 213]

Bovenwaarts heeft het eene ruw gebogen poreuse
vlakte met vier ongelijke zijden.

Achterwaarts stoot het met eene schuinsche een
weinig holle kraakbeenige vlakte tegen het voorste
uiteinde van het hielbeen.

Voorwaarts met eene dergelijke, echter in twee on-
gelijke facetten gedeelde vlakte, tegen het vierde en
vijfde voorvoetsbeen.

Binnenwaarts met eene rondachtige kraakbeenige
vlakte van den bovenrand tegen het derde wigvor-
migbeen, en met een zeer klein stomp uitsteeksel;
hetwelk achter hetzelve naar boven toe ligt, tegen
een dergelijk uitsteeksel van het scheepswijze been.

De buitenste zijde is de kleinste.

Benedenwaarts ligt een knoest in de dwarste om
welks buitenst uiteinde zich de pees van den peronaeus
longus
omslaat, welke van daar in de vóór den knoest
liggende sleuf treedt.


EEN-EN-ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
over den voorvoet.

§ 471.

Onder de drie hoofdgedeelten, waarin hand en voet
gedeeld kannen worden, hebben de voorhand en de
voorvoet nog de meeste overeenkomst met elkander.

De voorvoet (metatarsus) bestaat, even als de voorhand,
uit vijf naast elkander liggende pijpbeenderen, welke
in hunne onderlinge vereeniging, naar boven een’
eenigzins gewelfden rug, naar beneden eene vlakke
[Seite 214] holte vormen z. fig. 2, α, β, γ, δ, ε. Even als gene tot
vereeniging der vingeren met de onderste rij der
beenderen van den handwortel dienen, zoo vormen
deze de zamenvoeging van de teenen met de voorste
rij van den navoet. Het voorvoetsbeen van den groo-
ten teen (α) is even zoowel het kortste en dikste aan
den voet, als het voorhandsbeen van den duim aan
de hand.

De voorvoetsbeenderen der volgende vier teenen zijn
dunner en langer. Het tweede (β) is het allerlangste.
Het vijfde (ε) het kortste van allen.

§ 472.

In de eerste plaats spreken wij van hunne achter-
ste uiteinden.

Het voorvoetsbeen van den grooten teen is lang-
werpig, en zijne geledingvlakte, waarmede het tegen
het cuneiforme majus aanstoot, bijna halvemaansgewijs
met de punten naar buiten gekeerd. Aan zijn’ binnen-
sten, bollen rand is, omtrent in het midden, eene klei-
ne kleine vlakke groef voor den m. tibialis anticus.

De naar beneden gekeerde punt loopt in een’ grooten
stompen hoek uit tot aanhechting van den m. peronaeus
longus.
Buitenwaarts heeft dit uiteinde soms ter plaat-
se, waar het tegen het tweede voorvoetsbeen aanstoot,
eene kleine, maar zoo als gezegd is, niet altoos voor-
komende kraakbeenige vlakte.

De achterste uiteinden van de volgende vier been-
deren zijn veel steviger dan hunne voorste uiteinden,
hoekig, en zeer naauw met elkander verbonden.

Het uiteinde van het tweede stuit achterwaarts tegen
de groote eindoppervlakte van het cuneiforme minus
[Seite 215] aan; aan de beide zijranden echter raakt het ook, met
een paar kleine facetten, binnenwaarts het groote wig-
vormige, en buitenwaarts het derde wigvormige been.

Het achterste uiteinde van het derde voorvoetsbeen
ligt met zijne smalle oppervlakte tegen het derde wig-
vormige been.

Dat van het vierde met eene rondachtige tegen de
binnenste facette van het teerlingbeen.

Eindelijk dat van het vijfde met eene stomp drie-
hoekige (de punt naar boven gekeerd) aan de buitenste
facette van hetzelve. Schuins naar buiten en naar bin-
nen loopt dit uiteinde in eene dikke stompe punt uit,
tegen welke de peronaeus brevis aanligt.

§ 473.

De middelstukken dezer voorvoetbeenderen gelijken
even als die van de voorhand, naar een kort tralie-
werk. Ook zijn hunne tusschenruimten, even als gene,
door de m.m. interossei gevuld.

Het voorvoetsbeen van den grooten teen is driekan-
tig, met de breede vlakte naar buiten gekeerd. Aan
de achterste helft van de binuenste en onderste vlakte
is eene ruwe plaats tot aanhechting van den m. flexor
hallucis brevis.

§ 474.

De voorste uiteinden zijn knobbelachtig, hebben
kogelvormige eindoppervlakten, tot vereeniging met
de achterste leden der teenen, en liggen niet onmid-
dellijk tegen elkander. Dat van het voorvoetsbeen
van den grooten teen is groot en dik, en heeft be-
nedenwaarts twee gegroefde naast elkander liggende
indruksels, om de zaadbeentjes dezer geleding op te
[Seite 216] nemen. Die van de overige vier hebben bovenwaarts
eene kleine dwarssleuf, en benedenwaarts eene kleine
groef, waardoor zij als het ware in twee stompe pun-
ten gedeeld worden, waarvan de buitenste de grootste is.


TWEE-EN-ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
over de teenen van den voet.

§ 475.

In sommige opzigten, vooral ook in het aantal en
in den aard hunner geledingen, hebben de leden der
teenen veel overeenkomst met die der vingers. In het
geheel echter onderscheiden zij zich gedeeltelijk reeds
door hunne kortheid, en dan ook door hunne mindere
bewegelijkheid. Voorts kenmerken zij zich door hunne
betrekkelijke lengte, vermits in den voet de tweede
teen, in de hand daarentegen de middelste vinger de
langste is.

Het hoofdonderscheid echter, hetwelk voornamelijk
het eigenaardige van den voet uitmaakt, en reeds al-
leen den mensch van de zoo zeer naar denzelven ge-
lijkende apen onderscheidt, is, dat de binnenste of groot-
ste teen, zoo goed als de overige tot steun des lig-
chaams, en niet, gelijk de duim tot grijpen ingerigt
is, en daarom ook niet van de overige teenen afstaat,
maar daarentegen digt aan dezelve aangesloten is.

§ 476.

Men verdeelt voor het overige de teenen, even als
de vingers, in leden (phalanges).

[Seite 217]

De eerste leden, welke tegen het voorvoetbeen aan-
stooten, zijn ook hier verreweg de langste.

Hunne achterste uiteinden zijn vlakke kommen, waar-
in de voorste geledinghoofden der voorvoetsbeenderen
liggen.

Dat van den grooten teen heeft aan den ondersten
rand, (alwaar de zaadbeentjes komen te liggen), een
paar vlakke indruksels, tegen welker binnenste, een
weinig grootere, de abductor hallucis ligt; even zoo
als aan het buitenste kleine de adductor hallucis en
transversus pedis. Aan den bovensten rand daaren-
tegen is in het midden de extensor brevis digitorum
pedis
bevestigd.

Aan den kleinen teen zitten op dit achterst uiteinde,
deszelfs flexor proprius en abductor.

Het middelstuk van dit eerste lid heeft beneden-
waarts twee stompe randen tot vasthechting van de
peesscheden der buigspieren.

Het voorste uiteinde vormt eene soort van katrol,
aan welke het volgend lid, door eene soort van
ginglymus, geleed is.

§ 477.

Het middelste lid ontbreekt aan den grooten teen,
even als aan den duim; het is echter ook in de vier
andere teenen meestal zoo verschoven en te zamen-
gedrukt, dat men het ter naauwernood tot de pijp-
beenderen kan brengen.

Zijn achterst uiteinde is met eene dubbelde kraak-
beenige vlakte in de katrol van het vorige lid geleed.
Op den bovensten rand van hetzelve zit in het midden
de pees der extensores.

[Seite 218]

Het middelstuk heeft, even als aan het vorige lid,
benedenwaarts stompe zijranden, tot aanhechting van
den flexor brevis en der peesschede van den flexor longus.

Het voorste uiteinde vormt, even als bij het vorige,
eene katrol.

§ 478.

Het voorste lid komt, zoo als in het algemeen in
zijne gedaante, zoo ook in de wijze zijner verbeening,
met den duim en de vingers overeen; het is echter,
even als het vorige, ten minste aan den kleinen teen
meest verdrukt enz.

De geledingvlakte van het achterst uiteinde is even
als aan hetzelfde uiteinde van het vorig lid. Aan
haar’ bovensten rand zit de pees der extensores; aan
den ondersten die van den flexor longus.

Het overige is, caeteris paribus, even als aan de top-
punten der vingers.


DRIE-EN-ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
over de zaadbeentjes (ossa sesamoïdea).

§ 479.

Onder den naam van zaadbeentjes verstaat men kleine
rondachtige beentjes, welke van onderscheidene grootte
zijn, en zich meestal in den omtrek bevinden der ge-
wrichten van de vingerleden. Zij bewaren de ge-
wrichtsoppervlakten voor de nadeelige schuring der
pezen van de buigspieren, en komen in vele opzigten
met de knieschijf overeen.

§ 480.

[Seite 219]

Aan de hand zijn er gewoonlijk vijf:

De beide grootere liggen aan het achterste lid van
den duim, en glijden over het voorst uiteinde van zijn
voorhandsbeen heen. Derzelver gedaante is langwer-
pig, eivormig of rondachtig, naar buiten gewelfd en
ruw, aan de binnenste oppervlakte ligt uitgehold, en
met eene gladde kraakbeenige korst bedekt. Tusschen
dezelve door loopt de pees der lange buigspier van
den duim.

Het derde is meer breed dan dik, en ligt aan het
voorste lid van den duim, zoodat de pees van deszelfs
lange buigspier er over heen loopt.

Het vierde, in grootte niet veel van het derde ver-
schillende, ligt aan het achterste lid van den wijsvin-
ger, en heeft eene ronde of eironde gedaante.

Het vijfde en kleinste, ligt aan het achterste lid
van den kleinen vinger.

§ 481.

Aan den voet vindt men gewoonlijk drie zaadbeen-
tjes voor den grooten teen; twee grootere aan de
geleding van zijn voorvoetsbeen met het achterste lid
en één kleiner, aan de geleding van het voorste met
het achterste lid.

De twee achterste, zoowel het binnenste als het
buitenste, hebben eene halfovale gedaante, welke be-
nedenwaarts gewelfd en van boven met kraakbeen
omkorst is. De kleine buigspier van den grooten teen
is aan beiden, de aanhalende spier aan het buitenste
vastgehecht.

Het derde of voorste zaadbeentje ligt op de pees
[Seite 220] der lange buigspier van den grooten teen, vlak onder
de geleding van het voorste met het achterste lid; het
is veel kleiner dan een der vorige, benedenwaarts ge-
welfd, van boven met kraakbeen omkorst en als het
ware in twee vakken gedeeld, welke over de beide
geledingvlakten heenglijden. Het ontbreekt zelden.

§ 482.

Men moet zich wachten, deze beentjes voor eene
verbeening der pezen te houden, daar zij, even als de
overige beenderen van het geraamte, uit eene kraakbee-
nige grondlaag gevormd worden, welke zich niet dan
zeer laat verbeent.


VIER-EN-ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
over de onderste ledematen in het algemeen.

§ 483.

De onderste ledematen vertoonen over het algemeen
in hun maaksel denzelfden hoofdvorm, als de bovenste.
In getal en vorm der beenderen bemerkt men eene
bepaalde overeenkomst; alleenlijk wijzigen deze zich
naar het verschillend doeleinde van beide.

§ 484.

Het dijbeen laat zich met het opperarmbeen ver-
gelijken, maar onderscheidt zich toch van hetzelve,
door meerdere stevigheid, mindere bewegelijkheid en
eene geheel andere wijze van vereeniging met het ove-
rig geraamte; waardoor het dan ook beter geschikt is,
om met den heupkom het geheele ligchaam te onder-
[Seite 221] steunen, dan wel om naar alle rigtingen bewogen te
worden.

§ 485.

Even zoo stelt het scheenbeen de ellepijp, het kuit-
been den radius voor, en laat zich de knieschijf met
het ellebooguitsteeksel vergelijken. Terwijl echter het
hoek- scharniergewricht van den elleboog naar voren
bewegelijk is, laat zich de knie slechts achterwaarts
buigen; om deze reden is de knieschijf bewegelijk,
terwijl het olecranon een onbewegelijk uitsteeksel be-
hoort te wezen.

Door de eigenaardige beweging van het spaakbeen
laat de hand zich voor- en achteroverbuigen. Voor
den voet is dit onnoodig, ja zelfs voor de vereischte
stevigheid nadeelig; van daar missen de beenderen van
den schenkel deze vrije bewegelijkheid, en is het kuit-
been op de meest vaste wijze, met het scheenbeen
verbonden.

§ 486.

Hieruit vloeit voort, dat de voet zich niet met het
kuitbeen, maar met het scheenbeen geleedt, en dat des-
zelfs beweging, hierdoor veel beperkter dan die van de
hand zijnde, zich hoofdzakelijk tot buiging en uitstrek-
king, als ook tot ligte naar buiten- en naar binnen-
voering bepaalt. Hetgeen hij echter hierdoor aan be-
wegelijkheid verliest, wint hij in stevigheid. Ten einde
aan dezelfde behoefte te voldoen, zijn de buiten- en
binnen enkel veel sterker ontwikkeld dan de gelijk-
soortige uitsteeksels van het spaakbeen en van de
ellepijp.

§ 487.

[Seite 222]

De voet bestaat nagenoeg uit dezelfde beenderen als
de hand, allen echter weder naar het verschillend doel-
einde van den voet gewijzigd. Vooral onderscheiden
zich de beenderen van den voetwortel door meerdere
stevigheid, en zijn de voorvoetsbeenderen langer, meer
zamengedrukt en digter aanééngeplaatst, zoodat de groote
teen zich dan ook niet, even als de duim van de
overige laat verwijderen, en de voet hierdoor, als ook
door de mindere lengte zijner teenen, niet zoo zeer ge-
schikt is, om voorwerpen te grijpen en vast te hou-
den, als wel om eene stevige basis te verschaffen, op
welke het ligchaam rusten kan.

§ 488.

Ten einde dit beter te kunnen doen, is de rig-
ting van den voet horizontaal, met zijne bolle opper-
vlakte naar boven, de holle naar beneden gerigt. Hier-
door worden de weeke deelen aan de voetzool voor
de nadeelen van uitwendigen druk beveiligd, en komt
eigenlijk de voet slechts op drie punten te rusten:
1°. op het hielbeen; 2°. op het voorst uiteinde van het
eerste, en 3°. van het vijfde voorvoetsbeen.

Hieruit volgt, dat de teenen, in den staat van rust,
geene stutten des ligchaams zijn, maar eerder als mid-
delen moeten aangemerkt worden, door wier hulp het
ligchaam zich verheffen en voorwaarts bewegen kan.


Appendix A DRUKFOUTEN.

[Seite 223]

Bl. 62, regel 15 staat zelfbeenscellen, lees zeefbeenscellen.

Bl. 86, laatste regel staat dezen, lees den.

Bl. 176, regel 3 staat men, lees met.

[interleaf]

Appendix B

[[Tab. I]]
Fig. 1.; Fig. 2.xxx
[interleaf] [interleaf] [interleaf] [binding_verso]
Notes
(1).
[Seite 4]

Men is deze voorstelling aan scarpa verschuldigd. Zie deszelfs
de Anatome et Pathologia ossium Commentarii. Ticini 1827.

(1).
[Seite 14]

Vergelijk, behalve de Handboeken van soemmering en blu-
menbach
, hetgeen de Hoogleeraar sebastian in de Dissertatie van
p.b. middendorp, ten titel voerende: Diss. anat. patholog. inaug.
exhibens osteogenesin sanam ac morbosam.
Groning. 1832. daarom-
trent bekend gemaakt heeft.

(1).
[Seite 18]

Zie soemmering: Ueber die Wirkungen der Schnurbrüste.
Berlin, 1793.

(1).
[Seite 20]

Z. Bonn Diss. de callo in Descr. Thes. ossium morbosorum
Hoviani Amstelod. 1783. J. van Heekeren Specim. med. inaugur.
de osteogenesi praeternaturali Lugd. Bat., 1797. Middendorp in
Diss. cit.

(1).
[Seite 21]

Verg. hierover bovenal de uitstekende Verhandeling van
H.F. Kilian: Beiträge zu einer genaueren Kenntniss der allge-
meinen Knochenerweichung der Frauen und ihres Einflusses auf
das Becken.
Bonn 1829.

(1).
[Seite 24]

Gelijk wij later zullen zien, ontbreekt het tusschenkaaks-
been niet bij den mensch, maar is hetzelve gedeeltelijk met de
bovenkaaksbeenderen ineengesmolten.

(1).
[Seite 25]

Verg. j.g. ermerins: Diss. med. inaug. de ratione inter for-
mam ossium aliarumque partium corporis humani,
Lugd. Bat. 1824.

(2).
[Seite 25]

Verg. hierover vooral s. th. sömmering: Vom Baue des menschl.
Körpers.
1 Th. Knochenlehre. Frankf. a.M. 1791.

(3).
[Seite 25]

p. camper: Vorh. over het natuurl. versch. der wezenstrek-
ken.
Utrecht 1791.

(4).
[Seite 25]

j.f. blumenbach: de generis humani varietate nativa. Ed.
tert. Goetting. 1795. p. 203. Tab. I.

(1).
[Seite 26]

blumenbach: Dec. tert. cran. p. 8.

(1).
[Seite 27]

albini: Icon. oss. foetus. Tab. II. fig. 3, 4, 5.

(2).
[Seite 27]

Zoo als vesalius ons verzekert: Exam. observ. Fallop.
p. 35. ed. jessenii.

(1).
[Seite 28]

vesal. de c.h. fabrica. L. I, cap. 6, fig. 3 en cap. 9, fig. I.
eustach. tab. anat. XLVI. fig. I.

(2).
[Seite 28]

Verg. lavaters Fragmente op honderde plaatsen, voorna-
melijk, echter in IV. Vers. s. 219 enz.

(1).
[Seite 29]

Hoe dit oogholtegedeelte bij het waterhoofd in hoogen
graad naar beneden gedrukt en voortgedreven wordt, en de
daardoor bewerkte uitpuiling van den oogappel een tevens pa-
thognomisch kenteeken dezer ziekte is, blijkt uit de Medicinische
Bibliothek.
III Bd. St. 635 enz. Hoe soms bij de Caraïben door
gewelddadig nederdrukken van het voorhoofd in de kinderjaren
eene gelijke misvorming der oogholten ontstaat, bewijst een merk-
waardige schedel van dit volk, uit de verzameling van blumen-
bach
. Zie deszelfs Decas. cran. I, tab. X.

(1).
[Seite 30]

albinus: Icon. oss. foetus. Tab. IV et V. Slechts door zie-
kelijke oorzaak wordt derzelver vorming verhinderd, voornamelijk
door het inwendig waterhoofd, soms ook door de engelsche ziekte.
Maar ook reeds gevormde voorhoofdsboezems kunnen door been-
zweer, b.v. in de venusziekte enz. vernietigd worden.

(2).
[Seite 30]

sandiport: Observ. anat. pathol. L. III, p. 122.

(1).
[Seite 31]

vesalius. I Vol. cap. 6, fig. 7. eustach. tab. XLVI, fig. 4.

(2).
[Seite 31]

Eene, naar mijn weten voorbeeldelooze verscheidenheid vertoont
zich in een’ schedel van een twintigjarig meisje, bij welken de bin-
nenste platte vlakte van het voorhoofdsbeen, in plaats van een’
zwakken kam, een lang en wel 4 lijnen breed seisvormig blad tot
grondslag des processus falciformis vormt; even als in den sche-
del van het Vogelbekdier (Ornithorynchus paradoxus) dien ik in
het IV Deel der Mém. de la Soc. médicale. p. 320 enz. beschre-
ven heb.

blumenbach.

(1).
[Seite 32]

v. haller; de c. h. fabr. et functionib. T. VIII, p. 173. seq.

(1).
[Seite 34]

albini: Icon. oss. foet. Tab. I. fig. 1 2.

(2).
[Seite 34]

Verg. l’admiral: Icon. durae matris in convexa et concava
superficie visae.
Amstel. 1738, 4.

(3).
[Seite 34]

casp. bauhin verhaalt van zijne huisvrouw, dat hare voorste
fontanellen op haar 26ste jaar nog niet gesloten waren, en zich, zoo-
dra zij hoofdpijn kreeg, tot eene diepe groef verwijdden, in zijn
Theatr. anat. p. 280. Zie meer dusdanige gevallen bij rosenstein:
de ossibus calvariae; boehmer: Institt. osteol. Verg. ook rosen-
müller
: de singularibus et nativis ossium varietatibus, p. 12;
c. gottfr. erdmann’s: Aufsätze und Beobachtungen aus der A.W.
Dresd. 1802, 8. P. 54, etc.

blumenbach.

(1).
[Seite 35]

vesal: cap. 6. fig. 1, 3 etc.

(2).
[Seite 35]

vesal: cap. 6. fig. 7. eustach: tabb. XLVI. fig. 7.

(3).
[Seite 35]

v. haller: de c.h. funct. T. VIII., p. 191, seq.

(1).
[Seite 36]

v. haller t.a.p.p. 269. En zeer omslagtig bij jo. godofr.
janke
: de foram. calvariae eorumque usu. Lips. 1762 met pl. p.
49–75. Soms zijn zij ongemeen groot; verg. b.v. lobstein: de ner-
vis durae matris,
tab. I, l.c.

(2).
[Seite 36]

conr. vict. schneider: de osse occipitis Viteb. 1653. 12.

(3).
[Seite 36]

galenus, t.a.p. Bij mundinus en andere Arabisten heet het os
laude, en bij vele os basilare, of ook het geheugenisbeen, os
memoriae
(verg. b.v. paars: primit. anat. p. 46.

Den laatsten naam heeft het van de verouderde meening der
[Seite 37] vroegere Geneeskundigen, ten tijde der latere Grieken en Arabie-
ren verkregen, die het werktuig van het geheugen in het achter-
hoofd zochten. Verg. nemesius de natura hominis p. 169. theophilus
protospatharius
de corp. humani fabrica, p. 85 en anderen, zelfs
onder de nieuweren, albinus immers hield dit gevoelen voor niet
geheel onwaarschijnlijk. Lateren, zoo als b.v. de verdienste-
lijke vockerodt, hielden uit veeljarige ondervinding, de hand-
greep voor onfeilbaar, waarmede zij door het betasten van het
achterhoofdsbeen en deszelfs uitsteeksels, den aanleg tot het ge-
heugen beoordeelden; en de zoogenaamde Observatores zijn rijk
in voorbeelden, dat het verliezen van het geheugen op zekere
letsels aan het achterhoofd gevolgd is. beniveni vond dit deel
des schedels bij een’ eindelijk gehangen’ gaauwdief, adeo brevem, ut
tantillam cerebri portiunculam contineret,
en verklaart hieruit, waar-
om alle vroegere straffen bij dezen van natuur in het geheugen ge-
brekkigen zondaar, van geen nut hadden kunnen zijn.

carpus echter stelt het geheugen niet op die plaats, maar wel
achter de ooren, en dat wel op deze mimische gronden: quod
naturaliter homo confricat sibi illam partem dum vult memorari.

blumenbach.

(1).
[Seite 37]

Zeer zelden uit vijf, wanneer namelijk het breed schubach-
tig gedeelte in de lengte verdeeld is. fallop expos. de ossib. p. 557.
Gewoonlijk echter bevindt zich aan deszelfs bovensten rand eene
smalle groef, die soms levenslang open blijft, en eene hernia si-
nus falciformis
veroorzaken kan. Verg. lobstein de nerv. d.m. tab. I.

(2).
[Seite 37]

albini: Icon. oss. foet. tab. III, fig. 10–13.

(1).
[Seite 38]

vesal: cap. 6, fig. 5 en cap. 15, fig. 1.

(1).
[Seite 39]

Bij vele zoogdieren verheft zich de schedel naar achteren toe
in een’ scherpen rug, tot aanhechting der scherpe gebitspieren, daar
namelijk het achterhoofdsbeen den achterhoofdskam (crista occipi-
talis)
vormt. Zeer sterk steekt dezelve naar voren uit bij dieren
van het honden- en kattengeslacht, voornamelijk bij de wind- en
andere jagthonden, wolven, leeuwen, tijgers en andere. Bij de
zwijnen en den Babirussa is het een hooge halvemaan’swijze
uitgesneden rand. De schedel der olifanten wijkt ook hierin van
dien der andere dieren zonderling af. In plaats van eene verhe-
venheid of kam, is het achterhoofd tot een diepe groef ingedrukt,
die tusschen de hooggewelfde zijden des schedels, ongeveer even
als het zeefje in de hersenholte tusschen de gewelven der oog-
holten in ligt.

blumenbach.

(2).
[Seite 39]

Alle zoogdieren hebben twee gewrichtsknobbels aan het ach-
terhoofd; alle vogels en lagere gewervelde dieren slechts éénen, die aan
[Seite 40] den voorsten rand van het foramen magnum zit, en den kop eene
vrije beweging verschaft. Bij de olifanten zijn dezelve hol.

(1).
[Seite 40]

vesalius meent, dat deze beenderen bij de menschen door
gaans vlakker zijn dan bij de dieren: Epist. de rad. chynae p. 43,
enz. Dit is echter niet aldus, zoo als eustach aantoont in zijn ossium
examen
p. 187, enz.

(2).
[Seite 40]

In zeer zeldzame gevallen heb ik ieder dezer beide knobbels
als in twee facetten verdeeld, of geheel en al uit twee bijzondere
platgewelfde kraakbeenige platen te zamengesteld bevonden, die
daar, waar zij elkander raken, een’ verheven’ rug vormen.

(3).
[Seite 40]

vesal: cap. 6. fig. 6. – eustach: tab. XLVI. fig. 7.

(1).
[Seite 41]

Bij vele zoogdieren vindt men ter gezegde plaatse een been-
achtig middelschot tusschen de groote en kleine hersenen, den
naam voerende van tentorium osseum cerebelli of os cerebri. – Met
het gebit in het naauwste verband staande, schijnt het te dienen ter
voorkoming van de dreuning en den onderlingen druk der hersen-
deelen bij het hevige bijten.

(2).
[Seite 41]

v. haller: Icon. anat. Fasc. I. tab. VI 76.

(1).
[Seite 42]

Bij den mensch ligt wegens zijne bestemming van regtop te
gaan, het foramen magnum meer naar voren, dan bij eenige soort van
apen, of over ’t algemeen dan bij alle zoogdieren. Verg. daubenton
sur les differences de la sitaution du grand trou occipital dans l’hom-
me et les animaux
in de Mém. des sc. de Paris 1764. p. 568. Doch
ook hierin bestaat verschil. Het genoemde gat ligt b.v. zeer verre
naar achteren bij eenen anders zeer fraai gevormden Turkschen
schedel in mijne verzameling.

blumenbach.

(1).
[Seite 43]

conr. vict. schneider: de ossib. temporum. Viteb, 1653, 12.
cassebohn in zijn nader aan te voeren classisch werk. Tract. I.

(2).
[Seite 43]

galenus: de ossib. I.c.G.E.

(1).
[Seite 44]

albin: Icon. oss. foet: tab. III. fig. 14–19.

(2).
[Seite 44]

vesal: cap. 6, fig. 3, 4, 5.

(1).
[Seite 45]

jo h. glaser: de cerebro. Basil 1680, 8 p. 71.

(2).
[Seite 45]

jo. fr. meckel: de quinto pare nervor. cerebri pag. 93.

(3).
[Seite 45]

Slechts de warmbloedige dieren bezitten een’ uitwendigen
gehoorgang, en wel zonder uitzondering. Bij de apen en vele an-
dere zoogdieren is dezelve even als bij den mensch, slechts een
kanaal, dat van boven door het schubachtig been bedekt is. Bij
de geiten daarentegen vormt dezelve een’ eigen’ volkomen’ koker.
Bij de zwijnen is dezelve lang, maar zeer eng. Bij de meeste
roofdieren daarentegen wijd en kort, enz.

De vroeger als artsenij gebruikelijke lapis Manati is niets an-
ders, dan het buitenst gedeelte der trommelholte en de bulla ossea
van den gemeenen Walvisch (Balaena mysticetus), waaraan men
dan meest nog een’ scherpen rand tot aanhechting van het trom-
melvlies en de intrede van het Eustachiaansch kanaal kan erkennen.

(1).
[Seite 46]

De apen hebben eenen naauwelijks merkbaren processus
mastoïdeus.
Bij zwijnen, het rundvee enz. is dezelve daarentegen
zeer breed, maar plat te zamengedrukt, en inwendig door talrijke,
zeer ordelijk geschikte beenplaten in lange smalle bladen afge-
[Seite 47] deeld. Bij schapen, geiten, enz. heeft dezelve meestal een’ gelijken
vorm, maar is geheel en al hol, zonder dergelijke beenplaten.
Even zoo hol is dezelve bij eekhorens, hazen enz., doch niet zoo
langachtig, maar meer kogelrond en blaasvormig. Het aanzien-
lijkst is echter deze beenachtige blaas bij de roofdieren, vooral uit
het kattengeslacht. Bij alle maakt dezelve met de trommel eene
gemeenschappelijke holte uit.

Vele aanmerkingen over deze trommelblaas en derzelver gelijk-
vormigheid met het tepelvormig uitsteeksel aan het menschelijk
werktuig van het gehoor zijn te vinden in vesalii: Exam. observ.
faliopii, pag. 38 enz.

Bij vele vogelen staat het gansche diploë des schedels met
de trommelholten en zijn daarom de beide ooren met elkander in
verband.

blumenbach.

(1).
[Seite 47]

Op deze gemeenschap is de scherpzinnige voorslag van den
jongeren riolan gegrond, om bij verstopping van het Eustachiaansche
kanaal, het tepelvormig uitsteeksel te doorboren. Verg. arnemann’s
Bemerkungen über die Durchbohrung des processus mastoideus,
Gött 1792.

(2).
[Seite 47]

albini: Explicat. tabul. eustach, p. 275 de uitg. v. 1761
v. haller: Icon. anat. Fasc. I p. 89. n. 7.

(3).
[Seite 47]

Bij de apen vertoont zich slechts een flaauw bewijs van eenen
processus styliformis, welke echter dezen naam ter naauwernood
verdient, eustach ossium exam. p. 173.

(1).
[Seite 48]

Als het stijlvormig uitsteeksel zeer lang is, bestaat het wel
eens uit meerdere stukken, en heeft aan den wortel of in het mid-
den eene kraakbeenige kern. Verg. chr. l. willig, observat. botanic.
p. 1., seq.

(2).
[Seite 48]

v. haller: de corp. hum. funct p. VIII. p. 194. seq.

(1).
[Seite 49]

Op de plaats waar het harde hersenvlies aan dezen uit-
[Seite 50] gang van den canalis caroticus sluit, bevindt zich niet zel-
den een klein plat beentje, dat joh. bapt. cortese het eerst
ontdekt, en met het erwtebeentje vergeleken heeft. Verg.
Miscell. medica. Messan 1625. fol. p. 17 seq; ook. meckel: de
quinto, pare nervor. cerebri
p. 21 seq. zinn. de vasis subtiliorib.
oculi.
p. 40; portal: hist. de l’Anat. et de la Chir. Vol. II.
p. 297 en andere.

(1).
[Seite 51]

Zie arnold Zeitschr. für die Physiologie. II B. 2. Heft. 1832.
p. 263.

(1).
[Seite 52]

albini: oss. foet. tab. IV. fig. 20–25, en tab. II. fig. 6.

(2).
[Seite 52]

schneider: de osse cribriformi, p. 26.

(1).
[Seite 53]

Deze vlakte zelve heeft eustach. afgebeeld, tab. XLVI. fig. 11. a.

(2).
[Seite 53]

Het ontstaan en de vorming van het afdak hangen wel
voornamelijk af van de verschillende drukking, welke het middel-
sluk van het wiggebeen, als middelpunt der werktuigelijk op den
schedel werkende krachten, heeft te ondergaan. Verg. richeband
in het IIIde Deel der Mém. de la soc. médicale p. 180, enz.

blumenbach.

(1).
[Seite 54]

Verg. over den invloed, dien de vorming van den clivus op an-
dere daarop liggende en tot dezelve betrekking hebbende gewigtige
deelen der hersenen oefent, r.c. metzger, de sceleti dignitate p. 33,
enz.

(2).
[Seite 54]

morgagni: Advers. XI. animadv. 6, 18, 21 28. haller: Icon.
anat.
Fasc. I. tab. VI X.p. 41. not. 16. – Id. de corp. hum. functionib.
vol. XIII. p. 251. sq.

(1).
[Seite 56]

Deze spina vormt soms een’ grooten stekel, even als een
processus styliformis.

(2).
[Seite 56]

Ingrassiae in gal: de ossib. comm. p. 75.

(1).
[Seite 58]

vidi vidii: de anat. c.h. L. VII, tab. VII, fig. 8. 0. p. 30
sq. de Venetiaansche uitgave van 1611.

(2).
[Seite 58]

meckel: de quinto pare nervorum cerebri, p. 50.

(1).
[Seite 59]

schneider: de osse cribriformi et sensu ac organo odoratus. Witteb.
1655, 12; een bij uitstek schoon werkje, dat het eerst den toen
algemeen aangenomen waan wederlegt; dat de reuk door het zeefje
van dit been naar boven naar de hersenen ging, terwijl daarentegen de
onreine deelen der hersenen langs denzelfden weg in den neus
naar beneden liepen. Vooral behelst het ook belangrijke opmer-
kingen van vergelijkende ontleedkunde.

(2).
[Seite 59]

Zoo noemde galenus het zeefbeen, omdat het niet slechts als
eene zeef doorschijnend, maar ook even als eene spons met ka-
nalen doortrokken is: de usu partium. L. VII. Cap. 7. p. 335 de
Gesnersche uitg. van 1562.

(3).
[Seite 59]

De eerste die het zeefbeen naauwkeurig beschreven heeft,
was wederom de zoo beroemde fallopius, in zijne observ. anat.
p. 30, sq. De eerste afbeelding van dit been heeft zijn leerling
vid. vidius gegeven, t.a. pl. tab. IV, fig. 15 et 16.

(1).
[Seite 60]

Bij de apen ligt het zeefbeen niet, even als bij de men-
schen, maar eenigzins meer onder in den neus, waardoor dan
ook hunne oogholten nader bij elkander staan dan bij men-
schen. Hierdoor wordt dus de dwaling wederlegd, dat bij de
menschen de oogen veel digter bij elkander staan, dan bij eenig
ander dier.

(1).
[Seite 61]

Daar het gansche zeefbeen bij de apen dieper ligt dan bij
de menschen, zoo is ook de ligging van het zeefje zelfs bij de-
ze dieren zeer van die bij de menschen onderscheiden. Het
voorhoofdsbeen heeft bij hen geene incisura ethmoïdea; midden
tusschen de beide oogholtegedeelten van dit been loopt een enge
gang naar beneden in den neus, die veel naar de opening van
den binnensten gehoorgang gelijkt, en op wiens bodem het klei-
ne onaanzienlijke zeefje zich bevindt, hetwelk slechts met weinige
gaatjes doorboord is.

(1).
[Seite 62]

sam. theod. quelmalz de narium eorumque septi incurva-
tione.
Lips. 1750, 4. just. gottfr. günz: in de Mém. présent.
T. I, p. 289, sq.

(2).
[Seite 62]

Bij de scherpriekende dieren zijn deze schelpen op eene
verwonderenswaardige manier gerold en opgewonden, om zich in
eene enge ruimte tot eene groote oppervlakte ter ontvanging van
de riekende bestanddeelen, uit te breiden.

(1).
[Seite 63]

Verg. deszelfs eigene observat. anat. p. 88 en girardi’s Aus-
legung der nachgelassenen Santorinischen Tafeln.
S. 53.

(2).
[Seite 63]

morgagni: Adversar. anatom. VI tab. II, fig. 3, q.q.p. 244.

(3).
[Seite 63]

jo. domin. santorini, Observat. anat. p. 89, sq. de Venetian.
uitg. van 1724. Ook in de XVII tabulae posthumae, Parm. 1775,
kl. fol. tab. IV, F.

(4).
[Seite 63]

Ook girardi ziet in deze Santorinische schelpen niets dan
eene zeer ongewone verscheidenheid. Explic. p. 52, sq.

(1).
[Seite 65]

z. schneider: de osse. cribriformi, pag. 40 en volg.

(1).
[Seite 66]

Zie over deze afwijking: tarin, in de voorrede zijner Oste-
ographie
tab. V. eustach: Tab. XLVI. fig. 8. soemmering: Be-
schreibung eines Schädels, dessen Scheitelbeine durch Nähte getrennt
sind. Zeitschr. f. die Physiol.
von tiedemann und treviranus.
II. B. Darmstadt 1827.

(2).
[Seite 66]

Onder de gebreken, welke deze regelmatige vorming het meest
verhinderen, verdient vooral het waterhoofd opgegeven te worden.

(1).
[Seite 67]

Verg. soemmering: Einige Bemerkungen über den Schädel,
und dessen sogenannte Nähte. Zeitschr. f. die Physiol.
III. B.
Darmstadt 1829. pag. 209.

(1).
[Seite 68]

Verg. over een en ander, een werk te weinig gebruikt: soem-
mering
; t.a.p. 1 Th. Knochenlehre, pag. 227 en volgg.

(1).
[Seite 74]

galen. de ossib. pag. 11. B.

(2).
[Seite 74]

eustach: tab. XLVII. fig. 1, 3, 6 7.

(1).
[Seite 75]

albini: Icon. oss. foet; tab. V. fig. 28, 39 38. j. hunter:
Nat. hist. of the human teeth. P. I. tab. VIII. fig. 2, 3 5.

(1).
[Seite 79]

z.c. nicati: Specim. anatom. pathol. inaug. de labii leporini
congeniti natura et origine.
Traj. ad. Rhen. 1822.

goeihe: Ueber den Zwischen-Kiefer des Menschen u. der Thiere.
in Act. Acad. Leopold. Caes. Vol. XV, pag. 17.

(1).
[Seite 80]

scarpa: Annot. anatom. L. II. tab. II. fig. 1.

(2).
[Seite 80]

galen: de ossib. pag. 11. D.

(1).
[Seite 81]

eustach: tab. XLVII, fig. 1, 3, 6, 8. vid. vidius, t.a. pl. tab.
VI, fig. 19, pag. 37. ar. cant: Impetus prim. anatom. L.B. 1721, tab. V,
fig. 9, 10, en voornamelijk loder’s Anatom. Handbuch, tab. I, II.

(2).
[Seite 81]

albini: Icon. oss. foetus, tab. V, fig. 27, 30, 32.

(1).
[Seite 83]

Verg. walter’s Abhandlung von trocknen Knochen des mensch-
lichen Körpers,
s. 143. – albinus de sceleto p. 196. sq.

(2).
[Seite 83]

l.f. meckel: de quinto p. nerv. cerebri, p. 61 q. en scarpa
t.a. pl.

(1).
[Seite 84]

meckel: l.c.p. 62. v.

(2).
[Seite 84]

Id. ibid. pag. 64. c.

(3).
[Seite 84]

galenus: l.c. pag. 10 enz.

(4).
[Seite 84]

eustach: tab. XLVII, fig. 1, 3, 6, 7.

(1).
[Seite 85]

albini: Icon. oss. foet., tab. V, fig. 26, 31.

(1).
[Seite 86]

eustach: tab. XLVII, fig. 4. vid. vidius: tab. VI, fig. 13,
14, pag. 37.

(1).
[Seite 87]

albini: Icon. oss. foet., tab. V, fig. 36, 37.

(1).
[Seite 88]

galenus: l.c. pag. 11, B.

(2).
[Seite 88]

vid. vidius: tab. VI, fig. 6, 7.

(1).
[Seite 89]

albini: Icon. oss. foet., tab. V, fig. 34, 35.

(1).
[Seite 91]

albini: Icon. oss. foet., tab. V, fig. 38, 39.

(1).
[Seite 92]

vidius, tab. VI, fig. 8, 9.

(1).
[Seite 95]

sömmering, Abbildungen des menschl. Auges, tab. III, fig. 1,
en tab. VII.

(1).
[Seite 97]

Verg. duverney: Oeuvres anatomiques, vol. I, tab. XIV. –
haller: tab. nar. internar. in IV, fasc. der Icon. anatom.santorini:
tab. posthum, Tab. IV. – blumenbach: Prol. de sinubus frontalibus.
scarpa: Annot. anatom. Lib. II, Tab. 1. – j.c. rosenmuller: De-
[Seite 98] script, anat. part. extern. oculi humani. Lipsiae 1797, 4. Tab. I, II,
III, V.

(1).
[Seite 101]

galen: de ossib. p. 15.

(2).
[Seite 101]

vesal: Cap. 10, fig. 1. 2. Eustach: Tab. XLVII, fig. 5.

(3).
[Seite 101]

Bij den mensch is de onderkaak veel kleiner dan bij alle andere
dieren, uitgezonderd den olifant. Dezelve is bij den Nijlkrokodil
ongemeen groot.

(4).
[Seite 101]

fallopii: Observ. anat. p. 36; albini: Icon. oss. foet Tab. VI.
fig. 43, 44, 45. j. hunters Nat. hist. of teeth. Tab. VIII, fig. 1, 4, 6.

(1).
[Seite 102]

Bij vele dieren daarentegen blijven de beide helften des
kaakbeens nog lang of altijd gescheiden, zoo als, bij den ezel, den
walvisch, en de dolfijnen; doch niet bij het rundvee, het paard,
de olifanten enz.

(1).
[Seite 105]

Vergel. fox: The natural history and diseases of the human
teeth. London
1814. – john hunter: Historia naturalis dentium
humanorum
in het Hollandsch vertaald door p. boddaert, ’s Graven-
hage 1780. – f. cuvier: des dents des mammifères considerés comme
caractères zoologiques, Paris
1825.

(1).
[Seite 114]

Over den invloed van een en ander op den opgerigten stand
en gang zie g. vrolik: Diss. acad. de homine ad statum gressumque
erectum per corporis fabricam disposito.
Lugd. Bat. 1795.

Men neemt in de kromming van de ruggegraat drie voorname te-
gennatuurlijke afwijkingen waar. De eene zijdwaarts, scoliosis;
de andere naar achteren, cyphosis; de derde naar voren, lordosis;
zie g. coopmans: Diss. de Cyphosi. Franeq. 1770 4to. c.h. á roy:
Diss. de scoliosi, L.B. 1774. Over de wijziging welke de bloedvaten
door dezelve ondergaan, zie w. vrolik.: Diss. de mutato vasorum san-
guiferorum decursu in scoliosi et cyphosi.
Ultrajecti 1823.

(1).
[Seite 115]

Hieruit laat zich verklaren, hoe hydro-rachis, door den ge-
oefenden druk van binnen naar buiten, de gespletene ruggegraat
(spina bifida)
kan te weeg brengen.

(1).
[Seite 117]

Zie weitbrecht: Syndesmologia, sive historia ligam. corporis
humani.
Petropoli 1742. Tab. X, fig. 37.

(2).
[Seite 117]

z. weitbrecht: t.a.p. Tab. XI, fig. 39, 40 en 41.

(3).
[Seite 117]

z. weitbrecht: t.a.p. Tab. XII, fig. 42.

(4).
[Seite 117]

z. weitbrecht: t.a.p. Tab. XII, fig. 44. 45. fig. 45. e.

(5).
[Seite 117]

z. weitbrecht: t.a.p. Tab. XII, fig. 45. f.

(1).
[Seite 118]

Zie vesalius t.a.p. Tab. XIV, fig. 2, 3, 4.

(1).
[Seite 120]

weitbrecht: t.a.p. Tab. IX, fig. 33.

(1).
[Seite 121]

vesalius: t.a.p. fig. 5, 6, 7.

(1).
[Seite 123]

weitbrecht: t.a.p. Tab. IX, fig. 34.

(2).
[Seite 123]

weitbrecht: t.a.p. Tab. IX, fig. 35.

(3).
[Seite 123]

vesalius: t.a.p. Tab. XIV, fig. 8, 9.

(1).
[Seite 126]

vesalius: Tab. XV, fig. 1, 2, 3, 4.

(1).
[Seite 127]

weitbrecht: t.a.p. Tab. XIII, fig. 46, c.

(1).
[Seite 128]

vesalius: t.a.p. Tab. XVI, fig. 1, 2, 3.

(1).
[Seite 130]

vesalius: Tab. XVII, fig. 1 en 2.

(1).
[Seite 134]

vesalius: t.a.p. Tab. XVII, fig. 3.

(2).
[Seite 134]

Bij de onderscheidene diersoorten ontwikkelen zich in der-
zelver plaats, ware wervelen, welke zich tot eenen staart, naar
gelang der soorten van verschillende lengte zamenvoegen. Deze
dient tot sieraad, tot wapen en tot bewaring van het evenwigt
bij de beweging. In den mensch puilt het staartbeen slechts uit
gedurende het eerste tijdperk der baarmoederlijke ontwikkeling,
zelden heeft dit na de geboorte en in verderen leeftijd plaats.

Merkwaardig is hetgeen de beroemde Italiaansche kunstenaar
benvenuto cellini daarvan verhaalt: ‘“Dieses Schwänzchen wendet
sich in unsern warmen Gegenden, nach innen; aber in den
kältesten Gegenden, weit hinten im Norden wird es durch
die Kälte nach aussen gezogen und ich habe es, vier Finger
[Seite 135] breit bei einer Menschenart gesehen, die sich Iberni nennen,
und als monstra erscheinen.”’

Zie benvenuto cellini, herausgegeben durch goethe, 2er Th.
p. 286.

(1).
[Seite 136]

vesalius: t.a.p. Tab. 24, fig. 1, 2, 3.

(1).
[Seite 143]

weitbrecht: t.a.p. Tab. XVI, fig. 51. f.

(1).
[Seite 144]

weitbrecht: t.a.p. Tab. XVI. fig. 51. g.

(2).
[Seite 144]

Idem ib. id. h.

(3).
[Seite 144]

Idem Tab. X. i.

(4).
[Seite 144]

Idem ibid. k.

(5).
[Seite 144]

Idem t.a.p. Tab. XVI, fig. 51, k, d.

(6).
[Seite 144]

Idem ibid. Tab. XVII, fig. 52. l.

(1).
[Seite 148]

m.j. weber: Ueber die Conformität des Kopfes und Beckens
in Verhandlungen der Kaiserlichen Leopoldinisch-Carolinischen Aka-
demie der Naturforscher,
III B, § 413. Bonn, 1823, 4°., en nader
aangedrongen in Journ. der Chirurgie und Augen-Heilkunde, her-
ausgegeben von c.f. graefe und th. v. walther, IV B., 4 H.,
§ 694 en volg.

(2).
[Seite 148]

Zie g. vrolik: Beschouwing van het verschil der bekkens in
onderscheidene volkstammen.
Amsterdam 1826 met acht platen ook
in de fransche taal, onder den titel: Considerations sur la diver-
sité des bassins de differentes races humaines.
Amsterdam 1826.

(1).
[Seite 149]

Zie vesalius, t.a.p. Tab. XVIII, fig. 1 en 2.

(2).
[Seite 149]

vesalius, t.a.p. Tab. XVIII, fig. 3 en 4.

(1).
[Seite 150]

z. weitbrecht, Tab. XIII, fig. 47 a.

(2).
[Seite 150]

z. weitbrecht, Tab. XIII, fig. 46 a fig. 48 a.

(1).
[Seite 151]

z. weitbrecht, Tab. XIII, fig. 47. b. fig. 48. b.

(2).
[Seite 151]

z. weitbrecht, Tab. XIII, fig. 48. c.

(1).
[Seite 156]

z. vesalius, t.a.p. Tab. XVIII, fig. 6 en 7.

(1).
[Seite 163]

vesalius: t.a.p. Tab. XX, fig. 1, 2, 3.

(1).
[Seite 165]

vesalius: t.a.p. Tab. XIX, fig. 1, 2, 3.

(1).
[Seite 169]

vesalius: t.a.p. Tab. XXI.

(1).
[Seite 173]

vesalius: t.a.p. Tab. XXII, fig. 5 en 6.

(1).
[Seite 204]

Alle deze beenderen zijn door dezelfde eijferletters op de
tweede figuur der plaat aangeduid.



Blumenbach, Johann Friedrich. Date:
This page is copyrighted