Table of contents

[binding_recto] [interleaf] [interleaf] [interleaf]

[half-title_recto]

HAND-BOEK
DER
NATUURLIJKE HISTORIE.

[half-title_verso]
[titlePage_recto]
HAND-BOEK
DER
NATUURLIJKE HISTORIE
OF
NATUUR-GESCHIEDENIS,
HOF-RAAD EN HOOGLEERAAR TE COTTINGEN;
UIT KET
KOOGDUITSCH VERTAALD, VERMEER
DERD EN TEN DIENSTE VOORAL DER
NEDERLANDERS INGERICHT,
DOOR.
J. A. BENNET en G. van OLIVIER.

MET AFBEELDINGEN.

Te LERDEN bij
L. HERDINGH.
MDCCCII
.
[titlePage_verso]
Quodsi omnes mundi partes ita constitutae sunt, ut ne-
que ad usum meliores potuerint esse, neque ad speciem
pulchriores; videamus, utrum ea sortuita sint, an eo
statu, quo cohaerere nullo modo potuerint, nifi sensu
moderante, divinaque providentia.
cicero de N. D. Lib. II. c. 34.
Indien het waar zij, dat alle de deelen van het
Heel-al zodanig gevormd en ingericht zijn, dat zij noch
tot ons gebruik beter, noch in form of gedaante schoo-
ner zouden kunnen zijn, zo laat ons zien of deeze din-
gen alleenlijk bij toeval ontstaan zijn, dan of zij zoo ge-
steld zijn, dat zij onmogelijk zouden kunnen zamenhangen
,
ten zij ze door een redelijk wezen, en godlijke
voorzienigheid
bestuurd worden.
Ex
Bibliotheca
Regia Acad.
Georgiæ
Aug:

VOORREEDE.

[Seite V]

Onder de verschillende hulpmiddelen, welke
de laatst ten einde geloopen eeuw ter algemee-
ne bevördering van schier alle weetenschappen
heeft opgeleverd, verdient onzer erachtings ook
gesteld te worden de verschijning en in gebruik-
brenging van zodanige leerboeken, welke den
eerstbeginnenden niet alleen de voornaamste
gronden van een of ander vak van wetenschap
beknopt, geregeld en bevatlijk voordraagen, het
overzicht over derzelver geheelen omvang op-
geeven en den weg tot hoogere beoeffening baa-
nen, maar welke ook teffens ten nuttige gebrui-
ke van den meer gevorderden, jaa voor den
leeraar of onderwijzer zelven tot handleiding en
richtsnoer zo in afzonderlijk als openbaar on-
derwijs dienen kunnen: vooral echter hebben
die weetenschappen daar door aanmerklijk veel
gewonnen, welke voorheen nog nimmer tot een
behoorlijk zamenstel gebracht, 't zij door de
uitgebreidheid van haaren omvang en het onbe-
rekenbaar aantal van voorwerpen daar in ver-
vat, of ook door den grooten en bestendigen
aanwas van steeds nieuwe ontdekkingen, derzel-
[Seite VI] ver beoeffenaars zonder vasten leidraad, als in
eenen doolhof ronddwaalen en hen door een
onöverzienbaar en steeds toeneemend heir van
voorwerpen omringd lieten, zonder dat hun
nog immer een beknopt en gemaklijk middel
was aangewezen, door het welk zij in staat ge-
steld wierden den geheelen omvang deezer wee-
tenschappen te overzien, met yder van derzelver
voorwerpen behoorlijk bekend te worden, en
deeze kennis tot vaste regels en oogmerken te
brengen en te gebruiken.

Van alle deeze weetenschappen echter is er
misschien geene voor wien de verschijning van
zodanige grondige leer of hand-boeken in al-
len opzichten meer nuttig geweest is, dan die
der bijzondere Natuurkennis of Natuur-Ge-
schiedenis, welke gewisselijk uit geene andere of
ten minsten uit geene grootere oorzaak zoo lang
miskend, en van eene zoo weinig algemeene
nuttigheid gebleeven is, dan door het gemis
eener bekwaame richtsnoer of handleiding, met
welke men onbeschroomd en in de verzeekering
van eenen gelukkigen uitslag, den doolhof als 't
ware der natuur veilig ingaan en yder van der-
zelver voortbrengzelen behoorlijk onderscheiden,
rangschikken en kennen kon.

't Is de onsterfelijke linnaeus die het eerst
zodanig eenen algemeenen leidraad of handlei-
[Seite VII] ding ter grondige kennis van alle de voortbreng-
selen der Natuur in zijn Natuur-stelzel (Syste-
ma Naturae
) gegeeven heeft, het welk, hoe
ook bij deszelfs eerste verschijning door verschei-
de mannen van naam en verdiensten aangevallen,
wedersprooken en veroordeeld, op den duur
echter over allen heeft gezegenpraald, en in den
tijd van ongeveer vijftig jaaren, zoo door der-
tien agtereenvolgende uitgaaven, als door ver-
scheidene overzettingen in meest alle de taalen
van het beschaafd Europa, overal voor een gidse
en richtsnoer in den onöverzienbaaren drom der
schepselen is erkend en als zodanig, in weer-
wil van het onberékenbaar aantal van steeds
toeneemende ontdekkingen en daardoor veroor-
zaakte noodwendige veranderingen, over het ge-
heel genoomen, door de grootste mannen in het
vak der Natuur-geschiedenis nog bestendig ge-
volgd en aangepreezen wordt.

Daar echter dit meesterstuk van vernuft meer
als 't ware voor een algemeen kunst-register
op het geheele heir der schepselen, dat is, van
alle dieren, planten en delfstoffen onzer aarde,
dan wel voor een beknopt en bevattelijk leer-
boek der bijzondere Natuur-Geschiedenis te
houden zij; en door zijne uitgebreidheid den
aanvanger dikwerf op het eerste aanzien van de
grondige beoeffening der Natuur-kennis niet al-
[Seite VIII] leen meer met beschroomdheid doet te rugge
deinzen dan daartoe aanmoedigt, maar deszelfs
nuttig gebruik daarenboven ook reeds eene
aanmerklijke kennis en vordering vooral in de
Linneaansche kunst-spraake onderstelde; zoo is
het waarlijk een loffelijke en ter bevordering
der Natuur-Geschiedenis allerbelangrijkste ar-
beid geweest, welke verscheide voornaame ge-
leerden in deeze zoo algemeen nuttige weeten-
schap hebben op zich genomen, door zoda-
nige Leer- of Hand-boeken t' zamen te stellen
en uittegeeven, in welke niet alleen de eerste
beginzelen der Natuur-geschiedenis op eene be-
knopte, aangenaame en ligt-bevatlijke wijze
worden voorgedraagen, de meest bekende en
voor ons belangrijkste schepselen van alle andere
naauwkeurig onderscheiden en op een kunstma-
tige wijze beschreeven, maar waarin de aanvan-
gers teffens schier ongevoelig, ten minsten zon-
der verveeling, ter aanleering der algemeen aan-
genoome kunstspraake opgeleid en ten gemak-
lijke gebruike van bovengemeld algemeen kunst-
register der natuur-voortbrengselen voorbereid
en in staat gesteld worden.

Onder het groot aantal van zodanige leer-
en hand-boeken, welke er na de verschijning van
het Linneaansch Natuur-stelzel alomme zijn in
het licht gegeeven, is er echter geen het welk
[Seite IX] zo wégens deszelfs meest beknopte volleedigheid,
als wégens het bekendmaken der belangrijkste nieu-
were ontdekkingen en het aanhaalen en opgeeven
der beste en nieuwste hulpmiddelen ter aanleering
der Natuurlijke Historie, met zulk eenen algemee-
nen bijval en bestendig vermeerderde graagte ont-
fangenis, dan dat, hetwelk de beroemde Gotting-
sche Hoogleeraar j. f. blumenhach, onder den
tijtel van Handboek der Natuur-Geschiedenis
in den jaare
1779. het eerst uitgegeeven, en
sints door zes agter een volgende, telkens ver-
meerderde of verbéterde uitgaaven, tot dien trap
van volkomenheid gebracht heeft, dat hetzelve
thans als het meest volleedig leerboek en de
geschiktste handleiding, zoo voor bijzonder als
openbaar onderwijs aangenomen en in algemeen
gebruik gebracht is.

Ook hier in ons Vaderland, waar de natuur-
kundige weetenschappen in het algemeen, inzon-
derheid echter de Natuurlijke Historie of Na-
tuur-Geschiedenis, altoos eene schier algemee-
ne lievelings-studie was en nog steeds geblee-
ven is, heeft hetzelve een bijzonder goed ont-
haal genooten, in zoo verre zelfs dat het ook
op zommige onzer Hooge Schoolen, niettegen-
staande de mindere algemeenheid der Hoogduit-
sche taale, bij het onderwijs der Natuur-Ge-
schiedenis, ten leidraad is aangenomen: alge-
[Seite X] meen was daarom ook de wensch, dat dit nut-
tig werk in onze moedertaal mogt worden over-
gebracht, en wij, die niet weinig in dit verlan-
gen deelden, wierden reeds voor lang meer-
maalen aangezocht om deeze taak op ons
te neemen; dan welk aanzoek wij echter,
schoon geheel overtuigd van het wezentlijk nut,
dat door de vertaaling van dit nuttig werk in
verschciden opzichten ter bevordering der Na-
tuurlijke Historie bij onze landgenooten zou
kunnen worden toegebracht, wien zulk eene be-
knopte handleiding tot heeden geheel ontbrak,
hoe ongaarne ook, lang hebben van de hand
geweezen, deels wegens het onaangenaame aan
alle omslachtige vertaalingen (naar ons inzien)
eigen, deels en wel voornaamlijk wegens het
gegrond wantrouwen, dat wij op ons zelven
hebben moesten om niet alleen den wonder-
lijk beknopten en in een gedrongen stijl van den
Heere blumenbach, maar ook het juiste en
zinrijke der Latijnsche Linneaansche kunst-spraa-
ke (overal in dit werk ter opgaave der geslachts-
en soorts-kenteekenen behouden), in het Né-
derduitsch eenigermaate voldoenend overtebren-
gen: wij hadden ten deezen laatsten opzichte,
wel is waar, het groote werk van den voortref-
selijken houttuin hier in ten voorganger
en geleider, waar door dit laatste bezwaar aan-
[Seite XI] merkelijk kon verligt worden, dan wij gevoel-
den teffens, hoe de veelvuldige nieuwe ontdek-
kingen, veranderingen en verbéteringen, die zints
de uitgaave van dit anders zoo verdienstelijk
werk in het vak der Natuurlijke Historie el-
kanderen als met verhaaste schreeden hebben op.
gevolgd, ons buiten de gelegenheid stellen zou-
den om hier in overal de verlangde hulp en in-
lichting te mogen vinden, terwijl wij ons tef-
fens al te wel herrinnerden al het geen die be-
roemde man ons meermaalen van de moeilijke
overbrenging der Linneaansche kunst-bewoor-
dingen in onze moedertaale mondeling verhaald
had, en hoe weinig hij zelf te vreede was ook
over dit gedeelte van zijnen verdienstelijken ar-
beid; moetende wij van deeze gewichtige zwa-
righeid te meer overtuigd zijn, daar men aan
deeze oorzaak alleen meent te moeten toeschrij-
ven, dat ditnuttig hand-boek tot héden toe noch
bij onze Engelsche noch Fransche nabuuren in
hunne moedertaal overgebracht en het ook aldaar
groot en steeds toeneemend aantal van liefhebbe-
ren der Natuur-kennis tot een welkoom en
alzints nuttig geschenk aangebooden is, bij wien
toch anders de verdiensten van den beroemden
Schrijver zo zeer bekend als geëerd zijn, de
Natuurlijke Historie, bij voorkeur, schier bo-
ven alle andere wetenschappen geliefd en beoef-
[Seite XII] fend, en zodanig een werk steeds nog gemist
en verlangd wordt. Dit was het derhalven, dat
ons steeds heeft terug gehouden om ons al het
lastige en moeilijke aan de vertaaling van dit vrij
uitgebreid werk te getroosten en eenen meer
onaangenaamen dan aanmoedigenden arbeid op
ons te neemen. De overtuiging echter, dat de-
zelve voor onze landgenooten zouden kunnen nut-
tig en aangenaam zijn, die, zo als wij straks zei-
den, de Natuurlijke Historie steeds bij voorkeur
niet alleen geliefd en beoeffend, maar die zich
ook meer dan schier alle andere landaarden, al-
toos toegelegd hebben op het zamenstellen der
schoonste en rijkste verzamelingen van natuur-
voortbrengselen; zo dat men bij lieden van al-
lerlei stand, ja niet zelden zelfs bij zulken, bij
wien men zulks het minst wagten zoude, ver-
zamelingen van Vogelen, Amphibiën, Insecten,
Conchijliën, Mineraliën en andere natuur-voort-
brengselen aantreft, welke gewis voor hun zel-
ven meer nuttig en dikwerf ter bevördering
der Natuur-kennis waarlijk zouden kunnen
dienstig geweest zijn, indien de verzamelaar ge-
legenheid gehad hadde, om in de weinige vrije
ogenblikken, die hem van zijn beroep overscho-
ten, het een of ander beknopt Leer- of Hand-
boek te kunnen raadpleegen, met welk hij niet
alleen de eerste gronden der Natuurlijke Histo-
[Seite XIII] rie had kunnen aanleeren, een algemeen over-
zicht over deeze geheele wetenschap, en het daar
van door hem vooral geliefd en beoeffend vak
in het bijzonder bekoomen, maar ook eene or-
de of leidraad zou kiezen kunnen, om zijnen
vergaderden natuur-schat (nu meestal, hoe
zindelijk en bevallig ook, echter zonder behoor-
lijke waarneeming van rang of verwantschap
ten toon gesteld), volgens een of ander leer-
stelzel te rangschikken, de voorwerpen vol-
gens hunne rangen, orden, geslachten, soor-
ten en verscheidenheden met het Leerboek
zelve te vergelijken, en zoo doende, eene dub-
bel nuttige en leerzaame uitspanning te genieten
door verzamelingen, welke anders weinig ver-
meerdering van kennis of voedsel voor ver-
stand en hart verschaffen, en bij vermoogende
verzamelaars maar al te dikwerf meer dienen
ter vertooning van ijdele pracht dan ter be-
vördering der waare oogmerken, waartoe de-
zelve eigenlijk moesten aangelegd en gehouden
worden; wij zelven hadden meermaalen gele-
genheid om hier van overtuigd te zijn, en bil-
lijkten dikwerf de klagten over het gemis van
een in onze moedertaale meer beknopt Leer-
boek en geschiktere handleiding ter bekooming
eener grondige, algemeene kennis der Natuurlijke
Historie, dan dat is, hetwelk onze beroemde land-
[Seite XIV] genoot houttuin, in zijne Uitvoerige beschrij-
ving en uitlegging van het samenstel des H
rn lin-
naeus
in agt en dertig boek deelen gegeeven
heeft; niet elk een toch is in de gelegenheid
zich dit uitgebreid en kostbaar werk te verzor-
gen, en ook dan nog hebben slechts zeer wei-
nigen en tijd en aanleg om het behoorlijk te
gebruiken: de overtuiging derhalven zo wel
hier van als van de groote nuttigheid, welke zoda-
nig een hulpmiddel, ter bevördering eener meer
algemeen bevattelijke en teffens grondige kennis
der Natuurlijke Historie, ook voor het onderwijs,
zo wel op hoogere als lagere schoolen, hebben
konden, ondersteund door den geduurigen aan-
drang van verscheide lieden, wier doorzigt, ge-
leerdheid en groote verdiensten ook in dit vak
van weetenschap zo zeer als hunne vriendschap
veel op ons vermoogen, jaa ook de verpligtende
aanmoediging en aanbieding van den beroemden
Schrijver zelven om ons zijne nadere verbeterin-
gen en aanmerkingen voor deeze onze neerduitsche
uitgaave te willen mededeelen; dit alles te za-
men, zeggen wij, heeft ons eindelijk overge-
haald den anders zo lastigen taak eener om-
slagtige en moeilijke vertaaling op ons te neemen,
in welke wij vooral getracht hebben den beknop-
ten en zinrijken stijl van den beroemden Schrijver
zoo getrouw te verduitschen, als het ons toe-
[Seite XV] scheen gevorderd te worden, en onze hoofdbedoe-
ling om duidelijk en voor een ijder verstaanbaar te
moogen zijn, zulks slechts eenigzints heeft toege-
laten; men houde het ons daarom ten goede,
dat wij ons hier in meer op eenen eenvoudi-
gen en gemaklijken dan op eenen bevalligen
of verfraaiden schrijstrant toegelegd hebben, wel-
ke laatste, onzes bedunkens, in leerboeken van
deezen aart noch voegt noch gevorderd wor-
den kan: in het meest moeilijk gedeelte van on-
zen arbeid, het vertaalen naamlijk der geslachts-
en soorts-kentekenen door den Heer blumen-
bach
in het Latijn behouden, hebben wij ons
insgelijks beijverd kort en verstaanbaar te zijn,
en de hier in schier onnavolgbaare kunst van
den grooten linnaeus, hoe gebrekkig het
dan ook zijn moge, evenwel in onze moeder-
taale van verre natevolgen. Bij de aanhaaling
der beste afbeeldingen en beschrijvingen, in de
werken der voornaamste schrijvers voor han-
den, hebben wij die welke de Heer blumen-
bach
heeft uitgekozen, als de beste, meestal
het eerst opgegeeven, zonder echter te verzui-
men zulke tevens aantehaalen, welke voor-
koomen in werken, hier te lande in 't licht
verscheenen, en die wij onderstellen konden, dat
meer algemeen in de boekverzamelingen onzer
Néderlandsche liefhebberen en beoeffenaars der
[Seite XVI] Natuurlijke Historie zouden gevonden worden;
terwijl wij ook gemeend hebben hier en daar,
waar de onderwerpen het ons toescheenen te
verdienen, zulke afzonderlijke vertoogen en be-
schrijvingen te moeten aanhaalen, welke of in
de werken onzer eige verschillende Néderlandsche
Maatschappijen van kunsten en weetenschappen,
of ook in de verzamelingen zoo der Uitgezogte
als Natuurkundige Verhandelingen van buiten-
landsche Geleerden, door den Heer houttuin
in het licht gegeeven, en andere dergelijke wer-
ken meer, voorkoomen; terwijl wij eindelijk,
om den leezer van dit Handboek gelegenheid tot
verder onderzoek en breedere naleezing te ver-
schaffen, overal en bij ijder belangrijk onder-
werp, het groote werk van den voortreflijken
houttuin hebben aangehaald, het welk toch
in de daad op zich zelven als eene algemeene
uitlegging of verklaring van het gantsche Leer-
stelzel des Ridders linnaeus, jaa als eene
beknopte Boekerij over alle de takken der
Natuurlijke Historie kunnende worden aange-
merkt, den eerstbeginnenden niet alleen, maar
ook den meergevorderden ten wegwijzer, ter
opheldering en teffens tot eenen rijken voorraad
van zeer uitgebreide kennis in het geheele vak der
Natuur-geschiedenis daar steeds verstrekken kan,
waar hij zich met de beknoptheid van blu-
[Seite XVII] menbach's
Handboek niet zal willen te vreede
houden. Door het aanwijzen van zulke bron-
nen begreepen wij de verschillende soorten en
standen onzer Neerlandsche beminnaaren der Na-
tuur-Geschiedenis eenen weezendlijken dienst te
zullen doen, en hen in staat te stellen om de al-
leen waare en grondige of Systematische Natuur-
kennis niet slechts op de meest gemaklijke en
teffens minst kostbaare wijze door eigene
oeffening te kunnen aanleeren, maar ook om
aan hun, die verzamelingen van natuurvoort-
brengselen in eenig vak der Natuurlijke Histo-
rie zamenstellen, tot leidraad te moogen die-
nen om de voorwerpen, daar in bewaard, vol-
gens een geregeld en gemaklijk leerstelzel te
kunnen rangschikken, en zich dit daar door
ook teffens meer en meer eigen en voor al-
toos nuttig en aangenaam te maaken: 't is dan
ook door deeze geduurige en andere hier en
daar noodige bijvoegselen en aanmerkingen, dat
deeze onze Néderduitsche uitgaave tot een
boekdeel is uitgedijd, het welk (als ruim 400 blad-
zijden grooter dan de oorspronkelijkel Hoogduitsche
zelve,) zommigen misschien wel zal toeschijnen
de noodige beknoptheid van een gewoon en ge-
maklijk bruikbaar handboek te buiten te gaan,
doch, zo als wij veilig vertrouwen durven, daar-
om echter in het oog van ijderen redelijken beoor-
deelaar niets van deszelfs wezenlijke waarde of
[Seite XVIII] bedoelde nuttigheid missen zal; wij durven ons
hier meede te meer vleiën, daar wij, zoo veel het
ons doenlijk ware, steeds de meest moogelijke
kortheid betracht, en ook alleenlijk daarom veele
aanmerkingen en ophelderingen agterwegen gela-
ten hebben, welke wij meenden dat voor den
eerstbeginnenden beoeffenaar der Natuurlijke His-
torie misschien zouden kunnen nuttig zijn: ter-
wijl die geene, voor welken wij tot dit oogmerk
hier en daar nog hebben moogen plaats vinden,
ter onderscheiding die des Hrn blumenbach's
met het woord vertaalers gekenmerkt zijn.

Onder de verschillende redenen, welke deeze
onze Néderduitsche uitgaave van dit werk lang
vertraagd en opgehouden hebben, was de zo
onvoorziene als door veele gewichtige verande-
ringen en verbéteringen ten uiterste belangrijke
verschijning eenes zesden hoogduitschen druks
niet de geringste, zo wel voor den uitgeever als
voor ons, die met het afdrukken dezer overzetting
toen reeds tot aan de VIIIe afdeeling gevorderd
waren, en ons niet weinig verlégen bevonden
omtrend de wijze, op welke wij deeze onze Né-
derduitsche uitgaave verrijken zouden kunnen met
al dat belangrijke, dat de gemelde laatste hoog-
duitsche druk bij eene nieuwe overziening van
den beroemden Schrijver booven alle de voo
rige had aangewonnen, zoo omtrend de verdee-
ling en de door veelen aangenoome trapswij-
[Seite XIX] ze opvolging der Natuur-voortbrengselen,
als over de voortteeling der bewerktuigde li-
chaamen; bijzonderlijk echter over het waar
begrip der vorm-drift in tegenoverstelling van
de zogenaamde vis plastica der ouden
, en
andere gewichtige onderwerpen meer, in deeze
en de vier volgende afdeelingen voorkoomende:
wij hebben ons derhalven de moeite getroost,
om ook deeze nieuwe laatste Hoogduitsche uit-
gaave geheel en al naauwkeurig te vergelijken
met onze overzetting, zoo verre die was afge-
drukt, en door de herdrukking niet alleen van
ruim hondert bladzijden des gewoonen texts,
maar ook door het aanhangzel van veranderin-
gen en bijvoegzels agter het werk zelve, van
bladz. 975-1027. geplaatst, al dat geen aan
onze landgenooten te léveren, dat de laatste
hoogduitsche uitgaave bijzonder belangrijk maakt,
terwijl wij ook vertrouwen durven, dat de laa-
tere uitgaave van dit handboek niet alleen hier
door, maar vooral ook zal vergoed gerekend wor-
den door de aanmerkelijke en gewichtige bijvoeg-
sels, die deszelfs zes laatste afdeelingen, of het
Delfstofkundig gedeelte, zoo in rangschikking
en rijkheid van voorwerpen, als in eene vollé-
digere en meer naauwkeurige opgaave van de
bestanddeelen en uiterlijke kenmerken der Delf-
stoffen boven alle de voorige uitgaaven heeft aan-
gewonnen.

[Seite XX]

Wij hebben met den Heer blumenbach
in het Dieren-rijk overal de Latijnsche naamen
vooraan gezet, doordien de dieren ook bij ons
het meest algemeen onder die benaamingen bekend
zijn: In het Mineraal-rijk daar en tégen, zijn
vooraan geplaatst de Néderduitsche benaamin-
gen, welke wij meestal naar de hoogduitsche
(als in verscheide taalen, ook zelfs in de onze,
aangenoomen), gewijzigd hebben.

Bij die soorten van dieren en delfstoffen, die
wij, het zij door eige ondervinding, het zij op
gezag van geloofwaardige getuigen, zeeker wis-
ten, dat onder de Natuur-voortbrengselen van
ons Vaderland mogten gerekend worden, zijn
door ons de letters Inl. voor inlandsch ge-
voegd, ter aanduiding dat dezelve ook in ons
Vaderland te huis behooren; aan nog veele andere
dier-soorten, in dit handboek beschreeven zou-
de, naar onze gedagten, het burger-recht in ons
Vaderland toekomen; schoon wij die als zodanige
niet konden kenmerken, daar wij van haare inwoo-
ning niet genoeg overtuigd waren, om dezelve
met volle zekerheid daar voorte moogen opgeeven.

Hoe oneigen het misschien deezen of geenen
naauwzienden beoordeelaar of kieschen taal-ken-
ner voorkoomen mooge, dat ook de Delfstof-
fen in geslachten en soorten door ons zijn af-
gedeeld, hebben wij echter deeze benaaming
meede op het voorbeeld van den beroemden
[Seite XXI] Schrijver overal behouden, deels om dat wij
voor ons daar toe voldoende vrijheid vonden,
deels en vooral echter, dewijl het gebruik van
geslachts- en soorts-verdeeling ten huidigen da-
ge bij de voornaamste Delfstofkundigen schier
algemeen is aangenoomen.

De afbeeldingen der zeer belangrijke Natuur-
Historische voorwerpen, die door den Schrijver ter
opheldering en gemaklijke gebruike van dit Hand-
boek, onder den tijtel van Abbildungen Natur
Historischer Gegenstände,
worden uitgegeeven,
en men dikwerf zal aangehaald vinden, zullen
bij een gunstig vertier deezer onzer Neerduit-
sche uitgaave, onder ons opzicht, door den uit-
gever, in hetzelfde formaat, den Néderlandsche
liefhebberen der Natuur-geschiedenis, bij afdee-
lingen worden aangebooden; ten einde hen in
de gelegenheid te stellen, op eene beknopte en
weinig kostbaare wijze de opgegeeve kenmerken
en beschrijvingen der belangrijkste en zeldzaam-
ste voorwerpen met de afbeeldingen zelven te
moogen vergelijken, en zich die op deeze wijze
vrij gemaklijk te kunnen in ket geheugen prenten;
tot welke nieuwe onderneeming wij te meer hoo-
pen dat hij door een gunstig onthaal van dit Hand-
boek zal aangemoedigd worden, daar de aanzienlij-
ke kosten aan deeze uitgaave besteed, zo wel als
de fraaie uitvoering en de gereedheid waar mede
hij op onzen eersten voordragt zich het herdruk-
[Seite XXII] ken van omtrend 200 bladzijden wel heeft laa-
ten welgevallen, hem daar op eenigen aanspraak
geeven.

Voor de overgebleeve feilen en ongelijkma-
tigheden in taal en spelling durven wij te meer
op verschooning hoopen, daar het verbeeteren
der druk-proeven van dit vrij omslagtig en
voor den letter-zetter moeilijk werk niet al-
toos door een en dezelfde hand heeft kunnen
verricht worden.

Wij bieden derhalven deeze Néderduitsche
uitgaave van dit zoo algemeen geacht hand-
boek der Natuurlijke Historie, onze Land-
genooten aan met den welmeenenden wensch,
dat hetzelve op de meest moogelijke wij-
ze zal verstrekken moogen, niet alleen tot
eene gemaklijke en aangenaame handleiding
in de grondige kennis deezer ten huidigen
dage zo billijk geliefde weetenschap, maar
ook ter meer algemeene verbreiding van alle
die voordelen en nuttigheeden, welke de Na-
tuur-kennis voor een ijder, van welken ouder-
dom of stand men ook wezen mooge, ter be-
schaaving, versiering en verédeling van onzen
rédelijken geest, jaa voor de hoogste en téder-
ste belangens van ons waar en bestendig geluk, de
eerbiedige erkenning en dankbaare vereering der
godheid naamlijk, kan opleveren.

[interleaf] [Tab. I]
PL. I.xxx

VERKLAARING der AFBEELDINGEN.

[Seite XXIII]

Op PLAAT I

Stellen de 6 eerste Figuren in natuurlijke grootte
voor de Wormen, die zich in de ingewanden van het
menschelijk lichaam ophouden; verbeeldende

Fig. 1. De ascaris vermicularis, of gewoone
Aarsmade. Zie bladz. 586.

Fig. 2. Het voorste gedeelte van eene ascaris
lumbricoides, of Piervormige Aarsmade. Zie
bladz. 586.

Fig. 3. Den trichocephalus hominis, of Men-
schen-Platkop-worm. Zie bladz. 587.

Fig. 4. Het hoofd-einde der Lind- of Band-wor-
men uit den mensch. Zie bladz. 589.

Fig 5. Vier agter-leden van de taenia vulgaris, of
gewoonen Lindworm. Zie bladz. 591. alwaar ver-
keerdelijk Huid-voor Lind-worm geleezen wordt.

Fig. 6. Dertien agterleden van de taenia lata,
of breede Lindworm. Zie bladz. 590. –
Overigens verbeeldt

Fig. 7. Het voorste stuk van den lumbricus ter-
rester,
of van den Pier- of gewoonen Aard-
worm. Zie bladz. 587.

Fig. 8. Het zoogenaamd liefdens-pijltjen van de helix
arbustorum, de gemeene Tuin- of Bosch-
Slak, doch sterk vergroot. Zie bladz. 579.

Fig. 9. Een drietakkige stam van de tubularia
sultana, of het Pluimachtig Pijp-koraal, sterk
vergroot. Zie bladz. 672.

[Seite XXIV]

Fig. 10. Eene hijdra viridis, of Groene Arm-Po-
lijpe, met eene jonge, in natuurlijke groot-
te. Zie bladz. 680.

Fig. 11.. (de laatste en vermeerderde uitga- Een stam met 12 Bloem- of Tros-Polijpen
(brachionus anastatica) sterk vergroot.
Zie bladz. 681.

Fig. 12. De vorticella rotatoria, of het Rader-
diertjen, sterk vergroot. Zie bladz. 682.

Fig. 13. Een Zaad-War-diertjen, chaos spermati-
cum,
zo als het in het mannelijk zaad van den
mensch gevonden wordt, nog veel sterker
vergroot. Zie bladz. 685.

PLAAT II

Bevat de Afbeeldingen van de merkwaardigste Cris-
tal-vormingen der Delfstoffen.

[Tab. II]
PL. II.xxx
[interleaf]

HANDBOEK
DER
NATUUR-GESCHIEDENIS. EERSTE AFDEELING.
OVER DE VOORTBRENGSELEN DER NATUUR
IN HET ALGEMEEN, DERZELVER VERDEE-
LING IN DRIE RIJKEN, ENZ
.

[Seite 1]

§. I. Alle lichamen, die op en in onzen aard-
bol gevonden worden, vertoonen zich, of in die
zelfde gedaante en gesteldheid, die zij uit de hand
des Scheppers verkreegen en door de werking der
aan zich zelve overgelatene natuur-krachten aan-
genoomen hebben, of zij doen, zich zo aan ons
voor, als zij door menschen en dieren, tot bestem-
de oogmerken, of ook door bloot toeval, veran-
derd en als 't ware vervormd zijn.

Op deeze verscheidenheid is de bekende ver-
deeling derzelve in natuur- en kunst-ge-
wrochten
, naturalia & arte facta, gegrond.
De eerste maaken het voorwerp der natuur-ge-
schiedenis
uit, zijnde men gewoon alle licha-
[Seite 2] men tot de Natuur-gewrochten (naturaliën) te
brengen, die noch geene wezenlijke verandering
door 's menschen toedoen ondergaan hebben; ter-
wijl men dezelve dan Kunst-gewrochten (artefacta)
noemt, wanneer zij door den mensch(*) op-
zetlijk veranderd zijn.

Aanm. I. Dat, voor het overigen, dit denkbeeld van we-
zenlijke
en opzetlijke veranderingen in het voorhanden
zijnde geval, bij zulk eene verscheidenheid van wijzi-
gingen en oogmerken, niet anders dan betreklijk (rela-
tif
) kan opgenomen worden, behoeft in het geheel gee-
ne herinnering. Immers, hoe veel koomt het hier bij
voorbeeld niet op het doeleinde des verzamelaars aan! Zo
toch kan in eene Naturalien-verzameling eene Ægijptische
Mumie even zoo wel tot den rei der voorwerpen, die men
ter opheldering van Mensch-Natuurkundige onderwerpen
bewaart, als in eene verzameling van oude Aegijptische
kunst-werken behooren.

Aanm. II. Zomtijds kunnen Natuur-gewrochten aan
zommige Kunst-gewrochten zoo naabij komen, dat zij
bezwaarlijk van elkanderen kunnen onderscheiden wor-
den. Hier van daan b. v. de voorheen zoo verschillen-
de meeningen, of het overtreksel in de zogenaamde pis-
cina mirabili
bij Baja, een van zelfs uit het water neer-
gezette korst-steen van Kalksinter, dan wel een voorbe-
dachtelijk daar op aangebrachte kunst-kalk zij. (Zie
Götting. gel. anzeigen 1791. 188. St)

[Seite 3]

§. II. Alle voortbrengselen der Natuur kunnen
ten opzichte voor eerst van hunne eerste wording,
ten tweeden
van hunnen groei, en ten derden van
hunne saamenstelling, in twee hoofdsoorten onder-
scheiden worden. Die van de eerste soort worden
altijd door andere natuurlijke lichamen van gelij-
ke gedaante en aart voortgebracht; zoo dat hun be-
staan in eene onafgebrookene reeks tot de eerste
schepping toe(*) het bestaan van andere soort-
gelijke lichamen, aan welke zij hun aanwezen ver-
schuldigd zijn, veronderstelt; terwijl deeze

Ten tweeden, allerlei vreemde zelfstandigheden
als voedzel tot zich neemen, de samenstellende dee-
len van dezelve aan de hunne gelijk maaken (assi-
miliren
), en hier door hunnen wasdom van binnen
door middel eener naauwe toeëigening of vereeni-
ging, (intus susceptio, expansio) bevorderen.

Deeze beide eigenschappen onderstellen ten der-
den
van zelf eene bijzondere samenstelling bij dit
zoort van natuurlijke lichamen; want, zullen zij, op
deeze wijze, het benoodigde voedsel tot zich nee-
men, en andere schepselen van hun soort met ter
[Seite 4] tijd voortbrengen, dan moeten zij veelerlei aan dit
oogmerk beantwoordende, en daarom met de zoo-
genaamde levens-krachten voorziene en hier door
met leven als bezield zijnde vaten, aderen en an-
dere werktuigen in hunne lichamen bevatten, die
ter inneeming van zeekere bepaalde vochten, ter
gelijkvormigmaking deezer voedsels, en ter voort-
teeling van hun nageslacht enz. noodzaakelijk zijn.

Dit alles ontbreekt bij de natuur-voortbrenselen
van de andere soort, de Delfstoffen of Mineralen
naamlijk; zoo wel hunne wording, als hunne groei
(zoo men het slechts groei noemen mag), worden
beiden geenzins bewerkt door voeding, maar alleenlijk
volgens zoogenaamde enkel Phijsische (Mechanische
en Chemische) wetten, door opeenhooping of bijvoe-
ging van gelijksoortige deelen van buiten (ag-
gregatio, juxta positio
); waarom ook bij hun, noch
oorspronglijke bewerktuiging, noch levens-kracht te
verwachten is.

En juist om deeze reden is het, dat die van de eerste
zoort bewerktuigde, (georganiseerde) en die
van de laatste daar en tegen nilt bewerktuig-
de
(ongeorganiseerde) lichamen genoemd wor-
den.

§. III. Tweederlei zijn eindelijk ook nog de be-
werktuigde lichamen
zelve, vooral in be-
trekking der wijze, waarop zij hun voedzel tot
zich neemen.

Sommigen naamlijk slurpen zonder merkelijke
willekeurige beweging een zeer enkelvoudig voed-
sel op, door middel van talrijke vaatjens of vezel-
tjens, aan het onder eind van hun lichaam aanwezig.

[Seite 5]

Terwijl de anderen integendeel eene meestal en-
kele opening aan het bovenste of voorste eind van
hun lichaam hebben, die tot eene ruime vergaar-
plaats heenleidt, waar in zij door inwendig gevoel
des hongers gedreven, hunne spijzen, die van zeer
onderscheiden aart zijn, door middel eener vrijwil-
lige beweging heenbrengen. De eerste zijn de Plan-
ten,
de laatsten, de Dieren.

Aanm. Net vermogen om van stand-plaats te kunnen
veranderen (locomotivitas) levert geen voldoenend on-
derscheidings-teken tusschen de Dieren en de Planten
op. – Doordien veelen der laatsten, zoo als b. v. de
gemeene Water-Linsen, hunne wortelen niet in den
grond vasthechten, maar op zekere tijden des jaars van
plaats kunnen veranderen door, dan eens naar den grond
te zinken, dan weder tot op de oppervlakte des waters
naar boven te rijzen enz. Terwijl 'er integendeel we-
der gantsche geslachten van Water-dieren, vooral onder
de Schulpen, Koraalen enz. gevonden worden, die de
plaats, eenmaal door hun ingenomen, nooit weder van
zelf verlaten kunnen.

§. IV. Op deeze zeer bevatlijke verdeeling der
Natuur-voortbrengzelen in bewerktuigde en niet be-
werktuigde
lichamen (§. 2.) en van de bewerk-
tuigde onder elkanderen (§. 3.), berust thans de
grond der bekende en zeer geschikte verdeeling der
natuurlijke lichamen in drie rijken; waar van het
eerste de Dieren, het tweede de Planten, het der-
de de Delfstoffen of Mineralen bevat.

De dieren zijn derhalven levende en bezielde
bewerktuigde lichamen, die hun zeer onderscheiden
[Seite 6] voedzel door vrijwillige beweging zoeken, en het-
zelve door den mond in de maag heen voeren.

De planten zijn wel insgelijks levende, be-
werktuigde lichamen, maar zijn onbezield, zo dat
zij hun zeer eenzoortig (homogeen) voedings-sap
zonder eene willekeurige beweging door middel der
wortelen inzuigen.

De delfstoffen of Mineralen eindelijk zijn
levenlooze en onbewerktuigde lichamen, die derhal-
ven zonder levens-kracht, volgens de louter Phij-
sische (Mechanische en Chemische) wetten van aan-
trekking, opeenhooping, vorm-kracht enz. ontstaan.

Aanm. Teegen deeze verdeeling in drie Rijken, in
vooral onlangs, eene dubbele tegenwerping gemaakt,
naamlijk

Veelen hebben den afstand tusschen de bewerktuigde
en onbewerktuigde lichamen wel erkend, doch slechts
geene bepaalde grenzen tusschen Dieren en Gewassen
willen toestaan.

Anderen daarentegen hebben het zoogeliefd denkbeeld
eener trapswijze opvolging der schepselen regtstreeks zoo
opgevat, als of er over het algemeen genomen, geene
juist bepaalde verdeeling der Natuur-voortbrengselen in
Rijken enz. plaats hadde.

Wat het eerste betreft, in het algemeen moet men hier
vooral toch in het oog houden, het geen zoo dikwils bij
voorwerpen van ondervinding het geval is, naamlijk, dat
men dezelve veel gemaklijker voor dat wat zij in de daad
zijn(*) behoorlijk erkennen en van anderen onderschei-
[Seite 7] den, dan wel hunne bijzondere onderscheidene kentee-
kenen uitvorschen en opgeven kan(*). Zoo zeide b. v.
linnaeus ‘„tot heden hebbe ik geen kenmerk kunnen
vinden, waar door de Mensch van den Aap juist kan
onderkend worden.“’ En alhoewel ik geloof in dit
Hand-boek zulke uiterlijke kenteekenen ter onderken-
ning van den Mensch te hebben opgegeven, waar door
hij zich van de meest naar den Mensch gelijkende Aapen,
gelijk ook over het algemeen genomen, van alle andere
zoogende Dieren ontwijffelbaar onderscheidt: zoo zou
evenwel, vertrouw ik, ook zonder deeze nimmer eenige
Natuur-kenner gevaar geloopen hebben om in de practijk
Menschen met Aapen te verwarren. – Dan bovendien,
ook kunnen schepselen uit de meest van elkander ver-
schillende classen meenigerlei dikwerf verwonderlijke
en treffende gelijkenis met elkanderen hebben, zon-
der dat daar door het des niet te min ontwijffelbaare
verschil tussehen deeze classen zoude vervallen moe-
ten. Zoo verdeelt men b. v. de Dieren zeer natuur-
lijk in warmbloedigen en koudbloedigen, en brengt op
eene even zoo natuurlijke en voegzaame wijze de zoo-
gende Dieren tot de eerste, de gekorvene of Insecten
daarentegen, tot de andere classe, zonder dat men even-
wel uit het oog verliezen zal, dat de Bijen in haaren
[Seite 8] stok of korf zoo ongelijk veel meer warmte hebben dan
wel een Egel, geduurende zijnen winter-slaap. – Zoo
vindt men ook in de classen der Wormen geslachten,
gelijk b. v. de zoogenoemde Zee-katten (Sepiae), die
van de overige Dieren deezer classe zeer verscheiden zijn,
en die daarentegen zeer veel overeenkomst met de Vis-
schen hebben. Doch niemand zal willen dat daarom de
scheidsmuur tusschen de classe der Visschen en die der
Wormen moet worden weggenomen, gelijk ook even zoo
min iemand ter goeder trouw in verzoeking geraken zal,
om het Dieren- en Planten-rijk daarom met elkanderen
te vereenigen, dewijl men bij sommige planten eene zee-
kere overeenkomst of gelijkenis met eenige Dieren heeft
waargenomen. Van dien aart zijn b. v. de zonderlinge
beweegingen van veele soorten der Mimosa en van het
Hedysarum gyrans e. a. die, hoe merkwaardig zij ook
op zich zelven zijn mogen, echter niet zelfs eenige aan-
spraak op het hier boven opgegeven kenmerk van dierlij-
ke hoedanigheid hebben kan. Even zoo min als ook
omgekeerd, die overeenkoomst, welke de Arm-polijpen
met de Planten hebben, het hier boven bepaalde ken-
merk der groejing betreft; zijnde de Arm-polijpen
Dieren, die, even gelijk de Mensch en de Oester, door
honger geprikkeld wordende, hun voedzel door eene
vrijwillige beweging in den mond brengen, het welk daar
en tegen bij geene Plant, zoo veelen wij er tot heden
toe kennen, plaats heeft.

En zoo wordt eigentlijk als van zelfs de andere tegen-
werping wegens de Natuur-rijken enz. beantwoord, als
welke op het zoo zeer aangeprezen denkbeeld eener trapa-
wijze opvolging der schepzelen gegrond is.

Alle de geliefkoosde verbeeldingen van eene keten,
ladder, net, enz. in de Natuur, hebben, wel is waar,
voor eene gereegelde aanleiding tot de beoeffening der
[Seite 9] Natuurlijke Historie, in zoo verre haare onloochenbaare
nuttigheid, als zij tot eenen grondslag dienen voor een zoo-
genaamd Natuurlijk samenstel (Sijstema Naturale), volgens
het welk men de schepselen naar hunne meeste en vooral
in het oog loopende gelijkenissen, naar hunne algemeene
uiterlijke gedaante (Totalhabitus), en de daar op ge-
gronde zoogenaamde verwandschap onder elkander, te
zaamen schikt.

Dan dezelve nu, gelijk zulks toch door sommige wel-
meenende Godgeleerd-Natuurkundigen zoo dikwerf ge-
schied is, den Schepper in het ontwerp zijner schepping
te willen toeschrijven, en de volmaaktheid en samenhang
der schepselen daarin te willen zoeken, dat de Natuur
(gelijk men zich uitdrukt) geenen sprong doet, doordien
de gantsche rei der geschapene wezens, met opzicht tot
derzelver gedaante
, zoo juist naauwkeurig trapswijze op
elkander volgde, dit ware toch reeds op zich zelve
menschelijke zwakheid en vermetelheid, al wierd zij
ook niet, gelijk het toch voor zeker het geval is, bij
eene ernstige overweging door zich zelve wederlegd.

Dan men behoeft slechts de meest kunstig en zorg-
vuldigst uitgedachte ontwerpen van zoodaanige trapswij-
opklimmingen in den rei der geschapene wezens eenig-
zints nader te beschouwen, om intezien, hoe zeer zich
eensdeels daar in gantsche benden van schepselen eener
gelijke vorming in geslachten van schier onoverzienbaar
talrijke soorten (vooral onder de Insecten en Wormen,
doch echter ook in het Planten-rijk) als op elkanderen
hooppen, en anderen daar en tegen als afzonderlijk al-
leen staan, doordien zij wegens hunne afzonderlijke ge-
heel eigene vorming, niet zonder merkbaren dwang, in
eene zoogenaamde ladderswijze opklimming der Natuur,
hier of daar ingeschoven en tusschengevoegd kunnen
worden, (zoo als b. v. de geheele classe der Vogelen;
[Seite 10] gelijk onder de Wormen het hier vooren reeds gemelde
geslacht der Zee-katten (Sepiae); en onder de zoogende
dieren, her Menschen-geslacht zelf! enz.) – Voorts zijn
er ook Dieren, bij wien men, zoo als b. v. de Schild-
luizen, het mannetjen en het wijfjen, ieder eene door-
gaans zoo geheel verschillende gedaante hebben, dat
men dezelve om die reden in meergemelde laddervormige
opklimming, van elkander scheiden, en volgens deeze
zoo zeer verschillende gedaante der kunne, ieder op ver
van elkander verwijderde trappen of sporten, hunne
verschillende plaatsen zou moeten aanwijzen. – En
dan laten zich gapingen in deeze aaneenschakeling zien,
over welke men klaarblijkelijk, zonder eenen gewaagden
sprong, geheel niet heen geraken kan, zoo als, om slechts
een enkel voorbeeld aantehalen, die, welke tusschen de
bewerktuigde lichamen en de Delfstoffen of Mineralen
enz. plaats heeft.

Zoo gebrekkig nu, over het algemeen genomen, deeze
zinnebeeldige voorstellingen eener keten in de Natuur,
en dergelijke meer uitvallen moeten, zoo gantsch onge-
grond is nu eindelijk ook geheel en al de vermeetele on-
derstelling van veele Godgeleerd-Natuurkundigen, als of er
geeneschakel uit deze hunne op het papier ontworpene keten
konde gemist worden, zonder de schepping zelve te stoo-
ren enz. Dan zoo wel als enkele soorten van Dieren, op
zeer groote eilanden, gelijk b. v. de Wolven op Groot
Brittannien zijn uitgeroeid geworden, zonder dat de
schepping aldaar door deeze tegenwoordige schijnbaare
gaping, haaren voorigen zamenhang zoude verlooren heb-
ben, zoo kunnen ook andere schepselen niet slechts uit
fommige waereld-deelen, maar ook wel van de geheele
aarde verdelgd worden, (gelijk dit naar alle waarschijn-
lijkheid met veelen, en onder anderen met den Dodaars
of Walgvogel (Didus) werkelijk geschied is) zonder
[Seite 11] dat deeze aanmerkelijke gaping (hiatus), welke hier door
in de keten der Godgeleerd-Natuurkundigen ontstaat, den
eeuwig stillen voortgang der schepping zelve, in het minste
gevaar behoeve te brengen.

Als hoofd-bronnen en andere hulpmiddelen ter be-
oeffening der Natuur-geschiedenis over het alge-
meen genomen, worden aangemerkt;

  1. Aristoteles (hij leefde omtrend 400 jaaren voor
    Chr. geboorte) Opera, gr. lat. ex ed. Gu. du Val.
    Paris 1654. IV. vol. in fol. waar van het II. Deel
    vooral de Natuur geschiedenis betreft.
  2. C. Plinius secundus (hij stierf in het jaar 79 na
    Chr. geb.) zijne werken bestaan in de Historia Mundi
    L. XXXVII. twee nette en naauwkeurige, kleine druk-
    ken daar van, zijn de Leydsche, bij Elzevier 1635.
    in III. vol. 120. en die te Tweebruggen 1783. in
    V. vol. 80. uitgegeeven.
  3. Conr. Gesner (gestorven in 1662.)
  4. Joh. Ray. (overl. 1705) NB De voornaamste hier bij
    behoorende Werken deezer beide beroemde Mannen,
    worden elders opgegeven.
  5. C. à Linné. (overl. 1788) deszelfs Systema Naturae
    ed. XII. Holm. 1766. IV. vol. 80. en de beiden daar
    toe behoorende Mantissae ib. 1767 sq. 80. de 13de
    vermeerderde en verbeeterde Leipziger uitgave wordt
    zedert 1788. nog voortgezet, door j. fr. gmelin.
  6. Tot beter verstand van linnaeus Kunst-spraake;
    j. r. forster. Enchiridion Histor, Naturali inser-
    viens.
    Halae 1788. 80. gelijk ook mart. houttuin
    Natuurlijke Historie of uitvoerige beschrijving der Die-
    ren, Planten en Mineralen, volgens het samenstel van
    den Heer
    linnaeus met afbeeldingen, 37 deelen in
    80. Amsterd. sedert 1761. tot 1785.
  7. U. J. le clerc Comte de Buffon. (overl. 1788) Hi-
    stoire Naturelle,
    waar van de groote eerste uitgave te
    Parijs zeedert 1740. in XXXIII. vol in 4° het licht
    ziet. (Hier van is eene vermeerderde Nederduitsche
    overzetting te Amsterdam sedert 1773. uitgegeven.

MENGEL-WERKEN.

  1. C. a. Linné Amoenitates Academicae. Holm. zedert
    1749. IX. vol. 80. (de laatste en vermeerderde uitga-
    ve is door den beroemden Hoogleeraar j. c. d. schre-
    ber
    te Erlangen, sedert 1787. in 10 deelen 80.
    verzorgd.
  2. Oeuvres de ch. bonnet Neuch. 1779 4°, vooral de
    vijf eerste deelen deezer uitgave. NB. Verscheide wer-
    ken van deezen voortreflijken Natuurkundigen zijn ook
    afzonderlijk in het Nederduitsch uitgegeven.

GODGELEERD-NATUURKUNDIGE
en SOORTGELIJKE WERKEN
.

  1. Joh. Ray's Wisdom of God manifested in the works of
    the Creation. ed.
    12. Glasgow 1750. 12°.
  2. W. Derham's Physicotheology. ed. 40. Lond. 1716. 80.
  3. Ch. Bonnet, Contemplation de la Nature, (uitmaken-
    de het IV. Deel der straks vermelde uitgave zijner
    Werken.)
  4. NB. Deeze drie bovenstaande Werken zijn ook in
    het Nederduitsch uitgegeven.

WOORDENBOEKEN.

  1. Valm. de Bomare, Dictionnaire de l'Histoire Natu-
    relle. ed.
    40. Lyon 1791. VIII. vol. 40. (eene Neder-
    duitsche gaf ch. papillon, Dordr. 1767. in III.
    Deelen 4°.
  2. Neuer Schauplatz der Natur in Alphabetischer Ordnung,
    Leipz.
    1775 u. f. 10. B. 80.
  3. Ph. Andr. Nemnich, Allgemeines Polyglotten Lexi-
    con der Naturgeschichte.
    Hamb. 1793. IV. B. 4°.

TIJDSCHRIFTEN.

Journal de Physique, te Parijs zedert 1773. uitgegeven. Magazin für das Neueste aus der Physik und Naturge-
schichte, herausgegeben von
l. c. lichtenberg
und j. h. voigt, Gotha 1781. bis 1791. XI. B. 80.
en thans j. h. voigt's Magazin für den neuesten
zustand der Naturkunde, Jena
zedert 1797. 80.
Voor onze Landgenooten kunnen ter naleezing en
verdere beöeffening dienen de volgende werken
in 't nederduitsch uitgegeven.
Ed. sandifort Natuur- en Geneesk. Bibliotheek,
's Hage 1775. x Deelen 80.
Uitgezogte verhandelingen, Amst. 1757.
x Deel. 80. met Afbeeld
Uitgeleeze natuurkundige verhande-
lingen
, Amst. 1764. 3 deelen 80. met afbeeld.
Natuurkundige verhandelingen, Amst.
bij A van der Kroe
1772-1775. 5 deelen 80. met afbeeld.
Algemeen oeffenschool van Kunsten en Weten-
schappen,
1760-1790. 31 deel. 80. met afbeeld.

TWEEDE AFDEELING.
over de bewerktuigde lichamen
in het algemeen
.

[Seite 14]

§. V. Elk bewerktuigd of geörganiseerd lichaam
(§. 2.) wordt door zijn's gelijken voordgeteeld;
dan door eigene kracht levenslang gevoed, en daar
door wordt zijn zelfsonderhouding, groei, en, wan-
neer het tot rijpheid koomt, ook zijn voortplan-
tings-vermogen
bewerkt.

§. VI. Tot deeze groote verrichtingen worden
de geörganiseerde lichamen door de bewerktuiging
van hun samenstel, en door de daar mede verbon-
dene Levenskrachten in staat gesteld. Door deeze
laatste toch verkrijgen de werktuigen van het lichaam
hunne vatbaarheid voor prikkelende indrukken (sti-
muli
), en hun vermogen tot beweging, zonder het
welke wij ons geen denkbeeld zelfs noch van voe-
ding
, noch van groei, noch van wederzijdsche me-
dewerking der deelen ter behoorlijke onderhouding
des geheels, en dat ook omgekeerd(*) zouden
vormen kunnen.

[Seite 15]

§. VII. Om het ontstaan der geörganiseerde lich-
aamen te verklaren, heeft men vooral nieuwlings
de zogenaamde ontwikkelings-onderstelling (Evolu-
tions Hypothese
) geschikt gevonden, en gemeend,
dat er noch mensch, noch eenig ander dier, noch
plant waarlijk wierd voortgeteeld, maar dat zij al-
len reeds zedert de eerste schepping als volkomen
voorafgevormde kiemen(†) voorlang in hunne
ouderen en voorouderen aanwezig waren. Dat de
verschillende geslachten, even als inééngevoegde
[Seite 16] doozen, in elkanderen als opgesloten liggen, en
slechts het een na het andere, elk op zijn beurt,
door de bevruchting zelve worde ontwikkeld en te
voorschijn gebracht. – Eene mening voorwaar,
die, indien zij ook al niet door het overwicht der
gronden eener juist het tegendeel bewijzende on-
dervinding wederlegt wierd, op zich zelve reeds
strijdig is tegen alle onpartijdig oordeel, zoo wel
wegens den daar toe benodigden omslag van boven-
natuurlijken (Hyperphysischen) toestel(*), als door
de tegen alle de wetten eener waarlijk wijsgeerige
natuur-onderzoeking inloopende en teffens nutteloo-
ze vermenigvuldiging der gewoone natuurlijke (Phy-
sische
)(†) krachten, gelijk ook wegens de ono-
verzienbaare menigte der alsdan noodzakelijke vruch-
telooze scheppingen van alle die tallooze voorafge-
vormde kiemen, die niet tot hunne ontwikkeling
hebben kunnen geraaken.

Aanm. Volgens het eenstemmig gevoelen der be-
roemdste en allerijverigste voorstanders der ontwikkelings-
onderstelling, moeten de voorafgevormde kiemen bij de
moeder als in voorraad gereed liggen, en geduurende de
bevruchting, door de kracht der bijkomende mannelijke
teelstoffe opgewekt, en ter ontwikkeling aangedreven wor-
den. Dus zou gevolglijk dat geen, hetwelk men out-
[Seite 17] fanging noemt, niet anders zijn dan het ontwaaken van
het sluimerend kiempjen, door de prikkeling van het daar
op werkend mannelijk zaad.

Derhalven heeft het kiempjen hier allereerst eene op.
wekkende kracht nodig.

Maar nu gelijken kinderen zoo dikwils sprekende al-
leen naar hunnen vader; – Teefhonden, die kort op
elkander met verschillende mannelijke honden gespeeld
hebben, werpen dikwils jongen, die naar deeze verschil-
lende vaders gelijken; – Tweeërlei menschen rassen,
zoo als b. v. Negers en Blanken, teelen met elkander
volstrekt niet anders dan een middenzoort, naatnlijk Mu-
latien; – en wenneer geheel ongelijke zoorten (ver-
schillende species) van dieren of ook van planten elkan-
der bevruchten, dan ontstaaa daaruit bastaarden, die
even zoo veel van de vaderlijke als van de moederlijke
gedaante hebben.

En daar dit waarlijk toch niet wel kan ontkend wor-
den, hebben de voorstanders der ontwikkelings-leer aan
het mannelijk zaad, behalven zijne opwekkende, nu
ook nog eene tweede, te weeten eene zoodanige vor-
mende kracht toegekend, door welke hetzelve in staat
zijn zoude, den bij de moeder vooraf gevormden en als
gereed geleegen kiem, ook wel eenigermaate naar de
vaderlijke gestalte te vervormen.

Diensvolgens zoude het mannelijk zaad tweeërlei ver-
mogen bezitten, naamlijk, voor eerst een opwekkend,
en boven dien ook een vormend vermogen.

Dan men kan, jaa door middel eener geduurend ver-
scheidene generatien steeds herhaalde kunstige bastaard-
teeling, eindelijk de eene zoort van beverktuigde licha-
men geheel en al in eene andere verkeeran. – Zoo heeft men
b. v. door de kunstige bevruchting van eene plant: zoort,
[Seite 18] middels het mannelijk stuifmeel eener andere soort, za-
den gekreegen, waar uit bevruchtbaare bastaard-plan-
ten
zijn voortgekomen; dat is zulke, die in den bloei-
tijd andermaal met mannelijk stuifmeel van de andere
plant-zoort zijn bevrucht geworden, en wederom be-
vruchtbaare bastaarden der tweede generatie voortge-
bracht hebben. De bastaarden der eerste generatie
hieldden als 't ware, het midden tusschen de beide ver-
schillende stam-ouders van vaders en moeders zijde,
terwijl die van de tweede daarentegen, reeds veel meer
naar den vader dan naar de moeder geleeken. En naa
dat deeze gelijktijdige kunstige bevruchting nog verder
door twee volgende generatien op dezelfde wijze was
herhaald geworden, ontstonden er eindelijk planten, bij
welke de oorspronglijke moederlijke gedaante, zoo te
zeggen, geheel verdweenen, en in die des vaders als
omgekeerd was. (Zie kölreuter's dritte Fortset-
zung der Nachricht von einigen das Geslecht der Pflan-
zen betreffenden Versuchen. s.
51. §. 14. met het opschrift
‘„Gänzlich vollbrachte Verwandlung einer natürlichen
Pflanzengattung in die andre.“)’

Hier derhalven heeft alle voorafgaande vorming der
moederlijke kiemen, zoo als die van de schepping der
waereld af aan zoude moeten zijn bewaard gebleven,
eindelijk niets afgedaan, maar voor de vormende kracht
der mannelijke stoffe moeten wijken, daar deeze eigen-
lijk, volgens de leer der ontwikkelings-onderstelling, al-
leenlijk door haare opwekkende kracht op de kiemen
had moeten werken.

§. VIII. En gevolgelijk blijft het over het ge-
heel genoomen, met ons natuurlijk gezond ver-
stand en zelfs met alle regelen eener wijsgeerige
[Seite 19] Natuur-onderzoeking(*), veel overeenkomstiger,
wanneer men het ontstaan der nieuw voortgebrach-
te werktuiglijke lichaamen alleenlijk verklaart, door
eene trapswijze toeneemende volvorming (Epige-
nesis
) der op zich zelf wel ongevormde, doch on-
der de daar toe vereischte omstandigheden, be-
werktuigbaare teelstoffe.

Alleenlijk koomt het bij de veelvuldige wijzen
van voorstellen, die men van zulk eene trapswijze
vorming maaken kan en gemaakt heeft(†), daar
op aan, dezelve zoodaanig te bepaalen, als het
met het denkbeeld van bewerktuigde lichamen
meest overeenkoomt, en vervolgens de minst ge-
dwonge verklaring geeft van de verschijnzelen die
men bij derzelver wording waarneemt.

[Seite 20]

§. IX. En dit nu geschiedt, wanneer men aan-
neemt, dat de rijpe, hoewel voorheen ongevorm-
de, doch bewerktuigbaare teelstoffe der ouderen,
wanneer dezelve ter haarer tijde, en onder de daar
toe vereischte omstandigheden, op de plaats van haare
bestemming gekoomen is, als dan eerst vatbaar wordt
voor eene daar in nu doelmaatig werken de levens-
kracht, naamlijk de vormdrift (nisus formativus);
voor eene drift, die zich van alle enkel werktuiglijk vor-
mende kracht (als welke ook in het onbewerktuigde
Rijk cristallisatien en dergelijken voortbrengt) daar
door onderscheidt, dat zij het vermogen bezit, om vol-
gens de eindeloos menigvuldig verschillende bestem-
ming der bewerkruigde lichamen en derzelver dee-
len, de op veelerlei wijzen bewerktuigbaare teel-
stoffe op even zoo veelvuldige doch doorgaans
naar het doel geschikte wijzen tot bepaalde ge-
daanten te vormen, en zoo, dat (door het verband
van het enkel werktuiglijke met het doelmatig wij-
zigbaare in deeze drift) eerst bij de ontfangenis de
allengs geschiedende volvorming; vervolgens ook
de onderhouding deezer werktuiglijke vorming, ge-
duurende het leeven door de voeding; en zelfs,
wanneer dezelve door toeval geleeden mogt heb-
[Seite 21] en, zoo veel mogelijk derzelver wederherstelling
door nieuwe voortbrenging (reproductio) geschie-
de(*).

Aanm. 1. Deeze trapswijze vorming der nieuw be-
werktuigde lichamen vertoont zich het duidelijkst bij
zulken, die met eene zeer aanzienlijke grootte, eenen
snellen, om zoo te spreeken, merkbaaren groei, en een
zo teder halfdoorzichtig samenstel paaren, dat men, vooral
in een genoegsaam licht en bij eene maatige ver-
grooting, klaar en duidelijk door dezelven heen kan
zien.

In het Rijk der Planten kan dit geschieden, in veeler-
hande soorten van het eenvoudig Water-mos, zoo als bij
voorb. in de Bron- of Fontein-Flabbe. (Conferva fonti-
nalis
) die zich in de eerste dagen der lente voortplant.
Onder de bloedelooze dieren in de Arm-Polijpen; en
onder de warmbloedigen in een bebroeid wordend eij,
bij de eerste verschijning van het bolletjen, en deszelfs
als dan van dag tot dag toeneemende volvorming.

Aanm. 2. Voor onze meeste Leezers, hopen wij, is
die herinnering onnoodig, dat het woord zelf van Vorm-
drift (Bildungstrieb), even als de benaamingen van alle
andere zoorten van leevenskrachten, op zich zelven
verder niets aanduidt, maar dat het alleen onderscheident
[Seite 22] beteekenen moet eene eigenaartige kracht, in welke
het werktuiglijke met het doelmatige wijzigbaare zich
vereenigt, van welke de bestendige werking door de
ondervinding erkend is, doch waar van de oorzaak even
zeer als de oorzaaken van alle andere, hoe algemeen
ook erkende Natuurkrachten voor ons op deeze waereld,
in de eigentlijke beteekenis van het woord, eene ver-
borgen hoedanigheid (qualitas occulta) blijft(*). Doch
dit belet echter niet, dat men niet zou trachten moeten,
haare werkingen door waarneemingen verder te onderzoe-
ken en optespeuren, en dezelve, zoo doende, tot
algemeene regelen te brengen.

§. X. Door deeze bestemde, doelmaatige werk-
saamheid der Vormdrift, in de bepaaldelijk daar
voor vatbaare, bewerktuigbaare stoffen, wordt nu
de even zoo bepaalde vorm en uiterlijke gedaante
(habitus) van alle enkele zoorten (species) van
bewerktuigde lichamen daargesteld; zoo als ook bij
dezulken, waar het plaats vindt, de verscheiden-
heid van Sexe, door welke, naamlijk in eene en
dezelfde zoort de mannelijke schepselen van de
vrouwelijke onderscheiden worden.

[Seite 23]

§. XI. Deeze Vormdrift echter kan ook even als
elke andere leevenskracht, wanneer dezelve in haare
werksaamheid gehinderd, of op eene haar oneigen
zijnde wijze gemodificeerd wordt in menigerlei manie-
ren van haaren eigentlijken gewoonen loop afwijken.

Zoo ontstaan dan (wij zwijgen van de loutere
ziekelijke afwijkingen, als niet tot het gebied der
Natuurlijke Historie behoorende)

1°. Door zeer hevige verstooringen derzelven, ge-
heel tegennatuurlijke gedaante der bewerktuigde licha-
men, dat is, er ontstaan naamlijk Misgeboorten; ten.

2°. Ontstaan daar door de tweeslachtigen of Her-
maphroditen,
wanneer naamlijk het tweeërlei ge-
slachts-kenteeken, het welk in de beiden geslach-
ten van elkander afzonderlijk moest plaats hebben,
meer of min in één en hetzelfde voorwerp te saam
verbonden is.

3°. Ontstaan daar door de Bastaarden, wanneer
naamlijk twee schepselen van geheel verschillende
zoort (d. i. van tweeërlei species) elkanderen be-
vruchten, terwijl eindelijk ten.

4°. Door den invloed van de menigerlei oorzaa-
ken der allengs geschiedende verbastering, de Ras-
sen
en Speelzoorten of verscheidenheden ontstaan.

§. XII. Door misgeboorte verstaat men,
volgens het gewoon spraak-gebruik, eene tegenna-
tuurlijke, aangeboorene en ligt in het oogvallende
mismaking in de vorming der uiterlijke, grootere
deelen. Hoe meenigvuldig evenwel deeze misvor-
mingen zijn kunnen, zoo laaten zij zich echter al-
len tot de volgende vier hoofd-verdeelingen bren-
gen, naamlijk;

[Seite 24]

1. Misgeboorten met eene tegennatuurlijke vor-
ming
van enkele deelen. (Fabrica aliena.)

2. Misgeboorten, met verplaatzing of tegennatuur-
lijke ligging van enkele deelen. (Situs mutatus.)
Deeze zijn de zeldzaamste van allen (naamlijk on-
der de Misgeboorten in den voorgemelden zin. Dik-
wils heeft men evenwel bij het openen der lijken
van welgemaakte menschen, verscheiden ingewan-
den geheel verkeerd geplaatst gevonden).

3. Misgeboorten, waar aan geheele leden ont-
breken (Monstra per defectum), onder welke de
leerrijkste gevonden worden. En eindelijk ten.

4. Misgeboorten, met overtollige leden, (Mon-
stra per excessum
.) Deeze zijn de allergemeenste
(zelfs niet zelden onder wilde dieren, gelijk b. v.
onder de Haazen) ten deele geheel erfelijk, zoo
als b. v. in de zesvingerige familien.

Aanm. De in het oog loopende overeenkoomst onder
zoo veele misvormigheden bewijst, dat ook zelfs deeze
afwijkingen der vormdrift nog zeekere wetten volgen
moeten; gelijk zich ook daarentegen met de leer der ont-
wikkelings-verdeedigers, als of naamlijk de kiemen dee-
zor misgeboorten insgelijks zints de eerste Schepping
reeds als misgeboorten vooratgevormd en in elkander
opgeslooten, aanwezig geweest zouden zijn, die beken-
de waarneming niet laat overeenbrengen, dat naamlijk
de huis-dieren, zeedert hunne temming, gelijk ook de
tuin of warmoes-planten, aan deeze afwijking der
vormdrift veel meer onderheevig zijn dan in hunnen
wilden toestand, zoo dat b. v. misgeboorten onder de
tamme zwijnen reer menigvuldig, onder de wilden daar-
eniegen geheel onbekend zijn.

[Seite 25]

§. XIII. Tweeslachtige of Hermaphroditen noemt
men, in eenen naauweren zin, alleen zoodanige en-
kele voorwerpen onder de bewerktuigde lichaamen,
bij welke op eene tegennatuurlijke wijze de spoo-
ren of blijken der tweeërlei eigentlijke geslachts-
werktuigen (Sexual-organe) meer of min vermengd
zijn, daar dezelve anders in de mannelijke en vrou-
welijke schepselen van een en dezelfde zoort, van
elkanderen behooren afgezonderd te weezen; zoo-
danige worden somtijds zelfs onder de warmbloedi-
ge dieren aangetroffen, vooral onder het Rund-
vee, de Schaapen en Geiten.

Daarënboven verdient ook die afwijking der
Vormdrift hier vermeld te worden, welke dan
plaats heeft, wanneer andere lichaamlijke werkin-
gen of kenmerken, die aan het eene geslacht eigen
zijn moeten, zich ook bij enkele voorwerpen van
het andere vertoonen. Zoo als b. v. wanneer de
wijfjens der Herten en Rheën hoornen hebben; of
wanneer de hennen van Faisanten en Paauwen,
bij toeneemende jaaren de vederen der Haanen
krijgen; of dat Manspersoonen en andere manne-
lijke zoogende dieren melk geeven enz.

Eindelijk vertoont zich ook zom wijlen in het ge-
heele gestel der lichaams-vorming eeniger enkele
voorwerpen van het eene geslacht, ofschoon de-
zelve ook nog zoo regelmatig en fraai gevormd
zijn, toch meer of min van de algemeene gestal-
ten-houding (Total habitus) der anderen, zoo als
b. v. vrouwelijke weekheid in het geheele gestel en
de gedaante van den man.

§. XIV. Wanneer een vrouwelijk voorwerp van
[Seite 26] de eene zoort door een mannelijk eener andere
bevrncht geworden is, dan koomen daar uit Bastaar-
den
voort, welker gedaante uit die der beiderlei ou-
deren, als 't ware, te zamengesmolten is. Daar
nu van de bepaalde vorming der bewerktuigde licha-
men, inzonderheid der dieren, de behoorlijke en
voor den duurzamen loop der geheele Schepping,
zoo bij uitstek gewichtige voltooing haarer werk-
zaamheden afhangt; zoo is het eene wijze inrich-
ting in de Natuur, dat vooreerst, ten minsten on-
der de roodbloedige dieren, in hunnen vrijen
Natuur-staat
, onzes wetens, nimmer eene paaring
en waare vermenging tusschen tweeërlei zoorten
waargenomen is; en ten tweeden dat de Bastaarden
over het algemeen genomen, meestal onvruchtbaar,
en slechts zeer zelden in staat zijn, hun geslacht
verder voortteplanten. Hierom behoort het tot de
zeldzame uitzonderingen, wanneer Muil-ezels, of
Bastaarden van Hennip-vinken en Kanarie-voge-
len, somtijds vruchtbaar zijn. Bij de planten gelukt
het ligter door kunst-bevruchting van verschillende
soorten bastäard-planten te teelen, die vruchtbaar
zaad voortbrengen. (Zie hier boven bl. 18.) Ter-
wijl wij daarentegen hoopen, dat de verdichte ver-
tellingen van gewaande Bastäarden, uit de vermen-
ging van Rund-vee met Paarden of Ezels; van Ko-
nijnen met Hoenderen; of eindelijk zelfs van Men-
schen met Vee, thans geene verdere wederlegging
meer zullen behoeven.

§. XV. Rassen en speelzoorten of ver-
scheidenheden
(
varietates) zijn die afwij-
kingen van de oorspronglijke zoortelijke (specifi-
[Seite 27] ke
) gedaante der enkele zoorten van bewerktuigde
lichamen, welke zij door trapswijze verbastering
of ontaarting geleden hebben.

Ras betekend ook, in eenen meer bepaalden zin,
zoodanig een door ontaarting ontstaan character,
hetwelk door de voortteeling onvermijdelijk en
noodzaaklijk overërft, zoo als b. v. wanneer Blan-
ken met Negers Mulatten, of met Americaansche
Indiaanen Mestisen teelen: hetwelk daar en tegen
bij de Spee-zoorten of Verscheidenheden geen
noodzaaklijk gevolg is; gelijk b. v. wanneer iemand
die blond is en blaauwe oogen heeft, bij eene brui-
nette met bruine oogen, kinderen teelt(*).

Aanm. Wanneer zommige ontaartingen geduurende eeno
onoverzienlijk lange reeks van generatien zich hebben voort-
geplant, valt het dikwils moeielijk te bepaalen, of dit
slechts Rassen, dan wel oorspronglijk verschillende zoor-
ten (Species) zijn? Ten minsten zijn er als dan in de
practijk geene andere regelen voorhanden, om in derge-
lijke gevallen te kunnen beslissen, dan die, welke uit
de Analogie afgeleid worden; daar integendeel die rege-
len, welke ray, buffon en anderen aangenomen heb-
ben om het kenmerk der zoorten (Species) daar naar te
bepaalen, wanneer deeze voorwerpen naamlijk met el-
[Seite 28] kanderen eene vruchtbaare nakomelingschap verwekken,
tot dat einde niet dan zeer onvoldoende en wankelbaar
zijn.

Want behalven dat het gebruik van deezen regel buiten
dien geen plaats vinden kan bij die ontelbaare dieren en
planten, die zonder paaring voortteelen, (zie hier onder
§. 20.), zoo heeft dezelve ook in zeer veele andere ge-
vallen, wegens onoverkomelijke zwarigheden, geen
plaats, gelijk b. v. bij de beantwoording der vraag, of
de Asiatische en de Africaansche Elephant tot één en het
zelfde zoort (Species) behoore dan niet? En zelfs in die
gevallen die op ondervinding gegrond zijn, gelijk b. v.
bij de vermenging van Paarden en Ezels, is wederom de
vraag, moet daar in de gewoone, dan wel de ten uiter-
ste zeldzaame uitslag, tot regel aangenomen worden? Im-
mers zijn de Muil-Ezels gewoonlijk onvruchtbaar, en
maar zeer zeldzaam heeft men dezelve ter voortteeling
in staat bevonden. Wanneer men nu zulk eea ten ui-
terst zeldsaam geval, als een regel wilde aanneemen,
dan moest men ook het Paard en den Ezel voor dieren
van dezelfde zoort (Species) houden, alhoewel zij in
hunne geheele lichaams-gestalte, vooral inwendig, (en
dat wel naamlijk in het zoo merkbaar verschillend za-
menstel hunner stem werktuigen!) ten minsten even zoo
veel zoortelijk (specifisch) verschillen, als de Leeuw en
de Kat. Alle Analogie daarentegen pleit derhalven daar
voor, dat men ze als twee geheel onderscheidene soor-
ten aanmerke; en 't is juist met deezen zelfden grond-
regel der Analogie overeenkomstig, dat ik de zoo even
genoemde beiderlei Elephanten voor geheel onderschei-
dene zoorten houde, doordien hun gebit een zoo besten-
dig in het oog loopend verschil aanduidt, dat men het
onmogelijk voor een enkel gevolg van ontaarting hou-
den kan.

[Seite 29]

§. XVI. Tot de veelerlei oorzaaken der ontaar-
ting, behooren vooral de invloed van Luchtstreek,
van Voedsel, en bij Menschen en Dieren ook die
van hunne Levenswijze enz.

Zoo onderdrukt b. v. eene koude luchtstreek den
groei der bewerktuigde lichamen, en 't is hier om
dat de Groenlanders, Laplanders, enz even als de
Dieren en Gewassen van koude waereld-streeken,
klein en kort inëengedrongen zjn. Zoo brengt ook
deeze luchtstreek Dieren en Gewassen voort, die
wit van koleur zijn, en van daar dat de Noordlan-
ders van natuure blank zijn van huid enz. gelijk ook
veele warmbloedige Dieren der koudste Gewesten,
tegen den gewoonen aart witte hairen en veede-
ren hebben; jaa zelfs veele Planten aldaar, bij ge-
lijke afwijking, witte bloemen dragen enz. – Daar-
entegen dragen de Creolen (d. i. de in de Oost-
en West-Indiën van Europische Ouders geboorene
Blanken) het onfeilbaarst in het oog loopend en
meest wonder schoone bewijs van hun zuidelijk Va-
derland in zich.

Hoe veel doch eene verschillende levenswijze,
opkweeking en voeding, allengskens de gestalte,
koleur, ja het geheele samenstel der bewerktuigde
lichamen kunnen veranderen, daar van zien wij in
onze huis-dieren,(*) in onze graan-gewassen,
ooft, moeskruiden, bloemgewassen enz. doch boven
[Seite 30] al, het geen 't aanmerkelijkst is, in de verscheiden-
heden des menschelijken geslachts zelve, de oogen-
schijnelijkste voorbeelden.

Alle deeze menigerlei oorzaken der ontäarting
kunnen echter, naar het verschil der omstandighe-
den, of te samen werken, en alzo de ontäar-
ting des te spoediger en te aanmerkelijker te weeg
brengen; of wel daarentegen dezelve ook eeniger
mate tegen gaan, of voorkomen; waarom men in dit
onderzoek, bij de toepassing op enkele gevallen,
nooit te voorbarig oordeelen mag.

Aanm. I. Zo zijn 'er, b. v. zelfs onder den evenaar
koude landstreeken, gelijk de binnen-landen van het ei-
land Sumatra enz. Daarentegen brengt Siberiên zeer
veele gewassen der warmere lachtstreeken voort, die in
het veel meer zuidelijke Europa niet voortkomen.

Aanm. II. Zonderling is de eigenäartige werking, die
fommige luchtstreeken op de bewerktuigde lichamen, in-
zonderheid op die van het dieren-rijk uitoeffenen; zo
dat b. v. in Syrien de Katten, Konijnen, Geiten, enz.
zulk treffend lang en wit hair hebben; dat in Corsica
de Paarden, Honden, enz. zoo uitsteekend gevlakt zijn;
en dat in Guinee, de Menschen, Honden en Hoenderen
tot Negers, elk van zijne soort, ontäarten; enz.

§. XVII. De voeding der geörganiseerde licha-
men geschiedt op verschillende wijzen. De planten
verkrijgen den toevoer van hun eenvoudig voedsel
door wortelen, die van buiten hunnen stam,
aan het ééne einde van denzelven gevonden worden.
De dieren integendeel hebben, gelijk boerhave
zich uitdrukte, als 't ware, hunne wortelen binnen
[Seite 31] in hun lichaam; te weten, in de maag en de darm-
buis, alwaar het voedend gedeelte der spijzen, door
ontelbaare vaatjens, bijna als bij de planten door
de wortels, opgeslurpd en aan de deelen des li-
chaams toegevoegd wordt.

Het wezenlijkst gedeelte van het voedsel wordt
door eene bewonderenswaardige bewerking gelijk-
vormig gemaakt aan de stoffe der bewerktuigde, of
geörganiseerde lichamen; terwijl het overtollige uit-
gewaassemd, en bij de dieren, die ter hunner voe-
ding geene zoo eenvoudig voedings-vocht als de
planten, tot zich neemen, ook door andere wegen,
als eene onnutte stoffe, uitgeworpen wordt.

§. XVIII. De groei der bewerktuigde lichamen
is een gevolg van derzelver voeding. De meesten
bereiken reeds vroeg de grootte, door de natuur
voor hun bestemd. Van veelerhande boomen ech-
ter, gelijk b. v. van de zoogenaamde Arek-Palm-
boomen (Areca oleracea), van den Baobab (Adan-
sonia digitata
) enz. gelijk ook van eenige andere
gewassen, zoo als b. v. van den Rotang (Cala-
mus rotang
) en even zoo ook van sommige dieren,
gelijk b. v. van veele zoorten van Lind-wormen,
en zelfs van Crocodillen en groote Waterslangen,
valt het moeilijk te bepalen, of en zoo jaa, wan-
neer zij in hun leven ophouden, in lengte of dikte
toeteneemen.

§. XIX. Tot den wasdom der bewerktuigde
lichamen, behoort ook derzelver herstelling-
vermogen
, dat is, die merkwaardige eigenschap,
waar door zij verminkte, of geheel verlorene dee-
len hunner lichaamen, van zelven weder voortbren-
[Seite 32] gen. Dit vermogen behoort tot de wijste inrichtin-
gen in de natuur, en beveiligt de dieren, zoo wel
als de gewassen, onder duizende gevaren, waarin
hun lichaam gekwetst wordt: het is derhalven ook,
benevens de voeding in het algemeen, één der groot-
ste voorrechten, waardoor de werktuigen, uit de
hand des Scheppers herkomstig, verre boven de
grootste kunst-werken der menschen, uitmunten;
aan deze laatsten toch kan, door hunne makers,
cat verwonderlijk vermogen niet worden medege-
deeld om hunne drijf-veeren en raderen van zelfs
weder te herstellen, wanneer ze verbogen, ver-
minkt of afgesleeten zijn: eene kracht, die de
Almacht daarentegen aan ieder dier en iedere plant,
alhoewel aan elk hunner in eene verschillende maa-
te, geschonken heeft. –

Veele bewerktuigde lichamen, verliezen op vaste
tijden en van zelfs, sommige deelen hunnes lichaams,
die naderhand weder bij hun hersteld worden. Hier
toe behoort b. v. het afwerpen der hoorns; het ruien
der vogelen; de vervelling der slangen en der rup-
fen; het verschalen der kreeften; het afvallen der
bladeren bij de gewassen enz. Men zoude dit de
gewoonlijke herstelling'skracht kun-
nen noemen.

De andere daarentegen, van welke hier eigen-
lijk gesproken wordt, is de buitengewoone,
waar door in de geörganiseerde lichamen, vooral
bij de dieren, wonden, been-breuken enz. ge-
heeld, of zelfs bij toeval verminkte en verloorene
deelen, weder hersteld worden. De mensch en de
het naast hem aanverwante dieren bezitten deeze her-
[Seite 33] steld worden. De mensch en de hem naast aanver-
wante dieren, bezitten zekerlijk deeze herstellings-
kracht slechts in eene zeer bepaalde maate: terwijl
dezelve daarentegen van eene uitnemende sterkte en
volkomenheid is bij veele koudbloedige dieren; bijzon-
derlijk bij de Water hagedissen, Kreeften, Aardslak-
ken, Regen-wormen, Zee-Anemonen, Zee-ster-
ren, Arm-polypen e. a. m. –

Aanm. Veele proeven omtrent dit zo ten uitersten
merkwaardig herstellings-vermogen veronderstellen, zullen
zij wel gelukken, eene in dit soort van arbeid zeer be-
dreeve hand en teffens veel omzigtigheid, misschien
ook begunistiging van bijkomende omstandigheden: Men
wagte zich daarom, wegens eenen, somtijds in het be-
gin, mislukten uitslag, te voorbaarig de geheele zaak
in twijfel te trekken. Mij zelven is het, na verschei-
dene vruchtelooze proeven, eerst laat gelukt te mogen
zien, dat het gantsche hoofd der genieene Bosch-slak
(Helix-pomatia) met haare vier hoorens, binnen om-
trend zes maanden, weder geheel op nieuw werdt
hervoortgebragt.

Ook heb ik eenige jaaren geleeden aan een Water-
hagedisse van de grootere soort (Lacerta lacustris), die
ik nu in wijn-geest bewaar, schier het gantsche oog
uitgenomen; door naamlijk alle vogten daar uit te laten
loopen, en daarna 4/5 gedeelte der ontleedigde oogvliezen
zuiver wegtesnijden. – En niet tegenstaande dit alles,
wierd 'er binnen den tijd van 10 maanden een vol-
komen nieuwe oog-appel, met een nieuw hoornvlies,
oogstar, crijstallijn vogt enz. weder voortgebragt; welk
nieuw oog zich daar door alloenlijk van het andere en ge-
zonde onderscheidt, dat het maar omtrent half zo groot
is. (Zie gotting. Gel. Anz. 1785. 47. St.)

[Seite 34]

§. XX. Zo dra de geörganiseerde lichamen door
voeding en wasdom tot hunne volkomene rijpheid
komen, dan verkrijgen zij ook het voorttee-
lings-vermogen
(§. 5.), het welk echter op
gantsch verschillende wijzen uitgeoefend wordt. In
het algemeen, naamlijk, is ieder geörganiseerd we-
zen, of reeds op zich zelven in staat tot voortplan-
ting van zijn geslacht; of wel 'er moeten zich twee
hunner met elkanderen paaren, of zich vermengen,
zullen zij nieuwe geörganiseerde lichamen van hunne
eigene soort voortteelen. De veelvuldige bijzondere
verscheidenheden in beide deeze voornaame wijzen
van voortplanting laaten zich echter zeer voegzaam
tot de vier volgende soorten, of hoofdverdeelin-
gen brengen, als:

I. Cl. Ieder schepzel op zich zelven vermeerdert
zich op de eenvondigste wijze zonder voorafgaan-
de bevruchting: het zij door verdeeling, gelijk ver-
scheide Infusie diertjens, bij menging van vogten
en lichamen voortgebragt, (animalia infusoria),(*)
als mede de Bloem-polypen,(†) of, zoo als in de
Fontein-flaboe, in dier voege, dat het oud draad-
vormig gewas aan het ééne einde uitdije tot een
dik knopjen, het welk naderhand afvalt en weder
tot zulk eenen nieuwen draad uitgedreven en ver-
[Seite 35] vormd wordt;(*) of eindelijk door scheuten of
uitspruitsels, gelijk de Arm-polypen en veele ge-
wassen, enz.

II. Cl. Ieder schepzel is op zich zelven ook wel in
staat zich zelven voortteplanten; maar bevat dan,
als een waar tweeslachtig weezen, de teeldeelen
van beide Kunnen in zijn lichaam; zal 'er in dat
geval zich een spruitjen vormen, dan moeten voor-
af, in de dieren, de vrouwelijke eijtjes met man-
nelijk zaad, en in de planten, de vrouwelijke
zaadjens met mannelijk stuiv-meel besproeid en
daar door bevrucht worden: zoo als dit bij de
meeste gewassen, en in het dieren-rijk, gelijk het
schijnt, bij veele Schulp-dieren, plaats heeft.

III. Cl. Eene derde voortteelings-wijze heeft
plaats, wanneer de beide gedachten, even als bij de
tweeslachtigen (Hermaphrodieten) der voorige clas-
se, wel in éénen hetzelfde voorwerp vereenigd zijn;
doch zo echter, dat geen derzelven het vermogen
bezit, om zich zelven te kunnen bevruchten; maar
dat 'er altoos twee van hun zich met elkanderen
paaren, en beurtelings ook elkander bevruchten en
van elkander bevrucht worden moeten. Deeze zon-
derlinge inrichting vindt men echter slechts bij wei-
nige dieren; bij de Regen-wormen, bij sommige
Aardslakken, enz.(†).

[Seite 36]

IV. Cl. Deeze classe bevat eindelijk die bewerk-
tuigde lichamen, van welken ieder op zich zelven
een bijzonder geslacht heeft; en waarvan het een
de vrouwlijke deelen of eijtjes, het ander het man-
nelijk vruchtbaarmaakend vocht in zich heeft. Zo-
daanige zijn alle rood-bloedige en veele andere die-
ren, gelijk ook veele gewassen, zoo als bij voor-
beeld, de Willigen, de Hop, de meeste der Mos-
planten,
enz.

Eenige dieren deezer classe geeven van zich de eië-
ren zelve af, in welken zich het jong eerst naderhand
volkomen vormt. Deeze zijn de zogenaamde eijër-
leggende dieren (ovipara). Bij anderen integendeel
wordt het eij, zo lang in de baarmoeder terug ge-
houden, tot dat het jong, volkomen gevormd en
van zijne vliezen bevrijd, ter wereld komen kan;
waarom zij ook leevend baarende, (vivipara) ge-
noemd worden.

Aanm. Hoe gering intusschen het onderscheid zij tus-
schen het eiërleggen en het leevend-baaren, bewijzen
de voorbeelden der Plant-luizen en Veder- of Pluim-
polypen, die zich, dan op de ééne, dan weder op eene
andere wijze, voortplanten, zo als ook veele Slangen,
die wel eiëren leggen, doch alleen zulken, welke het
geheel gevormde dier in zich bevatten. Met deeze laat-
sten zoude men eenigermaate die plant-gewassen kunnen
vergelijken, in welker rijpe zaad-korrels een groen
plant-kiemtjen reeds ligt opgesloten; gelijk zulks, bij
voorbeeld, in de zoogenaamde Ægyptische boontjes van
de Nymphaa nelumbo wordt waargenomen.

§. XX. Na dat de bewerktuigde lichamen de
bestemming van hunnen levensloop voleindigd heb-
[Seite 37] ben, zo verlaat hun eindelijk alle levens kracht, en
zij sterven. De minsten echter bereiken het
doel, het geen de natuur hun voor den loop hun-
nes levens had afgepaald, maar duizenderlei toe-
valligheden snijden hun deezen weg af, meestal lang
voor dien bestemden tijd. Zoo rekent men b. v.
dat van 1000 menschen die gebooren worden, er
slechts ongeveer 78 door ouderdom sterven; en
van de groote, schrikbaare waterdieren, gelijk de
Crocodillen, Water-slangen en anderen, bereikt
misschien niet het duizendste gedeelte dien ouder-
dom en grootte, waarvoor zij vatbaar zijn. Na
den dood der dieren en planten worden hunne
lichamen door de scheikundige verandering hunner
grondstoffe allengskens ontbonden, hun werktuig-
lijk samenstel derhalven verstoord, en hunne asch
eindelijk ook vermengd met de overige aarde, die
hun voorhéén voedzel en verblijf gegeven had.

xxx

DERDE AFDEELING.
over de dieren in het algemeen.

[Seite 38]

§. XXII. Hoe oneindig verscheiden ook de ge-
daante en het samenstel der dieren zijn moge, schij-
nen zij echter, met uitzondering op zijn best geno-
men van eenige weinige zoogenaamde infusie-dier-
tjens enz. allen eenen mond (§. 3.) te hebben,
door middel van welken zij het lichaam het nodige
voedsel toevoeren; en in plaats dat de planten hun
zeer eenvoudig voedings-sap uit lucht, water en
aarde inzuigen, zoo is in tegendeel het voedzel der
dieren ten uitersten verscheiden, als wordende ge-
noegsaam zonder uitzondering uit de bewerktuigde
rijken zelve ontleend; ook moeten zij, door een pijn-
lijk gevoel des hongers gedreeven, hetzelve door
middel eener vrijwillige beweging tot zich neemen,
ten einde daar door hun zelfs-onderhoud te be-
werken.

§. XXIII. Bij de gewoonlijk zogenaamde vol-
koomenere dieren
, wordt het aldus afgeschei-
den voedings-sap, vooraf met het bloed, dat in zijne
aderen rondloopt, vermengd, en van daar eerst in
de overige bestanddeelen des lichaams nedergezet.
Dit eigenlijk zoo genaamde bloed is rood van ko-
leur; maar ten opzichte zijner warmte, bij de ver-
schillende classen deezer roodbloedige dieren,
van eene dubbelde verscheidenheid. Bij de eene
[Seite 39] (naamlijk bij de Amphibiën en Visschen) heeft het-
zelve meestal bijna de warmte der middenstoffe waar
in zij zich bevinden, waarom zij ook koudeloe-
dige
genaamd worden. Maar bij de anderen, die
deswegens warmbloedige dieren heeten (de zoo-
gende Dieren en de Vogelen), heeft het bloed, bij
den hoogsten trap van leeven, altijd een warmte van
orgeveer, meer of min 100 graden op Fahrenheit's
Thermometer. Het vogt daarentegen, hetwelk bij
de zoogenaamde witbloedige dieren (naamlijk
bij de Insecten en Wormen) de plaats van bloed
bekleed, is in het bijzonder, door de afweezigheid
der roode bolletjens, van het bovengemeld eigent-
lijk zoo genaamde bloed onderscheiden.

§. XXIV. Het bloed der dieren nu, het zij het
wit of rood, koud of warm zij, moet in den ge-
zonden staat des diers, steeds met versche deelen
eener tot het leeven noodzaaklijke stoffe (de zooge-
naamde zuurstof of het oxygène) uit de dampkrings-
lucht, of wel uit het water bezwangerd worden,
waar tegen het bloed gelijke hoeveelheid eener an-
dere stoffe (de koolstof of het carbone) wederom
uit het lichaam uitdrijft. Tot deeze merkwaardige
en levens lang voortduurende bewerking dient al-
lerbijzonderst de ademhaaling, welke bij de
roodbloedige dieren, of door longen, of, gelijk bij
de visschen door kieuwen, en bij de witbloedige
dieren door middel van menigerlei andere gelijk-
soortige werktuigen verricht wordt.

§. XXV. Alleen die dieren, welke met longen
voorzien zijn, kunnen ook stemmelijk geluid (vox)
van zich geeven. Maar de Mensch heeft boven de
[Seite 40] hem aangeboorene stem zelve ook nog het Spraak-
vermogen (loquela) verkreegen.

§. XXXVI. De werktuigen, door welken de
vrijwillige beweegingen onmiddelijk volbragt wor-
den, zijn de spieren, die bij de roodbloedige
dieren het eigenlijk zogenaamde vleesch uitmaken:
slechts bij eenige dieren van gantsch eenvoudig maak-
sel, zoo als de Polijpen, kunnen deeze beweegings-
werktuigen van de overige slijmachtige stoffe, waar
uit hun lichaam bestaar, niet onderscheiden worden.

§. XXVII. Boven dien echter, zijn er ook nog
eenige weinige Spieren, op welken de wil niets ver-
mag: zoo als b. v. het hart, hetwelk leevenslang
onophoudelijk (bij den mensch ongeveer 4500 maal
in ieder uur) en dat wel zonder, gelijk bij andere
spieren, vermoeid en eindelijk daar door pijnlijk te
worden, als de hoofd-drijf-veder van den omloop
des bloeds, in zijne kloppende beweging blijft
voortgaan.

§. XXVIII. Beide deeze zoorten van Spieren,
zoo wel die zich onvrijwillig, als die welken zich
vrijwillig bewegen, hebben tot dit hun beweegings-
vermoogen den invloed der Zenuwen nodig.

§. XXIX. Deeze Zenuwen neemen hunnen oor-
sprong uit de hersenen en uit het ruggen-
merg
, en het schijnt dat de grootte der beide laat-
sten in vergelijking tot de dikte der daar uit ont-
staande zenuwen in eene omgekeerdereden staat(*),
[Seite 41] met de ziel vermogens der dieren, zoo dat van alle
dieren, de mensch de grootste hersenen in verge-
lijking zijner zeer dunne zenuwen heeft; daar dom-
me dieren in tegendeel, gelijk b. v. onze inland-
sche Amphibiën, dikke zenuwen bij zeer kleine
hersenen hebben.

§. XXX. Behalven den invloed, dien de zenu-
wen op de beweging der spieren hebben, bestaat
haar tweede werk in het vermogen van ook aan
de ziel de uiterlijke indrukken op het dierlijk li-
chaam door de zinnen medecedeelen. Deeze ge-
steldheid der zin-werktuigen is evenwel bij de ver-
schillende classen van dieren zeer onderscheiden.
Zoo verkrijgen b. v. veele dieren baarblijkelijk aller-
hande zinlijke indrukken, zonder dat wij echter bij
hun die zins-werktuigen zelve ontdekken kunnen,
die bij anderen tot zulke gewaarwordingen vereischt
worden. De groote blaauwe Vlieg b. v. en veele
andere Insecten hebben reuk, alhoewel wij bij hun
geene neus ontdekken kunnen, en dergelijken meer.

Aanm. Zommige hebben het getal der vijf zinnen,
over het algemeen, willen verminderen; andere daar en
tegen verkozen het met nieuwe te vermeerderen. Va-
nini
, b. v. en veele naa hem hielden het gevoel bij
dé voldoening der geslacht-drift voor eenen zesden zin;
en julius caes. scaliger hield het gevoel der
kitteling onder de okselen voor eenen zevenden; ter-
wijl de Hr. spallanzani het gevoel, waar door de
Vledermuizen bij hun vladderen in het donkere zich
voor aanstooten hoeden, voor eenen achtsten zin houdt;
en de Heer darwin het gevoel van warmte en koude
als bijzondere zinnen aanmerkt.

[Seite 42]

§. XXXI. Door het aanhoudend gebruik wor-
den zenuwen en spieren vermoeid, en hebben van
tijd tot tijd rust nodig ter opgaring van nieuwe
krachten, welke hun door den slaap verschaft
worden. Den mensch en den meesten dieren, die
zich met gewassen voeden, is de nacht tot deeze
verkwikking toegeweezen; veele roofdieren echter,
tot welken vooral de meeste Visschen behooren,
gelijk ook veele Insecten en Wormen, houden zich
bij dag verborgen, en volvoeren hun werk des
nachts, waarom zij Nacht-dierea (animalia noc-
turna
) genaamd worden.

§. XXXII. Behalven deezen slaap van verkwik-
king, is ook nog aan de huishouding veeler dieren
die zeer voordeelige inrichting eigen, dat zij een
aanmerkelijk gedeelte des jaars, en wel juist des-
zelfs ruuwste maanden, geduurend welken 't hun
moeilijk vallen zoude, hun onderhoud te vinden(*),
in eenen diepen Winter-slaap doorbrengen. Bij het
aannaderen van dien tijd, naamlijk, verschuilen zij
zich in veilige, maar barre oorden; en vallen bij
het opkomen der koude in eene zoort van verkleu-
ming, uit welke zij niet dan door de verwarmende
straalen der lente-zonne weder opgewekt worden.
Deeze verkleuming is zoo groot, dat zelfs de warm-
bloedige dieren, geduurend deezen schijnbaaren dood-
[Seite 43] slaap, eene slechts onmerkbaare warmte overhou-
den, (zie hier boven bl. 7. en 8.); en dat de Poppen
van veele Insecten, die ter zelfder tijd hunne ge-
daante-verwisseling beginnen, in den winter dik-
werf zoo zeer doorvrooren zijn, dat zij, zonder
beschadiging van het leeven des daar in slaapende
diertjens, even als ijskegels, of als glas klinken,
wanneer men ze op den gron laat vallen.

Zoo verre wij weeten, houdt van de Vogelen
niet één éénige, maar daar tegen de meeste Amphi-
biën, zulk eenen winterslaap.

§. XXXIII. Van de ziels-vermogens heb-
ben de menschen er veelen met de meesten der ove-
rige dieren gemeen; gelijk b. v. het bevattings-
vermogen
, de opmerkzaamheid, en zoo
ook de beide zoogenoemde inwendige zinnen, het
geheugen naamlijk en de verbeeldings-
kragt
.

§. XXXIV. Van andere vermogens, den overi-
gen dieren bijna alleen eigen, vindt men bij de men-
schen slechts weinige blijken, naamlijk van de zoo-
genaamde natuur-driften of instincten.
Daarentegen is de mensch wederom in het uitslui-
tend bezit der reden.

§. XXXV. De natuur-drift of het in-
stinct
(*) is dat vermogen der dieren, waar
door zij uit eenen aangebooren, onvrijwilligen, in-
[Seite 44] nerlijken aandrang, buiten eenig onderricht, uit
vrije beweging, doelmaaatige en tot onderhoud van
hun en hun geslachts geschikte handelingen onder-
neemen.

Dat deeze gewichtige handelingen, waarlijk ge-
heel zonder overleg, alleen werktuiglijk geschie-
den, wordt door menigvuldige waarneemingen vol-
komen bewijsbaar, als b. v. door deeze, dat de
Hamsters ook aan het dood gevogelte het eerst de
vleugelen breeken, voor dat zij het verder aantas-
ten; dat ook jonge trekvogels, die men geheel een-
zaam binnen 's huis heeft opgekweekt, in den herfst
echter den inwendigen trek tot verhuizen blijkbaar
gevoelen, en, in weerwil der beste voeding en op-
passing, in hunne kooijen buitengewoon onrustig
worden.

§. XXXVI. Onder de menigerlei zoorten deezer
dierlijke driften, zijn inzonderheid de zoogenaamde
kunst-driften merkwaardig, waar door zich
naamlijk zoo veele warmbloedige Dieren en Insec-
ten zulke ongemeen kunstige wooningen, nesten,
weefsels enz. tot hun verblijf, tot veiligheid van
hunne jongen, tot het vangen van hunnen roof, en
tot veelerlei andere oogmerken weeten te vervaar-
digen, zonder eenig onderricht en zonder eenige
voorafgegaane oeffening(*), als welke toch bij zoo
veelen geheel geen plaats kan hebben, gelijk b. v.
[Seite 45] bij de Rupsen, die slechts eens, voor hun geheel
leeven, daar van gebruik kunnen maaken, en bij
welken gevolgelijk de eerste proef teffens volstrekt
het meester-stuk zijn moet.

§. XXXVII. Behalven de geslachts- of voorttee-
lings-drift toont de mensch weinig andere blijken
van natuur-drift of instinct. Aangeboorene kunst-
driften immers bezit hij in 't geheel niet; doch dit
schijnbaar gemis wordt hem vergoed door het ge-
bruik der reden. Het zij nu deeze Reden eene
uitsluitende en eigendommelijke bekwaamheid der
menschelijke ziele, of wel eene oneindig sterkere
trap der vatbaarheid zij, waar van in sommige die-
ren ook eenige zwakke blijken gevonden worden;
of ook eene eigene richting der gezamentlijke men-
schelijke ziels-vermogens enz., zoo is ten minsten
het voorgenoemde uitstekend voorrecht, het welk
de mensch door deszelfs bezit erlangt, ontegenzeg-
lijk zeker.

Immers, daar de gantsche bewoonbaare aarde voor
hem ten verblijve open staat, en bijna de geheele
bewerktuigde schepping hem tot voedsel geschonken
is, zoo verwekt gewis de groote verscheidenheid der
luchtstreeken
, die hij te bewoonen heeft, en het
voedsel, dat hem de plaats van zijn verblijf oplee-
vert, even zoo veele verschillende behoeftens,
welke hij, door geene eenvormige kunst-drift,
maar wel door het gebruik zijner zich naar de om-
standigheden gevoeglijk schikkende Reden op even
zoo veelerleie wijzen voldoen kan.

§. XXXVIII. Hoe oneindig verre toch de mensch
door dit uitsluitend voorrecht alleen, reeds boven
[Seite 46] alle andere dierlijke schepselen verheven is, bewijst
de onbeperkte heerschappij, waarmede hij over alle
driften, over de levenswijze, huishouding enz. ja
om in eens alles te zeggen, over de geheele na-
tuur
van deeze zijne medeschepselen naar welge-
vallen beschikken, de geduchtste dieren tam maa-
ken, derzelver heevigste driften beteugelen, en hen
tot de kunstigste oeffeningen africhten kan enz.

Aanm. Om zich over het geheel te overtuigen, hoe
verre de beschaafde mensch heer en meester van al het
geschapene op deeze aarde zij, behoeft men zich slechts
alle die veranderingen te herinneren, welke hij, zedert de
ontdekking der nieuwe wereld, met deeze en met de
oude beurtelings te weeg gebracht heeft! Welke gewas-
sen en dieren hij uit de laatste in de eerste heeft over-
geplant, zoo als b. v. de Rijst, de Koffij, Paarden,
Runderen enz., en wat hij wederkeerig van daar in zijn
wereld-deel, als tot inboorlingen gemaakt heeft, gelijk
b. v. Aard-appelen, Tabak, Kalkoenen enz.

§. XXXIX. Deeze heerschappij van den mensch
over de overige dierlijke schepping, als alleenlijk
op het voorrecht van het bezit des vernufts ge-
grond, vertoont zich ten klaarsten bij de zooge-
naamde huisdieren; onder welke men in eenen
meer bepaalden zin, die warmbloedige dieren verstaat,
welke de mensch ter vervulling van dringende behoef-
ten, en over het geheel genomen tot eenig aanmerke-
lijk nut voorbedagtelijk van hunne vrijheid beroofd en
aan zich onderworpen heeft. In eenen ruimeren zin,
kan men echter ook de Bijën en de Zij-Wormen,
gelijk ook de Cochenille-Insecten daar toe brengen.

[Seite 47]

Aanm. 1. Onder die huisdieren, in eenen bepaalden
zin genomen, is eene drievoudige verscheidenheid te be-
merken. Van veelen derzelve naamlijk, heeft de mensch
het gantsche zoort van hunnen vrijen natuurstaat be-
rooft, en aan zich onderworpen gemaakt, gelijk b. v.
het Paard. Van anderen, die hij ook wel aan huis heeft
gewend, is toch het oorspronglijk wilde stam-ras nog
wel overgebleven, zoo als dat van het Rund-vee, het
Zwijn, de Kat, het Rendier, de beide zoorten van Ka-
meelen der oude wereld, en het zoogenaamde werf- of
huis-gevogelte. De Elephanten eindelijk teelen in den
gevangen staat geheel niet voort, als moetende elk deezer
dieren, zal het ten dienste van den mensch verstrekken,
daartoe eerst uit de wildernissen gevangen, tam gemaakt
en afgericht worden.

Aanm. 2. De eigenlijk zoogenaamde huisdieren ver-
schillen, wel is waar, dikwils in koleur; en veele der daar
toe behoorende zoogende dieren onderasheiden zich ook
door eenen hangenden staart, en door slappe ooren; doch
geene dier beide verschijnselen, is een bestendig kente-
ken der dienstbaarheid, tot welken zij gebragt zijn.
(Ziet over deeze huisdieren onder anderen de Gotahischen
Hof-kalender
van het jaar 1796.)

§. XL. Het geheele dieren-rijk laat zich zeer
voegzaam, volgens het leerstelsel van linnaeus,
onder de volgende zes hoofdverdeelingen (Classes)
brengen:

I. Classe. Zoogende of mam-dieren (mam-
malia
): Dieren, naamlijk, met warm rood bloed,
die hunne jongen levend ter wereld brengen, en de-
zelve vervolgens, geduurend eenigen tijd, met melk
aan hunne borsten zoogen.

[Seite 48]

II. Cl. Vogelen (aves): dieren met warm,
rood bloed, maar die eiëren leggen, en met vede-
ren bedekt zijn.

III. Cl. Amphibien (amphibia): Dieren van
tweederlei leeven met koud, rood bloed, die door
longen adem haalen.

IV. Cl. Visschen (Pisces): Dieren met koud,
rood bloed, die door kieuwen en niet door longen,
adem haalen.

V. Cl. Insecten of gekorvene diertjens (In-
secta
): dieren met koud, wit bloed, die voel-
hoorns, of voel-sprieten (antennae) aan den kop,
en ingewrichte (hoornachtige) bewegings-werk-
tuigen hebben.

VI. Cl. Wormen (vermes): Dieren met koud,
wit bloed, die geen voelsprieten, maar meest voel-
draden
(tentacula) en zoo veel ik weet, nimmer in-
gewrichte bewegings-werktuigen hebben(*).

Hoofd-bronnen en andere hulpmiddelen voor de
Natuur-Geschiedenis der dieren in het
algemeen.

[Seite 49]
* * *
  1. Aristoteles. Histoire des Animaux d'Aristote,
    avec des notes & c., par M. Camus, Paris 1783.
    II vol. in 40.
  2. Conr. Gesneri icones quadrupedum viviparorum,
    item avium & animalium aquatilium; cum nomencla-
    turis singulorum in linguis diversis Europae. ed.
    2.
    Tig. 1560. fol.
  3. Aldrovandus.
  4. Joh. Johnstoni historia naturalis de animalibus,
    Francof.
    1649-1653 fol. (de nederduitsche vertaaling
    van dit werk is door
    M. Grausius te Amsterdam
    1660. in hetzelfde formaat uitgegeeven)
  5. Ook nog onder den tijtel H. Ruysch (Frid. fil.)
    Theatrum universale omnium animalium. Amst. 1718.
    II. vol. fol.
  6. Ray.
  7. Buffon.
  8. Linnaei Fauna Suecica, ed. 2., Holm. 1761. 80. doch
    vooral de voortreffelijke Fauna Suecica, die de Heer
    a. j. retzius te Leipzig. in 1800. begonnen heeft
    uittegeven.
  9. Th. Pennant's, British Zoology, Lond. 1768-77.
    IV. vol. 80. En deszelfs groot Prenten-werk, on-
    der gelijken tijtel te Londen, zedert 1773. in fol.
    uitgegeven.

VIERDE AFDEELING.
over de zoogende dieren.

[Seite 50]

§. XLI. De Zoogende Dieren hebben het warm,
rood bloed met de Vogelen gemeen: maar zij baa-
ren leevende jongen; en het hoofd-kenmerk, dat
hen van alle andere dieren onderscheidt, en waar
van ook de Latijnsche benaaming der gantsche classe,
der Mammalia naamlijk, ontleend is, zijn de bors-
ten of mammen (mammae), door welke de wijf-
jens haare jongen met melk voeden. Het getal en
de plaats der borsten is verschillend; meest is het-
zelve nog eenmaal zoo groot, als dat der jongen
die de moeder gewoonlijk ter wereld brengt; ter-
wijl dezelve of aan de borst, of aan den buik, of
wel tusschen de achterbeenen geplaatst zijn.

§. XLII. Het lichaam van de meeste (zoo niet
van alle(*)) zoogende dieren is met hairen
van zeer verschillende sterkte, lengte en verwe be-
dekt; welke ook bij eenigen als Wol gekroest,
of wel als borstels straf en overeind staande zijn,
of eindelijk zelfs, gelijk bij de Egels, enz. stijve
[Seite 51] steekels vormen. Bij verscheide dieren zijn de hai-
ren op zommige plaatsen des lichaams zeer lang,
gelijk de maanen en de baard. Bij eenigen,
gelijk bij de Paarden, Honden, enz. staan dezel-
ve aan bepaalde plaatsen in eene tegen elkander
gestelde richting naast den anderen, en maaken als
dan de zoogenaamde naaden (suturae) uit. Bij
veelen, gelijk b. v. bij de Zee-honden enz. veran-
dert zich de koleur door den ouderdom. Ook zijn
sommige door de koude (§. 16.) bij ons in het
strenge van den winter, doch in het Noorden jaar
in jaar uit, of graauw, gelijk het Eekhoorntjen;
of sneeuw-wit, gelijk de groote Weezel (Herme-
lijn)
enz. Indien daar en tegen deeze witte ko-
leur teffens met licht-schuuwe oogen en roode
oog-appels (pupilla) gepaard gaat, gelijk zulks bij
de zoogenaamde Kakkerlakken in het menschen-
geslacht, en onder verscheidene andere soorten
van warmbloedige dieren, plaats heeft, zoo is
zulks het gevolg eener in de daad ziekelijke zwakheid.

§. XLIII. De Verblijfplaats der zoogende Die-
ren is zeer verschillende. De meeste woonen op
den grond der aarde; veele, gelijk de Aapen, Eek-
hoorntjen's, enz. leeven bijna alleen op boomen;
eenige, gelijk b. v. de Mol als eigentlijke onder-
aardsche dieren (animalia subterranea), onder de
aarde; andere wederom dan op 't land dan in het
water, gelijk de Bevers en Zee-beeren; en einde-
lijk nog andere alleenlijk in het water, zoo als de
Walvisschen. – Naar gelang hier van, verschillen
ook hunne voeten, of zoortgelijke beweegings-
werktuigen. De meeste hebben vier voeten; de
[51*] mensch heeft er maar twee, doch hij heeft ook twee
handen; de Aapen daar en tegen hebben vier han-
den. Van die zoogende dieren, die zoo wel in het
water als op het land leeven, zijn de vingers en
teenen door een zwemhuid met den anderen ver-
bonden. Bij de Vleder-muizen zijn die der voor-
poten ongemeen lang en dun, en hebben tusschen
zich eene tedere uitgespanne huid, die hun tot heen
en weder vledderen dient. De voeten van veele
tot deeze classe behorende zee-dieren zijn tot
toeijen geschikt, en bij de Walvisschen komen zij
zelfs eeniger maate met de vinnen der visschen
overeen; zoo echter, dat alleen de achtervinnen
zonder beenderen zijn, en niet gelijk de Vischstaar-
ten, eene rechtstandige (verticale), maar eene
vlakke (horizontale) richting hebben. Eenige wei-
nige zoogende dieren hebben heele en ongespletene
klaauwen of hoeven (Hoef-klaauwen, Solidungula);
doch veele andere hebben gespletene of in twee ge-
deelde klaauwen (bisculca). De meeste gaan (in-
zonderheid met de achtervoeten) alleenlijk op de tee-
nen; eenige echter, gelijk de Mensch, en in zeker
opzicht ook de Aapen, Beeren, Elephanten en an-
dere meer, zetten den geheelen voet tot aan den
hiel op den grond.

§. XLIV. Wanneer men de meeste Mieren-ee-
ters, de Schub-dieren en eenige Walvisschen uit-
zondere, dan zijn de overige zoogende dieren met
tanden voorzien, welke in snijtanden(*)(in-
[Seite 52] cisores
s. primores), in Hond of hoek-tanden
(caninos s. laniarios), en in Maal-tanden of Kie-
zen (molares), verdeeld worden. Deeze laatste
zijn inzonderheid naar het verschillend voedsel dee-
zer dieren ook verschillend gevormd. Bij de vleesch-
eetende, naamlijk, is de kroon getakt en scherp;
bij de graseetende van boven breed en gevorkt; en
bij die, welke zich, gelijk de mensch, uit beide
de geörganiseerde rijken voeden, in het midden in-
gedrukt en aan de hoeken afgerond.

Eenige zoogende dieren, gelijk b. v. de Elephant
en de Narwal, hebben groote, lang uitsteekende
floot-tanden (dentes exserti); andere, gelijk b. v.
de Walrus, houw-tanden enz.

§. XLV. Alleenlijk onder de zoogende dieren,
en wel onder de graseetende, vindt men werkelijk
herkaauwende geslachten, bij welken naamlijk het
slechts ter loops afgebeeten en ingeslokte voeder
beetswijze, d. i. bij gedeeltens, wederom door den
slokdarm terug gevoerd, als dan eerst recht door-
kaauwd, en daar naa ten tweeden maale, doorge-
flikt wordt.

Ten dien einde hebben de herkaauwende dieren
eene eigene bijzondere inrichting van gebit; doordien
hunne maaltanden of kiezen als met zaagvormige
dwarsche voortjens uitgesneden, en derzelver kroonen
[52*] niet horizontaal liggen, maar schuins zijn gekarteld:
zo dat bij die der boven-kaak, de buitenzijde, en
bij de anderen, in de onderkaak, de naar de tong
gerichte binnenzijde, de hoogste zij. – Hier bij
hebben zij eene smalle onderkaak, welke eene zeer
vrije, zijdelingsche beweeging heeft; waardoor dan,
gelijk oogenschijnlijk te zien is, de werking dee-
zes zonderlingen bedrijfs van dezen kant tot stand
gebracht wordt.

Aanm. 1. Bij zodaanige herkaauwende dieren, die tef-
fens gespleete klaauwen hebben, de Herkaauwende (Pe-
cora)
naamlijk, koomt nog boven dien de vierdubbele
maag,
welker inwendig maaksel en werktuiglijk samen-
stel bijzonder merkwaardig is. Het eerst ingeslokte, doch
noch half raauwe voeder, koomt naamlijk in de gewel-
dig groote eerste maag, door ons in het Neerduitsch de
Pens;
in het Latijn rumen, magnus venter; in het Fransch
le double, l'herbier, la panse; en in het Hoogduitsch
der Pansen, Wanst, genaamd) als in een magazijn of
verzamelplaats, waar in hetzelve slechts een weinig ge-
weekt wordt: Van daar worden kleine gedeeltens van
dit voeder, het eene na het ander, door middel der
tweede maag, de Houwer of Muts, in het Latijn reticu-
lum;
in het Fransch Ie bonnet, le reseau; en in het
Hoogduitsch dit Haube, Mütze, das Garn geheeten, en
die slechts een aanhang der eerste is, opgenomen en door
den slokdarm wederom naar boven gedreven. Nu wordt
het herkaauwde en ten tweede maal doorgeslikte voeder
door een bijzondere buis of kanaal, zonder door de twee
eerste maagen weder door te gaan, onmiddelijk uit den
slokdarm in de derde maag, of zoogenaamde Boek-pens;
in het Latijn echinus, centipellio, omasus; in het Fransch
le feuillet, le pseautier; in het Hoogduitsch das Buch,
[Seite 53] der Psalter, der Blattermagen
) gebragt, van waar het
eindelijk tot de volkomene verteering, in de vierde maag,
de Leb of Agterpens, (in het Latijn abomasus; in het
Fransch la Caillette, in 't Hoogduitsch der Laab, die
Ruthe, der Fettmagen
) geraakt, welke laatste met de
maag der andere zoogende dieren het meest overeenkoomt.

Aanm. 2. De algemeene en op alle herkaauwende die-
ren toepasselijke hoofdnuttigheid der herkaauwing
schijnt mij nog geheel onbekend te zijn.

§. XLVI. Behalven de Klaauwen, de Tanden,
enz. zijn veele zoogende dieren ook met hoornen
als met wapenen voorzien. Bij eenige zoorten,
gelijk bij de Herten, de Rheën enz. hebben de wijf-
jens geene hoornen; bij anderen, zoo als bij het
Rendier en in het Geiten-geslacht, zijn de hoor-
nen kleiner dan die der mannetjens: het getal, de
gedaante, de plaatsing, en in 't bijzonder het sa-
menstel der hoornen is zeer verschillend. Bij het
Ossen-Geiten- en Gazellen-geslacht zijn dezelve
hol, en bedekken, als met eene scheede, een been-
achtig uitwas, of uitsteekzel van het voorhoofds-
been. De hoornen der beide zoorten van Rhino-
cerossen zijn digt en alleen met de huid op den
neus vast gegroeid. Bij het geslacht der Herten daar
en tegen zijn ze ook wel digt en vast, doch van
eene meer beenachtig samenstel, en teffens getakt;
zij heeten als dan het gewei, worden meestendeels
jaarlijks afgeworpen, en in derzelver plaats door
nieuwe weder vervangen.

§. XLVII. De opening van den aars wordt bij
de meeste zoogende dieren bedekt door den staart,
die een vervolg van het staart- of stuit-been (coccyx),
[53*] en van verschillend maaksel en gebruik is. Veelen
dieren dient dezelve b. v. om de steekende insec-
ten van zich af te weeren; aan verscheiden Meer-
katten en andere Americaansche en Nieuw-Hol-
landsche dieren tot eene hand, om zich daar mede
vast te houden of iets daar mede te konnen vatten,
van waar dan ook de naam van Grijp- of Rol-staart
(caudaprehensilis); den Spring-Haazen dient ze tot
springen (cauda saltatoria); aan den Kangourou
om bij het overeind staan tot evenwicht, ter verde-
diging enz. te dienen.

§. XLVIII. Voorts bemerkt men ook nog aan de
lichamen van eenige dieren deezer classe bijzondere
Zakken of Beursen, tot verschillend gebruik ge-
schikt. Zoo hebben veele Aapen, Baviaanen,
Meerkatten, gelijk ook de Hamster, de Veldmuis
en anderen, Wang-beursen, (in het Latijn Thesau-
ri,
in het Fransch Salles genaamd), om daar in hun-
nen voorraad te kunnen wegsleepen. Bij het wijf-
jen der Buidel-dieren zijn de tepels in eenen bij-
zonderen zak of beurs aan den buik geplaatst, waar
in zich de zuigende jongen verbergen kunnen.

§. XLIX. Veele zoogende dieren, zoo als b. v.
de meeste der groote gras-eetende, brengen ge-
woonlijk maar één jong te gelijk ter wereld, ande-
ren daar en tegen, gelijk b. v. de Roofdieren en
Zwijnen, werpen verdcheiden jongen t' eener dragt.

De Vrucht is met de moeder door de zooge-
naamde Nageboorte (secundinae) verbonden; deeze
is van gedaante zeer verschillende, daar zij b. v.
bij den mensch eenen grooten enkelen moederkoek
(placenta) vormt; doch daar en tegen, bij de her-
[Seite 54] kaauwende dieren met gespletene klaauwen (pecora)
in verscheidene zulke, zomtijds zeer talrijke, hier
en daar verstrooide kleine verbindings-werktuigen
(cotyledones en in het neerduitsch napjens genaamd)
verdeeld is, enz.

§. L. Het aanbelang der dieren over 't geheel ge-
nomen laat zich hoofdzaakelijk uit tweeërlei ge-
zichtspunt beschouwen; of naamlijk, in zoo verre,
als dezelve op de huishouding der natuur in het
groot, dat is, op den geheelen loop der Schepping
invloed hebben, of in zoo verre, als zij inzonder-
heid voor den mensch onmiddelijk nuttig worden.
In het eerste opzicht zijn, gelijk wij naderhand zien
zullen, de Insecten en Wormen verre de gewich-
tigste schepselen; en in het tweede, de Zoogende
Dieren. De verscheidenheid van haare gedaanten,
haare verwonderlijke leerzaamheid, haare sterkte,
enz. maaken dezelve voor den mensch op de me-
nigvuldigste wijze bruikbaar: uit geene andere classe
van dieren immers, heeft hij zich zulke trouwe,
dienstvaardige en arbeidsaame helpers kunnen ver-
schaffen; geene is hem tot zijn onmiddelijk gebruik,
tot zijn's zelfs-onderhoud, zoo onontbeerlijk als
deeze. – Geheele volken kunnen met eene enkele
soort van zoogende dieren genoegzaam alle hunne
dringendste behoeften vervullen; zoo als b. v. de
Groenlanders met den Zee-hond; de Laplanders,
Tungusen e. a. met het Rendier; en de Aleuten
met den Walvisch.

§. LI. De veelvuldige nuttigheid der zoogende die-
ren voor den mensch bepaalt zich voornaamlijk
tot het volgende: zoo dienen tot rijden, tot trek-
[54*] ken, tot den akkerbouw, tot last dragen, enz.
Paarden, Muilezels, Ezels, Ossen, Buffels, Ren-
dieren, Elephanten, Kameelen, Llacma's en Hon-
den; deeze laatste dienen ook tot jagen, bewaaken,
enz. Tot het vangen van Muizen en het verdelgen
van ander schadelijk gedierte, dienen Katten,
Egels, Mieren-eeters enz; tot spijs, het vleesch
van Runderen, van Schaapen, Geiten, Zwijnen,
van Herten, van Haazen, Konijnen, enz; ge-
lijk ook Spek, Vet, Bloed, Melk, Boter,
Kaas; voorts dienen tot kleeding, tot dekken, tot
Tenten enz. Pelterijen, Leder, Haair, Wol, enz.;
tot licht branden, Talk, Visch-traan, Walschot;
tot schrijven en boek binden enz, Perkament en Le-
der. Voor andere Kunst-werkers en voorts tot
allerlei gebruik, Borstels, Haair (vooral Paarden-
haair), de Hoornen van Herten en andere Dieren,
Klaauwen, Elephants en andere Tanden, ook Balei-
nen, Beenderen en Blaazen. Peesen en Beenderen die-
nen tot lijm; Darmen tot snaaren; Bloed tot verwe;
Mist voor de Landerijen, tot brand, tot Salmiak,
enz. Eindelijk verstrekken tot Artzenijen, de Bi-
fam, het Bevergeil, de Herts-Hoorn, de Melk,
e. a. m.

§. LII. Van den anderen kant zijn in de daad
verscheide dieren de er classe het menschelijk ge-
slacht middelijk of onmiddelijk schadelijk. Veele
verscheurende dieren, bijzonder die van het Katten-
geslacht, vallen menschen aan. Deeze, beneevens
ook nog veele anderen, zoo als b. v. de Wezels,
Marters, Bontzems, Veelvraaten, Otters, Walvis-
[Seite 55] schen, enz. verslinden eene meenigte van nuttige
dieren; – of doen veel schade aan de gewassen,
boomen, tuin-vruchten, het graan, enz. gelijk de
Veldmuizen, de Hamsters, de Lemmingen, Har-
ten, Haazen, Bevers, Aapen, Elephanten, Rhi-
nocerossen, Nijl-paarden, enz. of zij aazen op
andere eetwaaren, gelijk de Rotten, Muizen, Vle-
dermuizen, Mormeldieren enz. Vergift schijnt niet
een eenig dier deezer classe bij zich te hebben,
behalven in geval van dolheid en watervrees, voor
welke ziekten voornaamlijk die uit het Honden-
geslacht bloot staan.

§. LIII. Er bestaan verscheidene kunstige, dat
wil zeggen, zulke Leerstelsels (Systemata artifi-
cialia
), waar van alleen de grond der rangschik-
king op enkele kenmerken berust; volgens welke
verdienstelijke natuur-onderzoekers de Zoogende
Dieren getracht hebben te rangschikken. Zoo is
b. v. de verdeeling van aristoteles op de ver-
scheidenheid der teenen en klaauwen gegrond;
welke door ray en anderen naderhand gevolgd
en verder bearbeid is. Doch hier door moeten de
naauwst met elkander verwante, en, over het ge-
heel, elkander gelijk zijnde soorten van Mieren-
eeters, Luiaards enz. van een gescheiden, en in
geheel verschillende orden verplaatst worden; al-
leenlijk daarom, wijl de eene meer, de andere min-
der teenea heeft. Linnaeus heeft de tanden
tot den grond zijner rangschikking gekoozen; een
weg, langs welken men echter niet minder, nu
eens op de onnatuurlijkste afscheidingen, dan we-
[55*] der op de zonderlingste samenvoegingen vervalt(*).
Het Geslacht der Vledermuizen moest, naar des
Ridders ontwerp, wegens de verscheidenheid van
het gebit bij eenige zoorten, ten minsten in drie,
de beide Rhinocerossen in twee, en de verschillen-
de zoorten van het Zwijnen-Geslacht, al mede in
twee verschillende ordens afgedeeld worden, ter-
wijl daarentegen de Elephant met de Gordel- en de
Schub-dieren, in eene gemeenschappelijke orde te
zamen koomen, enz.

§. LIV. Ik heb daarom, met behoud van eeni-
ge Linneaansche Ordens, getracht, een over het
geheel meer natuurlijk samenstelsel, der Zoo-
gende Dieren te ontwerpen; waar bij ik niet op
enkele en van de overige afgezonderde, maar te
gelijk op alle uiterlijke kenteekenen, d. i. op
het geheele gestel (habitus) der dieren acht ge-
geven heb(†). Zoo zijn dieren, die elkan-
[Seite 56] der in negentien opzichten gelijk waren, en alleen
in een twintigste verschilden, evenwel in dezelfde
orde gebragt; evenveel, of dit twintigste verschil
in de tanden, klaauwen, of in eenig ander deel
plaats had. Op deeze wijze zijn dan de volgende
twaalf ordens deezer eerste classe ontstaan, naamlijk.

I. Orde. Bimanus. De Mensch, met twee
handen.

II. Quadrumana, (Pitheci). Dieren met
vier handen. Aapen, Baviaanen, Meerkatten en
Maki's, of Spook-dieren.

III. Bradypoda, (Traagloopers). Dieren
met lange haakachtige nagels, van welken het ge-
heele lichaams-gestel, in den eersten opslag, traag-
heid en langsaamheid verraadt, zoo als Luiaards,
Miereneeters.

IV. Sclerodermata, (Hardhuiden). Zoda-
nige zoogende dieren, die, in plaats van met eene
behaairde huid, op eene niet gewone wijze gedekt
zijn, als a) met schubben, gelijk de Schub-dieren;
b
) met schilden, gelijk de Gordel-dieren: c) met
steekels, gelijk de Egels en Steekel-varkens.

[56*]

V. Chiroptera, (Vleugel-handen). Die
zoogende dieren, wier voorvoeten als vleugelen ge-
vormd zijn (§. 43.), gelijk de Vledermuizen.

VI. Glires, (Knaag-dieren), zoo als bij
voorbeeld Muizen, Mollen, Haazen, Weezels en an-
dere aanverwante kleine, veelteenige, zoogende die-
ren.

VII. Ferae, (Roof- of verscheurende dieren).
Waar toe alleen de geslachten der Beeren, Honden
en Katten behooren.

VIII. Solidungula, (Heelhoevige). Paar-
den
enz.

IX. Bisulca, (Tweehoevige). Dieren met ge-
spleetene klaauwen.

X. Belluae, (Schrik- of geweldig groote en
dun behaairde dieren, met dikke voeten
), zoo als
de Tapir, Elephant, Rhinoceros, het Nijl-paard.

XI. Palmata, (Zwempootige). Zodaanige Am-
phibiën van deeze classe, die korte zwemvoeten
hebben; gelijk a) de Lacustria, of zulke die in de
moerassen leeven en alleen eene zwemhuid tusschen
de teenen hebben; b) Marina, die hun verblijf in
de zee houden, met aan een gegroeide vingers
(§. 43.), welke slechts door de nagels gekend
worden.

Alhier maaken de Zee-koeien (Manati) den
voeglijksten overgang tot de volgende orde:

XII. Cetacea (Walvisschen). Warmbloedige
dieren, die met de koudbloedige visschen bijna
niets, dan den onvoeglijken naam gemeen heb-
ben, en welker natuurlijk verband met de overige
[Seite 57] zoogende dieren ray reeds volkomen en te recht
heeft ingezien(*).

Aanmerking der Vertaalers.

Onder de veranderingen en bijvoegzelen, door dem
Heer blumenbach voor dit werk ontworpen, en ons
bij gelegenheid deezer Nederduitsche Uitgave goedgunstig
medegedeeld, is ons zeer belangrijk voorgekoomen het
ontwerp eener veranderde Ordens-Verdeeling der zoo-
gende dieren, welke de beroemde Schrijver ons meldde
‘„verkort en daar door getracht te hebben, met de Na-
„tuur ten minsten meer overeenkomstig en gevolglijk
„ook voor het geheugen meer bevatlijk te maaken.“’
Wij laten dezelve derhalven hier onder volgen, terwijl
echter de verdeeling der zoogende dieren in XII. Or-
den, door den Schrijver in vier agtereen volgende uit-
gaven van dit zijn zoo algemeen geschat Hand-
boek aangenoomen, in deeze onze Nederduitsche voor-
al daarom ook nog behouden en gevolgd is, deels
doordien men reeds te verre met dezelve gevorderd was,
om de geslachten der Zoogende Dieren volgens de nieuw
voorgestelde verandering behoorlijk te kunnen afdeelen,
deels en inzonderheid ook, dewijl wij niet geheel verze-
[57*] kerd waren of deeze nieuwe Ordens- en Geslachts-verdeeling
der Zoogende Dieren voortaan door den Hr. blumenbach
dadelijk zoude gevolgd en aangenoomen worden. Wij
meenden derhalven den Nederlandschen Beoeffenaaren der
Natuur-Geschiedenis de gelegenheid te moeten geeven,
om, als 't ware, door een gelijktijdig overzicht en nauw-
keurige vergelijking van de beide verdeelings-wijzen dee-
zer Natuurlijke Ordens tegen elkanderen, over de waarde
en voordeelen van ieder derzelve te kunnen oordeelen,
en vleien ons daarom hun geenen ondienst te zullen ge-
daan hebben met hun dezelve beide aantebieden, als
daar door aan een ieder de keuze laatende, welke van
die men naa eene bedaarde overweging voor zich zal
willen aanneemen.

Zie hier derhalven de door den Hr. blumenbach nieu-
we voorgestelde verdeeling zelve, die uit slechts X. Or-
dens bestaat, van welken ieder zijne onderhoorige geslach-
ten dan in dier voege bevatten zoude, als deeze bij ie-
dere Orde op de volgende wijze worden opgegeeven.

I. Orde. Bimanus. 1e. Geslacht. Homo.

II. Quadrumana. II. Simia. III. Papio.
IV. Cercopithecus. v. Lemur.

III. Bradypoda. (Traagloopers). Zulke zoo-
gende dieren naamlijk, wier geheele lichaams-bouw
bij het eerste aanzien zelss traagheid en langsaam-
heid verraat, deeze bevat: vi. Bradypus. vii. Myr-
mecophaga.
viii. Manis. ix. Tatu s. Dasypus linn.

IV. Chiroptera. x. Vespertilio.

V. Glires (Knaag-dieren). Die knagende
zoogende dieren naamlijk, die zich met uitzondering
van slechts zeer weinigen, (jaa in hunnen wilden
staat waarschijnlijk wel allen) met voortbrengzelen
uit het plantenrijk geneeren, vooral met de hardere
[Seite 58] daar van, welke zij beknagen of beknabbelen. Hier
toe behooren xi. Sciurus. xii. Glis. xiii. Mus. xiv.
Marmota. xv. Scavia. xvi. Lepus. xvii. Jaculus.
xviii. Castor. xix. Hystrix.

VI. Ferae. (Roof-dieren.) Verscheurende of
toch gewoonlijk vleescheetende, zoogende dieren, waar
van slechts weinige zoorten als zoodaanige zijn uitte-
zonderen. Hier toe behoren xx. Erinaceus. xxi. Sorex.
xxii. Talpa. xxiii. Didelphis. xxiv. Viverra. xxv. Mu-
stela
. xxvi. Lutra. xxvii. Phoca. xxviii. Ursus.
xxix. Canis. xxx. Felis.

VII. Solidungula. xxxi. Equus.

VIII. Pecora. (Herkaauwende dieren) met ge-
spleetene klaauwen. xxxii. Camelus. xxxiii. Capra.
xxxiv. Antilope. xxxv. Bos. xxxvi. Giraffa. xxxvii.
Cervus. xxxviii. Moschus.

IX. Belluae. (Schrik-dieren). Meest zeer
groote of als 't ware mismaakte borstel- of dunbe-
haairde zoogende dieren, zoo als de hier toe behoo-
rende volgende geslachten: xxxix. Sus. xl. Tapir.
xli. Elephas. xlii. Rhinoceros. xliii. Hippopota-
mus.
xliv. Trichechus.

De Zee-koeien (Manati) maaken hier den voeg-
lijksten overgang tot de volgende Orde:

X. Cetacea. (Walvisschen) xlv. Monodon.
xlvi. Balaena. xlvii. Physeter. xlviii. Delphinus.

* * *

Als voornaame Werken over de Natuur-geschie-
denis der zoogende dieren worden gehouden:

  1. Conr. Gesneri. Historiae Animalium, Lib. 1. de qua-
    drupedibus viviparis, Basil.
    1551. fol.
  2. Vl. Aldrovandi de quadrupedibus digitatis vivi-
    paris, Lib,
    III., Bonon. 1672. fol.
  3. ––––– de quadrupedibus solidipedibus,
    ibid. 1616 fol.
  4. ––––– de quadrupedibus bisulcis, ibid.
    1613. fol.
  5. ––––– de Cetis Lib. I. (te vinden aan
    het einde van zijn werk de Piscibus
    ,) ibid. eod. fol.
  6. Jo. Raji, Synopsis animalium quadrupedum, Lond.
    1613. 80.
  7. Buffon (zie hier boven bl. 12.)
  8. Th. Pennant's History of quadrupeds, Lond. 1781.
    II. vol. 40.
  9. ––––– Arctic Zoology, vol. I. ibid. 1784.
    40.
  10. J. Chr. Dan. Schrebers Säugthiere. (te Erlan-
    gen zedert
    1774. in 40. van tijd tot tijd, bij gedeel-
    ten uitgegeeven
    ).
  11. J. Chr. Pol. Erxleben Systema Mammalium, Lips.
    1777. 80.
  12. E. A. W. Zimmerman Specimen Zoologiae Geogra-
    phicae, Lugd. Bat.
    1777. 40.
  13. J. M. Bechsteins gemeinnützige N. G. Deutsch-
    lands. Leipz.
    1789 & f. 80.
  14. A general History of Quadrupeds. The figures engraved
    on wood by
    j. dewick. Newcastle upon Tyne
    1790. 80.
  15. C. A. Suckow Anfangsgründe der N. G. der Thiere.
    Leipzig.
    1797. 80.

I. Orde. BIMANUS.

[Seite 59]

I. Geslacht. HOMO. DE MENSCH.

Kentekenen, Recht over eind gaande, twee han-
den. De kin een weinig vooruit stekende. De tanden
gelijk aan elkander sluitende. De snijtanden der on-
derkaak recht over eind staande.

I. Zoort. H. Sapiens. De met reden begaafde
Mensch. Tot de uiterlijke kentekenen, door wel-
ken de mensch zelfs van de meest naar den mensch
gelijkende Aap-zoorten, gezwegen nog van de
overige dieren te onderscheiden is, behoort in het bij-
zonder zijne met het hoofd om hoog gerechte gang,
(als waar toe zijn geheele groei en bouw, inzon-
derheid ook zijne heupbeenderen, die de gedaante
van een bekken vormen; de evenredigheid zijner
beenen met de armen, en zijne breede voetzoolen
ingericht zijn), gelijk ook het vrij gebruik van twee
voikomen gevormde handen; zijne vooruitstekende kin,
on de rechte stand der snijtanden in de onderkaak.

Daarenboven heeft het vrouwelijke geslacht nog
twee, bijzonder eigene kenmerken, waar in het-
zelve van den man en van alle overige dieren af-
wijkt, naamlijk, een bij vaste tijdperken geregeld
verlies van bloed, geduurend eene bepaalde reeks
van leevens-jaaren; benevens ook een bijzonder
vlies aan de geslachts-werktuigen, waar van het ge-
[59*] mis of de schending voor een lichaamlijk kenteken
der geschondene maagdelijke reinheid te houden is.

Wat echter de zielsvermogens van den mensch
aanbelangt, zoo heeft hij, behalven de voortteeling-
drift,
weinig blijken van natuur-drift of instinct
(§. 34. enz.); doch kunstdriften (§. 36.) bezit
hij in 't geheel niet. Daarentegen is hij in het uit-
sluitend bezit van redelijk verstand (§. 37.), en van
de spraak (loquela), door hem zelf met behulp van
dat verstand uitgevonden. Dan deeze spraak moet
niet verward worden (§. 25.) met de bloot dierlijke
stem (vox), als welke ook aan de jongste en zelfs
aan stomgeboorene kinderen eigen is.

* * *

De Mensch op zich zelf is een weerloos en hulp-
behoevend schepsel. Geen ander dier toch blijft
zo lang als hij in den staat der kindsheid; geen be-
koomt zoo bijzonder laat zijn gebit; geen leert zo
laat op zijne voeten gaan; of bereikt zoo laat den
staat van huwbaarheid enz. jaa zelfs zijne grootste
voorrechten, de reden en de spraak, zijn slechts
zaaden, die zich niet van zelve, maar eerst door
vreemde hulp, door beschaving en opvoeding ont-
wikkelen kunnen. Van daar dan ook, bij deeze be-
hoeftigheid van hulp en bij het groot aantal van
dringende noodwendigheden, die algemeene natuur-
lijke bestemming van den mensch tot vereeniging in
maatschappije.
Niet geheel zoo algemeen daar en
tegen laat het zich zoo terstoud nog beslissen, of
in alle wereld-deelen de evenredigheid in het aan-
[Seite 60] tal der geboorene jongens en meisjens, gelijk ook
of de duurzaamheid omtrend den tijd, en het voort-
teelings-vermogen zelve, bij beide de geslachten,
zoo gelijk zij, dat de mensch overal, even als in
Europa, tot het huwlijks-leeven met ééne vrouw
(monogamie) bestemd zij.

Het verblijf en het voedsel van den mensch zijn
beiden onbepaald: Hij bewoont de gantsche be-
woonbaare aarde, en voedt zich bijna uit de geheele
bewerktuigde schepping. Terwijl hij, in evenre-
digheid zijner maatige lichaams-grootte, en in ver-
gelijking met andere zoogende dieren, eenen uit-
neemend boogen ouderdom bereikt.

* * *

In het menschelijk geslacht is maar eene enkele
zoort (species); en alle de ons bekende volken
van alle tijden en van alle luchtstreken, kunnen,
zonder ongerijmdheid, gehouden worden van een
gemeenen stam te zijn voortgekomen(*). Alle
volks-verscheidenheden, in gedaante en koleur des
menschelijken lichaams, zijn in geenen deele meer
verwonderlijk of onbegrijpelijker, dan die, waar bij
zoo veele andere zoorten van bewerktuigde lichaa-
men, voornaamlijk onder de huisdieren, genoegzaam
onder ons oog veraarten. Doch alle deeze verschei-
denheden vloeien door zoo veelerlei trapswijze af-
klimmingenen overgapgen zoo onmerkbaar te zaamen,
[60*] dat er daarom ook geene andere, dan zeer wille-
keurige grenzen tusschen dezelven te bepaalen zijn.
Evenwel heb ik gemeend, dat het gantsche men-
schen-geslacht nog het gevoeglijkst onder de vijf
volgende rassen te brengen is:

1. Het Caucasische Ras:
Abbildung Natur-Historischen Gegenständen tab. 3.

Dit is wit van koleur met roode wangen, en
heeft lang, zagt, bruin haair (dat evenwel bij den
eenen in het blonde, bij den anderen in het donker-
bruine overgaat); volgens de begrippen, welke men
in Europa van schoonheid maakt, heeft dit men-
schen-ras de schoonste en schilderachtigste form
van hoofd-schedel en aangezicht. Hier toe behoo-
ren de Europeaanen, uitgezondert de Lap-en Fin-
landers; voorts de westelijke Asianen, aan deeze
zijde van den Obi, van de Caspische Zee, en de
Ganges; benevens de Noordelijke Africanen; – ge-
volgelijk de bewooners der aan de oude Grieken en
Romeinen bekende wereld.

2. Het Mongoolsche Ras:
Abbild. N. H. Gegenst. tab. I.

Dit is meest ros van koleur, genoegsaam als die
van gekookte kweepeeren of gedroogde citroen-
schillen; met weinig stroef zwart haair; naauw
toegetrokken oog-leden; een plat aangezicht; zijd-
waards uitpuilende wang-beenderen. Dit Ras be-
vat de overige Asianen, uitgezonderd de Maleijers;
voorts de Finlandsche Volken in Europa, (de Lappen
[Seite 61] enz.), gelijk ook de Eskimaux in het Noordelijke
Amerika, van de straat van Bering af tot aan La-
brador.

3. Het Aethiopische Ras:
Abbild. N. H. Gegenst. tab. 5.

Dit is meer of minder zwart; met zwart gekroesd
haair; voorwaards uitsteekende kaaken, omgekrulde
lippen en een stompen neus. Hiertoe behooren do
overige Afrikannen, naamlijk de Negers, die zich
dan door de Fulahs in de Mooren enz. verliezen,
even gelijk alle andere verscheidenheden van het
menschen-geslacht met hunne nabuurige volken in
één loopen of als te samen vloeien.

4. Het Americaansche Ras:
Abbild. N. H. Gegenst. tab. 2.

De koleur van dit Ras is Run- of Kaneel-bruin,
(somtijds als yzer-roest of aangeslagen koper);
met sluik, stroef, zwart haair, en een breed doch
niet plat aangezicht, maar met sterke uitgedrukte-
gelaats-trekken. Het bevat de overige America-
nen,
behalven de Eskimaux.

5. Het Maleische Ras:
Abbild. N. H. Gegenst. tab. 4.

Bruin van koleur ( zomtijds tot in het ligt ma-
honij-, zomtijds tot in het donkerste kruidnagel-
en kastanje-bruine;) met digt op een gegroeid zwart-
lokkig haair; een breeden neus en grooten mond.
Hier toe behooren de Zuid-zee-Eilanders, of de
bewooners van het vijfde wereld-deel en die der
[61*] St. Maria's, der Philippijnsche, der Molukkische,
der Straat Sunda's eilanden enz. benevens de eigen-
lijke Maleiers.

Volgens alle Phijsiologische gronden, moet van
deeze vijf Hoofd-Rassen, het Caucasische als het
zoogenaamde Stam- of midden-ras aangemerkt
worden. De beide uitersten, waar in zij veraat
zijn, is ter eener zijde het Mongoolsche, ter andere
het Aethiopische. De twee andere Rassen maken
de overgangen; het Americaansche dien tusschen
het Caucasische en het Mongoolsche; en het Ma-
leijsche dien tusschen het gemelden midden-ras en
het Aethiopische.(*)

[Seite 62]

Alle die fabelachtige beuzelingen, waar mede de
menschenen de natuur-geschiedenis van hun eigen
geslacht bezoedeld hebben, hier op te haalen, zou-
de thans de moeite niet meer waardig zijn: uit eene
meenigte echter diene slechts dit weinige.

De gewaande Patagonische Reuzen b. v. zijn, van
Magellaan's tijden, tot op de onze, in de verhaalen
der Reizigers, van twaalf tot zes en een halven
voet ingekrompen, en blijven derhalven maar wei-
nig grooter dan ieder ander mensch van eene goe-
de lichaam's gestalte.

En dat de nog onlangs door commerson voor
een dwerg-volkjen opgegeeven Quimo's op Ma-
dagaskar, niets anders zijn dan eene soort van Cre-
tinen, d. i. kleine onnoozele menschen met dikke
hoofden en lange armen (dergelijken men in het
Salzburgsche, gelijk ook in Walliserland, doch
vooral in Piemont, bij meenigte vindt), wordt bij een
Pathologisch onderzoek meer dan enkel waarschijnlijk.

Even zoo zijn de Kakkerlakken, Blaffards, Albi-
no's
of witte Mooren(*) zelfs niet eens natuurspee-
[62*] lingen, veel minder nog eene bijzondere zoort,
maar insgelijks zieke voorwerpen, welker beschrij-
ving meer tot de ziektekunde (Pathologia) dan tot
de Natuurgeschiedenis behoort.

Linnaeus zijne Aard-man (Homo troglodytes)
is een onbegrijpelijk samenmengsel uit de historie der
zoo evengenoemde kwijnende en ziekelijke witte
Mooren, en van den Ourang-Outang; zijn homo
lar daar en tegen is een waare Aap.

De Kinderen, in bosschen of wildernissen onder de
dieren opgewassen, zijn voor niets anders, dan voor
beklaaglijke zedelijke monsters te houden, welke men
even zo min als andere, door ziekte of bij toeval
ongestelde menschen, als eene proef van het pronk-
stuk der schepping mag aanhaalen.

Volkeren met staarten, Hottentotsche vrouwen met
natuurlijke schort-lappen
, de voorgewende natuur-
lijke baardeloosheid der Americaanen(†), de Sirenen,
Centauren
en alle fabelen van gelijk allooi en stem-
pel, willen wij gaarne aan de goedhartige ligtgeloo-
vigheid der Schrijvers van vroegere tijden toegeeven.

II. Orde. QUADRUMANA (Pitheci.)
vierhandige Aap-geslachten.

[Seite 63]

Zoogende dieren, die, gelijk hunne levenswijs
en verblijf op de boomen zulks vordert, met vier
handen voorzien zijn. Zij bewoonden oorspronkelijk
misschien wel alleen die landstreeken die tusschen
de keer-kringen geleegen(*) zijn.

II. SIMIA. DE AAP.

Kent. Zijne gantsche houding gelijkt meer of min-
der, vooral de ooren en handen, naar die van den
mensch. Hij heeft
4. voor- of snij-tanden in beide
de kaaken; de hoek-tanden door eene kleine tus-
schenruimte afgezonderd en langer dan de overige.

De Aapen worden niet dan in de oude wereld
gevonden; zij gelijken wel meer naar den mensch
dan de volgende dier-geslachten(†), doch zij zijn
[63*] behalven de zo straks bij het menschen-geslacht op-
gegeven kenmerken en eigenschappen in hunne
gantsche vorming, inzonderheid ook door hunne
smalle heupen en platte lendenen, op het duide-
lijkst en zichtbaarst van den mensch onderscheiden.

a) Aapen zonder Staart.

1. Soort. S. Troglodytes. De Africaan-
sche Bosch-mensch, le Pongo, le Jocko, Barris,
Chimpansee,
der Africansche Waldmensch.

Kent. Zwart, een groote kop, vleessig, sterk ge-
spierd; groote ooren
(*).

Abbild. N. H. Gegenst. Tab. II. vergel. houttuyn
I. Deel. I. Stuk. bl. 330. en volg.

[Seite 64]

Dit dier, dat de binnenste deelen van Angola,
Congo enz. bewoont, en verder landwaards in ge-
vonden wordt, is, gelijk de zoo aanstonds volgen-
de eigenlijke genaamde Orang-Outang, ongeveer
zoo groot als een jongen van agt jaaren.

2. S. Satyrus. De Oostindische Bosch-mensch;
de eigenlijke Orang-Outang.

Kent. Bruinachtig; de ooren kleiner dan die der
voorige soort; de duim der agter-handen stomp en
zonder nagel.

A. Vosmaar, Beschrijv. van den Orang-Outang.
Amst.
1778. Tab. XV. en XVI. P. Camper, Na-
tuurk. Verhandeling over den Orang-Outang, Amst.

1782. Tab. I. en II. Schreber, Säugthiere,
Tab.
II. en Abbild. N. H. Gegenst. Tab. 12.

Hij woont, zo het schijnt, alleenlijk op Borneo;
zeer jong gevangen zijnde, kan men hem, even als
de Chimpansee en ook andere Aapen allerhande
kunsten leeren; welke kunsten echter van zijne na-
tuurlijke handelingen naauwkeurig moeten onderschei-
den worden.

Hij is, zoo als de beroemde Hoogleeraar cam-
per
door de ontleding van zulk een dier, aange-
toond heeft, noch vatbaar voor de menschelijke
spraak, noch geschikt tot het natuurlijk rechtopgaan.

3. Lar. (homo lar van linnaeus). De
langgearmde Aap, le Gibbon, der Golok.

[64*]

Kent. Zeer lange armen, die, wanneer het dier
zelfs ook overeind staat, tot aan zijne hielen reiken.

Buffon, Histoire Naturelle, Tom. XIV. Pl. II. &
III. schreber, Tab. III.

Hij woont in Malacca, Coromandel en de Mo-
lukken; heeft een rondachtig en taamlijk veel naar
dat van den mensch gelijkend aangezicht, en ver-
baazend lange armen. Hij is zwartachtig van koleur
en wordt omtrend vier voet hoog.

4. S. Sylvanus. De gemeene Turksche
Aap. le Pitheque; the Pigmy Ape; der gemeine
Türkische Affe.

Kent. De armen zijn korter dan het lijf; de
tillen kaal; de kop rondachtig.

Schreber, Tab. IV. Vergel. houtt. I. D. I. St.
bl.
356.

Deezen vindt men in het Noordelijk Africa, in
Oost-Indien enz. Hij is onder de ongestaarte Aa-
pen de gemeenste, teffens de langstleevende, en die
ook in Europa ligt voortteelt, en zich tot veeler-
lei kunsten africhten laat. Hij heeft veel gelijke-
nis met den S. Inuus of Spook-Aap, (S. Cyno-
cephalus
en door buffon le Magot genaamd),
als welke Aap met hem ook hetzelfde Vaderland
heeft. Een van beiden is ook op Gibraltar verwil-
derd, en heeft aldaar in het wilde voortgeteeld.

b.) Aapen met Staarten.
[Seite 65]

5. S. Rostrata. De Langneusige Aap. Ka-
hau, Bantagan
(le Nasique, la Guenon á long
nez).

Kent. De staart middelmaatig lang, hij heeft
eenen langen, uitgerekten neus en snuit.

Abbild. N. H. Gegenst. tab. 13.

Op de eilanden der Straat Sunda, 't is een Aap,
op wien de benaaming van Sima, dat platneuzig
betekent, niet toepasselijk is, daar hij zich door
eenen langen snuitvormigen neus zeer treffend van
de anderen onderscheidt.

6. S. Cynomolgus. De groote Aap van
Angola, de Macaquo, de (gemeenlijk zogenaamde)
Meerkat. Le Macaque. Die Meerkatze/der Macacco.

Kent. Een lange staart, die boogswijze gekromd
is; de bovenlip gelijkt naar die van den Haas.

Buffon, T. XIV. Pl. XX. Schreber, Tab. XII.
Vergel. Houtt. I. D. I. St. bl. 367.

Op Guinée, Angola enz. Zij zijn bijna olijf-
koleurig, en onder de gestaarte waare Aapen worden
deeze het meest naar Europa overgebracht.

[Seite 66]

III. PAPIO. DE BAVIAAN. Le Babouin.
The Baboon
. Der Pavian.

Kent. De kop is langwerpig uitgerekt, en wei-
nig naar dien van den mensch gelijkende; de neus
aan weerszijde uitpuilende; de billen zijn naakt
,
roodkleurig; de staart is kort; de tanden gelijk die
der Aapen.

De Bavianen bewoonen ook alleenlijk de oude
wereld. Hun kop gelijkt weinig naar dien van den
mensch, maar bij de meesten veeleer eenigszins naar
dien van het Varken, voornaamlijk wat den snuit
betreft; doorgaans zijn het ontembaare, en bij uit-
stek geile dieren.

1. P. Mormon. De Choras. The tufted Ape.

Kent. Een vermilioenachtige en ter zijden blaauw-
koleurige neus.

Schreber. Tab. VIII. A. & VIII. B.

Hij woont op Ceilon, enz. Wordt omtrend vijf
voeten hoog; en heeft wegens de hooggekoleur-
de afsteekende streepen op en aan beide zijden
der neus geleegen, een verwonderlijk voorko-
men.

2. P. Maimon. De Maimon. (S. Maimon
linn.) Le Mandrill. Der Mandril.

[Seite 67]

Kent. Het aangezicht is paarsachtig blaauw van
kleur, kaal en met diepe groeven gerimpeld.

Buffon, Tab. XIV. Pl. XVI & XVII. Schre-
ber
, Tab. VII.

Zij woonen in Guinée, aan de Kaap de G. H.
enz. alwaar, zij zo men zegt, des nachts, dikwils
met geheele benden de wijn-bergen en boomgaar-
den plunderen; zij zijn kleiner dan de voorgaande.

IV. CERCOPITHECUS. DE MEERKAT.

Kent. De ooren gelijken weinig naar die van
den mensch. De handen hebben (bij de meesten)
veel overeenkomst met die der Eek-hoorns. De tan-
den, gelijk die der Aapen.

Dit gantsche geslacht is alleen aan Zuid-Ameri-
ka eigen.

a.) Meerkatten met rol- of grijp-staar-
ten. (De Sapajous van
buffon.)

1. C. Paniscus. De slinger- of viervingerige
Meerkat. Le Coaita. The fourfingered Ape. Der
Coaita/ Beelzebub.

Kent. Het lijf is zwart, de voorpooten met vier
vingers, de duimen zo kort, dat dezelve naauwlijks
zichtbaar zijn.

Vosmaar, Beschrijv. Tab. V. Buffon, Tab. XV.
Pl. I, II & III. Schreber, Tab. XXVI. A.
& B. Vergel. Houtt. I. D. I. St. bl. 359.

Dit dier woont in Brasilien, Peru, Surinamen enz.
Men wil dat hij met zijnen langen staart vis-
schen vangen kan; wanneer zij troepswijze van ee-
[Seite 68] nen boom, aan de eene zijde van een smal water,
op eenen anderen aan de overzijde heen willen,
hangen zij zich somtijds aan elkanders staarten als
een keten, slingerende zo lange over het water
heen en weder, tot dat de onderste van hun, een
tak van den boom aan de overzijde bereikt en
zich daar aan vast gegreepen heeft; als dan, laat
de eerste los, en zo vliegt de gantsche keten
over.(*)

b.) Meerkatten zonder grijp-staarten.
(De Sagoins, van
buffon).

2. C. Jacchus. (Simia Jacchus, linn.) Het
Sagointje. L'Ouistiti. The Striated Ape. der Uistiti.

Kent. Witte hairige maanen, die aan de wan-
gen geplaatst zijn, de staart is vlokkig en met don-
ker bruine kringen geringd.

Buffon, Tom. XV. Pl. XIV. Schreber, Tab.
XXXIII. Vergel. Houtt. I. D. I. St. bl. 364.

De Sagoin woont in Brasilien. Hij is asch-graauw
bruin gemengeld van kleur, en zo klein, dat de
schaal van een Cocos-noot, hem bevatten kan.

V. LEMUR. HET SPOOK-DIER. DE
BASTAARD-AAP. (Le Maki, bij buffon.)
The Maucauco. Der Maki.

Kent. De neus spits; in de bovenkaak 4. voor-
of snij-tanden, in de onderste 6., welke laatste niet
alleen langer, dan de eerste, maar ook plat zijn

[Seite 69] en als tegen elkander liggen; de hoek-tanden staan
afgezonderd, en sluiten dicht, op één.

1. L. Tardigradus. De Traaglooper. Le
Loris. The tailless Maucauco. (Cucang.)
der Loris.

Kent. De Traaglooper zonder staart.

Seba, Thesaur. Tom. I. Tab. XXXV. fig. 1 & 2.
Buffon, Tom. XIII. Pl. XXXI. Schreber,
Tab. XXXVIII. Vergel. Houtt. I. D. I. St.
Pl
. VII. fig. 1. bl. 398.

Zijn woonplaats is Ceilon; hij heeft de grootte
en kleur van het Eekhoorntje, ranke dunne pooten
en even gelijk de volgende soort, aan de voorste
vingers, van de agter-pooten eenen spitsen krom-
men langen klaauw, doch aan alle de overige vin-
gers, platte nagels.

2. L. Mongoz. De Eekhoorn-Aap. Le Mon-
gous. The WoIly Maucoco.
der Mongos.

Kent. Het aangezicht is zwart; het lijf en de
staart grijs.

Buffon, Torn. XIII. Pl. XXVI. Schreber,
tab. XXXIX A. & B.

Dit dier woont, even als eenige daar meede ver-
want zijnde soorten, op Madagascar en de nabij-
gelegene Eilanden. Het heeft fraaije, oranje geele
oogen, zeer zacht hair, en een langen wolligen
staart, die het zittende om den hals slaat. De
agterpooten zijn veel langer dan de voorste. De
huid heeft gelijk die van veele Aapen, eenen bij-
zonderen reuk, bijna als die men aan de Mieren-
hoopen gewaar wordt.

III. Orde. BRADYPODA.
traagloopers.

[Seite 70]

Het maaksel der pooten, gelijk ook de gantsche
uiterlijke gedaante deezer dieren, verraadt hunnen
langzaamen gang. Doorgaans hebben zij aan de
voorvoeten weinig teenen, die evenwel, met groo-
te kromme nagels, tot het beklimmen der boo-
men, voorzien zijn; zij zijn dik behaird, en door
veele en breede ribben, bijna even goed van binnen
geharnast, als de Hard-huiden, (Sclerodermata)
door hunne hoornachtige schilden van buiten.

VI. BRADYPUS. DE LUIAARD. Le
Paresseux. The Sloth.
das Faulthier.

Kent. De kop is rondachtig; de dyen der voor-
pooten, zijn langer dan die der agterpooten. Geen

snijtanden, in beide de kaaken; de hoektanden, (zo
zij 'er gevonden worden) zijn stomp en staan al-
leen; de
kiezen langachtig rond.

1. B. Tridactylus. De drievingerige Lui-
äard. L'Ai. der Ai.

Kent. De pooten met drie vingers; de staart is kort.

Buffon, Tom. XIII. Pl. V. & VI. Schreber,
Tab. LXIV. Houtt. I. D. I. St. Pl. IX. fig. 1.
bl. 480.

[Seite 71]

Hij woont in Guiana en is een bij uitstek traag
zwaarmoedig dier, dat nimmer, meer dan eenen
poot gelijk opligt, waarna het zelve eenigen tijd
uitrust, onder het bestendig huilend geroep Ai!
waar van het den naam heeft. Met alle deeze traag-
heid is het evenwel listig genoeg om zijne vijan-
den, voornaamijk, de kleine Amerikaansche Tij-
gers, op allerleië wijzen te ontkomen en sterk
genoeg, om 'er zich in nood tegen te verdedigen;
daar bij, is het zeer taai van leeven en heeft wei-
nig behoefte. Het eet loof van de boomen en
drinkt in het geheel niet.

VII. MYRMECOPHAGA. DE MIEREN-
EETER. Le Fourmiller. The Ant-eater. der
Ameisenbär.

Kent. De snuit, meer of min langwerpig uitgerekt;
de tong heeft de gedaante van een worm: geen tanden.

1. M. Didactyla. De tweevingerige of klei-
ne Mieren-eeter. Le Fourmiller. The little Ant-
eater
. der kleine Tamandua.

Kent. Aan de voorpooten twee vingers, van wel-
ke die der buitenzijde den grootsten nagel heeft; vier
vingers aan de agterpooten; de staart geschikt tot
grijpen en vasthouden.

Buffon, Tom. X, Pl. XXX. Schreb. Tab. LXVI.
Seba, Tom. I. Tab. LXVI. Vergel. Houtt.
I. D. I. St. bl. 487.

Dit dier woont in Zuid-Amerika; is bijna zo
groot en van dezelfde kleur als het Eekhoorntje;
het boort met zijne tong, die vier duimen lang is,
[Seite 72] allengskens als eenen doorgang in de mieren-nes-
ten en daar deeze tong met een taaie slijm bedekt
is, gelijk in de overige soorten, zo blijven de
mieren daar aan kleeven, en het dier behoeft de
tong maar van tijd tot tijd in den mond te trek-
ken en de mieren door te slikken. Met zijne
groote, haakswijze gekromde klaauwen aan de voor-
pooten, wroet hij, de met eene harde aard-korst
bedekte mieren-nesten open. –

xxx

IV. Orde. SCLERODERMATA.
hardhuiden.

[Seite 73]

De zoogende dieren met steekels, schubben of
schilden, in plaats van een behairde huid bedekt,
worden in deeze vierde orde begreepen. Zij rol-
len zich wanneer zij aangevallen worden, als tot
een kogel of bal, en kunnen bij de paaring elkan-
der, niet gelijk de meeste overige dieren deezer
classe bespringen.

VIII. MANIS. HET SCHUBDIER.(*)

Kent. Geheel met hoornachtige schubben overdekt;
Een spilronde tong. Geen tanden.

[Seite 74]

De uiterlijke schubachtige bekleeding uitgezon-
derd, hebben de dieren van dit geslacht, in gedaan-
te, levenswijze enz. veel overeenkomst met de
mieren-eeters. Van veele oude natuurkenners wor-
den zij onder de Haagdisschen geteld.

1. M. Macroura (M. Tetradactyla linn.)
Het viervingerig Schubdier. Le Phatagin. The
Longtailed Manis.
der Phatagin.

Kent. De staart is tweemaal zo lang als het lijf.

Buffon, Tom. X Pl. XXXV. Schreber, Tab.
LXX.

Dit dier leeft op Formosa en in het nabijgelegen
Asiën; zijne grootte is gelijk, aan die van den zo
even vermelden Mieren-eeter; zijn geschubd lijf,
gelijkt veel naar een Pijnappel; de schubben zijn
van eene kastanje bruine kleur en ongemeen net
gestreept.

IX. TATU. (Dasypus linn.) HET GOR-
DEL-DIER, SCHILD-VARKEN, ARMADIL.
Le Tatou. The Armadillo. Armadill/ Panzerthier/
Gürtelthier.

Kent. De kop en het lijf zijn met beenachtige
schilden en gordels omgeven en als geharnast;
voor
en hoek-tanden ontbreeken.

1. D. Novemcinctus. Het Schild-varken
met negen gordels. Le Caschicame. The nine ban-
ded Armadillo.

Kent. Op den rug heeft het Schild of Harnas
[Seite 75] negen gordels; de voorpooten zijn vier, de agterpooten
vijf vingerig.

Buffon, Tom. X Pl. XXXVII. p. 215. Schre-
ber
, Tab. LXXIV. Vergel. houtt. I. D.
II. St. Pl. XVI. fig. 3. bl. 284.

Hunne woonplaats is Zuid-Amerika, alwaar het
geheele geslacht schijnt t' huis te behooren. Zij graa-
ven hoolen onder den grond, en kunnen ligt zeer
tam gemaakt worden.

X. ERINACEUS. DE EGEL. Le Herisson.
he Hedge-hog.
der Igel.(*)

Kent. Het lijf met scherpe pennen bedekt; 2.
voortanden, die van elkander af staan; de beide
hoek-tanden, in de boven en onder kaak schuins
voorwaards hellende.

1. E. Europæus. De Europische Egel. Le He-
risson. The Common Hedge-hog.
der gemeine Igel.

Kent. Rondachtige ooren; de neusgaten uitwendig
gekruld.

[Seite 76]

Buffon, Tom. VIII. Pl. VI–IX. Schreber,
Tab. CLXII. Houtt. I. D. II. St. Pl. XVII.
fig. 1. bl. 289. en volg.

Men vindt den Egel bijna overal in de oude
wereld. Hij voedt zich met rotten en muizen
ook met padden, insecten, (ja zelfs met spaansche
vliegen,) met vruchten, wortelen enz.

2. E. Malaccensis. De langoorige of Ma-
lakkasche Egel.

Kent. Hangende ooren.

Seba, Thes. Tom. I. Tab. LI. fig. 1. Houtt. I. D.
II. St. Pl. XIX. fig. 2. bl. 367.

Hij woont op Malakka en de eilanden der straat
Sunda; hij is, wegens de voormaals als een alge-
meen geneesmiddel beroemde, en zo duur betaalde
Piedra del Porco, die somtijds in zijne gal-blaas
groeit, merkwaardig.

XI. HYSTRIX. STEEKEL-VARKEN.

Kent. Het lijf met steekels bezet; de 2 voortanden
boven en onder, schuins uitgesneden; geen hoek-
tanden.

1. H. Cristata. Het gekuifd Steekel-Varken.
Le Porc-epic. The Porcupine. das Stachelschwein.

Kent. De kop gekuifd; de staart kort.

Buffon, Tom. XII. Pl. LI & LII. Screber,
Tab. CLXVII. Jonston, Quadr. Tab. LXVIII.
Vergel. Houtt. I. D. I St. bl. 354.

Dit dier bewoont het warmste gedeelte van A-
[Seite 77] siën, en bijna van gantsch Afrika; het leeft van
boom-basten en vruchten, en onthoudt zich in
een vrij diep hol onder de aarde. Getergd zijnde,
klatert het met zijne steekels, welke somtijds,
voornaamlijk in den herfst, uitvallen, doch schiet
dezelve evenwel niet van zich op zijne vervolgers
af, gelijk men daar van gebeuzeld heeft.(*)

xxx

V. Orde. CHIROPTERA.
vleugel-handen.

[Seite 78]

De vingeren der voorpooten, de duimen alleen
uitgezonderd, zijn langer dan het geheele lijf deezer
dieren; tusschen dezelve is eene na floers gelijken-
de huid gespannen, die hun in plaats van vleuge-
len dient (§. 43.). Zij kunnen daarom even zo
min als de Aapen, Luiaards enz. gemaklijk op den
grond gaan.

XII. VESPERTILIO. DE VLEDERMUIS.
Le Chauve Souris. The Bat. Fledermaus.

Kent. De duim der voorste en de vingers der ag-
terste pooten kort, de overige vingeren der voor-poo-
ten zijn zeer lang en t' samen gevoegd door een
vlies, dat het dier uitspreiden kan, om te vliegen.

Een zeer uitgebreid geslacht van Nacht-dieren,
waar van verschillende soorten door alle de vijf
wereld-deelen verspreid zijn.

a) Vledermuizen, met IV voor-
tanden, boven en onder.

1. V. Spectrum. De Tregter-Vledermuis;
De vliegende Hond van nieuw Spanje. Le Vampire.
The Spectre
. der Fledermaus mit der Trichternase/ der
Vampyr
.

Kent. Zonder staart; de neus gevormd als een
tregter, die opwaarts gelijk een lancet uitloopt.

[Seite 79]

Seba, Tom. I. Tab. LVIII. fig. I. Schreber,
Tab. XLV. Houtt. I. D. I. St. Pl. VIII. fig. 2.
bl. 408.

Hij bewoont Zuid-Amerika; zijne grootte, is
gelijk aan die van den Eekhoorn; zijne kleur
graauw-bruin; hij is schadelijk, door niet slechts
aan het rund-vee, paarden enz., maar ook aan
slaapende menschen, bij welken hij zich voornaam-
lijk aan de voeten zet, het bloed aftezuigen, waar
om hij dan ook den naam van Vampyr bekoomen
heeft; hij doodt ook duiven: bijt de varkens de
teepels af enz.(*)

2. V. Caninus. De Honds-kop Vleder-
muis, of vliegende Hond van ternate (de V.
Vampyrus
van linnaeus. La Roussette van buf-
fon
) der fliegende Hund.

Kent. Zonder staart; de neus stomp en effen; het
vlies tusschen de dyen ingesneden.

Seba, Tom. 1. Tab. LVII. fig. 1 & 2. Buffon,
Tom. X. Pl. XIV. Schreber, Tab. XLIV.
Houtt. I. D. I. St. Pl. VIII. fig. 1. bl. 407.

Hij is grooter dan de voorige of waare Vampyr;
leeft evenwel alleen van boom-vruchten, en wordt
dus gantsch ten onrechte Vampyr genoemd: men
vindt hun bij hoopen op Ternaten en andere Ei-
[Seite 80] landen der Oost-Indiën en Zuid-Zee, op welke
laatste, (Nieuw Holland uitgezonderd), zij, met de
zwijnen, honden en ratten, de eenige aldaar t' huis
hoorende zoogende dieren uitmaaken.

b.) Vledermuizen, met IV voor-tanden
in de bovenkaak; in de onderkaak VI.

3. V. Auritus. De langoorige Vledermuis.
(l'Oreillard van buffon). The long eared Bat.
die langörige Fledermaus.

Kent. De staart zo lang als het lijf; de ooren
langer dan de kop.

Buffon, Tom. VIII. Tab. XVII. fig, 1. Schreber,
Tab. L. Vergel. Houtt. I. D. I. St. bl. 410.

Kij leeft, gelijk de volgende, in de gemaatigste
luchtstreeken der oude wereld. De ooren, die
gemeenlijk, schoon t' onrecht, dubbeld genaamd
worden, zijn toch niet dan enkeld, maar in allen
deelen ongemeen groot. Inlandsch.

4. V. Murinus. De gemeene inlandsche
Vledermuis, de Spekmuis. Le Chauvesouris. The
common Bat
. die gemeine Fledermaus.

Kent. De staart bijna zo lang als het lijf; de
ooren kleiner dan de kop.

Buffon, Tom. VIII. Pl. XVI. Schreber, Tab.
LI. Vergel. Houtt. I. D. I St. bl. 411.

Tot hunnen winterslaap, hangen zij zich in hoolen
en hoeken troswijze aan de agterpooten op. Inl.

VI. Orde. GLIRES. knaagdieren.

[Seite 81]

De dieren tot deeze Orde behoorende, hebben
veele teenen, gaan bijna altijd op den geheelen
agter-voet (§. 43.) en meestendeels op een ga-
lop. Doorgaans zijn het kleine, doch fraaije, vlug-
ge diertjes.

XIII. SCIURUS. DE EEKHOORN or
INKHOORN.

Kent. Een ruige staart, waar van hei haair in
twee reiën loopt; 2
voor-tanden boven en onder; die
der onderkaak, zijn elsvormig;
hoek-tanden hebben
zij niet.

1. S. Volans. De vliegende Eekhoorn. Le
Polatouche. The flying Squirrel.
Das fliegende Eich-
hörnchen
.

Kent. Aan de zijden, van het lijf, eene dubbele
huid, die aan de voor-en agter-pooten is vastge-
hecht.

Buffon, Tom. X. Pl. XXI-XXIII. Schreber,
Tab. CCXIII. Seba, Tom. I. Tab. XL. fig. 3.
Houtt., I. D. II. St. Pl. XXI. fig. 3. bl. 503.

Hij bewoont bijna het geheele Noordelijke deel
der Aarde. Het slappe vel of vlies, dat aan de bei-
de zijden van de voor-pooten naar de agter-voeten
[Seite 82] heen loopt, dient hem slechts als tot een zeil, om
eenen wijderen sprong te durven waagen; hij kan
het daar mede niet opwaards, zelfs niet langs den
grond, maar altijd alleen schuins naar beneden zetten.

2. S. Vulgaris. De gemeene Eekhoorn;
L'Ecureuil. The Squirre. Das gemeine Eichhorm.

Kent. De toppen der ooren met lange haairtjes,
als met een baard omzet; de staart en rug van de-
zelfde kleur.

Buffon, Tom. VII. Tab. XXXII. Schreber,
Tab. CCXII. Vergel. Houtt. I. D. II. St. bl. 494.

In geheel Europa, bijna in gantsch Asiën, en in
het noordelijke deel van Amerika, wordt dit dier
gevonden; het leeft bijna alleen op het geboomte,
waar hem bij de snelle en wijde sprongen, de staart
tot zeil, en de altijd sterk uitwaasemende, vochti-
ge, groote voetzoolen, tot eenen vasten stap hel-
pen. – In de toppen der Eiken en Dennen,
bouwt hij zich een nest, uit loof en mos bestaande,
ook betrekt hij soms de verlaatene nesten van wilde
Duiven en andere vogelen.

De noordsche Eekhoorns, in het bijzonder die
van de oevers van de Obi en het Baikal's rneir, wor-
den 's winters graauw, en geven dan het bekende
graauwe pelswerk, petit gris genaamd; waar van de
buik onder den naam van vebam tot voeringe ver-
werkt wordt. Somtijds worden 'er zwarten, doch
zelden, geheel witte, met rooze-roode oogen ge-
vonden; ook heb ik een zwart en wit gevlekt
Eekhoorntje gezien, dat, in den omtrek van Gotha
gevangen was. Inl.

[Seite 83]

XIV. GLIS. DE RELMUIS, ook Hazel-
muis
genaamd.

Kent. De staart is rond; aan deszelfs uiteinde
dik behaaird; de tanden gelijk als die der Eekhoorns.

1. G. Esculentus. De gewoone of eetbaare
Relmuis. (Sciurus Glis, van linn.) Le Loir. The
Relmouse.
Die Rellmaus/ der Siebenschläfer/ Vilch. Inl.

Kent. Het haair op den rug graauw; onder aan
den buik wit; de ooren kaal en rondachtig.

Buffon, Tom. VIII. Pl. XXIV. fig. I. Schreber,
Tab. CCXXV. Vergel. Houtt. I. D. II. St.
bl.
435.

Deeze, die zo wel als de volgende soort, de ge-
maatigste streeken der oude wereld bewoont, is
de waare Glis der ouden, die zij als een lekkernij
aaten(*)en in hunne bijzonder daar toe gemaakte
kooien deeden mesten;(†) zij onthoudt zich, in Den-
nen en Beuke-bosschen; nestelt in holle hoornen, en
houdt eenen langen en zeer vasten winter-slaap. Inl.

2. G. Avellanarius. De kleine Hazel-muis.
Le Muscardin. The Dormouse. Die kleine Hazelmaus.

Kent. Het lijf ros van kleur; de duim der ag-
terpooten stomp; de ooren rondachtig.

[Seite 84]

Buffon, Tom. VIII. Tab. XXVI. Schreber,
Tab. CCXXVII. Vergel. Houtt. I. D. II. St.
bl.
485.

Hij heeft de grootte van een huis-muis; bereidt
zich tot den winter-slaap een koogel-rond, tame-
lijk sterk leger van dennen-bladeren en andere klei-
ne struiken, in welke hij zich als begraaft.

XV. MARMOTA. HET MARMEL- or
MORMEL-DIER, DE MARMOT.

Kent. De ooren klein en in één getrokken; de
staart kort en dikhaairig; de tanden (bij de mees-
ten
), gelijken die, der bier voor beschreevene dieren,
deezer orde.

1. M. Alpina. Het Alpisch Marmel-dier of
de gemeene Marmot. Door de Italiaanen Murmont
genaamd, van het latijnsch Mus Montanus. La
Marmotte. The Alpine Marmot
. Das Murmelthier.

Kent. Boven op het lijf bruin; van onderen geel-
achtig.

Buffon, Tom. VIII. Pl. XXVIII. Bij Schreber,
Arctomys Marmota. Tab. CCVII. Vergel. Houtt.
I. D. II. St. bl. 455. en altman, in de Natuurk.
Verband.
I. D. IV. St. bl. 67. en volg.

Dit dier bewoont de hooge bergen van Europa
en Asiën, in 't bijzonder de Alpen van Savoyen,
Graauwbunderland, St. Gothard en in groot Tar-
tarijen. Het maakt diepe holen in de aarde, die
het met hooi en mos bekleedt; zijn voedzel bestaat
uit allerlei planten en wortelen. Merkwaardig is
het, dat men den Marmot zelfs in de zogenaamde
[Seite 85] Allée blanche in Savoyen aantreft, op zulke afgele-
gene klippen, die, als eilanden uit deeze ijs-zee uit-
steeken en die eenige uuren ver, van alle ijsvrijë oor-
den verwijderd, in het geheele jaar, niet meer dan
omtrend zes weeken lang van sneeuw ontbloot zijn;
zo dat het schijnt, dat de Marmotten aldaar ten
minsten geduurende tien maanden van het jaar aan-
houdend slaapen en een zeer klein gedeelte van
haar leeven waakende doorbrengen(*).

2. M. Citellus. De Zizel-marmot, Zizel-
muis. Le Souslic. (Mus noricus gesn.) Das
Erdzeiselchen.

Kent. Het lijf lang; de kop klein; de pooten
hort en vijfvingerig.

Buffon, Suppl. Tom. III. Pl. XXXI. Bij schre-
ber
, Arctomys Citellus Tab. CCXI. A. & CCXI. B.

Men vindt deeze het meest in Hongaryen, Poo-
len en Siberiën. De uitwendige gedaante en kleur,
gelijk ook haare eigenschappen, komen met die van
de gewoone Marmot, veel over een; doch zij heb-
ben slechts de grootte van een Hamster en ook
even als deeze, beursen ter wederzijde van de kaa-
ken; in plaats echter dat de Hamster eenen vetten
grond bemint, maakt deeze Marmot integendeel
haar hol, in dorre en zandige gronden.

3. M. Cricetus. De Hamster, (t'onrecht de
Straatsburgsche Marmot genaamd). Le Hamster.
The German Marmot.
Der Hamster/ Kornferkel.

[Seite 86]

Kent. Het lijf van onderen zwart; op elke zijde
drie witte vlakken.

Buffon, Tom. XIII. Pl. XIV. Schreber, Tab.
CXCVIII. A & CXCVIII. B. F. G. Sulzers,
N. G. des Hamsters, Gott. 1774. 8°. Taf. I & II.
Vergel. Houtt. I. D. II. St. bl 464. & Na-
tuurk. Verband.
I. D. IV. St. bl. 114.

Dit dier, dat hier en daar in Duitschland, Poo-
len, Siberiën, enz. gevonden wordt, leeft gedeel-
telijk van kleine dieren en jonge planten, doch
voornaamlijk van koorn-vruchten, boonen enz.,
waar van het eenen grooten voorraad door middel
zijner wang-beurzen naar zijn onderaardsch hol, dat
wel 7 voeten diep is en menigmaal wel 60 ponden
van zulken voorraad bevat, heen sleept. Het ver-
meenigvuldigt zeer sterk, en men heeft in het Gotha-
sche, in één jaar meer dan 27000 van deeze die-
ren gedoodt. Bij eene natuurspeeling vindt men
onder deeze dieren, ook geheel zwarte, als mede
Kakkerlakken of zieken, met roozen-roode oogen.

4. M. Lemnus. De Lemming. Le Leming.
The Lapland Marmot
. Der Lemming.

Kent. De kop spits; het lijf zwart ros en onre-
gelmaatig gevlekt.

Schreber, Tab. CXCV. A & B. Houtt. I. D.
II. St. Pl. XX. fig. 1. bl. 446. Verg. Buffon,
Tom. XIII. p. 314.

Het meest wordt dit dier in Lapland en Siberiën
gevonden. Aan veld-gewassen doet het veel scha-
de; somtijds trekken geheele benden, even als de
[Seite 87] trekspringhaanen van de eene plaats naar de ande-
ren. Men zegt, dat zij als dan, in eene rechte
lijn, tot op de plaats, waar zij zich willen neer
zetten, voorttrekken: derzelver onverwachte en
ongemerkte aankomst aldaar en daarenboven de toe-
valligheid, dat eenige deezer dieren die door roof-
vogels waren opgenoomen, zich los geworsteld heb-
ben en naar beneden gevallen zijn, heeft gelegen-
heid gegeven tot het wonderlijk spreukje, dat het
somtijds Lemmingen reegende.

5. M. Typhlus. De blinde Marmot, de blind
Muis. Die Blindmaus. Bij de Russen, Slepez genaamd.

Ken. Zonder staart; aan alle de pooten vijf vin-
gers; breede voortanden in beide de kaaken; zonder
opening der oogleden en zonder ooren.

Schreber, Tab CCVI.

Zij woont in het zuidelijke deel van Rusland,
en leeft meestendeels onder de aarde. Men wil dat
zij van vooren eenen kleinen zeer duidelijk zicht-
baaren oog-appel, doch in het geheel geene ope-
ning op de plaats der oogleeden hebben en ge-
volglijk, geheel blind zijn zoude.

XVI. MUS. DE MUIS.

Kent. De staart dun en bijna kaal; de tanden,
gelijk die van de voorige dier-geslachten, deezer orde.

1. M. Oeconomus. De Wortel-muis. Die
Wurzelmaus.

Kent. De staart bijna anderhalf duim lang, de
ooren kaal en door een zagt vlies bedekt; aan de
[Seite 88] voorpooten kegelsvormige duimen met nagels voorzien;
de kleur van het lijf is ros; die van de buik en
borst, graauwachtig wit.

Schreber. Tab. CXC.

Deeze zonderlinge diertjes, worden door geheel
Siberiën, tot aan Kamschatka toe, gevonden; dezel-
ve zijn merkwaardig, eensdeels door de groote toch-
ten, die zij voornaamlijk van Kamschatka af, in som-
mige jaaren, bij verbaazende menigte en onmeetbaare
lange reiën, bijna gelijk de Lemming onderneemen;
maar bijzonder door de nijverheid, met welke deeze
kleine dieren eene groote meenigte, der meest eet-
baare wortelen in hunne onderaardsche holen zamen
sleepen, welke holen, door de Thungusen en andere
Siberische volken, (even gelijk de Thuringers zulks
omtrent die der Hamsters doen), nagespoord en
opgegraaven worden, om den daar in verborgen
voorraad tot hun eigen gebruik in te zamelen.

2. M. Silvaticus. De Bosch-muis of groote
Veld-muis. Le Mulot. The Field-rat. Die Wald-
maus/ grosze Feldmaus.

Kent. De staart zo lang als het lijf; de borst
geel: de buik witachtig.

Buffon, Tom. VII. Tab. XLI. Schreber, Tab.
CLXXX.

Zij bewoont de bosschen van Europa, is in 't
bijzonder voor het jonge hout zeer schadelijk, en
vergaart zeer veel winter-voorraad van Nooten,
Eikels enz. Inl.

3. M. Terrester. De kleine Veld-muis.
[Seite 89] Le Campagnol, le petit Rat des Champs. The Field
Mouse
. Die kleine Feldmaus.

Kent. De staart is middelmaatig lang; de rug
ijzer-kleurig; de buik asch-graauw.

Buffon, Tom. VII. Tab. XLVII. Schreber,
Tab. CXCI. Vergel. Houtt. I. D. II. St. bl. 469.

Zij woont bijna door geheel Europa, houdt zich
des zomers meer in weiden, hoven en velden,
doch 's winters meer in de bosschen op. In fom-
mige jaaren vermeerderen zij verbaazend en doen
aan de veld-vruchten, vooral aan het jonge zaad,
groote schade. Inl.

4. M. Musculus. De Huis-muis. Le Souris.
The common Mouse
. Die Hausmaus.

Kent. De staart tang; 4 vingers aan de voorpoo-
ten, van welke de duimen, geen nagels hebben.

Buffon, Tom. VII. Pl. XXXIX. Schreber, Tab.
CLXXXI. Vergel. Houtt. I. D. II. St. bl. 478.

Dit dier is in Europa en in de gemaatigde stree-
ken van Asia en Amerika t' huis: het heeft zich aan
den mensch genoegsaam tot een huis-dier opgedron-
gen en eet bijna alles, wat hij met zijne tanden
bijten kan.

De witte muizen met roode oogen, zijn de Kak-
kerlakken hunner soort en soms zo afkeerig van
het licht, dat zij daar in, hunne oogen toedoen en
voor blind kunnen gehouden worden. Inl.

5. M. Rattus. De Rat, Huis-Rat. Le
Rat. The common Rat.
Die Ratte.

[Seite 90]

Kent. De staart lang; aan de voorpooten 4 vin-
gers en een nageltje, in plaats van den duim.

Buffon, Tom. VII. Tab. XXXVI. Schreber,
Tab. CLXXIX. Vergel. Houtt. I. D. II. St.
bl.
471.

De Rat is thans bijna over de geheele wereld
verspreid; evenwel schijnt hij oorspronglijk in
het middelste gedeelte van Europa t' huis te be-
hooren. Er zijn weinig andere dieren zo vraatig
als de Ratten, zelfs eeten zij Scorpioenen en vol-
gen den mensch en zijnen opgelegden voorraad
overal, ja, ook de bergwerkers in de diepste mij-
nen. Bij de ontlaading der Schepen verlaten zij
dezelve en zwemmen naar land, doch keeren we-
der derwaards te rug, zo dra die op nieuw be-
vracht worden; de wijfjes verdedigen hunne jon-
gen met levens-gevaar zelfs tegen groote Katten;
daar tegen, worden alle oude, krachtelooze Ratten
door de jongere verzorgd en gevoed. Van zoda-
nige bejaarde Ratten, die slechts hunne rust hou-
den, wikkelen zich soms zes, agt of meer, met
hunne staarten in elkander en deeze zijn de voor-
maals zo zeer beroemde, doch onlangs zonder
grond geheel ontkende Ratten-koningen. Inl.

XVII. SOREX. DE SPITSMUIS.

Kent. De kop deezer dieren is uitgerekt; de neus
eindigt in eenen spitsen snuit; de ooren kort; in de
bovenste kaak
2 voortanden die gespleeten zijn; in
de onderste
4. (somwijlen 2.) van welke, de in het
midden staande, korter zijn dan de buitenste;
hoek-
tanden boven en onder verscheidene.

[Seite 91]

1. S. Araneus. De gemeene Spitsmuis. La
Musaraigne. The Shrew
. Die Spitzmaus.

Kent. De staart, is kalf zo lang, als het lijf;
de buik witachtig.

Buffon, Tom. VIII. Pl. X. fig. 1. Schreber,
Tab. CLX. Houtt. I. D. II. St. Pl. XVII. bl. 312.

Zij woont door geheel Europa en het noordelijk
gedeelte van Asiën in oude muuren, stallen, mist-
hoopen enz. Dat zij gift bij zich draagen en de
paarden in het lijf kruipen zouden, zijn ongegronde
vertellingen. Somtijds, doch zeer zelden, vindt
men witte Spits-muizen. Inl.

2. S. Daubentonii. (S. Fodiens van pallas).
De Water-Spitsmuis. La Musaraigne d'eau. Wa-
ter-Shrew.
Die Wasser-Spismaus.

Buffon, Tom. VIII. Pl. XI. Schreber, Tab.
CLXI. Daubenton, Mem. de l'Acad. de Pa-
ris,
1756. Tab. I. fig. 2.

Een zeer zonderling, aardig diertje, dat zich aan
kleine waters ophoudt, doch, gelijk het schijnt,
in den herfst, op het land gaat en daar, in de
akkers enz. onder den grond overwintert. Zijne
voeten zijn wel met geene zwemhuid voorzien;
doch hier voor, is ieder teen, aan beide zijden met
korte haairtjes bezet, die de pooten tot roeiën of
zwemmen zeer geschikt maaken. De openingen der
ooren kan dit diertje door eene klep sluiten, zo
lang het onder water is. Inl.

3. S. Exilis. (S. Minutus linn.) De kleine
Spits-muis.

[Seite 92]

Kent. Zeer klein; de staart zeer dik en rol-rond.

Dit kleinste van alle de tot heden toe bekende
zoogende dieren, weegt niet meer dan ongeveer
dertig greinen, en wordt aan de oevers van de ri-
vier Jenisei gevonden.

XVIII. TALPA. DE MOL.

Kent. De kop spits in eenen snavelachtigen snuit
uitloopende, de voorpooten zijn tot wroeten geschikt
en met langer nagels voorzien dan de agterpooten;

6 voortanden in de boven en 8 in de onderkaak;
van de hoektanden, is 'er
1 grooter dan de 4 ove-
rige.

1. T. Europea. De Gemeene of Europische
Mol. La Taupe. The Mole. Der Maulwurf. Inl.

Kent. De staart zeer kort; in het geheel geen ooren.

Buffon, Tom. VIII. Tab. XII. Schreber, Tab.
CLVI. Vergel. Houtt, I. D. II. St. p. 300.

De mol die in de oude wereld bijna overal ge-
vonden wordt, is een dier, dat in den volsten zin
onder de aarde leeft, (Animal subterraneum).
waar toe hem zijne schup- of spavormige pooten,
en het zonderling maakzel van zijn borst-been,
het welk met dat der vogelen veel overeenkomst
heeft, zeer te passe komen. Hij heeft in het ge-
heel geen ooren en zeer kleine oogen, die, onder
het haair verborgen liggen; hij kan goed zwemmen
en bij overstroomingen, zelfs tegen de boomen op
klauteren. Er worden ook witte, en in Oost-
[Seite 93] Friesland somtijds gevlakte Mollen gevonden, van
welke de afbeeldingen te zien zijn, bij.

Seba, Thes. Tom. I. Tab. XLI. Vergel. de la
faille
in zijne Proeve eener Natuurlijke Histo-
rie van den Mol, en verscheiden middelen om hem.
uit te roeiën, Utrecht
1785. met pl. bl. 17. en volg.

XIX. DIDELPHIS. DE BOSCH-RAT,
de PHILANDER.

Kent. De duimen der agter-pooten, zijn van de
vingers geheel afgescheiden en, (zo verre men weet)
in de meeste soorten, zonder nagels; de staart is bij-
na kaal; in de boven-kaak
10 voortanden, in de
onderste
8, van welke laatste, die, welke in het mid-
den staan zeer kort zijn; de
hoek-tanden zijn lang,
doch hun getal is onzeeker.

1. D. Dorsigera. De Surinaamsche Bosch-rat.
Le Philandre de Surinam. Der Surinamische Aeneas.

Kent. De staart is aan deszelfs begin of grond-
stuk, (basis), met haairbedekt; de rug ros; de buik
witachtig van kleur.

Buffon, Tom. XV. p. 157. Seba, Tom. I. Tab.
XXXI. fig. 4 & 5. en Tom. II. Tab. LXXXIV.
fig. 4. Schreber, Tab. CL. Vergel. Houtt.
I. D. II. St. Pl. XVIII. fig. 4. bl. 325.

Dit soort van Bosch-ratten, bewoont Zuid-Ame-
rika; zij bouwen zich eene wooning onder de grond
en zijn zeer bekend geworden, door de wijze op
welke het wijfje haare jongen uit opkomend ge-
vaar weet te redden; als dan naamlik, slaar zij
[Seite 94] den staart van agteren boogswijze over het lijf naar
vooren; de jongen springen haar op den rug en
krullen hunne staartjens om die der moeder vast
die, als dan met al haar kroost zich ijlings op de
vlucht begeeft.

2. D. Marsupialis. De Buidel-rat. Die
Beutelratte
.

Kent. De teepels zijn beslooten in een zak of bui-
del, die onder aan den buik gevonden wordt.

Seba, Tom. I. Tab. XXXIX. Schreber, Tab.
CXLV. Vergel. Houtt. I. D. II. St. Pl. XVIII.
fig. 1 & 2.

Ook aan deeze soort, die in het warmste gedeelte
van Amerika overal gevonden wordt, gelijk ook
aan noch eene andere, die met deeze veel overeen-
koomt en in de Oost-indiën t' huis behoort, heeft
de natuur eenen bijzonderen weg tot verzorging
haarer jongen aangeweezen; door het wijfje onder
aan den buik te voorzien, met eenen zak of beurs,
die, door bijzondere spieren na welgevallen geslo-
ten en geopend kan worden, en op wiens bodem
de teepels geplaast zijn. In deeze zak of beurs
worden de jonge Buidel-ratten, die zeer klein en
bij het eerste aanzien, slechts als ontijdige misge-
boorten ter wereld komen, geduurende tien wee-
ken gedraagen, en aldaar met de melk der moeder
gezoogd; tot dat zij sterker en grooter geworden
zijnde, als het ware nog eens op nieuw kunnen
gebooren worden.

Na deeze tweede geboorte, blijft evenwel de zo
[Seite 95] evengemelde zak of beurs den jongen somwijlen
noch tot eene schuilplaats verstrekken, doordien de
moeder, hun in geval van nood daar in opneemt,
en zich dan ter gelijker tijd met haaren last, door
de vlucht tracht te redden.

XX. JACULUS. DE SPRINGER or
SPRING-RAT.

Kent. De voorpooten bijzonder kort; de agterste
zeer lang en uitgestrekt; de staart is dik, en zeer
geschikt om deeze dieren in het huppelen en springen,
steun te geeven.

a.) Spring-ratten, met 6 voor-tanden in
de boven-en
2 in de onder-kaak; de laatste
zijn elsvormig, vooruit steekende en liggen in
eene schuinsche richting
; hoek-tanden hebben
zij niet.
(*)

1. J. Giganteus. De groote of reusachtige
Spring-rat. De Kanguruh.

Kent. De staart is aan het einde dun.

Schreber, Tab. CLIV.

Dit dier, dat door den Kapitein cook, op zijne
eerste reize naar de Zuid-zee, gevonden is, leeft
bij geheele benden op de door deezen beroem-
den reiziger ontdekte kust van Nieuw Holland en
weegt bijkans anderhalf honderd ponden; desniet-
tegenstaande is het evenwel zoo ongemeen vlug dat
[Seite 96] het ongelooflijke hooge en wijde sprongen doen
kan. De huid van het dier is muisvaal van kleur;
ook zegt men dat het wijfje even als de Buidel-rat
een beurs onder aan den buik heeft, waar in de
tepels geplaatst zijn.

b.) Spring-rat, met 2 voor-tanden in bei-
de de kaaken, doch zonder
hoek-tanden.

2. J. Jerboa. De Egyptische Berg-rat of Spring-
haas, de Springer. Le Rat de Montagne. Der
Springhase/ Erdhase.

Kent. De staart heeft aan het einde een kwast of
pluim; de agterpooten zijn drievingerig.

Schreber, Tab. CCXXIX. Haym, Tesoro Britann.
vol.
II. p. 124. Vergel. Houtt. I. D. II. St.
bl.
488. Pl. XX. fig. 2.

De Spring-haazen bewoonen het noordelijk ge-
deelte van Afrika, Arabiën, enz. Zij maaken holen
in den grond, waar in zij zich geduurende den
dag verbergen, gaande niet dan bij nacht uit ter be-
zorging hunner behoeftigheden. Wanneer zij zitten,
dan zijn de voorpooten bijna onmerkbaar en als
in het haair van 't lijf verborgen; de agterste poo-
ten daar tegen zijn ongemeen lang; op deezen kun-
nen die dieren zich een geruimen tijd overëind hou-
den, doch, als dan schijnt hunne lange en uitgestrekte
staart hun als tot eenen agterpoot te dienen. Zij
springen zo vlug als springhaanen, somtijds 7 ja,
wel 8 voeten ver.

De Siberische Alactacha heeft met deezen Spring-
[Seite 97] haas veel overëenkomst, doch hij heeft vijf vingers
aan de agterpooten. Het vleesch van beide wordt
door de Arabieren en Kalmukken gegeeten.

XXI. LEPUS. DE HAAS.

Kent. Twéé voor-tanden in iedere kaak, die van
de bovenste zijn verdubbeld; geen
hoek-tanden.

1. L. Timidus. De Haas. Le Lievre. The
Hare.
Der Hase.

Kent. De ooren aan de tippen zwart; het lijf en
de agterpooten lang.

Buffon, Tom. VI. Pl. XXXVIII. Schreber, Tab.
CCXXXIII. A. Vergel. Houtt. I. D. II. St.
bl.
371.

Men vindt hem bijna overal in de oude wereld,
en in Noord-Amerika; hij is onder de pooten, ja
zelfs eenigzins in den mond behaaird. De Haazen
zo wel als de Konijnen herkaauwen beide(*).

Somtijds vindt men ook zwarte Haazen, en in de
noordelijke landstreeken der Alpen eene bijzondere
witte verscheidenheid, aan welke men eigenlijk den
naam van Berg-haazen gegeeven heeft, en die
in verscheidene landen, zo als bij voorb. in
Groenland, het geheele jaar door, maar in andere
oorden, gelijk in Zwitserland, slechts geduurende
den winter eene witte, doch des zomers de ge-
woone haazen-kleur hebben.

[Seite 98]

Opmerkinswaardig is het, dat men reeds dikwils
en op verschillende plaatsen en tijden, Haazen gevon-
den heeft, uit welkers voorhoofds-been één paar
kleine hoornen gegroeid waren, die, schoon in
alles kleiner, echter kroontjes en evenredige top-
pen hadden en volkomen naar die van eenen Rhee-
bok geleeken. (Zie hier boven §. 12.) Inl.

2. L. Cuniculus. Het Konijn. Le Lapin.
The Rabbit.
Das Kaninchen.

Kent. De ooren kaal; het lijf en de agterpooten
korter dan bij de voorgaande.

Buffon, Tom. VI. Pl. L. p. 303. Schreber,
Tab. CCXXXVI. A. Vergel. Houtt. I. D. II. St.
bl.
391.

De Konijnen behooren oorspronglijk in de war-
me gewesten der oude wereld t' huis, doch zijn
thans ook inboorlingen der Noordsche landen ge-
worden. Zij teelen zo sterk voort, dat zij weleer,
zo als bij voorb. nog omstreeks het jaar 1736. op het
St. Pieters Eiland, bij Sardinien geleegen(*), tot eene
land-plaag geworden zijn(†). Ook op geheel
woeste plaatsen vermeenigvuldigen zij, gelijk op het
anders zo onvruchtbaare Liparisch eiland Vulcano.

[Seite 99]

De wilde Konijnen zijn graauw. De witte met
roode oogen, zijn in hunne soort even zo wel
kakkerlakken, als de witte Negers (Negres blancs),
evenwel schijnen zij zich beeter aan het licht
te kunnen gewennen, dan andere soortgelijke die-
ren.

De langhaairige Konijnen van Angora (§. 15.
aanm. 2.) of de zogenaamde Engelsche zijde Haa-
zen
, zetten ook hier in de Nederlanden en in som-
mige oorden van Duitschland zeer goed voort.

XXII. CAVIA. DE KAVIE of KAVIA.

Kent. Kleine en rondachtige ooren; in het geheel
geen, of slechts een zeer kleine staart; in iedere kaak

2 voor-tanden, geen hoek-tanden.

1. C. Porcellus. De Guineesche Kavia of
het Guineesch Biggetje, het Rat-konijn. Le Co-
chon d'Inde. The Guinea-pig
. Das Weerschweinchen.

Kent. Zonder staart; het lijf veelkleurig.

Buffon, Tom. VIII. Pl. I. Linn. Amoen. Acad.
Tom.
IV. Tab. II. p. 190. Schreber, Tab.
CLXXIII. Vergel. Houtt. I. D. II. St. bl. 439.

Zij behooren oorspronglijk in Brasiliën enz. t' huis,
teelen ook in Europa zeer ligt voort; zij zijn on-
gemeen vruchtbaar; haare kleur is zeer verschillen-
de, bij zommigen wit, rood en zwart door el-
kanderen gemengeld.

2. C. Aguti. (Piculi). Het Indiaansch Ko-
nijn; L'Agouti. Das Ferkelkaninchen.

[Seite 100]

Kent. De staart is zeer kort; het lijf donker
ros-kleurig; de buik geelachtig.

Buffon, Tom. VIII Pl. L. Schreber, Tab.
CLXXII. Vergel. Houtt. I. D. II. St. bl. 408.

De Aguri heeft Brasiliën en de West-indiën
tot zijn vaderland; is grooter dan het Konijn en
was genoegzaam het eenige land-dier van welk
de tegenwoordig bijna uitgestorvene Caraiben zich
tot voedzel bedienden.

XXIII. MUSTELA. DE WEEZEL.

Kent. In de bovenkaak 6. recht opstaande scher-
pe van elkander gescheidene
voor-tanden, in de on-
derste kaak even zo veel, doch die stomper zijn en
digt aan elkanderen sluiten en van welken er twee
meer binnenwards in den mond staan, dan de ove-
rige; de tong is glad.

Alle de soorten van dit geslacht, hebben korte
pooten en een lang uitgerekt lijf, dat zij in het
gaan boogswijze krommen. Zij zijn zeer vlug,
steeds gereed tot bijten en bloeddorstig van aart.

1. M. Martes, De Marter. La Marte. The
Pine-Martin
. Der Vaummarder/ Feldmarter.

Kent. Het lijf ros-zwartachtig; de keel ligt
geel. Inl.

Buffon, Tom, VII. Pl. XXII. Schreber, Tab.
CXXX. Vergel. Houtt. I. D. II. St. bl. 193.

Hij bewoont het geheele noorder wereld-deel en
houdt zich voornaamlijk in donkere bosschen op; zijn
[Seite 101] keel is ros-geel en vuurkleurig; hij leeft voornaam-
lijk van Eekhoorntjes en andere dergelijke kleine
zoogende dieren. Zijn schoon vel, wordt geacht het
naast te koomen aan dat der Sabel-dieren. Inl.

2. M. Foina. De Steenmarter of Huismarter.
La Foine. The Martin. Der Steinmarder/ Haus-
marder.

Kent. Het lijf ros-zwartachtig; de keel wit.

Buffon, Tom. VII. Pl. XVIII. Schreber, Tab.
CXXIX.

Hij bewoont de midden en warmere landstreekeen
van Europa en het daar aan liggende Asiën; zijne
keel is wit. Hij leeft voornaamlijk van gevogelte.
Inl.

3. M. Putorius. De Bontsem. Le Putois.
The Polecat, Fitchet.
Der Iltis/ Gtänkerratz.

Kent. Het lijf geelachtig bruin; de snuit en de
punten der ooren, zijn wit.

Buffon, Tom. VII. Pl. XXIII. Schreber,
Tab. CXXXI. Vergel. Houtt. I. D. II. St.
bl.
200.

Hij heeft het zelfde vaderland als de Steenmar-
ter; beloert en rooft inzonderheid Hoenderen, hun-
ne eyeren, ja ook Visschen. Het geheele dier,
zelfs zijn afgetrokken vel, heeft eenen zeer walche-
lijken reuk, Inl.

4. M. Zibellina. Het Sabel-dier, of de Sa-
bel-Weezel. La Zibelline. The Sable. Der Zabel.

[Seite 102]

Kent. Het lijf ros-zwartachtig; het voorste gedeelte.
Van den kop beneffens de keel aschgraauw.

Buffon, Tom. XIII. p. 309. zonder afbeeld. Schre-
ber
, Tab. CXXXVI. Vergel. Houtt. I. D.
II St. p. 204.

Dit dier bewoont de digte eenzaame bosschen
van het Noorder Werelddel, inzonderheid Sibe-
riën, alwaar men van November tot Februarij op,
het zelve jacht maakt. De fraaiste, die donker-
zwart-bruine, dik behaairde en glansige vellen
hebben, worden bij Jakutskoy gevonden.(*).

5. M. Furo. De Fret. Le Furet, The Fer-
ret.
Das Frettel.

Kent. Het lijf bleek geel.

Buffon, Tom. VII. Pl. XXVI. p. 209. Schre-
ber
, Tab. CXXXIII. Vergel. Houtt. I D.
II St. bl. 203.

Oorspronkelijk is dit dier uit Barbarijën enz. her-
komstig, van waar men het zelve na Spanje tot
uitroeijing der Konijnen heeft overgebragt; thans
heeft het zich verder door Europa verspreid; het
heeft ook den walgelijken stank, die den Bonsem
eigen is.

6. M. Erminea. De Hermelijn-Weezel. L'Her-
mine, Le Roselet. The Stoat, The Ermine.
Das
grosse Wiesel/ Hermelin.

[Seite 103]

Kent. De staart aan 't einde zwart.

Buffon, Tom. VII. Pl. XXIX. fig. 2. Pl. XXXI.
fig. 1. p. 240. Schreber, Tab. CXXXVII,
A & B, Vergel. Houtt. I. D. II. St. bl. 206.

Dit diertje dat in het Noorden, vooral in Sibe-
riën t' huis behoort, is veel grooter dan de gemeene
Weezel; doch verandert even als deeze van kleur;
zo dat het somers bruinachtig, maar, in den win-
ter geheel wit is.

7. M. Vulgaris. De gemeene Weezel. La
Belette. The Weesel.
Das gemeine Wiesel.

Kent. Het lijf donker ros, onder wit.

Buffon, Tom. VII. Pl. XXIX. p. 225. Schre-
ber
, Tab. CXXXVIII. Vergel. Houtt. I. D.
II. St. Pl. XIV. fig. 5. bl. 208.

De Weezel die het Noorden van Europa en A-
siën bewoont, is een klein doch moedig dier, het
welk door eene Kat naauwelijks kan vermeesterd
worden. Het vangt somtijds volwassene Haazen,
doch loert vooral op de eyeren van het huis ge-
vogelte en ander geveederd wild. Het wijf je draagt
haare jongen dikwils in den bek; van daar het
oude sprookje, dat zij dezelve langs die weg ter
wereld brengt. Inl.

XXIV. VIVERRA. HET STINKDIER.

Kent. De kop gelijkt naar dien van den Vos;
de staart is bij de meeste als die van eene Kat;
[Seite 104]
6 voor-tanden zo wel in de boven als in de onder-
haak, waar van de middelste korter zijn dan de
overige; bij de meeste is de tong scherp als een
rasp, met de punten agterwaards gekeerd; de vin-
gers hebben nagels die uitsteeken.

1. V. Zibetha. Het Civet-Stinkdier, de Ci-
vet-Kat Hyæna odorisera. La Civette. The Civet.
Die Zibetkatze.

Kent. De staart geringd; de rug aschgraauw
en zwart golfswijze gestreept.

Buffon, Tom. IX. Pl. XXI. p. 299. Schreber,
Tab. CXII. Vergel. Houtt. I. D. II. St. Pl.
XIII. fig. 3. bl. 159.

De Civet-Kat woont in Asiën en het Noorden
van Afrika. Bij het mannetje zo wel als bij het
wijfje wordt in een bijzondere holte of beurs
tusschen den aars en de teeldeelen liggende, ee-
ne smeerige en sterkruikende stoffe voortgebracht;
die, naar den naam van het dier, Civet genaamd
wordt.

2. V. Genetta. Het Genet-Stinkdier, de
Genet-Kat. La Genette. The Genet. Die Genettkatze.

Kent. De staart gebandeerd; het lijf donker-geel
en zwartachtig gevlakt.

Buffon, Tom. IX. Pl. XXXVI. p. 343. Schre-
ber
, Pl. CXIII. Vergel. Houtt. I. D. II. St.
bl.
165.

Zij woont in de Levant en wordt voornaamlijk
om haar schoon vel geacht.

[Seite 105]

3. V. Putorius. Het Amerikaansche Stink-
dier. Le Conepate, Bête Puante. The Polecat. Das
Stinkthier/ der Skunk
.

Kent. Vijf witte streepen die evenwijdig over den
rug loopen.

Buffon, Tom. XIII. Pl. XL p. 302. Schreber,
Tab. CXXII. Vergel. Houtt. I. D. II. St. bl. 156.
die echter, even als de Hr. boddaert in zijn kort
begrip van het zamenstel van
linnaeus bl. 40.
(waarschijnelijk bij vergissing) sleehts vier witte ban-
den, of streepen, als kenmerken van dit dier opgeeft.

Dit dier, dat in Virginiën, Kanada enz. leeft,
ontleent zijnen naam van den alle beschrijving te
boven gaanden en onverdraaglijken stank, die het
getergd of bang gemaakt zijnde, even als andere aan-
verwante soorten zijns geslachts, van zich verspreidt
en welke uit een bijzonder vocht, onder de water-
blaas gevonden wordende, zijnen oorsprong heeft.

4. V. Ichneumon. De Ichneumon, Krokodil-
len-dooder, Rat van Pharao. La Mangouste,
Indien Ichneumon.
Die Pharaons Maus.

Kent. De staart, die aan het begin of grondstuk
naar gelang van het lijf zeer dik is, loopt allengs
,
dun en spits uit; de duimen, staan van de vingers
een weinig verwijdert.

Vosmaer, Besehrijv. en afbeelding van den Krokodillen-
dooder, Amst.
1772. Buffon, Tom. XIII. Pl. XIX.
p. 150. Schreber. Tab. CXV. B. CXVI. A. & B.
Vergel. Houtt. I. D. II St. Pl. XIII. fig. I. bl. 148.

De Ichneumon wordt in Oostindiën, maar voor-
naamlijk in Egypten gevonden; alwaar het, vooral
[Seite 106] na de overstrooming des Nyls, eene meenigte van
Slangen, Kikvorschen, Muizen en dergelijke verslindt;
hij zoekt ook de eyeren der Krokodillen op, die
hij met veel loosheid uit het zand graaft. Men
verhaalt, dat hij van de Brilslang gebeeten zijnde,
Slangenwortel (Ophiorhiza mungos), tot een tegen-
gift eeten zoude.

5. V. Aurita. Het groot-oorig Stinkdier.
Le Fennec. Das groszohr. Buffon's Animal
anonyme.

Kent. Zeer groote oore.

Buffon, Supplem. Tom. III. Pl. XIX. p. 148.
Bruce
, Voyage, Suppl. Tab. XXII.

Dit aardig diertje dat omtrent 9 a 10 duimen
jang is, bewoont Barbarijën, Nubiën enz.; zijne
verbaazende groote en breede ooren geeven aan
het zelve een wonderlijk voorkomen; het maakt
zijn nest op de Palmboomen en leeft voornaamlijk
van Dadel-vruchten.

XXV. MELES. DE DAS.

Kent. De kop gelijkt naar dien van den Beer;
het lijf is sterk gespierd; de staart kort; de nagels bij
de meesten geschikt om te graaven; in iedere kaak

6 voor-tanden, van welke de middelste korter zijn
dan de overige.

1. M. Gulo. De Veelvraat. Le Glouton. The
Glutton
. Der Vielfrasz.

Kent. Het lijf bruin-ros, op het midden van den
rug zwart.

[Seite 107]

Buffon, Tom. XIII. p. 278. en Suppl. Tom. III.
Pl. XLVIII. Schreber, Tab. CXLIV en CXLIV*.
Vergel. Houtt. I. D. II. St. Pl. XIV. fig. 4.
bl. 189.

De Veelvraat bewoont het noordelijk gedeelte van
Europa, vooral de groote Bosschen van Siberiën.
Zijne vraatzugt heeft tot allerlei verdichtselen gelee-
genheid gegeeven. Hij is zo sterk, dat hij zelfs
Rendieren overmeesteren kan. Zijn vel verstrekt
tot een kostbaar bontwerk.

2. M. Mellivorus. De Honing-Das. Der
Honingdachs/ Rattel
.

Kent. De rug aschgraauw; een zwarte streep op
elke zijde; de buik zwart.

Sparrmann, in de Schwed. abhandl., 1777. Tab.
IV fig. 3.

Dit dier woont aan de Kaap de Goede Hoop;
het leeft van den honing en de wasch der wilde
bijën, die in de hoolen der Stekelverkens, Spring-
haazen, Konijnen, Jakhalzen enz. nestelen. Bij het
Ondergaan der zon, let het op de vlucht der naar
huis trekkende bijën, of volgt slechts de aanwijzing
van den Honing-koekkoek; zijn vel is zeer ruig,
en bedekt eene daar onder liggende uitermaate taaije
en zeer sponsachtige huid, die, even als een zak
over de spieren van het dier heen hangt, en waar
door het zo wel voor het steeken der Bijën, als
voor het bijten der Honden beveiligd is.

3. M. Taxus. De Das, Le Blaireau. The
Badger.
Der Dachs.

[Seite 108]

Kent. De staart en het lijf zijn beide ligt graauw
en zwart gemengeld, de buik is zwart.

Buffon, Tom. VII. Pl. VII & VIII. p. 180. Schre-
ber
, Tab. CXLII. Uitgel. Verhandeling. VIII. D.
Pl.
LIV. bl. 367.

De Das, woont in Europa en in Asiën tot aan
China; hij leeft van kleine dieren, wortelen, ei-
kel-voeder enz. Hij graaft onder de aarde een diep
hol, tot het welk hij verscheidene toegangen maakt.
Het grootste deel van zijn levens-tijd brengt hij sla-
pende door, in 't bijzonder houdt hij eenen langen
en vasten winter-slaap, bij het begin van welken
hij zijnen snuit in den vet-zak steekt, die aan zijn
agterlijf geplaatst is. Inl.

4. M. Lotor. De Coati, de Rakoon. Le
Raton
van buffon. Ursus Lotor linn. The Rac-
coon.
Der Schup/ der Rackun.

Kent. De staart is geringd; dwars langs de
oogen, loopt eene zwarte streep.

Buffon, Tom. VIII. Pl. XLIII. p. 337. Schreber,
Tab. CXLIII. Mem. de l'Acad. de Berlin 1756.
Tab. XII. Vergel. Houtt. I. D. II. St. bl. 237.
Kalm. Reize na Noord-Amerika, I. D. bl. 106. Pl. II.

Hij woont in het warme Noord-oostelijke deel
van Amerika; eet veelerlei soort van voedsel, maar
bijzonder gaarn, visch en eyeren. Hij wascht alles,
wat hij bekomen kan in het water en bedient zich
daar toe van zijne voorpooten, die ook zeer geschikt
zijn tot grijpen en aanvatten. Hij wordt uitneemend
mak en gelijkt den Beer in veele opzichten.

VII. Orde. FERAE. roof- of ver-
scheurende dieren
.

[Seite 109]

Deeze orde bevat die groote verscheurende schep-
selen van het dieren-rijk, welke zo wel zoogen-
de als veelerlei andere soorten van dieren, ja zelfs
den Mensch aanvallen.

XXVI. URSUS. DE BEER.

Kent. In de bovenkaak 6 voor-tanden, die bin-
nemvaards, om den anderen uitgehold zijn; in de
onderkaak
6 waar van de 2 zijdelingsche langer
en gekwabt of met puntjes bezet zijn; de
hoek-tanden
staan afzonderlijk en zijn keegelvormig; (behalven
nog, dat tusschen deeze en de kiezen, verscheidene zeer
kleinere tanden gevonden worden); de tong is glad;
de staart geknot.

1. U. Arctos. De Land-Beer. L'Ours. The
Bear.
Der Land Bär.

Kent. Het lijf bruin-zwartachtig van kleur;
de hals kort.

Buffon, Tom. VIII, Pl. XXXI & XXXII. p. 248.
Schreber, Tab. CXXXIX & CXL. Vergel.
Houtt. I. D. II. St. p. 213.

Hij woont in de groote bosschen en bergachtige
land-streeken van het noordlijk deel der wereld, ge-
lijk ook in O. Indien. Jong zijnde, voedt hij zich
bijna alleen met gewassen; doch na het derde jaar
[Seite 110] veel meer met vleesch; zijn grootste lekkernij is ho-
ning. Om te vechten zet hij zich op zijne agterste
pooten, drukt en slaat zijn teegen-partij met de voor-
ste en gebruikt zijn gebit als dan zeldzaamer dan an-
dere verscheurende dieren. Hij kan een geheel Paard
voort sleepen en met zijne scherpe nagels het vleesch
tot op het gebeente al houwende van een rukken. Den
winter brengt hij met zeer weinig ja ten deele zon-
der voedsel door, en nogthans meent men te kunnen
vaststellen dat het wijfje geduurende dien tijd haa-
re jongen zoogt(*). Doordien zijn geraamte, (de
kop en het borstbeen echter uitgezonderd,) veel
gelijkheid heeft met dat van den mensch, zo leert
hij ligt overeind staan en kan ook tot verschei-
dene kunstoeffeningen afgericht worden.

Tot de voornaamste verscheidenheden onder de
Beeren, behooren de groote zwarte Mier-beeren,
de kleine ligtbruine zogenaamde Honing-beeren en
de nog kleinere, die witachtig zijn en daarom
Zilver-beeren genaamd worden.

2. U. Maritimus. De Ys-beer. L'Ours de
Mer. The Polar Bear
. Der Eis-Bär/ Polarbär.

Kent. Wit van kleur; de hals en de snuit lang.

Buffon, Tom. XV. p. 128. Suppl. Tom. III. Pl. XXXIV.
p. 200. Schreber, Tab. CXLI. COOK Voyage
to the northern Hemisphere vol.
III. Tab. LXXIII.
Vergel. Houtt. I. D. II. St. bl. 219. en volg.

[Seite 111]

Men moet den Ys Beer niet verwarren met den
gemeene witten Land-Beer, die slechts eene na-
tuurspeeling is. Hij bereikt de langte van bijna
twaalf voeten en wordt dus veel grooter dan deeze
laatste; ook maakt hij een geheel ander geluid,
heeft rankere ledernaaten en wit, lang, dicht, zacht
haair; hij onthoudt zich op het drijf-ijs en langs
de kusten in het noorder wereld-deel; zwemt en
duikt zeer vaardig en voedt zich met Visschen, voge-
len en derzelver eyëren, gelijk ook met ddode Zee-
honden en Walvisschen; hij graaft lijken op en valt
menschen aan, gelijk onder anderen Heemskerks
Scheepsvolk in het jaar 1596. op Nova Zembla on-
dervonden heeft. Zijne leever schijnt giftig te zijn.

XXVII. CANIS. DE HOND.

Kent. In de bovenkaak 6 snij-tanden, waar van
de zij delingsche langer en van elkander staande, de
middelste aan de kanten met puntjes voorzien of in-
gekervd zijn; in de onderkaak ook
6 snij-tanden,
de zijdelingsche alle gekervd; de hoektanden, staan
afgezonderd en zijn gekromd.

1. C. Familiaris. De Huishond. Le Chien.
The Dog.
Der Hund.

Kent. De staart naar boven omgeboogen; dikwils
een bastaard vinger aan de agterpooten.

Buffon, Tom. V. Pl. XXV. Schreber, Tab.
LXXXVII. Linn. Amoen. Acad. vol. IV p. 44.
Tab. I fig. 1. Vergel. Houtt. I. D. II. St. Pl.
XII. bl. 33.

Verscheidene redenen maaken het waarschijnelijk,
[Seite 112] dat deeze, in zo veele opzichten uitsteekend nutti-
ge dieren, een zeer groot gedeelte der narde tot
hunne oorspronglijke woonplaats hebben, doordien
zelfs Zuid-Amerika, reeds voor de aankomst der
Spanjaarden, één ras of soort van Honden tot
inboorlingen schijnt gehad te hebben(*).

Even zo schijnt het ook, dat men met zeekerheid
het bestaan van meer dan één oorspronglijk stam-ras
van Honden vaststellen moet, dewijl het lichaams-
gestel der Bulhonden, Dashonden, Windhonden en
andere soorten zo kennelijk onderscheiden en met de
bestemde oogmerken en gebruiken zo juist overeen-
koomstig is, dat men bezwaarlijk alle deeze soor-
ten voor niet anders dan voor verbasterde verschei-
denheden van één en het zelfde stam-ras houden
kan: het is echter thans moeijelijk te bepaalen,
welke rassen of soorten onder de navolgende ver-
scheidenheden van Honden, of voor oorspronglijke
of voor zulke, die alleen door verbastering ontstaan
zijn, moeten gehouden worden.

a.) C. Fricator. De Steendog of Mops. Le
Doguin. The Pugdog
. Der Mops.

Kent. Zijn lijf is kort in één gedrongen; de
kop rond; de neus zeer stomp en opgewipt; zijne oo-
ren hangen needer; het haair is glad.

Buffon, Tom. V. Pl. XLIV. p. 300.

[Seite 113]

b.) C. Molossus, Mastivus. De Bul-
hond. Le Dogue. The Bul-dog, the Ma-
stiff
. Der Bärenbeisser/ Bullenbeisser.

Hij is groot, sterk gespierd, stomp van kop;
heeft kwabachtige hangende bovenlippen en glad
haair; zijn geblaf is dof en kort afgebroken. De
Slagtershond, (le Matin van buffon, Der Metz-
gerhund
) schijnt denzelve zeer nabij te komen.

Buffon, Tom. V. Pl. XLIII & XLV. p. 300.

c.) C. Terrae novae. De Newfoundlandsche
Hond. – Voor zoo veel men weet, is de-
zelve nergens dan op Newfoundland t' huis;
hij onderscheidt zich van de andere soorten
van Honden door zijne uitneemende groot-
te, zijn lang zijdeachtig haair, en eenen met
lange vlokken doorgaans omhoog staanden
staart; inzonderheid echter, is hij kenbaar
door een soort van zwemvlies, dat tusschen
de teenen geplaatst is en dat bij hem, ook
veel grooter dan bij andere Honden zijn-
de, de oorzaak is, der uitsteekende be-
kwaamheid die hij tot het zwemmen heeft.
Deeze Honden zijn doorgaans zwart en
wit van kleur, onbegrijplijk leerzaam en
zeer geschikt, om tot verschillende kunst-
öeffeningen te worden afgericht.

d.) C. Sagax. De Jagt-hond. (Le Chien-cou-
rant
van buffon). Der Jagdhund. – Hij
heeft een lang dik lijf; de kop is van ag-
teren gegroefd; de ooren zijn lang en neer-
[Seite 114] hangende; zijn haair is somtijds sluik, somtijds,
ook met vlokken eenigzins gekroesd. Inl.

Buffon, Tom. V. Inl. XXXII.

De Patrijs-Brak of Kwartel-Honden hebben de
ooren en de staart korter dan de laastgemelde.

De Korsikaansche Honden zijn fraai getijgerd,
doch hebben voor het overige de gedaante van den
gladden Patrijs-hond.

e.) C. Aquaticus. De Krulhond, de Water-
hond. (Le Barbet van buffon). The Wa-
ter Dog.
Der Budel. – Zijn kop is stomp;
het lijf dik en met lang, wollig haair bezet,
dat veel na een Schaapen vacht gelijkt. Inl.

Buffon, Tom. V. Pl. XXXVII. p. 246.

f.) C. Domesticus. De Huishond, de Herders-
hond. Le Chien de Berger. The Cur, the
Shepherd's Dog.
Der Haushund/ der Schä-
ferhund
. Zijne ooren staan recht op,
de staart is van onderen lang behaaird. Inl.

Buffon, Tom. V. Pl. XXVIII. p. 241.

Hier toe behoord ook de Yslandsche Hond, (Le
Chien Loup
van buffon, in sommige oorden van
Duitschland der Spitz/ der Pommer genaamd), ge-
lijk ook die, welke in Kamschatka en in het ove-
rige noord-oostelijk deel van Asiën tot het trekken
dep sleden gebruikt wordt; behalven deeze schijnen
tot dit ras nog te moeten betrokken worden de Hon-
den die op de Eilanden van de Zuid-zee t' huis behoo-
ren, en welker vleesch voor de inboorlingen aldaar
de algemeene en teffens de geliefste spijs uitmaakt.

[Seite 115]

Vergel. buffon, Tom. V. Pl. XXIX. p. 242. en.
Houtt. I. D. II. St. bl. 65.

g.) C. Meliteus. Het Bologneesch of Schoot-
hondje. (L'Epagneul van buffon), Le
Bichon. The Lap-dog, the Schock.
Das
Bologneser Hundchen.
Dit hondje is zeer
klein, en heeft lang gekroesd haair, inzon-
derheid in 't gezicht.

Buffon, Tom. V. Pl. XXXVIII. fig. 1. p. 246.

h.) C. Vertagus. De Dashond. (Le Basset van
buffon). The Tumbler, the Turnspit.
Der Dachshund. Hij heeft een lange snuit,
hangende ooren, een lang uitgerekt lijf en
kromme voorpooten. Inl.

Buffon, Tom. V. Pl. XXXV. fig. 2. p. 245.

i.) C. Graius. De Windhond. (Le Levrier
van buffon). The Grey-hound. Das
Windspiel
– Zijn kop eindigt in eenen lan-
gen spitsen snuit; hij heeft hangende ooren,
een breede borst, een tenger lijf en dunne
pooten Hij is somtijds vlokkig, doch ook
somtijds sluik van haair. Inl.

Buffon, Tom. V. Pl. XXVII. p. 240.

k.) C. Ægyptius. De Egyptische Hond. (Le
Chien Turc
van buffon). The Indian
Dog, the naked Dog
. Der Aegyptische Hund
Hij gelijkt naar den Haazenwindhond, doch
hij heeft geen haair, dan alleen in bet aange-
zicht; het overige deel van het lijf is zwart
[Seite 116] en kaal, bijna gelijk de huid van een Ne-
ger. Zie bladz. 19. aanm. 2.

Buffon, Tom. V. Pl. XLII. fig. I. p. 248.

Alle deeze verschillende hoofd-rassen paaren en
vermengen zich niet slechts onder elkander, maar
ook met andere aanverwante dieren, die tot het ge-
slacht van den Hond behooren: bij voorb. met
Wolven en Vossen, met welke laatsten zij som-
wijlen zelfs vruchtbaare bastaarden teelen(*).

2. C. Lupus. De Wolf. Le Loup. The Wolf.
Der Wolf.

Kent. De staart nederwaards gekromd.

Buffon, Tom. VII. Pl. I. Schreber, Tab.
LXXXVIII. Verg. houtt I. D. II. St. p. 69.

De Wolf bewoont bijna de geheele oude wereld.
In eenige landen echter, zo als bij voorbeeld, in
Groot Brittanjen en Ierland is hij gantsch uitge-
roeid. In landstreeken waar in de Beer en den
[Seite 117] Wolf beide gevonden worden, treft men de eer-
sten meer des zomers en den Wolf meer des win-
ters aan. Hij heeft eenen sleependen doch teffens
snellen gang, hij wordt niet ligt moede, en bezit
voornaamlijk in den nek groote kracht. De Wol-
ven vallen bij geheele benden aan, op ongelijk
grootere dieren, zo als bij voorb. wilde Zwijnen en
zelfs Beeren; door den honger gedrongen, eeten zij
zelfs biezen en aarde; ook bezoeken zij des nachts
de kerk-hoven, alwaar zij de lijken uit den grond
graaven, en het is misschien hier aan, dat het
oude spreukje der Weer-wolven zijnen oorsprong
verschuldigt is. Inl.

3. C. Lycaon. De Zwarte Vos. Le Loup
Noir
van buffon. Der Schwarze Fuchs.

Kent. De staart regt; het lijf geheel zwart.

Buffon, Tom. IX Pl. XLI. p. 364. Schreber,
Tab. LXXXIX. J. F. Miller, Fasc. IV. Tab.
XIX fig. 2. Vergel. Houtt. I. D II. St. bl. 91.

Dit dier, dat, om zijne kostbaare huid beroemd
is, bewoont het noorder wereld-deel, en houdt
zo wel wat de gedaante als houding betreft, het
midden tusschen den Vos en den Wolf; de zo-
genaamde Zilver-Vos is eene verscheidenheid van
den zwarten; de zilverkleurige punten zijner haai-
ren, hebben hem dien naam doen verkrijgen.

4. C. Vulpes. De Vos. Le Renard. The
Fox.
Der Fuchs.

Kent. De staart regt, aan het einde wit.

[Seite 118]

Buffon, Tom. VII Pl. IV. p. 75. Schreber.
Tab. XC. Vergel. Houtt. I D. II. St. p. 85.

Hij woont in de Noordelijke deelen der oude
wereld; maakt zich een nest onder den grond, of
neemt daartoe ook wel bezit van het Dassen-hol;
voor het wild-braad en ander huis gevogelte is hij
zeer schadelijk, doch hij eet ook Muizen, Am-
phibiën, Visschen, Wespen en andere Insecten, ook
honing en koorn; in het bijzonder, is hij zeer gesteld
op druiven. Inl.

5. C. Alopex. De Brand- of Veld-vos. Le
Renard Charbonnier. The Brant-Fox.
Der Brandfuchs.

Kent, De slaart regt, aan het einde zwart.

Buffon, Tom. VIL p. 82. Schreber, Tab. XCI.
Vergel. Houtt. I. D. II. St. p. 92.

Deeze heeft met den voorgaanden een en het
zelfde vaderland; en onderscheidt zich daar van al-
leen door zijne eenigzints kleinere gestalte, zijne
meer donkere kleur en het zwarte einde van zijnen
staart.

6. C. Lagopus. De Steen-vos, de Haazenvoet
Vos. The Arctic Fox. Der Polarfuchs/ Steinfuchs.
Isatis van gmelin.

Kent. De staart is regt, en van dezelfde kleur
als het lijf; de voor-en agter-pooten zijn zeer dik
met haair bezet.

Schreber, Tab. XCIII. A. Buffon, Tom. XIII
p. 272. Vergel. Houtt. I. D. II. St. p. 93.

[Seite 119]

Zijne woonplaats houdt bij in de landen nabij
de Noord-pool geleegen, voornaamlijk op Spitsber-
gen, Nova Zembla enz. alwaar zij doorgaans hun
verblijf als bij beurten met den Ys-beer verwisse-
len, dat is te zeggen, dat zij aldaar eerst in No-
vember ten voorschijn komen, wanneer de zon on-
zichtbaar wordt en dat soort van Beeren wegtrek-
ken. Het vleesch deezer dieren is smaakelijk, even
als dat der Konijnen, en hun vel gelijk bekend is,
wordt zeer geacht.

De meesten deezer dieren zijn wit. De zoge-
naamde blaauwe Vossen in tegendeel zijn blaauw-
achtig graauw. De Kruis-vos heeft een zwart kruis
over de schouders en den rug.

Zie schreber, Tab. XCIII. B. Vergel. I. St. bl.
364.

7. C. Aureus. De Jakhals of Gulden Wolf.
L'Adive van buffon, le Loup Doré. The Jack-
call.
Der Schnellwolf/ der Schakal.

Kent. Het lijf is hoog geel van kleur; de pooten
lang: het einde van de staart zwart.

Schreber, Tab. XCIV. Guldenstadt in
Nov. Comm. Petrop. vol.
XX. Tab II. A. vos-
maar
, Beschrijving van eenen zeldzaamen Oost-
indischen Bosch-hond, Amst.
1773. Tab. XII. Ver-
gel, buffon, Tom. XIII. p. 255.

Dit befaamde dier, dat in geheel Noord-Afrika
en het Oosten, maar vooral zeer meenigvuldig in
Natoliën en Bengalen gevonden wordt, zwerft
's nachts bij gantsche benden om; het verscheurt en
[Seite 120] eet dieren, zo ook allerlei waaren, die van leder
gemaakt zijn; het graaft de lijken op en rooft zo
men zegt ook levendige kinderen(*). Veele Na-
tuuronderzoekers hebben de Jakhals voor den oor-
spronglijk wilden Hond en veele Bijbel-uitleggers,
de Vossen van Simson voor Jakhalzen gehouden:
dikwijls ook heeft men dit dier met de Hyæna
verwart.

8. C. Hyæna. De Hyæna. L'Hyæna ou Loup
Cervier. The Striped Hyæna.
Das Grabthier/ der
Abendwolf
. De Indiaansche Wolf van j. e. ri-
dinger
.

Kent. Ruuw zwartachtig van haair: het aangezicht
zwart; de nek en rug met maanen bezet.

Buffon, Tom. IX. Pl. XXV. p. 268. Schreber,
Tab. XCVI. j. f. miller, Fasc. IV. Tab. XIX.
fig. 1. Vergel. Houtt. I D. II. St. p. 83.

De Hyæna, (van welke meer verscheidenheden
zijn) heeft met den Jakhals, die hij in levenswijze
niet ongelijk is, een en het zelfde vaderland, en
wordt bij verbaazende menigte in Abyssiniën gevon-
den. Het is een ten uitersten boosaartig en ontem-
baar verslindend dier; van een vreeeslijk voorko-
men en dat zich, zelfs tegen den Leeuw moedig
verdedigt; het maakt gaten onder den grond, of le-
[Seite 121] gert zich in klooven en de holen der Steenrotsen en
wordt van het gemeene volk in Egypten gegeeten(*).

XXVIII. FELIS. DE KAT.

Kent. Nagels aan de pooten, die het dier in-
trekken kan; de kop rondachtig: de tong scherp als
een rasp;
6 scherpe voor-tanden, waar van de bui-
tenste de grootste zijn; de
hoek-tanden staan alleen,
en zijn in de bovenkaak van de voortanden, in de
onderste van de kiezen verwijderd.

1. F. Leo. De Leeuw. Le Lion. The Lion.
Der Löwe.

Kent. Een lange staart, die eene bruine kwast of
haair-bos aan het eind heeft; het lijf is op den rug
bruinachtig, aan de zijden graauw, de buik eeniger-
maate geel-wit.

Buffon, Tom. IX. Pl. I. & II. p. 1. Schreber,
Tab. XCVII. A. & B. Vergel. Houtt. I. D. II.
St. bl. 96.

Hij woont in de heetste luchtstreeken der oude
wereld, voornaamlijk in de zand-woestijnen der
binnenlanden van Afrika; en heeft zich (even gelijk
de Beer en de Los in andere bewoonde landstree-
ken), meer en meer van de kusten verwijderd. De
Leeuw onderscheidt zich van de Leeuwin door zij-
[Seite 122] ne maanen, die echter nier dan in zijn tweede jaar
uitbotten. Hij voedt zich, uitgenomen in geval van
zeer grooten honger, alleenlijk van den roof die hij
zelve heeft opgedaan, en die vooral uit groote zoo-
gende dieren bestaat: Terwijl hij in tegendeel (gelijk
men meermaalen, ten minsten bij gevangene en opge-
slotene Leeuwen heeft waargenomen), kleinere en
weerlooze dieren spaart. De Leeuw kan ook onze
lachtstreek zeer goed verduuren en laat zich bij uit-
nemenheid tam maaken, ja, zelfs tot trekken en het
jaagen op andere dieren africhten. De Leeuwin
werpt 3 of 4 jongen teffens, van welken echter,
volgens sommige, slechts één opgroeijen en de ove-
rige aan het uitbotten der tanden sterven zou-
den. – Het leeuwen-vleesch is eetbaar, zo zelfs,
dat, eene gantsce horde van Arabieren die tus-
schen Tunis en Algiers woonen, van het zelve bij-
na alleenlijk het leeven houdt.

2. F. Tigris. De Tijger. Le Tigre. The
Tiger.
Das Tigerthier.

Kent. Een lange geringde staart; de kop, het
lijf en de dijën zijn met zwart-bruine dwarsstree-
pen geteekend.

Buffon, Tom. IX. Pl. IX. p. 129 Schreber,
Tab. XCVIII Vergel. G. Stubbs afbeelding, in
eene zwarte kunst-plaat uitgegeeven
en Houtt.
I. D. II. St. bl. 108.

Asiën alleen is het wereld-deel dat door den Tij-
ger bewoond wordt, voornaamlijk dat gedeelte het
welk tusschen Bengalen en China ligt, ook wordt
[Seite 123] hij op Sumatra enz. gevonden. Het is een prachtig,
uitsteekend schoon en regelmatig gestreept, doch
vreeslijk dier. In woede zijnde ontziet hij zelfs
het wijfje niet, en honger hebbende verslindt hij
zijne eigene jongen; hij vak zonder onderscheid
Menschen, Leeuwen en andere zoomende dieren aan,
doch moet voor den Olyphant onderdoen. Het ou-
de spreukje, dat hij volstrekt niet zoude te tem-
men zijn, is ongegrond.

3. F. Leopardus. De Luipaard. Le Leopard.
Der Leopard.

Buffon, Tom. IX. Pl. XIV. p. 151. Schreb.
Tab. CI. Vergel. Houtt. I. D. I. St. bl. 117.

Kent. De staart van 2 totvoet lang; het
geheele dier, is met veele kleine,
stomphoekige vlek-
ken geteekend.

De Luipaard woont in Afrika: zijne gestalte
heeft veel overeenkoomst en verwantschap met de
volgende soorten van die geslacht; waarom ook de
naamen van hun allen, zeer dikwils met elkanderen
verward en verwisseld worden. De schoonheid van
zijn vel overtreft zelfs de cierlijkste beschrijving, de
grond van het zelve is goud-geel met kleine zwarte
vlekken, die evenwel digter en regelmaatiger dan
die van het Panther-dier, en meestal ten getale van
drie of vier, digt bij elkanderen staan. In sterkte
en in roofzucht geeft hij den Tijger weinig toe,
maar kan gemaklijker tam gemaakt worden.

4. F. Pardus. De Panther, het Panther-dier.
Le Panthère. Das Pantherthier/ der Parder.

[Seite 124]

Kent. De staart 2 totvoet lang; op den rug
en op de zijden groote onregelmaatige vlekken, die
hier en daar als ringen rondachtig zijn en in elkan-
deren loopen.

Buffon, Tom. IX. Pl. XI & XII. Schreber, Tab.
XCIX. Vergel. Houtt. I. D. II. St. bl. 117.

Afrika is ook het vaderland van dit dier, dat
wel nog grooter wordt dan het Luipaard, maar met
deezen en den Tijger in levenswijze veel overeen-
koomst heeft. De vlekken zijner huid, zijn grooter
dan die van het Luipaard, minder regelmaatig, en
loopen hier en daar, dan eens als een hoef-ijzer,
dan weder als een ring in elkanderen.

5. F. Panthera. De kleine Panther, het klei-
ne Panther-dier. L'Once van buffon. Das kleine
Panterthier
.

Kent. De staart is langer dan die der beide laatst
voorgaande soorten van dit geslacht; het lijf is witach-
tig en met zwarte onregelmaatige vlekken geteekend.

Buffon, Tom. IX Pl. XIII. p. 151. Schreb.
Tab. C. Vergel. Houtt. I. D. II. St. bl. 121.

Barbarijën en Oost-Indien verstrekken dit dier
tot woonplaats; het is veel kleiner dan de voorige
soorten, kan ook ligt tam gemaakt en tot de jagt
op Rheën, Gazellen, enz. afgericht worden, waar
toe het reeds voor lang in het oosten en in laatere
tijden ook in Italiën en Frankrijk gebruikt is.

6. F. Onca. De Amerikaansche Tijger, de
Jaguar. Le Jaguar. The Brasilian Cat. Der Jaguar.

[Seite 125]

Kent. De staart is omtrendvoet lang; het lijf
geelachtig bruin, met hoekige en oogvormige vlek-
ken, die in het midden geel zijn.

Buffon, Tom. IX. Pl. XVIII. p. 201. Schre-
ber
, Tab. CII. Houtt. I. D. II. St. bl. 121.

De Jaguar bewoont Zuid-Amerika, ook is hij
veel kleiner dan de Tijger, het Luipaard, of het
groote Panther-dier, die in de oude wereld gevon-
den worden. Hij is vreesachtiger en veel blooder,
zo dat hij zelfs voor maatig groote Honden de vlucht
neemt.

7. F. Concolor. De roode Tijger, de Ku-
guar. Le Couguar van buffon. Der Americansche
Löwe.

Kent. De staart middelmaatig lang, het lijf rood-
achtig, doch ongevlekt.

Buffon, Tom. IX. Pl. XIX. p. 216. Schreber,
Tab. CIV.

Een bloeddorstig dier, dat meest in Peru, Bra-
siliën enz. gevonden wordt, en zich door zijn ros-
geel, ongevlekt vel, (om 't welk het den naam van
Leeuw verkreegen heeft), gelijk ook door zijnen
kleinen kop, duidelijk onderscheiden laat.

8. F. Lynx. De Los. Le Lynx, le loup Cer-
vier.
Der Luchs.

Kent. De staart hort en zwart aan het einde; de
ooren lang en aan de tippen bezet, met groote regt
om hoog staande haairen, het lijf gevlekt, de pooten
breed en sterk gespierd.

[Seite 126]

Buff. Tom. IX. Pl. XXI. p.231. Schreb. Tab.
CIX. Vergel. Houtt. I. D. II. St. bl. 141.

De Lijnx onthoudt zich in groote digt bewasse-
ne bosschen der noordelijke wereld; alhoewel hij
ook in het gebied van Napels menigvuldig, en eene
enkele, somtijds in de bosschen van Thuringen ge-
vonden wordt; op roof uitgaande, beklimt hij de
boomen, van waar hij zich op voorbijgaande groote
zoogende dieren nederstort. Hij heeft een vervaar-
lijk gebit, en doet aan de wild-baanen grootere
schaadens dan de Wolf.

9. F. Catus. De Kat. Le Chat. The Cat.
Die Kate.

Kent. De staart zo lang als het lijf; de streepen
van den rug, loopen in de lengte, die der zijden,
zijn geslingerd.

Buffon, Tom. VI. Pl. I. – VII. p. 1. Schreb.
Tab. CVII. CVII A. CVII. B. Vergel. Houtt.
I. D. II. St. bl. 126.

De Katten bewoonen bijna alle oorden der oude
wereld, van waar dezelve het eerst door de Span-
jaarden naar Amerika zijn overgebragt. De wilde
Katten, die grooter dan de tammen, graauw van
kleur zijn en zwarte lippen en voetzoolen hebben,
voeden zich met den roof van wild gevogelte, van
Haazen, ja zelfs van jonge Rheën. De Huis-katten
hebben de ooren nog niet zo slap en de staart niet
zo hangende als wel veele andere dieren, die den
mensen getemd en aan zich dienstbaar gemaakt
heeft; zij paaren zeer zelden in het bijzijn der
[Seite 127] menschen en verwilderen weder zeer ligt, wanneer
zij bij toeval in het wilde geraaken. Tot de bij-
zonderheden, aan de Katten eige, behoort hunne
sterke Elektriciteit(*); het glinsteren en lichten
hunner oogen in den donker; hunne zonderlin-
ge neiging tot sommige planten, zo als bij voorb-
tot het Katten-en Mander-kruid(†); hun snor-
ren of spinnen, dat door twee daar toe geschikte
dunne vliezen, in het bovenste van den gorgel uitge-
spannen, veroorzaakt wordt; gelijk ook de benaau-
wende en onoverwinnelijke afkeer die sommige
menschen tegen deeze dieren gewaar werden.

Behalven het gewoon en algemeen onderscheid
in de kleur der Katten, zijn 'er onder hun ook ver-
scheidenheden of rassen, van welke voor de voor-
naamste gehouden worden, 1°. de Kat van Angora,
zeer kenbaar zo door zijn lang en zijdachtig haair
als door zijn' aangeboorene hardhorendheid. 2°. De
blaauwachtige graauwe Karthuizer of Cijpersche Kat;
en 3°. de Spaansche of Schildpadkleurige Kat (pen-
nant's
Tortoise Shell-Cat); onder welke laatste
men zegt(§) steeds Wijfjes-katten van drie on-
derscheidene kleuren, (zo als bij voorb. zwart, wit
en geel), maar nog nimmer een' dergelijken Kater
gevonden te hebben.

VIII. Orde. SOLIDUNGULA.
heelhoevige.

[Seite 128]

Deeze orde, welke de dieren met ongespleetene
hoeven bevat, bestaat slechts uit één geslacht, dat
weinig soorten heeft.

XXIX. EQUUS. HET PAARD.

Kent. Onverdeelde hoeven: de staart hard-en bor-
stelhaairig; tri iedere kaak
6 voor- of snij-tanden,
van welke die der hovenste, stomp afgeknot zijn en
regt opstaan, doch die der onderkaak meer vooruit-
steeken; in beide zijn de
hoek-tanden, zo wel van de
kiezen als van als voortanden een weinig afgescheiden.

1. E. Caballus. Het gewoone Paard, het
Ros. Le Cheval. The Horse. Das Pferd.

Kent. De staart rondom met lang hard haair
bezet.

Buffon, Tom. IV. Pl. I. p. 174. Schreber,
Tab. CCCIX. Vergel. le francq van berkhey,
Natuurl. Hist. van Holland IV. D. I. St. Pl. I-IV.
bl. 22-314. en Houtt. I. D. III. St. bl. 332.

Oorspronglijk wilde Paarden zijn er niet meer,
maar wel verwilderde, die er nog veel, en somtijds
in groote schoolen bij elkander gevonden worden;
zo als bij voorb. in de Poolsche bosschen, in de
[Seite 129] Schotsche hooglanden, in Tartarijën en in Ame-
rika, (werwaards zij door de Spanjaarden voor
't eerst ziin overgebragt) en waar men hun vooral
in de uitgestrekte landstreeken van Paraguay enz. in
eene schier ontelbaare meenigte aantreft. Deeze ver-
wilderde Paarden zijn meest klein, wanstaltig; hard,
stroef van haair; dik van kop en teffens gantsch
ontembaar. Daar integendeel de tamme Paarden-
rassen door zo veelerlei nuttige hoedanigheeden uit-
munten. Zo zijn bij voorb. de Arabische Paarden
(vooral, die uit de stoeterijen van Annecy rondom
Palmijra, en die van het Libanonsche gebergte tot
aan dat van Horeb), zeer beroemd geworden door
hunne bijzondere vlugheid en onvermoeidheid: De
Persiaansche en Barbarysche door hunne uitneemend
schoone lichaams-gestalte en meer andere voordeelige
eigenschappen. Onder de Europische Paarden zijn de
Spaansche (bijzonder die uit Andalusiën), benevens
de Napolitaansche en Engelsche het meest gezogt.
De laatsten bezitten vooral een voorrecht in haare
snelheid, waar door zij voornaamlijk in het wedloo-
pen, een reeds bij de ouden en nu nog bij de Tar-
taren, Turken, gelijk ook in Italien en elders ge-
bruiklijk tijdverdrijf, uitmunten(*). Over het alge-
meen genomen, zal men in de gantsche Schepping,
[Seite 130] bezwaarlijk eenig ander dier kunnen aanwijzen, van
zo veelerlei en teffens van zulk een gewichtig ge-
bruik voor den mensch, als het Paard. Immers, zonder
zelfs nog eens te gewagen van geheele volken wiens
hoofdbezigheid bijna alleen bestaat in het africhten
en geduurig berijden der Paarden, zo als zulks bij
de Kosakken, Tartaren, Kalmukken, de Tungusen,
de Abiponers en andere landaarten, plaats heeft, be-
hoeft men zich slechts te herinneren welk een waar-
de dit nuttig dier, ook bij de beschaafde natien,
voor den land-bouw, de ruiterij en het post-wezen
heeft. Ook leeven veele der bovengemelde in het
te Paard rijden zo zeer geoeffende volken, grooten-
deels van het vleesch en de melk der Paarden, wel-
ke laatste, wanneer zij gestremd, gezuiverd en hel-
der gemaakt is, het dronkenmaakende Kumisz der
Mongolen uitlevert.

2. Asinus. De Ezel. L'Asne. The Ass. Der
Esel.

Kent. Het eind van de staart borstelhaairig; op
den rug twee dwars loopende zwarte streepen die een
kruis uitmaaken.

Buffon, Tom. IV. Pl. XI. p. 377. Schreb.
Tab. CCCXII. Vergel. Houtt. I. D. III. St.
bl.
385.

[Seite 131]

De wilde Ezel, van welke de tamme afstamt, is
de waare Onager der ouden, en wordt thans onder
den naam van Kulan(*) voornaamlijk in Tartarijën
gevonden: van waar dit dier bij het naderen van den
herfst, in ontelbaare meenigte heirsgewijze zuid-
waards naar den kant van Indien en Persien heen
trekt en aldaar overwintert. Hij is grooter en ran-
ker dan de tamme Ezel, en ongemeen snel in het
loopen(†). Ook de tamme Ezel heeft zeer veele
nuttige eigenschappen, om welke hij eertijds bij de
ouden zeer geacht wierdt(§), en die hem thans
nog in het Oosten en het zuidelijke van Europa
Zeer belangrijk maaken. Hij stapt langzaamer, doch
vaster dan het Paard; bij gebrek van gewoon goed
voeder, vergenoegt hij zich met de slegtste kruiden,
hij is aan weinig ziektens onderworpen, en wordt
gemeenlijk omstreeks 30 jaaren oud. Dat hij in het
zuidelijk gedeelte des aardbodems t' huis behoort,
[Seite 132] wordt door de gelijkluidenheid van naam ook in
de noordsche taalen waarschijnelijk. Eertijds bragt
Egypten(*) de beste Ezels voort; thans vindt
men de schoonste en tot het fokken der Muil-
ezels meest gezochte soorten in Spanjen, alwaar
de uitvoer der fok-ezels op levens-straffe verbo-
den is. In het noordelijkst deel van Europa, is
de Ezel nog in het geheel niet overgeplant. Hij
veraart weinig, op het hoogst genomen eenigzints in
kleur, doordien er bij voorb. witte Ezels gevon-
den worden.

* * *

Het Paard en de Ezel vermengen zich met elkan-
der, en, brengen tweederlei bastaard-dieren voort,
die, zeer lang leeven, sterk en somtijds (doch
zeer zelden), vruchtbaar zijn.

Het eene is het gewoone Muildier, dat, in het
Latijn Mulus in het Fransch le Mulet(†) genaamd,
door eenen mannelijken Ezel bij een Merrie-Paard
geteeld wordt. Het ander is de Muil-ezel, in het
Lat. onder den naam van Hinnus, in het Fransch on-
der dien van le Bardeau(§) bekend, en voortkomende
uit eene Ezelin die door een Hengst besprongen is.

Deeze laarste evenwel is zeldzaamer, en 't is ook
deeze, die tot het sprookje der zoogenaamden Ju-
marts, dat is, van zulke Bastaard-dieren heeft ge-
teleenheid gegeeven, welke uit de vermenging van
het Paarden-en Ossen-geslacht zouden voortkomen.

[Seite 133]

3. E. Zebra. De Zebra, de Kaapsche Ezel.
Le Zebre. The Sebra or wild Ass. Das Zebrapferd.

Kent. Bruine en witachtige streepen, die zeer
reegelmaatig dwars over het lijf heen loopen.

Buffon, Tom. XII. Pl. I. en Supplem. Tom. III.
Pl. IV. Schreb. Tab. CCCXVI. en Stubbs
naar het leven geteekende en gekleurde afbeelding
in
1771. uitgeg. Vergel. Houtt. I. D. III. St.
bl.
400.

De Zebra (van welke twee geheel van elkander
verschillende soorten bekend zijn, en waar van men
de eene ten onrechte voor het wijfje der andere ge-
houden heeft), bewoont het zuidelijk deel van Afri-
ka, en is ten opzichte der buitengemeene regelmaatige
streepen zijner huid, een der schoonste zoogende die-
ren. Hij leeft troepswijze, is zeer snel, doch wild
ja schier ontembaar, en kan daarom, slechts zeer
zeldzaam en niet dan met groote moeite toe trek-
ken of rijden worden afgericht(*).

IX. Orde. BISCULA. Tweehoevige.

[Seite 134]

Zulke Dieren naamlijk, wier klaauwen of hoe-
ven gespleeten zijn, onder welke de belangrijkste
huis-dieren gevonden worden.

XXX. CAMELUS. DE KAMEEL of
KEEMEL.

Kent. Geen hoornen; de bovenlippen geklievd, als
die der Haazen; de hoeven niet geheel doorgesplee-
ten
(*); in de onderkaak 6 spaatelvormige voor-
tanden; de hoek-tanden staan afzonderlijk, van dee-
ze zijn er boven
3, onder 2.

1. C. Dromedarius. De gewoone Keemel.
Le Dromedaire(†). Das gemeine Camel.

Kent. Eene bult op den rug.

Buffon, Tom. XI. Pl. IX. Schreber, Tab.
CCCIII. Houtt. I. D. III. St. bl. 2. en volg.

De Keemel die nog hier en daar in Asiën, voor-
naamlijk in de woestijnen tusschen China en Indiën
[Seite 135] wild gevonden wordt, is thans zo wel voor geheel
het Oosten als voor het noordelijk en middelste ge-
deelte van Afrika een der nuttigste huis-dieren.
Ook in Europa, heeft men beproeft om hem te doen
voortteelen, zo als dit werklijk te Pisa met goed ge-
volg, en zelfs beeter dan op Jamaika, geschiedt.
Hij kan een last van duizend en meer(*) ponden
draagen en in één dag twaalf mijlen op eenen zagten
draf afleggen. Hij kan lang honger lijden, en eet
even als de Ezel slecht voeder; distelen naamlijk en
doornachtige struiken, die in de woestijnen meenig-
vuldig groeien, die voor geene andere zoogende
dieren tot voeder dienen, en door den Keemel al-
leen, (daarom ook met kraakbeenige lippen en tand-
vleesch voorzien), kunnen gegeeten worden. Ook
kan hij, gelijk men verzeekert, verscheidene wee-
ken lang, den dorst verduuren, wijl het water in
zijne maag lang kan opgehouden en als 't ware in
voorraad bewaard worden, zonder bederf, ja zelfs
zonder eenige aanmerkelijke verandering te ondergaan;
waarom hij ook verbaazend veel, op éénmaal drin-
ken kan. Beide, zo wel deeze als de volgende soort
van het Kameel-geslacht, hebben voor aan de borst,
eenen grooten eelt-knobbel, vier dergelijke, doch
kleinere, aan de voor-en twéé aan de agter-pooten,
welke hun dienen om op te leunen, als zij moede
zijn en zich willen nederleggen.

[Seite 136]

2. C. Bactrianus. De tweebultige Keemel.
Le Chameau. The Camel. Das Trampelthier.

Kent. Twee bulten op den rug.

Buffon, Tom. XI. Pl. XXII. Schreb. Tab. CCCIV.
Vergel. Houtt. I. D. III. St. bl. 22.

Deeze tweebultige Keemel, die meer in het mid-
delste deel van Asiën, tot aan de grenzen van Chi-
na woont, en die men vooral bij zeer groote troe-
pen in Bessarabien enz. vindt, wordt niet zoo mee-
nigvuldig als de voorige soort tot lastdraagen, maar-
om zijnen zeer snellen draf en natuurlijken zadel,
meer om te rijden, en bij de Tartaren voornaam-
lijk als een trekdier gebruikt.

3. C. Llama. De Peruviaansche Keemel. Le
Lama.
Die Camelziege. Suanaco.

Kent. De rug ongebult; een eeltachtige knobbel
onder aan den horst.

Buffon, Hist. Nat Tom. XIII. p. 16 en Supplem.
Tom.
VI. Pl. XXVII. p. 204 Schreber, Tab.
CCCVI. Vergel. Houtt I D. III St. bl. 26.

Dit en het naast volgende dier behooren beide in
Zuid-Amerika, vooral in Quito en het gebergte van
Peru t' huis. In leevenswijze gelijken zij de Keemelen
der oude wereld, doch zij zijn veel kleiner en heb-
ben in hunne gedaante, veel overeenkoomst met de
Geiten. De Llama, benevens de daar aan verwante
Pacos, waren de eenigste schepselen, die door de
Amerikaanen voor de aankoomst der Spanjaarden als
huis-dieren gehouden wierden. Schoon het middel-
[Seite 137] maatig van grootte is, draagt het echter een' last van
hondert en vijftig ponden, en wordt voornaamlijk
bij geheele karavaanen gebruikt, tot het vervoeren
der zilver-staaven uit de bergwerken van Potosi.
Men kan slechts korte dag-reizen met het zelve af-
leggen, en wanneer het met geweld voortgedree-
ven of overladen wordt, legt het zich terstond nee-
der, en moet, daar het gelijk men verzeekerd, door
geenerlei middel weder op de been te krijgen is,
geslacht worden.

4. C. Vicunna. De Schaap-keemel, het
Schaap van Chili. La Vigogne. Das Schafcamel.

Kent. Geen bulten op den rug; het lijf met
wol bezet.

Buffon Supplem. Tom. VI. Tab. XXVIII & Hist.
Nat. Tom.
XIII. p. 16. & suiv. Schreber.
Tab. CCCVII. Houtt. I. D. III. St. bl. 28.

Hij is kleiner dan de Llama, onbekwaam tot last-
draagen, en laat zich ook over het algemeen geno-
men, niet temmen. Hij wordt echter om zijn rood-
bruin haair, dat de zo bekende Vigogne-wol oplee-
vert, op groote, ten uiterste moeilijke en maanden
lang duurende drijf-jagten, troepsgewijze gevangen.
Ook bekoomt men nog van hem, den zoogenaam-
de occidentaalschen of west-indischen Bezoar.

XXXI. CAPRA. DE GEIT.

Kent. De hoornen hol, gerimpeld en ruuw; geen
voor-tanden in de boven-kaak; in de onder-kaak 8.;
geen hoek-tanden.

[Seite 138]

1. C. Ovis. Ovis Aries, Linn. Het Schaap.
Le Brebis. The Sheep. Das Schaf.

Kent. Geen baard aan den kin: de hoornen plat-
achtig en halve maans-wijze geboogen.

Buffon, Hist. Nat. Tom. V. Pl. I – VII. p. 1.
Verg. Houtt I. D. III. St. bl. 221.

Het Schaap dat men in zijnen oorspronglijk wil-
den staat nergens meer aantreft, ja dat zelfs zo 't
schijnt niet meer verwilderen kan, wordt in de ou-
de wereld, overal voor één der nuttigste huis-dieren
gehouden, en is daarom reeds kort na de ontdek-
king van Amerika, ook derwaards overgebragt. –
Deeze zo evengemelde schier volkomene t'onder-
brenging of uitdooving van den aangeboorenen
wilden aart der Schaapen, beneffens hunne daar
door ook geheele veranderde levenswijze, zijn mis-
schien oorzaaken geworden, dat, geene dieren zoo
veele ziekten onderworpen zijn en van zoo veeler-
lei ongedierte geplaagd worden, als deeze.

Onder de verschillende rassen der Schaapen, ver-
dienen onze opmerking voornaamlijk, die van Tibet,
uit welker ongemeen zachte wol de Schaul bereid
wordt; de Spaansche uit Segoviën, daarna de En-
gelsche,
beide om hunne schoone wol; gelijk ook
de Yslandsche met vier, zes of agt hoornen, en de
Arabische met haaren grooten vetten staart, die soms
wel 40. ponden zwaar is. De Schaapen welke tus-
schen de keerkringen gevonden worden, hebben in
plaats van de gewoone gekroesde wol, meestal sluik
geiten-haair en die van het zuidelijk Afrika behal-
ven dit, nog lange neerhangende ooren. Inl.

[Seite 139]

2. C. Ammon. Het Ammons Schaap: De
Musmon
van plinius, Le Mouflon van buf-
fon
. Das Muffelthier/ Argali.

Kent. Boogswijze omgekromde hoornen, die van
onderen eenigzints plat zijn; aan de zijden van de
keel zagte ruige kwabben.

Pallas Spicileg. Zoolog. Fasc. XI. Tab. I. & II.
Schreb. Tab. CCLXXXVIII. Vergel. Buffon
Tom. XI. p. 352. Boswell bericht van Cor-
sica bl.
44. & Houtt. I. D. III. St. p. 217.

Dit dier bewoont verscheidene streeken der oude
wereld, zo als bij voorb. Corsica, Sardiniën, Grie-
kenland en Barbarijën; voornaamlijk echter Siberiën,
tot aan de grenzen van Kamschatka, en de Kurilische
Eilanden. Dat van het noordelijke deel van Asiën
is een groot en teffens zeer vlug dier, met zeer
groote en zwaare hoornen(*), het welk door
sommige hedendaagsche natuur-onderzoekers voor
het oorspronglijke wilde Schaap gehouden wordt.

3. C. Hircus. De Bok. La Chevre. The Goat.
Die Ziege.

Kent. Een baard aan de kin; de hoornen boogs-
wijze krom en gekield.

Buffon, Tom. V. Pl. VIII. & IX. p. 27. Vergel.
Houtt. I. D. III. St. bl. 156.

[Seite 140]

Onze Huis-geit schijnt aftestammen van den zo-
genaamden Capra aegagrus, een wild dier, dat tot
dit geslacht behoort, dat de woestste plaatsen van
den Caucasus en de daar aan grenzende oostwaards
gelegene bergen bewoont, en in wiens maag somtijds
den oosterschen Bezoarsteen gevorden wordt, om
welken sommigen aan het dier zelven den naam van
Bezoar-bok gegeeven hebben(*).

De tamme of zogenaamde Huis-geit van haaren
oorsprongelijken aart meer overgehouden hebbende
dan het Schaap, keert om deeze reden ligtelijk we-
derom tot zijnen wilden staat terug(†). Zij is
thans over den aard-bol even zo verre vespreid als
het Schaap, en eet onder anderen, ook zonder ee-
nigen hinder, de voor den mensch en veele an-
dere dieren, vergiftigen Scheerling, (Cicuta virosa
linn).

Zonderling is het, dat men van het vloeiën van
melk uit de teepels der mannetjes, bij dit geslacht
van dieren, ongelijk meer voorbeelden gezien heeft,
dan wel bij anderen. Inl.

De Geit van Angora, (zie buffon Tom. V.
Pl. X. & XI. p. 71.) heeft een korter lijf en
[Seite 141] langere pooten dan de gewoone Geit; haar lang
ziijdenächtig haair levert het beste zoogenaamde ke-
mels-gaaren op, het welk zeer verre de voor-
keur verdient boven dat, 't geen uit het haair van
den waaren Kameel bereid wordt.

4. C. Ibex. De Steenbok. Le Bouquetin. The
wild Goat.
Der Steinbock.

Kent. Een baard aan de kin; zeer groote, van
boven knobbelige, en halve maanswijze naar den rug
omgeboogene hoornen.

Buffon, Tom. XII. Pl. XIII. p. 136. Schre-
ber
, Tab. CCLXXXI. Vergel. Houtt. I. D.
III. St. p. 176.

Dit dier, dat de hoogste sneeuwbergen en steen-
rotsen van Tyrol en Savoyen, gelijk ook Candia,
en de Siberische alpen bewoont, houdt aldaar zijn
verblijf alleenlijk op de steilste en voor menschen
bijna ontoeganglijke rotsen. Het wordt grooter
dan onze gewoone Geit, en springt evenwel met on-
gemeene vlugheid, over scherpe steen-rotsen en
diepe afgronden van de eene klip op de andere.
De hoornen van een' bejaarden Steenbok, weegen
wel 20. ponden, en hebben doorgaans, even zo
veele knoestige ringen op iedere zijde.

XXXII. ANTILOPE. DE HERTE-BOK.

Kent. Holle, rolronde, geringde of spiraalvormige
hoornen. De tanden als die der Geiten.

1. A. Rupicapra. De Gems, de Klip-geit.
Le Chamois. The Chamois. Die Gemse.

[Seite 142]

Kent. Regtopstaande en aan derzelver einde haaks-
wijze omgeboogene hoornen.

Buffon, Tom. XII, Pl. XVI. p. 136 & 137. Schreb.
Tab. CCLXXIX. Vergel. Houtt. I. D. III. St.
p. 180. & Natuurk. Verh. I. D. IV. St. bl. 61.

In Europa heeft dit dier met den Steen-bok bijna
het zelfde vaderland, doch het houdt zich meer op,
in lnagere bergachtige streeken. – Men wil dat de
Gemsen tam gemaakt zijnde, met de Geiten gepaard
en jongen geteeld hebben: hun vleesch, is een smaak-
lijk wildbraad; hun vel, is zacht en tevens zeer digt
van nerf. Uit de onverteerbaare veezelen van hun
voeder, vormen zich in hunne maag ronde ballen
(ægagropilæ), aan welken men weleer, eene won-
derbaare geneezings-kracht heeft toegeschreeven.

2. A. Dorcas. De Afrikaansche Gazelle. La
Gazelle.
Die Gazelle.

Kent. Ronde, geringde, in het midden geboogene,
aan de toppen gladde en digt bij elkander staande
hoornen.

Buffon, Tom. XII. Pl. XXIII. p. 201. Schreber,
Tab. CCLXIX. Vergel. Houtt. I. D. III. St.
bl. Pl.
XXIV. fig. 3.

De Gazelle is een fraai, klein, rank diertje, met
levendige zwarte oogen, dat in de geheele Oost en
het noorden van Afrika schier overal t' huis be-
hoort. In het hooge lied van Salomon wordt er
dikwils van gesprooken, ook is het tegenswoordig
nog in de Oostersche dichtkunde het gewoone zin-
[Seite 143] nebeeld, waar bij schoone jonge dochters vergelee-
ken worden.

3. A. Gnu. De Gnou.

Kent. Hoornen die bij hun grondstuk voorwaards, aan
de toppen naar agteren zijn omgeboogen; aan de kin
een baard; maanhaairen op den nek en aan de borst.

buffon, Suppl. Tom. VI. Pl. VIII & IX. Schreb.
Tab CCLXXX. A. Vosmaer, Beschrijving van
den Gnou of Bosch-buffel van de Kaap de Goede
Hoop. Amst.
1783. Sparmann's reize naar de.
Kaap.
II. St. Pl. XI. bl. 252.

Dit dier bewoont de woeste streeken der bin-
nenlanden aan de Kaap de G. H. Het is bijna
zo groot als een Paard, van eene schoone gestalte,
die meestal het midden houdt, tusschen het geslacht
der Herte-bokken en dat der Ossen, tot welk laatste
het ook door den Hr. Forster gebragt, en Bos
poephagus
genaamd is.

XXXIII. BOS. DE OS.

Kent. Holle, halve maanswijze omgeboogene, glad-
de hoornen. De tanden gelijk die der voorgaande
geslachten.

1. B. Tavrus. De Stier. Le Boeuf. The
Ox.
Der Ochse. Inl.

Kent. Rolronde, buitenwaards gekromde hoornen;
neerhangende borst-kwabben.

Buffon, Tom. IV. Pl. XIV. p. 437. Schreber,
Tab. CCXCVII. Vergel. Houtt. I. D. III. St.
bl.
270.

[Seite 144]

Het rundvee stamt af van het geslacht der wilde
Stieren; naamlijk van den Urus, den Bonasus en den
Bison der oude wereld; deeze drieërlei benaamin-
gen immers schijnen toch gezamentlijk het stam-
ras van ons hoornvee uit te drukken! In Po-
len, Lithauën en Siberiën, wordt dit gedacht
van den wilden Os noch heden gevonden; ook
was het zelve voorheen in Duitschland bekend.
De tamme runderen veräarten in gestalte en grootte
niet zoo aanmerkelijk als de overige onzer huis-die-
ren, en hunne kleur blijft, (in veele oorden ten
minsten), meestal onveranderd. In Zwitserland voor-
naamlijk, gelijk ook op veele plaatsen in Zuid-
Amerika, (op Terra Firma bij voorb. enz. alwaar
liet rundvee in de altijd groene wijden verbaazend
vermeerdert), gebruiken veele duizende menschen,
geduurende hun gantsche leeven geen ander voedzel,
dan dat zij van hunne Koeijen bekomen, van welk
soort van veeteeld, (de eenige waarop zij zich toe-
leggen) en van de meenigvuldige voortbrengselen,
die hun de melk geeft, de welvaard van veele groo-
te landschappen, geheel en al afhangt.

In de maagen deezer dieren vindt men somtijds
ballen, die niet steenachtig, gelijk de Bezoars,
noch ook hunnen oorsprong aan planten ver-
schuldigd zijn, gelijk die der Gemsen; maar die
alleen uit haairen zijn samengesteld, welke zij
van hunne eigene huid gelikt en doorgeslikt heb-
ben. De vee-pest, waaraan deeze dieren bijzon-
der onderhevig zijn, is eene vreeslijke besmettende
ziekte; die, wel is waar, bij de ouden reeds bekend
was, doch, die eerst zedert het Jaar 1711, toen
[Seite 145] zij zich uit Hongarijën door Italiën, over ge-
heel Europa verbreidde, meer algemeen geheerscht
heeft.

Opmerkenswaardig is het, dat onder de tweehoe-
vige meer dan onder eenige andere orde der zoogen-
de dieren, inzonderheid echter onder de schaapen,
doch het meest van allen nog onder de runderen,
lammeren en kalveren ter wereld gebragt worden,
bij wien de deelen ter voortteeling geschikt mis-
vormd en als 't waare uit die der beide kunne zamen-
gesteld zijn.

Intusschen wil men, dat deeze monsterachtige vor-
ming het allermeest bij de tweeling-kalveren zoude
plaats hebben.

2. B. Bison. De bultige Stier. Le Bison
d'Amérique. The American Bull.
Der Buckel Ochse.

Kent. Van elkander gelijkelijk afwijkende hoor-
nen; zeer lange maanen; de rug bultig.

Buffon, Suppl. Tom. III Pl. V. Schreb. Tab.
CCXCVI. Vosmaer. Beschrijving van den Ame-
rikaanschen gebulten Stier, Amsterd.
1772. Pl. X.
Verg. Houtt. I. D. III. St. bl. 329.

De Bison is het groetste land-dier der nieuwe
wereld; en wordt in de gematigde luchtstreeken van
Noord-Amerika gevonden, alwaar het zich troeps-
wijze in moerassige bosschen ophoudt. Des winters
is hij over het geheele lijf met haair bedekt, doch in
bet voorjaar wordt hij op zijn rug en het gant-
sche agterlijf kaal, behoudende als dan niet an-
ders dan zijne ongemeen lange borst-en nek-maa-
[Seite 146] nen. Zijn vleesch is smaakelijker dan dat der ge-
meene koeiën.

3. B. Buffelus of Bubalus. De Buffel.
Le Buffle. The Buffalo. Der Büffel.

Kent. Schuins agterwaards omgeboogene hoornen
die gedraaid en van vooren plat zijn.

Buffon, Tom. XI. Pl. XXV. Schreber, Tab.
CCC. B. Vergel. Houtt. I. D. III. St. p. 327.

Oorspronglijk komt dit dier uit Tibet, van waar
het zich echter van tijd tot tijd, zo door het groot-
ste deel van Asiën als van het Noordelijke Afrika
verspreid heeft, en ook in sommige streeken van Eu-
ropa, gelijk bij voorb. sedert de zevende Eeuw in
Italiën, Hongarijën, ja zelfs thans in het Saltzburg-
sche voortgeteeld en als een trekdier gebruikt wordt.
Twee buffels zijn in staat om de zwaarte van een'
last voort te trekken, die zes paarden naauwelijks in
staat zijn in beweeging te brengen. De Buffel is
morssig en moeijelijk te temmen, zo dat men hem
een ring door den neus moet booren om hem daar
mede te regeeren. Hun vel is zwart, dun behaaird,
uitneemend sterk en zeer bekwaam tot het maaken
van ledere zakken. Hunne melk en de daar van ge-
maakte kaas en boter, ja zelfs hun vleesch is veel
smaakelijker dan dat van het gewoone hoorn-vee.

4. B. Grunniens. De Knor-buffel, Tartaar-
sche Buffel. Le Vache de Tartarie. The Grunting-
bull.
Der Buffel mit dem Pferdeschweif.

Kent. Rolronde en binnenwaards geboogene hoor-
nen; eene afhangende borstkwabbe; de staart
[Seite 147] rondom met lang dik haair bezet, zo als dis van
het Paard.

Buffon, Tom. XV. p. 136. Schreber, Tab.
CCXIX. A. Pallas in Act. Acad. Petropolit.
Tom.
I. Pl. II. Tab. X. en Witsen Beschrijv. van
Noord en Oost Tartarijen
I. D. bl. 342.

Alhoewel die dier insgelijks in Tibet t' huis behoort,
wordt het echter ook in Indiën en elders gevonden
en als een huisdier aangefokt. Het is kleiner als
ons gewoon rund-vee, en onderscheidt zich boven
dien daar van, door zijne grommende stem, vlokkig
geitenhaair en eenen zeer langhaaitigen staart die als
een bos of kwast nederhangt en die wanneer hij
dik en schoon van haair is, in Indiën uitermaate
hoog geschat en zeer duur betaald wordt.

5. B. Moschatus. De Muskus of Bisam-Stier.
Le Boeuf Musquè. The Musk-ox. Der Bisamstier.

Kent. De hoornen zijn krom, aan hun grondstuk
zeer breed en plat, van onderen staan zij digt aan
elkander; aan de toppen zijn zij omgeboogen.

Schreber, Tab. CCCII. A. Buff. Suppl. Tom.
VI. Pl. III. p. 45. Pennant's arctic Zoology,
Tom.
I. Tab. VII.

Dit dier, het welk zich zeer gemaklijk kennen laat,
door de bijzondere gedaante zijner hoornen die soms
zo men wil meer dan 50 ponden weegen, is voor alle
andere ten uiterste merkwaardig, uit hoofde van zijn
vaderland, het welk zich alleenlijk bepaalt tot het
uiterste einde van Noord-Amerika, in het westen
[Seite 148] naamlijk der Hundsonsbaai en van den 66. tot den 73°
noorder breedte is ingeslooten.

XXXIV. GIRAFFA. DE GIRAFFE of
het
KAMEEL-PAARD.

Kent. Ongetakte hoornen die met een enkele huid
of vel bedekt en aan derzelver einde met een bosje
zwart haair omzet zijn; in de bovenkaak geene
voor-
tanden, maar in de onderkaak 8, welke spaatelvor-
mig en waar van de buitenste tweekwabbig zijn; geen

hoek-tanden.

1. G. Camelopardalis. De Kemelpardel.
Le Giraffe. The Camelopard. Die Giraffe.

Vosmaer, Beschrijv. van de Giraffe of het Kameel-
paard, Amst.
1787. Pl. XXI. a. & XXI. b. Buff.
Tom. XIII. p. 1. & Suppl. par allamand, Tom.
V. Pl. XIX. & XX. Verg. Schreb. Tab. CCLV.
& Capt. Carteret in de Philosoph. Transact. Vol.
LX. Tab. I. Houtt. I. D. III. St. bl. 36 en volg.

Dit Dier bewoont de binnenste deelen van Afrika.
Wegens zijnen langen hals, kort lijf, afhellenden
rug en zijne roodachtige fraai gevlekte huid, heeft
het een zeer bevallig voorkoomen. – Volgens de
berichten der reizigers zoude het in zijnen stap, even
als de telgangers onder de Paarden, de voor en ag-
tervoet van dezelfde zijde altijd te gelijk opligten,
en deswegen een zeer zonderlingen gang hebben,
van welke men wil, dat de beweeging van het Paard
in het schaakspel zouden ontleend zijn. Regt op.
staande, is het zestien voeten hoog. Zijn voed-
zel bestaat uit boom-bladen, die het door middel
[Seite 149] van de tong, welke twee voeten lang is en de ge-
daante van een Aal heeft, afplukt.

XXXV. CERVUS. HET HERT.

Kent. De hoornen zijn veeltakkig en niet hol; de
tanden als die der Geiten en Hertebokken; (somtijds
evenwel zijn er in de bovenkaak
hoek-tanden, wel-
ke van de andere geheel zijn afgescheiden.)

1. C. Alces. De Eland, L'Elan. The Elk.
Das Elennthier.

Kent. Platte, stamlooze handvormige hoornen.

Buffon, Tom. XII. Pl. VII-IX. p. 79. Schreb.
Tab. CCXVI. Vergel. Houtt. I. D. III. St.
p.
40.

Hij bewoont het geheele noorder gedeelte des
aardbodems, (en indien de Noord-Amerikaansche
Eland, door de Franschen l'Orignal en door de
Engelschen the Mose-deer genaamd,(*) geen afzon-
derlijk soort uitmaakt, moet dezelve tot deeze ge-
bragt worden). Hij heeft bijna de grootte van een
Paard, weegt soms meer dan 1200 en zijne hoornen
alléén ruim 56 ponden. In zijne levenswijze komt
hij het meest met het Rendier over een, ook kan
hij tam gemaakt worden, in zo verre zelfs, dat men
hem bij geheele kudden in de weiden kan doen
[Seite 150] graazen. Het vleesch van den Eland is zeer smaa-
kelijk en zijne huid zeer digt van nerf. De oude
vertellingen, als of dit dier aan de vallende ziekte
onderheevïg, en dat ringen en hals-snoeren van
Elands-klaauwen voor den mensch krachtige midde-
len tegen dit en andere ongemakken zijn zouden,
verdienen thans geene wederlegging meer.

2. C. Dama. Het. Dam-hert of Vaal-hert,
Le Dain. The Fallow-deer.

Kent. Takachtige en aan beide de zijden platte
hoornen, die boven aan hun einde handvormig zijn.

Buffon, Tom. VI. Pl. XXVII & XXVIII. p. 177.
Schreb. Tab. CCXLIX. A. & B. Houtt. I.
D. III. St. Pl. XXII. fig. 2. bl. 126.

Het woont in de gemaatigde luchtstreeken van
Europa, is kleiner dan het gemeene Hert en heeft
geene algemeen eigene kleur, doordien er bruine ge-
vlakte en ook geheel witte Dam-herten gevonden
worden. Inl.

3. C. Tarandus. C. Rangifer. Het Ren-
dier. Le Renne. The Rein. Das Rehnthier.

Kent. Lange, ongetakte, rolronde hoornen, wel-
ker toppen eenigermaate handvormig zijn; neerhan-
hangende maan-haairen aan de keel.

Schreber, Tab. CCXLVII. A. B. & C. Buff.
Tom. XII. Pl. X–XII. p. 79.

Dit dier bewoont het gantsche noorder wereld-
deel, en dat wel, zo als te Kamschatka, bij groote
troepen, van 1000 stuks en zoms meer. Des zo-
[Seite 151] mers houdt het zich in het gebergte en de bosschen
op; des winters daarentegen meer in de vlaktens
en op de hei-velden daar mos-planten groei-
jen: warme luchtstreeken kan het niet verduuren.
De Laplanders, de Kosakken, Tungusen en Samo-
jeden weeten er op allerlei wijze gebruik van te
maaken, doordien zij zich met het vleesch en de
melk deezer dieren voeden, uit de huid kleede-
ren bereiden en er hunne sleeden en tenten mede
overtrekken; het dier zelfs dient hun tot trekken
en lastdraagen; uit deszelfs hoornen maaken zij al-
lerhande huisraad, uit de beenderen naalden, uit de
zenuwen gaaren, en zelfs van de pis-blaas zakken
en slesschen. Het Rendier leeft van verdord loof,
voornaamlijk echter van het na hem genoemde Ren-
dieren-mos (Lichen Rangiferinus linn.), het welk
door hun uit de sneeuw wordt opgedolven.

5. C. Elaphus. Het Hert. Le Cerf. The
Stag.
Der Hirsch.

Kent. Takkige, geheel rolronde, zijdelings-bin-
nenwaards omgeboogene hoornen, welker toppen in
verscheidene punten verdeeld zijn.

Buffon, Tom. VI. Pl. IX-XII. p. 63. Schreb.
Tab. CCXLVII. A. B. C. D. E. Verg. Houtt.
I. D. III. St. bl. 59.

Het Hert heeft over het geheel genomen, het
zelfde vaderland als het Eland dier, met dit onder-
scheid alleen, dat, het zich vooral in zulke land-
streeken ophoudt, welke op meer zuidelijke breed-
te liggen. In het voorjaar werpt het zijne hoor-
[Seite 152] nen af, in welker plaats, binnen den tijd van om-
trend drie maanden daar na, andere die volkomen
hard en nog grooter en takkiger zijn dan de afge-
vallene on nieuw aangroeijen. Het getal echter der
takken of toppen van hun gewij reegelt zich niet
naauwkeurig naar den ouderdom deezer dieren,
doordien het zelve na hun agtste jaar onzee-
ker is: Een groot en fraai gewij heeft van 18
tot 24 waare enden. Het Hert wordt omtrend
dertig jaaren oud, somtijds zelfs nog ouder. Zijn
Bronstijd valt in September en duurt wel zes wee-
ken. Inl.

5. C. Capreolus. Het Rhee. Le Chevreuil.
The Roe.
Das Reh.

Kent. Takkige, rolronde en regt opstaande hoor-
nen, welker enden in
2 toppen of takken uitloopen.

Buffon, Tom. VI. Pl. XXXII. p. 213. Schreber,
Tab. CCLII. A. & B. Vergel. Houtt. I. D.
III. St. bl. 141.

Dir soort van Herten bewoont de gemaatigde
en warme luchtstreeken van Europa en Asia. De
Rhee-bok werpt zijn gewij, (het welk meer dan
bij andere soorten van dit geslacht door zonderlin-
ge uitwassen van zijne gewoone richting afwijkt),
in den herfst af en wordt in December bronstig. Inl.

XXXVI. MOSCHUS. HET MUSKUS-
DIER.

Kent. Geen hoornen. De voor-tanden, als die
der naast roorgaande geslachten; de
hoek-tanden in
[Seite 153] de bovenkaak, staan allen en steeken buiten de lippen
uit.

1. M. Moschiferus. Het Muskus-dier. Le
Musc. The Musk.
Das Bisamthier.

Kent. Een vliesachtig beursje in den omtrek van
den navel.

Buffon, Suppl. Tom. VI. Tab. XXIX. p. 228. Schreb.
Tab. CCXLII. Verg. Houtt. I. D. III. St. bl. 29.

Dit dier leeft zeer eenzaam in de digte bosschen
en bergachtige streeken van Tibet en het zuidelijke
deel van Siberiën. Het is zeer vlug, doch bij uit-
stek schuuw. Het mannetje heeft in den omtrek
van den navel, een zakje of beursje, ter grootte
van een hoender ey, waar in de muskus, dat voor-
treffelijk en weldaadig geneesmiddel gevonden wordt.

2. M. Pygmaeus. Het Guineesch Rheetje.
Le Chevrotain des Indes Orientales. The Guinea Musk.
Das kleine Guineische Rehchen.

Kent. De rug donker bruin; de buik wit; geen
bij- of zogenaamde agter-hoeven.

Seba, Thes. Tom. I. Tab. XLV. fig. 1. Buffon,
Tom. XII. Pl. XLII & XLIII. Schreber,
Tab. CCXLIV. Vergel. Houtt. I. D. III. St.
bl.
194.

Dit is het kleinste dier van deeze geheele orde.
Het worde in Oost-Indien en op Guinea gevonden
en heeft de gestalte van een Rhee, doch het is zo
tenger en fijn van maakzel, dat deszelfs pootjes in
[Seite 154] het geheel genomen maar een' vinger lang zijn en
omtrend de dikte van een pijpen-steel hebben.

XXXVII. SUS. HET ZWIJN.

Kent, Een stompe, voor uitsteekende, beweegbaare
snuit; in de bovenkaak
4 naar elkander toehellende
voor-tanden, (behalven echter bij het Ætiopische
Zwijn 't welk er in 't geheel geen heeft): bij de
meeste zijn er in de onderkaak
6 die voorwaards uit-
steeken; in iedere kaak
2 hoek-tanden, waar van
de bovenste korter zijn dan de onderste welke laatste
buiten de lippen uitkomen.

1. S. Scrofa. Het wilde Zwijn. Le Sanglier.
The wild Boar.
Das Schwein.(*).

Kent. Borstel-haair op den rug; de staart haai-
rig.

Buffon, Tom. V. Pl. XIV-XVI. p. 99. Schre-
ber
, Tab, CCCXX. Vergel. Houtt. I. D.
II. St. bl. 250.

Het wilde Zwijn heeft een' langeren shuit en over
het algemeen genoomen, eene gantsch andere ge-
daante van bekkeneel, ook kortere opstaande ooren
en grootere slagtanden dan het gewoone tamme Var-
ken; zijn vleesch is met geen spek omgeeven, ook
is het nooit gortig of ongaaf en bijna altijd zwart-
[Seite 155] achtig van kleur. Ofschoon dit dier op het uiterlijk
aanzien, een vreesverwekkend voorkoomen heeft,
vooral door zijne groote slagtanden, waar mede het
zich, gelijk men somtijds in Barbarijën gezien heeft,
zelfs tegen den Leeuw zeer moedig verdeedigen
kan; zijn er echter voorbeelden, dat de biggen van
een wild Zwijn, zich in zo verre zelfs hebben laa-
ten tam maaken, dat zij onder anderen, ook nader-
hand toen zij volwassen waren, even als de honden
hunnen meester overal volgden. Onder alle de die-
ren zijn er weinige, die zo algemeen over het aard-
rijk verspreid zijn, als het tamme Varken of zoge-
naamde Huis-zwijn, het welk, van de oudste tij-
den en onder allerlei luchtstreeken, (met uitzonde-
ring echter van eenige volkeren, die uit godsdiensti-
ge begrippen, op geneeskundige gronden steunende,
geen zwijnen-vleesch eeten mogen,) tot spijze ge-
bruikt wordt: het geen ook te minder te verwonde-
ren is, daar het zwijnen-vleesch boven alle anderen
het groote voorrecht heeft, om naamlijk gerookt
en ingezouten en daar door, zeer lang tegen bederf
te kunnen bewaard worden. Het Zwijn is onge-
meen scherp van reuk en gebruikt schier alles tot
voedzel, wat het slechts doorzwelgen kan. Van al-
le de dieren die gespleetene klaauwen hebben, werpt
de Zogge de meeste jongen.

In Amerika, werwaards men de Zwijnen uit Eu-
ropa heeft overgebragt, zijn zij voor een gedeelte
geheel verwilderd, en 't zijn deeze, die de Franschen
Cochons Marons noemen. Op Cuba worden zij meer
dan eens zo groot, als hun Europisch stam-ras zel-
ve, en op Cubogua heeft men hun zien ontäarten in
[Seite 156] een monsterachtig ras, het welk klaauwen had die
een halve span lang waren. De Chineesche Zwij-
nen, door de Fransche Cochons de Siam genaamd,
hebben kortere pooten en eenen hollen rug, die
met geen borstel-haair bezet is.

In Sweeden en Hongarijën vindt men veel, eene
verscheidenheid van zwijnen die ongespleetene klaau-
wen hebben, en aan de ouden reeds zijn bekend
geweest, ook heeft men er gezien welker klaauwen
drie vingers hadden. Over het algemeen geno-
men, worden bij dit huis-dier, door de medewer-
kende oorzaaken der ontäarting gewis nog meenig-
vuldiger en meer verwonderlijke verscheidenheden
gevonden, dan bij het volkomendste van alle huis-
dieren, den mensch zelve naamlijk. Inl.

2. S. Aethiopicus. Het Aethiopisch Zwijn.
Le Sanglier du Cap vert van buffon. The Aethio-
pian Hog.
Das Emgalo.

Kent. Zagte klierachtige beursjes onder de oogen.

Vosmaer, Beschrijving en afbeelding van het Afri-
kaansche Bosch-zwijn, Amst.
1766. Buffon,
Suppl. Tom. III. Pl. II. p. 76.

Dit vreeslijk wild en leelijk dier, dat de binnen-
landen van Zuid Afrika, en ook Madagascar be-
woont, heeft een' grooten kop, een snuit wel een
hand-span breed en groote wrattige vleesch-lappen
onder de oogen.

3. S. Tajassu. Het Muskus-Zwijn. Le Pe-
cari. The Mexican Hog.
Das Bisamschwein.

[Seite 157]

Kent. Geen staart; een beursje dat een soort van
muskus in zich bevat, digt bij het stuit-been
.

Buffon, Tom. X. Pl. III. & IV. p. 21 Schreb.
Tab. CCCXXV.

Het Muskus- of Bisam-zwijn, dat troepsgewijze
de warmste landen van Zuid-Amerika bewoont,
is in zijne leevenswijze veel reiner dan ons Var-
ken, alhoewel het zich even als dit met worte-
len, kleine dieren en inzonderheid ook met slan-
gen voedt. Zijn vleesch is eetbaar en zelfs
zeer goed van smaak, mits echter, dat men zo
dra het dier gedood is, het beursje uit den rug
snijde, wijl het anders met den sterken Bisam-
reuk doortrokken en als dan oneetbaar wordt.
Op 't hoogst genomen, wordt het slechts 60 pon-
den zwaar.

4. S. Babirussa(*). Het Babirousa Zwijn.
of Hoornvarken. Le Babyroussa. The Indian Hog.
Der Hirscheber.

Kent. In de bovenkaak 2 zeer groote agterwaards
omgekrulde
hoek-tanden.

Seba, Thes. Tom. I. Tab. L. fig. 2. p. 80. Hist.
Nat. Tom.
XII. Pl. XLVIII. p. 379. Buffon,
Suppl. Tom. III. Pl. XII. p. 91. Verg. Houtt.
I. D. II. St. bl. 274.

[Seite 158]

Men vindt dit dier op de Moluksche eilanden
en in sommige streeken van Afrika; in zijne gestalte
heeft het zo als ook de naam aanduidt, eenige over-
ëenkoomst met het Hert. Het leeft aan het wa-
ter en kan zeer goed zwemmen en onderduiken.
Tot nog toe, blijft het moeilijk te bepaalen, waar
toe de cirkelvormige groote hoek-tanden der boven-
kaak, aan het zelve dienen mogen.

xxx

X. Orde. BELLUAE.
schrik-dieren.

[Seite 159]

Deeze Orde bevat naamlijk die geweldig groote en
naar het uiterlijk aanzien, zeer logge en lompe die-
ren, welke meestal dikke voeten en eene sterke maar
dun behaairde huid hebben. Zij bestaat uit weinige
geslachten, ieder slechts van één of twéé soorten.

XXXVIII. TAPIR. DE TAPIR.

Kent. Het uiterlijk aanzien als dat van een Var-
ken; in iedere kaak
10 snij-tanden; geen hoek-tan-
den; aan de voorste voeten 4, aan de agterste 3
klaauwen.

1. T. Suillus. De Tapir, het Water-zwijn.
Le Tapir, Ie Manipouris, l'Anta, The Tapir. Der
Tapir.

Buff. Tom. XI. Pl. XLIII. p. 444 & Suppl. Tom. VI.
Pl. I. p. 1. Verg. Houtt. I. D. III. St. bl. 420.

De Tapir is het grootste van alle de land-dieren
uit Zuid-Amerika. Zijne lighaamsgestalte is als die
van een' middelmaatigen Os. Zijne kop en schenkels
zijn bijna als die van een Varken; de snuit heeft
veel van die van den Olyphant, doch is maar ee-
ne span lang en niet voorzien met een haakvormig
spits, maar echter zeer buigzaam en geschikt tot
[Seite 160] het doen van veelerlei kunst-verrichtingen. Het
dier zelve is zeer schuuw, bij dag ligt het in laage
moerassige bosschen en gaat slechts des nachts uit,
om de kost te zoeken: meestal zet het zich op zij-
ne agterpooten gelijk een Hond. Het gaat ook
gaarn te water en zwemt zeer goed.

XXXIX. ELEPHAS. DE ELEPHANT,
of OLYPHANT.

Kent. Een zeer lange grijpsnuit; geen voor-tan-
den; de bovenste hoek-tanden langer dan de ove-
rige.

1. E. Maximus. De Elephant. l'Elephant.

Buffon, Tom. XI. Pl. I. p. 1. Suppl. Tom. III.
Pl. LIX. & Tom. VI. Pl. II. Schreb. Tab.
LXXVIII. Verg. houtt I. D. I. St. bl. 419.

Dit verwonderingswaardige schepsel, wordt niet al-
leen in de middelste deelen van Afrika(*), maar ook
in de zuidelijke van Asiën, doch voornaamlijk op Cei-
lon gevonden, en is het grootste van alle land-die-
ren, dat wel vijftien voeten hoog wordt en op zijn
twintigste jaar omtrend zeven duizend ponden weegt.
Zijne huid is ruuw, vol rimpels, op den rug bijna
[Seite 161] een duim dik, maar met dit al, zelfs voor een vliegen-
steek gevoelig en meestal graauw van kleur. Het voor-
naamste kunst-werktuig van den Elephant is zijne
tromp of snuit, die hem tot adem haalen, tot zeer
scherp te ruiken, tot brullen, tot het inzuigen van
water, het aanvatten en in den mond steeken van
zijn voeder, tot vechten, tot duizenderlei onbegrij-
pelijke kunstige verrichtingen en in de plaats van
handen dient: Hij kan dezelve ter lengte van drie
ellen uitsteeken en tot die van ééne el weder in-
trekken, aan het eind' is deeze snuit als met eenen
buigzaamen haak voorzien, waarmeede hij knoopen
en gespen los maaken, verscheidene stukken geld te
gelijk opneemen, slooten met sleutels openen, de
kleinste bloemen afplukken en veele andere kunst-
beweegingen verrichten kan. Zijn voedsel bestaat
alleenlijk uit voortbrengzelen van het planten-rijk,
zo als bij voorb. uit het loof van boomen, uit rijst
en andere gras-planten.

De Elephant houdt zich gaarne op in vochtige plaat-
sen, digt aan het water; ook zwemt hij met eene
ongemeene vaardigheid, zelfs door de snelste stroo-
men; bij de paaring zegt men, dat hij, gelijk de
meeste zoogende dieren, het wijfje bespringt. Het
pas geworpen jong, heeft omtrend de grootte van
een wild zwijn, en zuigt, niet gelijk veele gemeend
hebben, met den snuit, maar met den mond. Omtrend
het derde of vierde jaar, beginnen zo wel bij de eene
als bij de andere kunne deezer dieren, de twee groo-
te hoek-tanden, welke ons het Elpenbeen geeven,
doch die, wat hunne samenstelling betreft van de
tanden aller andere dieren afwijken, uittebotten; zij
worden wel 7 à 8 voeten lang, en zijn meer ge-
[Seite 162] boogen, naar gelang zij ouder worden: Nu en dan
heeft men er gezien die omtrend 160. ponden woo-
gen. De ouderdom der Elephanten is niet naauw-
keurig te bepaalen, waarschijnlijk echter is het dat
zij tot over de twee honderd jaaren bereiken; zij
worden op verschillende wijzen gevangen, gedeel-
telijk in kuilen, meest echter in drijf-jachten, ge-
lijk ook door middel van tamme Elephanten, die,
daar op geleerd zijnde, door de wilden worden ge-
volgd, en deeze op zulk eene wijze in bijzonder daar
toe ingerichte stallen heen lokken. In oude tijden
bediende men zig van deeze dieren veel in den oorlog,
en ofschoon zij zedert de uitvinding van het buskruid,
hier toe minder geschikt zijn, worden zij echter te-
genswoordig nog door de Indiaanen op Ceilon en
elders, na alvoorens met Opium eenigsints dronken
gemaakt te zijn, daar toe gebruikt. Thans even-
wel dienen zij meest tot last draagen, waar toe
zij door hunne groote kracht, het best geschikt
zijn, doordien zij op het minst genomen, een'
vragt van wel twee duizend ponden dragen en daar
meede hooge bergen opklouteren kunnen. Hun
gang is snel, gelijkt veel naar een korten galop, en
is tevens zoo vast, dat zij zelfs op ongebaande
weegen nimmer struikelen. Een ander en nog ge-
wichtiger voordeel, dat men van den Elephant
trekt, is het elpenbeen, het welk men sedert den
Trojaanschen oorlog(a) tot allerlei kunstwerken
[Seite 163] gebruikt heeft. Men zegt, dat het vleesch van den
Elephant veel overeenkomst met dat van het rund-
vee heeft. Zijne gedroogde mist, wordt op Cei-
lon, in plaats van koolen gebrand en ook door de
pottebakkers onder de kleij gemengd.(*)

XL. RHINOCEROS. DE NEUSHOORN.
De Rhinoceros.

Kent. Eén kegelvormige hoorn, die van binnen
niet hol is en op de neus zit.

1. R. Unicornis. De Asiatische Neushoorn,
De eenhoornige Rhinoceros. Le Rhinoceros d'Asie.
The Asiatic Rhinoceros
. Das Asiatische Nashorn.

Kent. Eén enkele hoorn. Boven en onder vier voor-
tanden, waar van de onderste kegelvormig, de boven-
ste eenigzints gekwabt zijn, geen
hoek-tanden.

Buffon Tom. XI. Pl. VII. p. 174. b. s. albini
Hist. Musculorum Corp. Hum. Tab. IV. & VIII. en
j. e. ridinger's Afbeelding 1748. uitgeg.
Verg. houtt. I. D. II. St. bl. 329.

Dit dier, dat in Oost-Indiën woont, heeft aan
het einde der bovenlip, een' snuitachtigen, zeer be-
[Seite 164] weegbaaren haak, van welken het zich tot het aanvat-
ten en opheffen van kleine dingen zeer geschikt, be-
dient. Evenwel is het over het geheel genomen,
een zeer dom dier. Zijne huid heeft het aanzien
van geplooid te zijn, en is voor het overige ruuw
en rimpelig. De hoorn die hij op den neus draagt,
is niet gelijk bij andere gehoornde dieren, aan het
been vast, maar alleen met de huid zaamen ge-
groeid. Schoon het waar is, dat de Rhinoceros
voor den Elephant de vlugt neemt, is het echter
een verkeerd voorgeven, dat er tusschen deeze die-
ren, eene als aangeboorene en altoosduurende vij-
andschap zoude plaats hebben.

2. R. Bicornis. De tweehoornige of Afri-
kaansche Rhinoceros. Le Rhinoceros d'Afrique.
Das Africanische Nashorn.

Kent. Twee hoornen voor elkander. noch voor-noch
hoek-tanden.

Buffon Suppl. Tom. VI. Pl. VI. p. 78. p. camper.
Natuurk. Verhandel. bl. 146. Tab. I. II. & III.
Vergel, houtt. I. D. II. St. p. 347. & gme-
lin
in de Verhandel. der Haarl. Maatschappij.
IX. D. III. St. bl. 632.

Deeze bewoont de zuidelijke deelen van Afrika,
de Kaap de Goede Hoop enz. zijn tweede hoorn
is kleiner dan de eerste, en staat opwaards naar
het voorhoofd gericht.

XLI. HIPPOPOTAMUS. HET RIVIER-
PAARD.

Kent. De voortanden der bovenkaak zijn van el-
kander afgescheiden, de onderste buitenwaards omgebo-
[Seite 165] gen; in de onderkaak zijn de
hoektanden gekromd
en schuins afgeknot:

1. H. Amphibius. Het Rivier-Paard. Le
Hippopotame. The Hippopotamus.
Das Nilpferd.

Buffon Suppl. Tom. III. Pl. LXII, LXIII. vol. VI
Pl. IV, V. j. c. klockner Natuurl. Hist. van
den Hippopotamus of het Rivier-Paard, Am-
sterdam
1775. met afb. Vergel. houtt. I. D.
III. St. bl. 405.

Het Rivier-Paard wordt meenigvuldig in de zuide-
lijkste deelen van Afrika gevonden, ook trof men het
voorheen in den Nijl aan; het is een zeer lomp en log
dier, met eenen uitermaaten grooten kop, een' vrees-
lijk wijden muil, een dik lijf, en korte pooten. Wan-
neer het volwassen is, weegt het ten minsten vierd'-
half duizend pondon en heeft bijna de grootte van
den Rhinoceros. Het maakt zijn leger in digtbewas-
sene rietvelden, en voedt zich met plantgewassen
en visschen(*). Zijn vleesch is eetbaar.

XI. Orde. PALMATA.
zwempootige
.

[Seite 166]

Deeze Orde, bevat de zoogende dieren met kor-
te zwempooten, en wel

a. zulke, welker pooten waare en duidelijke
zichtbaare toonen hebben, maar welke toonen
slechts door eene zwem-huid of vlies met elkander
verbonden zijn, (pedibus proprie palmatis): en

b. andere, waarvan de pooten dik en de toonen
slechts zeer onduidelijk te bespeuren zijn, zoo
dat derzelver aanweezen bij sommigen alleen door
de nagels kenbaar is. (pedibus pinnatis): de
eerste houden zich het meest op in zoet water,
de laatste alleen in de zee.

a. Die met eene waare of volkomene zwem-huid
tusschen de toonen. (Pedibus proprie pal-
matis.
)

XLII. CASTOR. DE BEVER.

Kent. De agterpooten alléén hebben eene zwem-
huid; in iedere kaak twee
voortanden, van welke de
onderste eenigermaate de gedaante hebben van een
snoeijmes; geen
hoektanden.

1. C. Fiber. De Bever. Le Castor. The Bea-
ver
. Der Viber.

[Seite 167]

Kent. De Staart is van beide zijden plat, eivor-
mig en geschubd.

Buffon. Tom. VIII. Pl. XXXVI. schreber.
Tab. CLXXV. Vergel. houtt. I. D. II. St.
p.
410.

De Bevers bewoonen in de Noordelijke deelen
des aardbodems, die oorden, welke eenzaam en in
de nabijheid van meiren en groote rivieren gelegen
zijn. Hun fijn haair, waar meede men eenen vrij
aanmerkelijken handel drijft en het zogenaamde be-
vergeil, dat bij beide de kunne in een afzonderlijk
beursje onder den staart gevonden en als een genees-
middel gebruikt wordt, hebben hun voor den mensch
zeer belangrijk en nuttig gemaakt. Doch vooral
zijn zij beroemd geworden, door de bewonderings-
waardige kunst-drift, waar meede zij inzonderheid
op die plaatsen alwaar zij zich nog, zo als in de
binnenlanden van Kanada en elders, in groote mee-
nigte te samen schoolen, hunne vermaarde woonin-
gen beuwen. 'T is daar, dat zij zomtijds ten ge-
tale van eenige honderden aan den oever van eene
rivier of van een meir bij één gekoomen zijnde,
niet slechts boomen needervellen, deeze door mid-
del hunner tanden, tot paalen bewerken, vervolgens
naar de bepaalde plaats te water vervoeren, graf-
ten graven en dijken aanleggen, om, deeze vervoe-
ring door meerderen aantogt van water gemaklijker
te maken; maar, waar zij ook wanneer het water
hier toe te laag is, vooraf groote en bijna onver-
woestbaare dammen opwerpen, en als dan eerst ag-
ter deeze, hunne eigenlijke woonhutten bouwen, die
[Seite 168] naar gelang van het aantal der huisgezinnen, welke
dezelve bewoonen moeten, ook van verschillende
grootte, doorgaans van vier tot tien voeten diep,
meestal drie verdiepingen hoog en van boven ge-
welfd zijn; van welke de benedenste, die onder het
water is, tot een bergplaats dient om den wintervoor-
raad, uit schorsen en loof van boomen bestaande,
op te leggen en te bewaaren.

XLIII. LUTRA. DE OTTER.

Kent. Voor- en agter zwempooten. In iedere kaak
zes
voor- of snijtanden, waar van de bovenste, van el-
kander afgescheiden, de onderste, bij één staan.

1. L. Vulgaris. De Otter. La Loutre. The
Otter
. Die Fischotter. (Mustela Lutra linn.
Sijst. Nat. ed. XIII.)

Kent. De zoolen van de agterpooten onbehaaird.
De staart half zo lang als het lijf.

Buffon. Tom. XII. Pl. LX. p. 134. & Tom. XLII.
Pl. XLIV. p. 322. schreber. Tab. CXXVI.
A. B. Vergel houtt I. D. II. St. bl. 179.
Pl. XIV. f. I.

Over 't geheel genoomen bewoont de Otter met
ten Bever dezelfde landstreeken. Aan de oevers
graaft hij holen, die hunnen ingang onder water heb-
ben, hatende slechts eene kleine opening boven in
den grond, om daar door lucht te scheppen: gevangen
zijnde, kan men hem tam maaken, en tot vangen
van visch africhten(a). Inl.

[Seite 169]

2. L. Marina. De Zee-Otter. La Sarco-
vienne. The Sea Otter.
Der Meerotter (Mustela
Lutris
linn. Syst. Nat. Ed. XIII.)

Kent. Behaairde agterpooten; de staart is niet
langer, dan een vierde van het geheele lijf.

Buff. Tom XIII. p. 319. Schreber. Tab. CXXVIII.
Cook's Voyage to the northern hemisphere. Vol.
II. Tab. XLIII. Vergel. houtt. I D. II. St.
bl. 163. en Steller in de Natuurk. Verhandel.
III. D. bl. 629.

Dit dier heeft den naam van Zee-Otter bekomen,
omdat het somtijds ook in de zee gevonden wordt,
schoon het zich nimmer verre van land begeeft,
en bij voorkeur de rivieren en zoete wateren tot
zijn verblijf verkiest. Het houdt zich inzonderheid
op, in den omtrek van Kamtschatka, en aan de daar
tegen overliggende kust van het Noord-Westlijke
Amerika tot beneden Nootka-Sound; men houdt
het vel deezer dieren dat zeer fraaij, zwart en zil-
vergraauw van kleur is, voor het kostbaarste van
alle Pelterijen, wordende voor een enkel stuk, som-
tijds wel de waarde van 270 hollandsche Guldens
betaald. De agterpooten hebben met die van het
volgende gezin, reeds veel overeenkomst.

b. Met gevinde pooten, (Pedibus pinnatis).

XLIV. PHOCA. DE ROB of ZEE-
HOND.

Kent. Uitgerekte agterpooten, samengegroeide vin-
geren.
6 voor- of snijtanden in de bovenkaak, 4 in
de onderste; de
hoek-tanden staan alleen.

[Seite 170]

Dit en het volgende geslacht, bevat die eigenlijke
waare Amphibiën of dieren van beiderlei leeven,
welke onder de zoogende dieren geschikt worden, en
welker geheele lichaamsgestel ingericht is, om zo wel
in het water als op het land te kunnen leven(*).

[Seite 171]

1. P. Vitulina. De Rob of Zeehond. Le
Veau Marin. La Phoque. The Seal.
Der See-
hund/ die Rabbe/ das Seetzalb
.

Kent. De kop is glad, zonder ooren; het lijf
grijsachtig.

Buffon. Tom. XIII. Pl. XLV. p. 333, Schreb.
Tab. LXXXIV. b. s. albini. Annot. Acad.
Lib.
III. Cap. XV. Tab. VI. p. 64. Vergel.
houtt. I. D. II. St. bl. 14. Pl. XI f. 6.

Dit dier bewoont de Noordelijke Zeeën; het
voedt zich even ds de overige soorten van dit ge-
slacht met Zee-Wier, (Zostera maritima linn.)
gelijk ook met visschen, onder welke de haring
zijne liefste spijze is. Voor de Finlanders, gelijk
ook voor de inwooners van Kamschatka, maar bij-
zonder voor de Groenlanders en de Esquimaux is
het van eene uitneemende nuttigheid. De twee laatst-
gemelde volkeren gebruiken het vleesch tot spijze,
kleeden zich met het vel, en overtrekken daar meede
haare zomerhutten en vischbooten. Het vangen dee-
zer dieren is hunne voornaamste bezigheid, en daar in
wel ervaaren te zijn, maakt al hunnen roem, al
hun geluk uit. Inl.

2. P. Ursina. De Zee-Beer. l'Ours Marin.
The Ursine Seal
. Der Seebär.

Kent. Kleine spitze ooren. Een dikke gladde hals.

Buffon. Suppl. Tom. VI. Pl. XLVII. Schreber.
Tab. LXXXII. Vergel. houtt. I. D. II. St. bl. 3.

Geduurende den Zomer houden deeze dieren bij
troepen hun verblijf op de eilanden, die in de zee
[Seite 172] van Kamschatka zo talrijk geleegen zijn; den Winter
brengen zij waarschijnlijk door, op de daaromstreeks,
doch een weinig Zuidelijker gelegene eilanden van
den stillen oceaan. Zij leeven in veelwijverij, zoo dat
ieder mannetje wel 30 tot 40 wijfjes heeft, die hij
met veel wantrouwen bewaakt en tegen zijne me-
dedingers zeer vinnig tracht te verdedigen(*).

3. P. Leonina. (Phoca jubata linn.) De
Leeuw-Rob. De Zee-Leeuw. Le Lion Marin.
The Leonine Seal
. Der Seelöwe.

Kent. Korte opstaande ooren. Op den hals maan-
haairen.

Buffon. Suppl. Tom. VI. Pl. XLVIII. p. 174.
Schreber. Tab. LXXXIII. Anson's Reize,
bl
. 115. Pl. XII. Vergel. houtt. I. D. II. St.
bl.
5.

In den stillen Océaan vindt men hem overal. Hij
maakt het grootste soort uit van het Robben-ge-
slacht, wordt somtijds wel 25 voeten lang, en heeft
zijnen naam gekregen van de maanen, die eeniger-
maaten naar die van den Leeuw gelijken.

[Seite 173]

XLV. TRICHECUS. DE WALRUS.

Kent. De agterste pooten loopen in eene vin uit.
geen
voortanden; de hoek-tanden der hovenkaak, staan
van de overige afgescheiden.

1. T. Rosmarus. De Noordsche Walrus.
La Morse. The Arctic Walrus. Das Walross.

Kent. In de bovenkaak zeer lange hoektanden,
die buiten de lippen uitsteeken.

Buffon. Tom. XIII. Pl. LIV. p. 358. Schreber.
Tab. LXXIX. Vergel. houtt. I. D. II. St. bl. 7.
cook, Voyage to the northern Hemisphere. vol. II.
Tab. LII.

Men vindt ze op en tusschen het drijf-ijs van den
Noord-pool, in geheele schoolen, somtijds van ëeni-
nige honderden bij elkanderen. Zij voeden zich
met zee-wier en schulp-dieren, welke zij met
hunne groote slagtanden loskrabben: Wanneer zij
willen landen, slaan zij dezelve, terwijl zij den kop
voorwaards uitsteeken, in den oever vast en trekken
vervolgens op deeze wijze het logge lijf allengskens
op het strand.

2. T. Manatus. De Zee-Koe. Le Laman-
tin
. Die Seekuh.

Kent. Korte hoektanden, die door de lippen be-
dekt worden.

Buffon. Tom. XIII. Pl. LVII. p. 277. Schre-
ber
. Tab. LXXX.

Dit dier dat een meer afgezonderd leven leidt
dan de voorige soorten, wordt in de zeoën van
[Seite 174] het warme waereld-deel en ook zeer veel in de rivier
Oronoco gevonden. Her heeft de grootte der bei-
de laatst voorgaande dieren, is smakelijk van vleesch
en heeft misschien rot het verdichtsel omtrent het
bestaan van Sireenen en Meerminnen gelegenheid
gegeeven.

De zoogenaamde Lapides Manati, zijn geenzints
herkomstig van dit dier, maar bestaan meestal uit
een gedeelte der buitenste gehoorwegen en het trom-
melbeen van den Walvisch(*).

xxx

XII. Orde. CETACEA.
walvisschen
.

[Seite 175]

De redenen waarom de dieren van deeze Orde
volgens hunne geheele huishouding tot de zoogende
dieren, en op verre na niet tot de visschen moe-
ten gerekend worden, zijn hier boven reeds op-
gegeeven(*).

XLVI. MONODON. DE ZEE-ÉÉN-
HOORN.

Kent. Twéé zeer lange, rechte, spiraalvormige
tanden in de boven kaak.

1. M. Narhwal. De Narwal, de Zee-Een-
hoorn. Das See-Einhorn.

Kent. Boren op den kop twéé in elkander loopen-
de buizen, om adem te haalen.

Klein. Hist. Piscium Miss. II. Tab. II. Fig. C. Miss.
V. Tab. III. fig. a. & b.

[Seite 176]

De Zee Eenhoorn, die den noordelijken Oceaan
bewoont, heeft voorzeker twéé lange evenwijdig
vooruitsteekende tanden en wordt derhalven ten
onrechte Monodon, Monoceros of Eenhoorn ge-
naamd. Deeze tanden worden gelijk het Elpen-
been, tot allerlei kunstwerk verarbeid, en zijn door-
gaans even zo lang als het lijf zelfs van het dier,
dat 18 en soms nog meerder voeten lang is.

XLVII. BALAENA. DE WALVISCH.

Kent. Hoornachtige bladen in plaats van tanden
in de bovenkaak.

1. B. Mysticetus. De Groenlandsche Wal-
visch. La Balaine. The Wale. Der Wallfisch.

Kent. De rug ongevind.

Abbild. der Walfische/ bij homans Erven te Neuren-
berg, in het formaat van land-kaarten uitgegeven,
fig. 1. 2. verg. Houtt. I. D. III. St. bl. 442.

De Walvisch het grootste van alle bekende die-
ren, weegt over de honderdduizend ponden en be-
woont, niet alleen de zeeën om den Noordpool gelee-
gen, maar ook de zuidelijke streeken van den Atlanti-
schen Oceaan, en zelfs de stille- of zuid-zee. Die,
welke thans gevangen worden, zijn zelden meer dan
60 à 70 voeten lang; doch in voorige tijden, toen
men dezelve nog niet in eene zoo groote meenigte
vong, heeft men er aangetroffen, die niet alleen zeer
oud waren, maar ook de lengte van ruim 120 voeten
hadden. De kop die verbaazend groot is, maakt bijna
de helft van het geheele dier uit. De huid is doorgaans
[Seite 177] zwart, ofsomtijds met wit gemengd, en als gemar-
meld; ook is zij verscheide duimen dik, op sommi-
ge plaatsen zeer dun behaaird, en dikwijls met
zee-gewassen, koraalen en schulpen bezet, Aan
de bewooners der eilanden van Kamschatka, en
aan die van het Noordwestelijke Amerika, verstrekt
dit dier ter vervulling van vederlei nooddruft. Zo
maaken zij b. v. van zijne darmen hemden, van
zijne huid schoenzoolen, en van zijne peezen
koorden voor hunne boegen. De Europeaanen daar
entegen vangen de Walvisschen, (waarvan eene groote
somtijds meer dan twaalfduizend guldens waardig zijn
kan), om de traan en vooral om de baarden, van wel-
ken hij er zevenhonderd in de bovenkaak heeft, die tot
baleinen gebruikt worden, en waarvan de middelste
soms wel 20 voeten lang zijn. De beste vischtijd is
in de maand Mey, wanneer deeze dieren, dikwijls in
eene zoo groote menigte bij elkander zijn, dat men
dezelve wegens de straalen waters, die zij door hun-
ne neusgaten uitblaazen, van verre voor eene groo-
te stad met rookende schoorsteenen zoude aanzien.
op de breedte van 77 tot 79 graden, kan men in
dien tijd zomwijlen vierd'half honderd schepen tel-
len, die door verschillende natiën ter Walvisch-
vangst uitgerust, binnen twee maanden ligtelijk
eene vangst van twéé duizend visschen met zich
terug voeren.

2. B. Physalus. De Vinvisch. Le Gibbor.
The Finbachwale
. Der Finnfisch.

Kent. Een vin op den rug.

Homann's Afbeeld. fig. 5 en 6. Vergel. Houtt.
I.
D. III. St. bl. 477.

[Seite 178]

Rij is even lang als de voorgaande, maar veel
dunner en bewoont doorgaans dezelfde oorden;
het meest echter wordt hij in de Zuid-zee gevonden.

XLVIII. PHYSETER. DE KAZILOT.

Kent. Tanden in de onderkaak.

1. P. Macrocephalus. De dikhoofdige Ka-
zilot, De Potvisch. Le Cachelot. The Spermaceti
Whale
. Der Caschelot.

Kent. De rug ongevind. De tanden omgeboogen
en aan de punten scherp.

Homann's Afbeeld. fig. 4. willughb. Pisc.
Tab.
A. I. fig. 3. Vergel. houtt. I. D. III. St.
bl.
505.

De Kazilot heeft bijna de groote van den walvisch
en eenen verbaazend grooten mond, waar mede hij
Haayen, die vademen lang zijn, kan inslokken. Zij-
ne bovenkaak is zeer breed, de onderste daarentegen
zeer smal. Hij wordt bijzonder om het Walschot
(Sperma ceti) gezocht, hetwelk in de gedaante van
een melkwitte oly, deels binnen in het lijf, onder de
traan, deels en wel bij grooter hoeveelheid in afzon-
derlijke buizen, binnen den kop van dit dier gevonden
wordt, en aan de lucht bloot gesteld zijnde, tot eene half
doorzichtige talk verhardt. Onder zijne drekstoffe vindt
men ook somtijds den welriekenden graauwen Am-
ber(*)

[Seite 179]

XLIX. DELPHINUS. DE DOLPHYN.

Kent. Tanden in beide kaaken.

1. D. Phocaena. (de Tursio van plinius.)
De Bruinvisch. Le Marsouin, le Souffleur. The
Porpus
. Das Meerschwein/ der Vraunfisch.

Kent. Het lijf bijna kegelvormig, de rug breed
en gevind, de snuit eénigermaate stomp.

Klein. Hist. Pisc. Miss. II. Tab. II. fig. A. B. &
Tab. III. fig. B. Vergel. houtt. I. D. III. St.
bl.
540.

Dit soort bewoont even als het volgende, de Eu-
ropische zeeën, en wordt omtrent 8 a 9 voeten
lang. Zij leven gezelschaplijk, en komen, vooral
bij eenen aannaderenden storm, digt bij de sche-
pen.

2. D. Delphis. De Tuimel-Dolphyn, de Tui-
melaar. Le Dauphin. The Porpesse. Der Delphin/
Tümmler
.

Kent. Het lijf langwerpig en bijna rolrond; de
rug gevind; de snuit dun en scherp.

Klein. L. c. Tab. III. fig. A. Vergel. houtt.
I. D. III. St. bl. 543.

Dit is de eigentlijke Dolphyn der ouden. Hij
wordt een weinig grooter dan de voorgaande soort.

[Seite 180]

3. D. Orca. De Noordkaper. De Botskop.
l'Epaulard. The Grampus. Der Nordcaper./ Der
Vutzkopf.

Kent. Op den rug één zeer hoege vin; de tanden
eenigzints kegelvormig, en een weinig omgekromd.

Homann's Afbeeld. fig. 3. Vergel. houtt.
I. D. III. St. bl. 547.

Hij wordt wel het meest in den Noordelijken
oceaan, doch ook in de Middelandsche Zee gevonden.
Hij is omtrent 20 voeten lang, en leeft in 't Noor-
den, voor het grootste gedeelte van haringen.

xxx

VYFDE AFDEELING.
over de vogelen.

[Seite 181]

§. LV. De zoogende dieren vertoonen ons in
hunne gedaante, en dus ook in hunne huishouding
zo ongemeen veel verscheidenheid, dat men slechts
zeer weinig zeggen kan, 't geen op een ieder van
hun kan worden toegepast, en dat men derhalven
genoodzaakt wordt bij de beschrijving hunner bij-
zondere soorten des te breedvoeriger te zijn. Ge-
heel anders is het gelegen met de beschrijving der
Vogelen, en nog veel meer met die der volgende
dier-classe. Beide deeze hebben zo wel in hun-
ne gedaante, als ook in hunne levenswijze over het
algemeen genomen meer overeenstemming, waarom
men zich ook bij de bijzondere beschrijving hunner
onderscheidene geslachten en soorten meer bekorten
kan.

§. LVI. Alle Vogelen stemmen ten opzichte
hunner uiterlijke gedaante daarin overéén, dat zij
twee pooten, twee vleugels, éénen hoornagtigen bek
en het lichaam met vederen bedekt hebben. Door dee-
ze vier kenmerken ondesfcheiden zij zich terstond
allerblijkbaarst van alle andere dieren, en maaken
hierdoor eene geheel afzonderlijke classe van schep-
selen uit, die met geene andere te samen loopt,
[Seite 182] en daarom in de onderstelde aanjeenschakeling, of
trapswijze opklimming der geschapene weezers (zie
bladz. 7.) bezwaarlijk kan worden tusschen gevoegd.

§. LVII. Het geheele lichaams gestel der Voge-
len, is naar hunne bestemming tot vliegen volko-
men geschikt; hunne leden zijn ongemeen buigzaam
en fijn gevormd, zo dat ze met het geringe gewicht
van het geheele lichaam, aan de leevenswijze deezer
dieren en in 't bijzonder aan hun oponthoud en
hunne vrije beweeging in de lucht, waar voor de
meeste bestemd zijn, volkomen beantwoorden.

§. LVIII. De geregelde en vaardige beweeging
der Vogelen, moet grootendeels worden toegeschre-
ven aan de vederen, die hun als het ware tot een
kleed verstrekken, en die in geregelde ruitvormige
reijen (in quincunce) in de huid ingegroeid en met
veel vet doortrokken zijn; doch die op eenen ge-
zetten tijd des jaars, gewoonlijk in den herfst,
uitvallen en door nieuwe vervangen worden. Veele
gelijk de Kwartels, Sneeuwhoenders enz. ruiën zelfs
tweemaal 's jaars, in de lente en herfst naamlijk.

In de jonge Vogelen hebben de nieuwe vederen
dikwerf eene geheel andere kleur, als de uitgevalle-
ne; waarom men ook bij het bepalen der soorten
zo wel op den ouderdom deezer dieren, als op de
daar van afhangende verscheidenheid van verwe be-
hoort acht te geeven. 't Is ook om deeze rede,
dat, in de kunst-benaming, éénjaarige Vogels, zul-
ke naamlijk, die nog nimmer geruid hebben (aves
hornotinae
), andere integendeel, welke hunne vede-
ren reeds hebben verwisfeld, (aves adultae) ge-
noemd worden.

[Seite 183]

§. LIX. De starkste veêren, welke in het Ne-
nerduitsch pennen genoemd worden, hebben de Vo-
gels in de vleugels en staart. De eerste worden slag-
pennen (remiges), de andere staartpennen (rectrices)
genaamd. De slagpennen zijn onbepaald in getal,
en vormen, als 't ware, twee breede waaijer-blaa-
den, waarmede de Vogel zich in de lucht opheffen
en vliegen kan. Onder de Vogelen zijn er eenige
weinige, aan welke, gelijk bij voorbeeld aan de
Pinguins e. a., de slagpennen geheel en al ontbree-
ken (aves impennes), en die daar door, tot vlie-
gen, onbekwaam zijn. Ook worden bij eenige Vo-
gelen de staartpennen niet gevonden, gelijk in den
Kasuaris de Duikertiens e. a.

§. LX. De kleur der veêren is bij veele Vogelen
boven alle beschrijving schoon. Vrij algemeen kan
men hieromtrent zeggen, dat, de Roofvogels misschien
alleen uitgezonderd, bij alle de overige, de mannetjes
schooner bevederd zijn, dan de wijfjes, en dat ook in
deeze Classe, even als over het geheel genomen in het
Dieren- en Planten-rijk, verre de meeste sierlijkste
en door rijkdom van verwen-luisterrijkste schepselen,
in de warmere luchtstreeken t'huis behooren.

§. LXI. In de inwendige lichaams-gesteldheid(*),
[Seite 184] onderscheiden zich de Vogelen in 't bijzonder door
de merkwaardige luchtbuizen, die door hun geheel
lichaam verspreid en voor derzelver vlugt van het
grootste aanbelang zijn. De meeste deezer zonder-
linge werktuigen, hebben met de longen, andere
alleen met de lucht- of gorgel-pijp gemeenschap,
en kunnen naar willekeur door den vogel gevuld en
weder ontledigt worden, naar maate deeze zijn lichaam
tot het oprijzen ligter maken, of tot het nederdaa-
len verzwaaren wil.

Tot deeze luchtbuizen behooren ook vooral die
groote maar tedere vliesachtige holen, welke deels
in het onderlijf, deels onder de oxelen en somtijds
nog onder de huid verspreid zijnde, bij het inade-
men door middel der longen, met lucht als het wa-
re kunnen worden volgepompt. Behalven deeze,
dienen den Vogelen ten gelijken oogmerke, ook
eenige mergleedige holle beenderen, zo als de
schouder-beenen in de vleugels, de ruggengraat,
het borst-been enz. en aan veele mede de hersen-
pan zelve. Terwijl eindelijk ook de uittermate groo-
te nebbe van den Peeper-eeter, van den Rhinoceros-
of Neus-hoorn-vogel, van de Papegaaijen e. a. m.
hier toe insgelijks behooren; zelfs staan de schasten
der veederen met het bovengemeld sponsachtige cellen-
weeffel in verband, kunnende deeze, door middel van
het teeder kraakbeenachtig buisje, dat in deschaft gele-
gen is, en het merg der pen wordt genoemd, insgelijks
met lucht opgevuld, of daar van ontleedigd worden.

§. LXII. Door deeze merkwaardige lucht-buizen,
in verband met de bovengemelde algemeene inrich-
tingen in de lichaams-bouw der Vogelen, worden
[Seite 185] deeze dieren tot de vlugt bekwaam, in welke de
snelheid zo wel als de lang aanhoudende voort-
duuring even merkwaardig zijn. Slechts weinige
Vogelen, gelijk de Struis, de Kasuaris, de Pinguins
en andere, die geen slagpennen hebben, (aves impen-
nes
§. LIX.) kunnen in het geheel niet vliegen.

§. LXIII. De verblijfplaats der Vogelen, is bijna
even zo verschillende, als die der zoogende dieren:
de meeste leeven op de boomen, andere in het
water, slechts zeer weinige alleen op den grond:
doch geen één éénige leeft onder de aarde, gelijk de
Aard-mol in de vorige, en veele andere schepselen
in de beide laatste dier-classen. De gedaante der poo-
ten is ook bij de Vogelen, even als bij de zoogen-
de dieren, overeenkomstig hunne verschillende ver-
blijfplaats ingericht. De meeste hebben vrije en ge-
heel van elkander gescheidene vingers (aves fissi-
pedes
), en wel gewoonlijk vier in getal, waar-
van drie naar vooren, en de vierde, even als dui-
men, agterwaards gekeerd zijn, (pedes ambulatorii).
Of 'er zijn van de vingers slechts twee naar vooren,
en twee naar agteren gekeerd (pedes scansorii); of
wel de Vogel kan naar willekeur, den eenen vinger
nu voorwaards bij de twee overige, dan agterwaards
bij den duim of agter-vinger voegen (digitus ver-
satilis
). Andere hebben ook wel den middelsten
aan den eenen zijdelingschen aangewassen (pedes
gressorii
); of hun ontbreekt, de agter-vinger geheel
en al (pedes cursorii); of wel alle vier de vingers zijn,
gelijk bij voorbeeld in de Muur-zwaluwen, naar voo-
ren, en in het geheel geen hunner agterwaards ge-
keerd; of wel is de agtervinger, zo als zulks bij voorb.
[Seite 186] in verscheidene hoender-soorten plaats heeft, dubbeld
enz. Voorts zijn bij die Vogelen, die geen vrije losse
vingers hebben, deeze of alleen tot aan de helft
(pedes semipalmati) – of wel geheel en al tot voor
aan derzelver spitse (pedes palmati) – door eene
zwem-huid met elkander verbonden; terwijl nog bij
anderen, iedere afzonderlijke vinger met een kwabbige
smalle huid, die of een gladden (pedes lobati) – of
fijn getanden rand (pedes palmati) heeft, als met
franjes omboord is.

§. LXIV. Zeer veele Vogelen veranderen op zee-
kere jaarstijden van woonplaats, en wel de meeste
hunner alleen in zo verre, dat zij maar weinig mij-
len ver, naar de nabuurige oorden verhuizen en
straks daarna, ton hun gewoon vaderland terugkee-
ren; andere echter, zo als de tamme – of Huis-zwa
luwen, de Kraan-vogels, de Oievaars enz. leggen in
den herfst ver over zee, en zelfs over een aanmerkelijk
gedeelte des aardbols heen, in geheele schoolen
of benden, groote reizen af, om den winter, tot
aan hunne wederkomst, in het volgend voor-jaar,
onder warmer hemelstreeken doortebrengen.

§. LXV. Ook heeft de wijze, waarop het werk
der voeding bij de vogelen geschiedt, veel eigenaar-
tigs. In het algemeen hebben zij geene tanden,
maar moeten hunne spijzen of met den bek zelve aan
stukken bijten, of wel onverbroken verzwelgen. Bij
zulke zaad-eetende Vogelen intusschen, die de graan-
of zaad-korrels heel en ongebroken insrikken, geraakt
die voedzel niet regelrecht in de maag, maar wordt
vooraf in den krop of voormaag (ingluvies seu
prolobus
), dat is, in eene afzonderlijke, met klie-
[Seite 187] ren rijkelijk voorziene voorraad- of bewaar-plaats
geweekt, en verders geheel en al overgelaaten aan
de bewerking der maag, die bij deeze dieren ten
uitersten rijk van spierveezelen is en zo veel kracht
heeft, dat dezelve, volgens de proeven van reaumur
en anderen, in staat is, om zelfs hazel noten en
olyven-kernen te breeken en gemunt geld tot de
gladheid van papier afteschuuren; terwijl veele Vo-
gelen daarenboven nog kleine kittelsteentjes inzwel-
gen, die insgelijks tot de vermaling en daarop vol-
gende verteering der spijzen bevorderlijk zijn. Ook
kunnen verscheidene vleesch-eetende Vogelen, zo
als bij voorb. de Uilen, de Ysvogels enz. de been-
deren, het haair en de graten der kleine dieren,
die zij verteerd hebben, niet verduuwen, maar bra-
ken dit overschot, in de gedaante van eenen ineen-
gerolden bal, na den eeten weder uit.

§. LXVI. Onder de zintuigen der Vogelen, is
in het bijzonder hun gezicht, en bij veele ook hun
gehoor uitnemend scherp. Ook hebben de werktui-
gen deezer beide zinnen, bij deeze dieren inzon-
derheid veel dat merkwaardig en hun alleen eigen is.
Ten voorbeelde hiervan verstrekke omtrend de oogen
der Vogelen, het zonderlinge zwarte en waaijersge-
wijs gevouwe vlies des oogappels, 't geen door
zommige (pecten plicatum,) in het Fransch la bour-
se
genaamd, uk het einde der gezigts-zenuwen zij-
nen oorsprong neemt, en tot in het glas-vogt (cor-
pus vitreum
) doordringt. Daarentegen is het maaksel
der inwendige gehoor-werktuigen bij de Vogelen
veel eenvoudiger dan bij de Zoogende Dieren; ont-
breekende voorts aan alle de Vogelen, het uiterlijk
[Seite 188] oor; een gemis echter, dat door den ten uiterste
regelmatigen, cirkelvormigen stand en bepaalde rich-
ting der kleine veedertjes in den omtrek der gehoors-
opening genoegzaam vergoed wordt.

Aanm. Slechts zeer weinige Vogels, de Eenden naam-
lijk, en andere hun aanverwante geslagten, schijnen den
werkelijken zin van het gevoel in naauwen beteckenis
te bezitten; en het werktuig daartoe is wel het weeke
bekleedzel van hunne nebbe, die met uitnemend sterke
huid-zenuwen voorzien, en bij het leevend dier ten uiter-
ste gevoelig is: Ook ziet men, hoe de Eenden in de
poelen, waar zij, bij het zoeken van hun voedzel nog
het gezigt, nog den reuk gebruiken kunnen, met hun-
ne nebben werkelijk overal rond pijlen.

§. LXVII. Wat de stem der Vogelen aangaat,
zo maaken de roof-gelijk ook de meeste water-
vogels, en het grootste gedeelte van hun, die tot
het geslacht der Hoenderen behooren, slechts een ta-
melijk ééntoonig, niet zeer aangenaam geluid: zo
veel de meenigvuldiger en lieflijker zijn integendeel
de klanken der kleine zogenaamde zang-vogelen,
van welke men toch niet zo zeer zeggen kan, dat
zij zingen (het gezang is toch een uitsluitend voor-
recht van den mensch), als dat zij piepen of flui-
ten. Hiertoe is hun behalven de in de §. LXI.
gemelde luchtbuizen, vooral behulpzaam de inrich
ting hunner luchtpijp, die bij de Vogelen, niet al-
leen gelijk bij andere dieren, aan deszelfs boven
einde, dat is aan de wortel der tonge, gevonden
wordt, maar schier als in twee van elkander afge-
zonderde helften aan beide de einden der luchtpijp
verdeeld is.

[Seite 189]

Men heeft aan de Papegaaijen, Raaven, Spreeu-
wen, Goudvinken e. a. m. het nabootsen van 's men-
schen stem, en het uitspreeken eeniger woorden ge-
leerd, even gelijk de zang-vogels, in hunne kooij
ligt een vreemd gezang aanneemen, deuntjes leeren
fluiten, ja zich zelfs tot het accoord zingen laaten
africhten, zo dat men op deeze wijze met ver-
scheidene Goudvinken te gelijk, werkelijk kleine
concerten heeft kunnen geeven. In het algemeen
echter schijnt ook de wild-zang der zang-vogelen
eerst door oeffening en navolging recht beschaafd
te worden.

§. LXVIII. Over het geheel genomen zijn de Vo-
gelen zeer verliefd: waarom men ook van hun veel
ligter dan van andere dieren, bastaarden kweeken kan.
De meeste teelen voort, in het voorjaar; zommige
echter, gelijk de Kruisvink ook in het koudste jaar-
getij na Kersmis. Het huisgevogelte is hier in geheel
aan geenen vast bestemden tijd gehouden, maar leent
zich daartoe jaar in, jaar uit. Zommige houden
zich slechts gedurende den tijd der paaring, andere
echter, gelijk de Duiven, steeds paarsgewijze bij
elkanderen: terwijl nog andere, zo als de Hoende-
ren, in veelpaarigheid (polygamie) leeven.

§. LXIX. Het bevruchte wijfjen wordt door
eene natuurdrift (instinct) gedreeven, om voor het
toekomende te zorgen, en zich een nest toe te be-
reiden, waarvan misschien de Koekoek alléén uit-
gezonderd is.

Bij de veelpaarige Vogelen, gelijk bij de Hoender-
soorten, neemt het mannetjen geheel geen aandeel aan
deeze bezigheid; bij die geene echter die bij paaren
[Seite 190] samen blijven, vooral onder de zang-vogelen, brengt
het mannetjen evenwel bouwstoffen bij, en verzorgt
zijn wijfjen geduurende deezen haaren arbeid.

§. LXX. De keuze van de plaats, waar ieder
soort van Vogelen zijn nest aanlegt, is ten naauw-
sten met hunne noodwendigheden en hunne gehee-
le leevenswijze overeenstemmende. Even zorgvuldig
ook kiest zich iedere soort de bouwstoffen tot haar
nest uit. Zo neemen de Vogelen der heete lucht-
streeken bij voorb. gelijk ook die geene, welke
in barre oorden nestelen, slechts ligte stoffe, als
stroo, riet, hooij en dergelijke, tot hunnen bouw:
Terwijl andere in tegendeel, om hunne jonge voor
strenge koude te beschutten, en zichzelve het be-
broeien gemaklijker te maaken, wol, mos, distel-
pluizen, veeren en andere, dergelijke verwarmende
bouwstoffen tot hun nest bezigen. De meeste be-
kleeden hetzelve daarenboven vooral van binnen,
tot meerder gemak, en warmte, met eene laage
van zeer zachte pluimen, wol en diergelijke stoffe.

De vorm der nesten, is dan meer, dan minder
kunstig. Verscheide Vogelen, gelijk de Snippen,
Trapganzen, Kieviten, e. a., bereiden zich alleen
eene dorre, harde legerstede, uit rijs- of hout-tak-
ken en stroohalmen op den platten grond; andere
maaken, gelijk de Specht, de Meerkolf of Eikel-
exter, de Kraaij, de Hoppe, de Mus enz., zich
slechts een los kunsteloos bed, in de gaten der
muuren, in de spleeren der rotzen, en in holle
boomen. Zeer veele ook, vooral onder de Hoen-
deren, Duiven en Zang-vogels geven aan hun nest
de gedaante van eenen halven kogel of van eene schotel:
[Seite 191] Andere wederom, gelijk bij voorb. het Winter-ko-
ningje, den vorm van eenen bak-oven. Noch ande-
re, zo als de Slinger-mees, de Brasiliaansche Jupu-
juba (Oriolus persicus) enz. die van eenen zak of
buidel(*).

§. LXXI. Wanneer eindelijk de arbeid van den
nest-bouw geeindigd is, legt de moeder haare eije-
ren daarin neder; waarvan het getal bij de verschil-
lende geslachten van Vogelen zeer verschillend is.
Zo liggen bij voorb. veele water-vogels telkens
niet meer dan een eij; De Duikertjes en de mees-
te soorten van Duiven twee; de Meeuwen drie;
de Raven vier; de Vinken vijf; de Zwaluwen van
zes tot agt; de Patrijs en Kwartelen veertien; de
Huis-Hoenderen echter, vooral wanneer men hun
de eijeren het een na het ander ontneemt(†),
tot vijftig en meer eijeren. Somwijlen leggen ook
sommige Vogelen, zonder voorafgegaane bevruchting,
eijeren, die evenwel ter bebroeing niet dienen kun-
nen, en daarom ook windeijeren (ova subventanea,
zephyria, hypenemia
) genaamd worden.

§. LXXII. De vorming van het Jong, welke
bij de zoogende dieren nog in het lichaam der moe-
[Seite 192] der tot volkomendheid gebracht wordt, moet daarën-
tegen bij de Vogelen in het vooraf gelegde eij, door
middel der broeijing bewerkt worden. Alleen de
Koekkoek broeit zijne eijeren niet zelf uit, maar laat
zulks over aan de Gras-mussen, Bastaard-Nagtegaa-
len of Kwikstaarten enz., in welker nest hij zijn
eij gelegd heeft. Daarentegen weet men, dat ook
kapuijnen, honden, ja zelfs menschen vogel-
eijeren hebben uitgebroeid(*); en dat men ook
met behulp alleen van kunstwarmte, door heete
mist(†), en door den gloed van het vuur eener
brandende lamp, in de zogenaamde broei-machines(§)
[Seite 193] en broei-ovens zeer gemaklijk Kuikens uit vrucht-
baare eieren kan doen voortkoomen(*). Dit laatste
flaagt vooral in warme oorden zo gelukkig, dat
men het aantal Hoenderen, die op deeze wijze jaar-
lijks in de Egyptische broeiovens worden uitge-
broeid, op 92 millioenen berekend. Door menig-
vuldig broeien worden de Vogelen afgemat, en 't
is alleen bij zulken, die paarsgewijze leeven, gelijk
de Duiven, Zwaluwen, Roodstaarten enz. dat het
mannetjen aan dit werk deel neemt. Onder de Ka-
narie-Vogels, de Vlas-, de Distel-Vinken enz.
wordt het broeien wel alleen door de mannetjens
aan hunne wijfjens overgelaten, maar zij verzorgen
deeze toch gedurende den broeitijd van voeder,
en aazen of voedenze gedeeltelijk uit hunnen krop.

§. LXXIII. Geduurende de broeding geschiedt in
het ei zelve die groote verandering; dat naamlijk het
kuikentjen daarin allengskens gevormd, en van dag
tot dag meer tot rijpheid gebragt wordt. Hier toe
is niet alleen de dooier van het ei in 't algemeen
betrekkelijk ligter dan het wit, maar ook nog
daar teboven is dat gedeelte zijner oppervlakte, te-
gens welke het toekomend kuikentjen liggen zal,
zelfs nog ligter als de tegenzijde, zodat gevolglijk
[Seite 194] deeze zelfde plaats van het ei, in welke richting
dit ook geleegen zij, tog altoos het naaste ligt aan
het lichaam van den Vogel die hetzelve bebroeid.
Het eerste blijk des aanweezens van het nieuwe
kuikentjen vertoont zich, gelijk hier booven (§. 8.)
reeds gezegd is, altijd eerst een geruimen tijd naa
dat het begonnen is bebroeid te worden. Bij de
Hoenders, bij voorbeeld, is dit eerste groei- of
vrucht-beginzel naauwlijks voor het einde van den
eersten dag merkbaar: gelijk aan het einde des twee-
den dags, de zo beroemde, vertooning der eerste be-
weging van het dan nog zeer onvolkomen Hart
(het punctum saliens genoemd) zijnen aanvang
neemt. Op het einde van den vijfden dag ziet men
reeds het geheele kleine en nog lilachtige schepzel zich
beweegen; den veertienden breeken de veedertjes
door; bij het begin van den vijfrienden hijgt het
kuikentjen reeds naar de lucht en is op den nee-
gentienden dag in staat geluid te geven.

Aanm. Bij een Vogel in het ei is de eerste gedaan-
te, waarin hij zich vertoont, oneindig meer van zijne
volgenden vorm, wanneer hij gereed is om doortebree-
ken, verschillende, dan de vroegste gedante van een
pas ontsaugen zoogend dier van zijne volgende gestalte.
Men kan derhalven niet ontkennem, dat het kuikentjen
in 't ei eers door een soort van gedaante-verwisseling
tot zijne volkomene gestalte komt, en zulks zo wel ten
opzichten van eenige afzonderlijke ingewanden, (gelijk
bij voorbeeld van het hart) als van de vorming van
het geheel.

§. LXXIV. De broeitijd voor ijder zoort van
[Seite 195] Vogelen bestemd is wel van verschillenden duur,
doch ook deeze wordt naar onderscheidenheid der
luchtstreek en der warmere of koudere weersgesteld-
heid vertraagd of verhaast. Bij de Hoenders is het
kuikentjen gewoonlijk aan het einde des 21. dags,
rijp tot het doorbreeken uit het ei, in het welk
het, geduurende die drie weeken, van den dooier,
die allengskens door het zich daarbij mengende ei-
wit verdund wierd, is gevoed geworden.

§. LXXV. De nog jonge Vogelen worden ee-
nige tijd door de moeder, en bij die geene, die
in enkelparigheid leeven, ook door den vader
met veel tederheid gevoerd, en bij de koorn- of
graan-eetende Vogels vooral, uit den krop geaasd,
tot dat zij volwassen en in staat zijn voor hun
eigen onderhoud te zorgen.

§. LXXVI. Naar gelaang der lichaamlijke groot-
te en in vergelijking met de zoogende Dieren, be-
reiken de Vogelen eenen zeer hoogen ouderdom.
Zo weel men bij voorb. dat Arenden en Papegaaijen
meer dan honderd, Distelvinken en verscheide ande-
re, meer dan vier- en twintig jaaren, in weerwil
zelfs van het gemis hunner vrijheid, leven kunnen.

§. LXXVII. Voor de huishouding der natuur
in het geheel genomen, zijn de Vogels ongemeen
belangrijke schepselen, of schoon hunne onmidde-
lijke nuttigheid voor den Mensch niet zo menig-
vuldig zij, als die der zoogende dieren: Vooreerst
is het gewis geen van hunne geringste voorrechten,
dat zij onder alle de Dieren, het allermeest leven
en vrolijkheid in de geheele schepping verspreiden
voorts verdelgen zij eene ontelbaare menigte In-
[Seite 196] secten, en de uitroeing van vermeende schadelij-
ke Vogels, zo als bij voorb. van de Spreeuwen,
Kraaien, enz. heeft in veele oorden ongelijk nadeeli-
ger vermeerdering van ongedierte en zoortgelijke scha-
delijke gevolgen na zich gesleept. Andere Vogelen
vernielen grootere Dieren, als Veldmuizen, Slangen,
Kikvorschen, Hagedissen of krengen, en verhoeden
daar door zowel misgewas als besmetting der lucht.
Even zo hebben ontelbare Vogelen de groote bestem-
ming, om menigerlei onkruid uitteroeien, en deszelfs
al te grooten aanwas voortekomen. Van eene an-
dere zijde wordt ook zelfs de vermeerdering en
voortplanting zo wel der Dieren als der Gewassen
door hun bevordert: Zo weet men bij voorb.
dat de wilde Ganzen bij hunne verhuizingen, be-
vruchte visch-kuit in verre afgeleegene vijvers over-
brengen, en ze daar door zomwijlen visch-rijk
maaken. – Zeer veele Vogelen slikken zaadkorrels
door, die zij naderhand weder onverbroken loo-
zen; en hier door derzelver verspreiding bevorde-
ren, gelijk de Duiven, bij voorb. op de Specerij-
Eilanden, op deeze wijze de Muskaatnoot-boo-
men voortplanten enz. Door de mest der Zeevo-
gelen worden kaale rotzen, klippen en kusten vrucht-
baar gemaakt, zodat naderhand heilzame gewassen,
als bij voorb. Leepel-blad e. a., daarop hebben kun-
nen groeien. De Valken en verscheidene Watervo-
gels laaten zich ter jacht op andere dieren africhten.
Van zeer veele Vogelen verstrekken het vleesch,
de eieren, het vet, ja zelfs de Tonkins-nesten
van de Sundasche Zwaluw (Hirundo esculenta L.)
tot spijze. Het geheele vel der Zee-vogels dient
[Seite 197] sommigen der Noordelijkste Volkeren tot kleeding,
de veederen tot vulsel der bedden, tot schrijven,
tot het bepennen van muzijk-werktuigen, tot mof-
fen, en voornaamlijk ook tot veelerhanden op-
schik, waarom dezelve bij veele Volkeren, vooral
in Amerika, en op de Eilanden der Zuid-zee,
een der gewichtigste takken van Koophandel uit-
maaken. Voor de Geneeskunde daarentegen is van
de Vogelen geen nut van eenig aanbelang te trekken.

§. LXXVIII. De schade, die de Vogelen veroor-
zaaken bepaalt zich geheel en al tot het rooven
van sommige nuttige Dieren en Plant-gewassen.
Zo worden door den Condor of Grijpgier, door
den Lammer-gier en andere Roofvogels, Gem-
sen, Rheên, Geiten, Schapen enz. gedood: zo
zijn ook de Visch-arend en veele andere Wa-
ter-vogels voor de Visschen en derzelver kuit,
even als de Valken, Havikken, de Sperwers, de
Klawieren, de Raaf-exters enz. voor ons Huis-ge-
vogelte gevaarlijk. – De Musschen en andere klei-
ne Zang-vogels, zijns schadelijk voor het zaad,
voor de druiven, het ooft enz: eindelijk ook wordt
even zowel het onnutte onkruid als de nuttige
gewassen door de Vogelen voortgeplant. Vergiftige
Dieren echter worden onder deeze afdeeling, even
zo weinig als onder de voorige, gevonden.

§. LXXIX. De rangschikking der Vogelen is
aan minder zwaarigheeden onderhevig, dan die der
zoogende Dieren. Hunne gedaante over het alge-
meen genomen is niet zo verscheiden, maar een-
voudiger: terwijl sommige deelen van hun lichaam,
[Seite 198] gelijk de bek en pooten, die voor hunne gant-
sche leevenswijze, voeding enz. noodzaakelijk zijn,
op zich zelven, reeds zoveel kenmerken van het
geheel gestel der Vogelen dragen, dat men onver-
minderd het natuurlijk Leerstelzel, daar uit alleen
reeds de kenteekenen ter onderscheiding der ordens
en geslachten ontleenen kan. Hier van daan is het
ook, dat door de meeste Natuurkenners, die over
de Vogelen geschreven hebben, hunne rangschik-
king op de verscheidenheid van de eene of andere
der genoemde deelen gegrond is. Zo heeft klein
bij voorb. op de gedaante der teenen, möhring
op het bekleedzel der pooten, brisson op deeze
beide in verband met het maaksel van den bek enz.
gelet. Linneus geeft in het plan van zijn
leerstelzel der Vogelen, ook acht op de gesteld-
heid van meer dan één deel te gelijk en vrij alge-
meen op het gantsche maaksel; alleen schijnt hij in
de uitvoering daarvan somwijlen wel eens misgetast
te hebben; ten minsten is het moeielijk te begrijpen,
hoe door hem de Papegaaijen, de Colibriten, en
Kraaijen, in dezelfde Orde bij eengevoegd, de Dudu
en Kasuaris daarentegen in twee afdeelingen van
elkander gescheiden, en meer andere diergelijke
samen-koppelingen, of schiftingen, konden toe-
gelaaten worden –

§. LXXX. Wij hebben derhalven de vrijheid
genomen, hier eenigzints van den leidraad des
Linneisschen Leerstelsels aftewijken, en daardoor
getracht deeze geheele Classe in de volgende ne-
gen ordens aftedeelen.

A. Landvogelen.

[Seite 199]

I. Orde. Accipitres, (Roofvogelen). Die met
eenen zwaaren krommen bek, meest al ook met
korte, sterke, wrattige pooten, en met groote omge-
bogene scherpe nagelen voorzien zijn; zo als de Gie-
ren, Arenden, Valken, Uilen
en Klaauwieren.

II. Levirostres, (Dunbekken). Zulke Voge-
len, die de heetste aardstreeken bewoonen, korte
pooten, en veelal zeer groote, dikke, meestendeels
echter holle en daarom ook zeer dunne, ligte bek-
ken hebben, zo als de Papegaaijen, de Grootbek-
ken
of Toucans en de Rhinoceros-Vogels.

III. Pici, (Aaksters). Deeze hebben korte
pooten; een' middelmatig langen, smallen bek;
zommige eene wormwijze, andere eene draadvor-
mige tong, zo als de Draaijhals, de Specht, het
Boom-kruipertje, de Colibriten enz.

IV. Coraces, (Raaven). Vogelen, welke kor-
te pooten, eenen middelmatig langen, en vrij zwaa-
ren, bovenwaards verheven bek hebben, gelijk de
Scharlaaren, Kraaijen e. a.

V. Passeres, (Zangvogelen of Musschen). Hier-
toe brengen wij de zingende Vogelen, benevens de
Zwaluwen enz. Zij hebben korte pooten en eenen
meer of min kegelvormigen spits toelopenden bek
van verschillende lengte en dikte.

VI. Gallinæ, (Hoenderen). Vogelen, die korte
pooten en eenen eenigzints verhevenen bek hebben,
welke laatste aan deszelfs begin of wortel met eene vlee-
fige huid overtrokken is, zo als de Trapgans, de Paauw,
de Kalkoen, het Huis-hoen, het Korhoen, de Kwar-
[Seite 200] tel
e. a. Ook aan de Duiven is in deeze afdee-
ling eene plaats gegeven, doordien dezelve veel meer
met de Hoenderen, dan met de Zang-Vogelen (tot
welke Linneus hun bragt) verwant zijn.

VII. Struthiones, (Struisvogels). Groote en
tot vliegen ongeschikte land-vogelen, zo als de
Struis-Vogel, de Kasuaris en de Dudu.

B. Water-vogelen.

VIII. grallæ, (Steltloopers). Poel- of Moe-
ras-vogelen, met lange pooten, eenen langen, rol-
vormigen bek, en meestal langen hals, zo als de
Reigers, de Oievaars, de Sneppen, de Water-
hoenders,
e. a.

IX. Anseres, (Zwemvogelen). Dus genaamd
om de pooten die hun tot zwemmen geschikt ma-
ken; ook hebben zij eenen stompen, en met vel
bekleeden bek, die aan beide derzelver zijden tands-
gewijze gekarteld is en aan den punt der boven
kaak in een haakjen eindigt.

* * *

Onder de voornaamste Werken over de Natuur-
geschiedenis der Vogelen worden vooral
de volgende gerekend.

  1. Conr. Gesneri Historiae Animalium L. III. qui est de
    avium Natura. Tiguri
    1555. fol.
  2. Vlyss. Aldrovandi Ornithologia Bonon. 1599. sq.
    vol. III. fol.
  3. F. Willughby Ornithologiæ Lib. III. ex ed. Raji
    Lond. 1676. fol.
  4. Jo. Raii Synopsis Methodica avium ibid 1713. 8vo.
  5. J. Edward's Natural History of Birds. Lond. 1743. seq.
    vol.
    IV. 4to.
  6. Ej. Gleanings of Natural History ibid. 1758. seq.
    vol.
    III. 4to.
  7. Brisson Ornithologie Paris 1760. VI. vol. 4to.
  8. Buffon Histoire Naturelle des Oiseaux, Paris 1770 –
    1781. 8. vol. 4to.
  9. Daubenton 984 Planches enluminées des Oiseaux, Paris
    1775. seq. fol.
  10. Th. Pennant's Genera of Birds, Lond. 1781. 4to.
  11. Ej. Arctic Zoology Vol. II. ibid. 1784. 4to.
  12. Jo. Latham General Synopsis of Birds, ibid. 1781. 6.
    vol. 4to.

Over de Vogelen van afzonderlijke Landstreeken.

  1. J. L. Frisch Vorstellung der Vögel in Deutschland,
    Berlin 1733. bis 1763. fol. (242. Taf.).
  2. Corn. Nozeman (Nederlandsche Vogelen; volgens hunne
    huishouding, aart en eigenschappen beschreven door
    )
    alle naar het leven geheel nieuw en naauwkeurig ge-
    tekend, in 't koper gebragt en natuurlijk gekoleurd
    ,
    door en onder opzigt van chr. sepp en zoon te Am
    sterdam 1770. groot fol. (NB. De verdere uitgave
    van dit voortreffelijk werk wordt nog heden voortgezet
    ).
  3. Marc Catesby Natural History of Carolina, Lond.
    1731. vol. II. fol.
* * *
  1. J. H. Zorn Petinotheologie. Pappeuheim, 1741. vol. II. 8vo.
  2. In de eerste plaats gaan wij derhalven over tot
    de beschrijving der Land-Vogelen, zo als die
    (§. 80.) in VII. Ordens zijn afgedeelt.

I. ACCIPITRES. ROOF-VOGELS.

Bijna alle hebben korte sterke pooten; groote,
scherpe nagels, eenen zwaaren nederwaards omge-
kromden hek, waarvan de bovenkaak aan iedere zijde
één stomp snijdend uitsteeksel of punt heefr, en aan
den wortel veeltijds met eene vleesachtige huid
(cera) bedekt is. Zij voeden zich deels met aas,
deels met roof, van leevend gedierte en heb-
ben in hunne huishouding de meeste overjenkoomst
met de verscheurende dieren (animalia fera) der
voorige Classe. Zij leven in éénwijverij, maken
hunne nesten in hooge afgelegen oorden en heb-
ben een wild- en walgelijk ruikend vleesch.

I. VULTUR. DE GIER.

Kenteeken. De bek recht, aan deszelfs punt
haakswijs omgekromd; de kop en hals bij de meeste
onbevederd; de tong in tweën gespleeten.

1. V. Gryphus. De Grijp-Vogel, de Grijp-gier.
Le Condor. The Condoor. Der Condor/ Greifgyer.

Kent. Een vleesig uitwas, boven op en over de
geheele langte van den kop.

De Grijp-Vogel woont voornaamlijk in 't weste-
lijk gedeelte van Zuid-Amerika. Hij is de grootste
van alle vliegende Vogelen, en beslaat eene breedte
van 15 voeten wanneer deszelfs vleugels zijn uit-
gespreid, van welke de slagpennen aan derzelver
schaften een vinger dik zijn. Het lichaam van dee-
[Seite 203] zen Vogel is zwart, van onderen bruinagtig wit,
bijna als de Aakster. Hij nestelt in het gebergte
en aan rotzige oevers, vliegt uitnemend hoog, leeft
meest van roof die hij onder groote vee-hoopen
zoekt, gelijk ook van doode visschen door de zee
opgeworpen, vergel. houtt. I. D. 4. St. bl. 98.

2. V. Papa. De Koning der Wouwouwen.
Le Roi des Vautours. The King of the Vultures. Der
Geyer König.

Kent. Kwabbige neusgaten; de kruin en hals naakt.

Buffon Histoire Naturelle des Oiseaux Tom. I. Pl. VI. &
daubent Planch. enluminées No. 421. Edwards
Hist. of Birds. II. Tab. 4. Vergel. Houtt. I. D.
IV. St. Pl. XXIX. f. 1. bl. 106.

In de West-Indien en Zuid-Amerika. Hij is
niet grooter dan een Kalkoen en vooral aan den
kop, met schoone geel-, rood- en zwart gekoleur-
de veeren vercierd, en met lange vleesachtige lap-
pen, die over den bek neerhangen, voorzien.
Hij kan zijnen naakten hals als onder eenen digten
kraag van veeren intrekken. Hij leeft voornaamlijk
van Slangen en andere Amphibien, en wordt dikwerf
naar Europa overgevoerd.

3. V. Barbatus. De Lammer- of Baard-Gier.
The Bearded Vulture. Der Lämmergyer/ Goldgyer.

Kent. De rug van den bek aan deszelfs uiteinde
gebuld; de onderkaak met twee knevels als met een
baard bezet.

Comr. Gesner l. c. pag. 708. Andreä Briefe
aus der Schweiz
/ Taf. XII. pag. 195. Vergel.
Houtt. I. D. IV. St. Pl. XXIX. f. 2. bl. 111.

[Seite 204]

In de Tyrolsche en Zwitzersche Alpen, ook in
Siberien. Hij is de grootste van alle Europische
Vogelen, en beslaat wanneer zijne vleugels uitge-
spreid zijn, de breedte van bijna 10 voeten: Door
zijnen met veederen bedekten kop, vooral echter
door den gewelvden bult aan het voorste gedeelte
der boven-kaak is hij van alle andere Giersoor-
ten onderscheiden(*). Ontoeganglijke woestenijen,
zijn de plaatsen waar deeze Vogels hunne nesten
maaken, waarom men noch deeze, noch ook hun-
ne eieren tot heden ooit heeft kunnen aantreffen.
Zij leven meest van roof, bestaande uit Gemsen,
Geiten, wilde Katten enz.

4. V. Percnopterus. De Arend-Gier. Le
Percnoptere
. Der Aasgeyer.

Kent. Zwarte slagpennen die aan derzelver bul-
tenrand
(de buitenste alleen uitgezonderd), grijs zijn.

Buffon H. N. des Ois. T. I. pag. 149. Dau-
bent
. Pl. 426. Vergel. Houtt. I. D. IV. St.
bl.
115.

In 't Zuidelijk Europa, nog meer echter in Pa-
læstina, Arabien en Aegijpten. In het heilige land,
maaken deeze Vogelen eene groote slachting onder
[Seite 205] de ontelbaare meenigte van veld-muizen, die daar
gevonden worden; In Aegijpten doen zij den zelf-
den dienst, door de landerijen te zuiveren van het
groot getal Amphibien, met welke, vooral naar de
overstromingen van den Nijl, de grond als 't ware
overdekt is. De oude Aegijptenaren hebben dee-
ze Vogels, even als eenige andere dieren die hun
inzonderheid dienstig waren, voor heilig gehouden,
en hun dikwerf in haare zinnebeeld-schriften op
Obelisken, in de beschilderingen der bekleedselen
hunner Mumien en bij andere gelegenheden afgebeeld.

II. FALCO. DE VALK.

Kent. De bek haakswijze omgekromd en aan des-
zelfs wortel of grondstuk met eene wasch-huid over-
dekt; de kop is met veederen bedekt; de tong in
twee gespleeten.

1. F. Serpentarius. (Sagittarius). De
Slangen-Valk of Secretaris-Valk. Le Secretaire,
le Messager.
Der Gecretär.

Kent. Een witte wasch-huid aan den bek; zeer
lange pooten; eene nederhangende kuif in den nek;
de middelste slagpennen langer dan de overige.

Vosmaer. Beschrijving van den Sagittarius, Tab.
VIII. te Amsterd. 1769. uitgeg. Buffon H. N.
des Ois. T.
VII. Pl. 17. daubent. Pl. 721.
Joh. F. Miller Fasc. V. Tab. 28.

In de omliggende landstreeken der Kaap de Goe-
de Hoop, ook op de Philippijnsche Eilanden; zij-
ne pooten zijn lang, even als die der Steltlopers;
zijn voedsel bestaat meest uit Slangen en Hagedissen.

[Seite 206]

2. F. Melanaëtus. De Zwarte of Zwart-
brume Arend. Buffon's Aigle commun. The black
Aegle
. Der Schwarzbraune Adler.

Kent. Een geele wasch-huid; de pooten ten halve
wollig bepluimd; het lijf roest-kleurig zwart, met
geele streepen.

Buffon H. N. des Ois. T. I. p. 86. Daubent.
Pl. 409. Frisch Tab. 69. Vergel. Houtt.
I. D. 4 St. bl. 122.

In Europa. Aanmerkelijk kleiner dan de volgende. Inl.

3. F. Chrysaëtos. De Goud-Arend, Haa-
zen-Arend. Buffon's grand Aigle. The golde
Aegle
. Der Goldadler/ Steinadler.

Kent. Een geele wasch-huid; roestagtig geele,
wollige-pooten; het lijf bruin roestkleurig gemengeld;
de staart zwart, en aan deszelfs grondstuk asch-
graauw gegolfd.

Buffon T. I. Pl. I. p. 76. Daubent Pl. 410.
Vergel. Houtt. I. D. 4. St. bl. 128.

Hij bewoont de bergagtige oorden van Europa,
en voedt zich met den roof, bestaande uit klein
zoogend gedierte en vogelen, schoon hij ook zom-
tijds wel op Herten en andere groote dieren durft
aanvallen, en sterk en behendig genoeg is, om zich
van hun meester te maaken. De stem van den
Goud-Arend is hard-luidende, en vrees-verwek-
kende; hij nestelt op de toppen van hooge rotzen en
voedt zijne jongen met het beste wild van Haazen,
jonge Rheën enz.

[Seite 207]

4. F. Ossifragus. De Visch-Arend. l'Or-
fraie ou Aigle de mer. The Sea-Aegle.
Der Fisch-
adler/ der Beinbrecher
.

Kent. De wasch-huid geel; de pooten halfweegs
wollig; het lijf roest-kleurig; de staartpennen van
binnen wit.

Buffon Hist. des Ois. T. I. Pl. 3. p. 112. Dau-
bent
. Pl. 112. & 415. Vergel. Houtt. I. D.
4. St. bl. 170.

Aan de Kusten van Europa, ook in Noord Ame-
rika, en een gedeelte der Zuid Zee. Hjj bereikt
zomtijds de groote van den Goud-Arend, straks
beschreven; zijn voedsel bestaat alléén uit Visschen,
zo dat hij eer een week honger lijden zou, dan zich
door het gebruik van vleesch te verzaadigen. De
meening van veele Natuur-Onderzoekers, omtrend
deezen Vogel, als of de linker poot met eene
zwem-huid voorzien was, is ongegrond, doordien
aan heide, even als bij andere dieren van het zelfde
geslacht, de vingers steeds vrij en van elkander ge-
heel afgescheiden gevonden worden. Vergel. Buff.
Hist. des Ois. T. I. p. 105. Houtt. I. D. 4. St.
bl. 169 en kolbe Beschr. van de Kaap I. D. bl. 208.

5. F. Haliaëtus. De Eenden-dooder. Zee-
Arend. Le Balbuzard. The Osprey. Der Entenstös-
er/ Moosweih
.

Kent. De wasch huid en pooten blaauw; 't lijf bo-
ven bruin, van onderen wit; de kop witagtig.

Buffon. H. d. Ois. T. I. Pl. 2. pag. 103. Daubent.
Pl. 414. Vergel. Houtt. I. D. 4. St. bl. 196.

[Seite 208]

Meer aan de oevers der rivieren dan aan de Zee-
Kusten. Dikwils is hij en de zo even beschreven
f. oosifragus of Visch-Arend, voor een en
denzelfden Vogel gehouden(*).

6. F. Milvus. De Wouw of Kuiken-dief.
Le Milan. The Kite. Die Weihe/ der Gabel-Geyer/
Scherschwänzel/ Schwalbenschwanz/ Taubenfalke.

Kent. De wasch huid geel; de staart gespleeten of
gevorkt; het lijf roest-kleurig; de kop meer wit.

Nozeman en sepp. Nederl. Vogel. I. D. Pl. 8.
Buffon II. des Ois. T. I. Pl. 7. pag. 197. Dau-
bent
. Pl. 472. Frisch. Tab. 72. Houtt.
I. D. 4. St. Pl. 31. fig. 1.

Overal in de oude Wereld. Zij zijn het huisgevo-
gelte wel schadelijk, doch ook weder aan den an
deren kant daardoor nuttig, dat zij eene meenigte
[Seite 209] van krengen en Amphibien verslinden. Waarom
men hun in verscheidene oorden, even als den
Arend-Gier in Aegijpten opkweekt, en volgens
een verbod der Overigheid niet schieten mag. – Inl.

7. F. Gentilis. De edele Valk. Le Faucon.
The Falcon
. Der Edelfalke.

Kent. De wasch-huid en de pooten geel; het lijf
aschgraauw, met bruine vlakken; de staart heeft vier
zwartverwige banden of streepen.

Buffon Hist. des Ois. T. I. Pl. 15. & 16. p. 249.
Daubent. Pl. 470. & 421. Frisch. Tab. 74.
Houtt. I. D. IV. St. bl. 157.

Van den Edelen Valk, die de bergachtige stree-
ken van het Noorden bewoont, vindt men veele
verscheidenheeden, van welke er eenige door mee-
nig Natuur-kenner voor geheel afzonderlijke zoorten
zijn aangenoomen: Hij wordt voornaamlijk (gelijk
ook gewis het volgende en andere hem aanverwante
zoorten van dit geslacht), tot het vangen zo wel
van kleine zoogende dieren, als van Vogelen, bij-
zonderlijk echter van Reigers enz. afgericht. In
het Oosten heeft men deeze Jacht (vooral op de
Gazellen of Springbokken) reeds in de oudste tij-
den geoeffend, maar bij de Europische Volkeren
is dezelve niet dan zeedert het einde der twaalfde
eeuw in gebruik geraakt. Inl.

8. F. Palumbarius. De Havik of groote
Sperwer-Valk, Duiven-Valk. (Accipiter). l'Au-
tour. The Goose-Hawk.
Der Habicht/ Taubenfalke.

[Seite 210]

Kent. De wasch-huid zwart; de rand en pooten
geel: het lijf bruin; de staart-pennen met bleeke
streepen; de wenk-braauwen wit.

Buffon Hist. des Ois. T. I. Pl. XII. p. 230. Dau-
bent
. Pl. 461. & 418. Frisch Tab. 81. & 82.
Vergel. Houtt. I. D. 4 St. bl. 175.

Zijne woonplaats is meestal dezelfde, als die der
voorige zoort. Inl.

9. F. Nisus. De Sperwer, de Vinken-Valk.
L'Epervier. The Sparrow Hawk. Der Sperber.

Kent. De wasch-huid groen; de pooten geel; de
buik wit- en grijsachtig gegolvd; de staart met
zwartachtige banden gestreept.

Nozeman Pl. 120. bl. 227. Buffon H. d. Ois. T. I.
Pl. II. p. 225. Daubent. Pl. 466, 467 & 412.
Frisch Tab. 90-92. Verg. Houtt. t. c. bl. 177.

In Europa. Het is een schadelijk Dier voor het
tam gevogelte, inzonderheid voor de Duiven, ge-
lijk ook voor Patrijzen, Kwartelen enz. Inl.

III. STRIX. DE UIL.

Kent. De bek kort, haakswijze omgekromd, naakt,
zonder wasch-huid; de neus-gaten met borstelachtige
vederen bedekt; de kop groot; de tong in tweën ge-
spleeten; de buitenste voorvinger der pooten kan zo wel
naar vooren als naar agteren bewoogen worden; eenige
slag-pennen zijn zaagswijze ingesneeden.

1. S. Bubo. De Schuisuit. Le grand Duc,
le grand Hibou cornu. The great Horn Owl, the
Eagle-Owl.
Der Uhu/ Schubut/ die Ohreule.

[Seite 211]

Kent. De ooren zijn rondom met veederen bezet;
de oog-kringen saffraan-kleurig; het lijf ros.

Buffon Historie des Ois. T. I. Pl. 22. p. 332. Dau-
benton
Pl. 435 et 385. Frisch Tab. 93.
Houtt. I. D. 4. St. bl. 183.

De grootste Vogel van dit gantsche geslacht en
teffens zo ongemeen sterk, dat zomwijlen Arenden
zelfs voor hem moeten onderdoen. Deeze, gelijk
ook de volgende zoort, bewoont de gemaatigde
gewesten van Europa en het Westelijk gedeelte
van Asien. – Inl.

2. S. Vlula. De Steen-Uil, Kat-Uil. La
Chouette. The Brown-Owl.
Der Steinkautz/ die
Steineule.

Kent. De kop glad; saffraan-geele oog-kringen;
het lijf roestverwig bruin; de derde slag-pen langer
dan de overige.

Nozeman Nederl. Vogel. Pl. 33 et 34. Buffon
Hist. des Ois. T. I. Pl. 27. p. 372. Daubent.
Pl. 438. Frisch Tab. 98. Houtt. I. D.
4. St. bl. 205. – Inl.

3. S. Passerina. Het Klein-Uiltje, het Kat-
Uiltje. La Chevéche, la petite Chouette. The little
Owl.
Das Käutzlein

Kent. De kop glad; de slag-pennen met vijf rijen
witte vlekken.

Nozeman Pl. 38. bl. 69. Buffon Hist. des
Ois. T.
I. Pl. 28. p. 377. Daubent. Pl. 439.
Frisch Tab. 100. Houtt. I D. 4. St. bl. 207.

In Europa en N. Amerika. – Inl.

[Seite 212]

IV. LANIUS. DE KLAAUWIER:

Kent. Een bijna regt-uitloopende bek, zonder
wasch-huid aan deszelfs grondstuk, doch wederzijds
naar deszelfs punt, met een klein scherp uitsteekzel,
of tand voorzien; de tong gespleeten.

1. L. Excubitor. De Wagter. La Pie-grie-
che grise. The great Shrike
. Der Würger/ Bergälster.

Kent. De staart wigvormig; aan de zijden wit;
de rug grijs; de vlerken zwart met eene witte vlek.

Nozeman Fl. 64. bl. 121. Buffon Hist. des Ois.
T.
I. Pl. 20. p. 296. daubent. Pl. 445. Frisch
Tab. 59 et 60. Houtt. I. D. 4. St. bl. 164.

In Europa en N. Amerika. Volgens het geen
men verhaalt zouden zij de stem van andere Voge-
len weeten na te bootzen en deeze daar door tot
zich lokken, om ze dan ten prooi te bekomen. Inl.

2. L. Collurio. De Schat-Aakster, de
Graauwe Vinken-bijter. l'Ecorcheur. The Red-
backed Shrike.
Der Neuntödter.

Kent. De staart bijna wigvormig; de rug grijs;
de vier middelste staart-pennen eenkleurig; de bek
loodverwig.

Nozeman Pl. 66. bl. 127. Buff. H. d. Ois. T. I.
Pl. 21. p. 304. Daubent. Pl. 31. fig. 2 & Pl. 475.
fig. 1. Frisch Tab. 60. Houtt. t. c. bl. 216.

In Europa. Voor hunne jongen verzamelen zij
vooral Keevers, groote Vliegen of zogenaamde
Blaauw-aarzen, en dergelijke insecten, welke zij ter
bewaring en als tot hunnen voorraad aan de doornen
van den zwarten Doorn-boom, en andere doorn-
achtige struiken vastrijgen. – Inl.

II. Orde. LEVIROSTRES. dun-
bekken
.

[Seite 213]

De Vogelen tot deeze Orde behoorende, bewoo-
nen alleenlijk de warmste wereld-streeken, en zijn
zeer kenbaar door hunnen veelal grooten, dikken,
doch naar evenredigheid meestendeels zeer ligten
bek, van welken hier boven (§. 61.) bij gelegen-
heid der lucht-buizen is gewag gemaakt.

V. PSITTACUS. DE PAPEGAAIJ.
Le Perroquet. The Parrot. Der Papagey/ Sittig.

Kent. De bovenkaak haakswijze gekromd en met
eene wasch-huid voorzien; de tong vleesig en ongesplee-
ten;
klim-pooten. (pedes scansorii)(*).

Dit gantsche Vogel-geslacht heeft, over het ge-
heel genomen, meestal het zelfde Vaderland als de
Aapen onder de Zoogende dieren. Daarentegen is
het zeer opmerkingswaardig, dat veele enkele Pa-
pegaaij-zoorten eene zo buitengemeen naauwbeperk-
[Seite 214] te woonplaats hebben, dat bij voorb. in den Oost-
Indischen Archipel omstreeks Luszon verscheidene
deezer zoorten slechts enkel en alleen op het een of
ander Eiland afzonderlijk, doch daarentegen nimmer
eenige te gelijk gevonden worden, op een der andere
Elanden, hoe digt deeze ook bij elkander liggen.
In houding en manieren hebben deeze Vogelen
veele bijzonderheden, welke hun alleen eigen
zijn. Zo weeten zij zich bij voorbeeld van haare
pooten, als van handen te bedienen, brengen daar-
meede hunne spijzen aan den mond, krauwen er
zich meede agter de ooren, en treeden eindelijk
wanneer zij op den grond gaan, niet zo als andere
Vogelen, alleen met de nagels, maar met den ge-
heelen hiel even als de Menschen en Aapen. Hun-
ne haakvormige boven-kaak is door een gewricht, met
den kop zelve vereenigd, zij is zeer beweegbaar,
en dient hun zo in 't klimmen, vasthouden, als in-
zonderheid ook in het uitpluizen, kraaken enz. als 't
ware tot eenen derden poot. De Papegaaijen nie-
sen, rochgelen, geeuwen, ook leeren zo wel de
mannetjens als wijfjens met hunne dikke, vleesige
tong en door hunne groote leerzaamheid, zeer ligt
woorden naspreken. Intusschen hebben wij uit dit
zo talrijk Vogel-geslacht, alleen die zoorten ter
onzer beschouwing uitgekipt, welke of om hunne
schoone vederen, of wegens hunne zonderlinge ge-
schiktheid om te leeren spreken, het meest naar
Europa overgebragt worden.

1. P. Macao. De West-Indische Raaf. l'Ara.
Der Aras/ Indianische Rabe.

[Seite 215]

Kent. Een lange staart; rood van koleur; de
slag-pennen van boven blaauw, van onderen ros; de
wangen kaal en gerimpeld.

Buff. Hist. des Ois. Tom. VI. p. 179. Daubent.
Pl. enlum. No 12 & 641. Edwards Vogel.
Tab. 158. Vergel. Houtt. I. D. 4. St. p. 236.

In Zuid-Amerika. 't Is een groot, en door de
pracht zijner vederen, voortreflijk schooon Dier.

2. P. Alexandri. De Alexanders-Papegaaij,
of Ring-Parkiet.

Kent. De staart lang; het lijf groen; de borst en
hals-kraag rood; de keel zwart.

Buff. ib. p. 141. Daubent. Pl. 642. Ed-
wards
Tab. 292. Vergel. Houtt. I. D. 4. St.
bl.
244.

In de Oost-Indien. 't Is de de eerste Papegaaij
geweest, die door Alexander den Grooten op
zijnen togt door de Indiën, naar Europa is over-
gebragt.

3. P. Cristatus. De Kakatoe, de Geel-Kuif.
Der Caeadu.

Kent. De staart kort; het lijf wit; op den kop een
geele kuif, die het Dier uitspreiden en intrekken kan.

Buff. ib. p. 93. Daubent. Pl. 14. Frisch
Tab. 50. Vergel Houtt. I. D. 4. St. bl. 254.

In Oost-Indien, vooral op de Moluksche eilanden.

[Seite 216]

4. P. Erithacus. De Guineesche of blaauwe
Papegaaij. Le Perroquet cendré ou Jaco. Der Jaco/
Aschgraue Papegey.

Kent. Een korte staart: het lijf blaauwachtig-grijs
van koleur: de wangen kaal en wit; de staart hoog
rood.

Buff. ib. p. 100. Daubent. Pl. 311. Frisch
Tab. 51. Vergel. Houtt. I. D. 4. St. bl. 257.

Op Guinea, Congo en Angola.

5. P. Amazonicus. De Amazoon-Papegaaij.
l'Ajourou-couraou van buffon. Der Amazonen-Pa-
pagey.

Kent. Een korte staart; het lijf groen; het voor-
hoofd blaauw; de wangen hoog-geei.

Frisch Tab. 47.

In Brasil.

6. P. Pullarius. Het Guineesche Parkietje,
de Guineesche Mos. l'lnseparable.

Kent. Een korte staart; het lijf groen; het voor-
hoofd rood; de staart hoog-geel met een zwarte streep;
de oogkringen aschgraauw.

Buff. ib. p. 165. Daubent. Pl. 60. Frisch
Tab. 54. fig. 1. Houtt. l. c. pag. 269.

Hun Vaderland is Guinea en de Oost-Indien.
Zij zijn niet veel grooter dan een Goud Vink,
de fransche naam zijn zij aan de tederheid verschul-
[Seite 217] digt, welke, het mannetje en het wijfje, elkande-
ren wederkeerig bewijzen.

VI. RAMPHASTOS. DE TOUCAN.

Kent. Een zeer groote bek, die inwendig hol,
buitenwaards aan deszelfs randen zaagswijze getand
en wiens punt naar beneden omgebogen is; de meeste
deezer Vogelen hebben
klim-pooten.

De uittermaate groote bek, die alle de zoorten
van dit zonderling Zuid-Amerikaansch Vogel-ge-
slacht zeer kenbaar maakt, is uitneemend ligt, van
ongemeen week hoorn, en deszelfs randen zeer on-
regelmatig gekarteld, (dat is aan de boven-neb
dikwerf geheel anders als aan de onderste, en op
de rechter zijde wederom anders als op de linkere enz.)
de tong van deeze merkwaardige schepselen is een
halve hand-span lang, deszelfs zelfstandigheid ge-
lijkt naar visch-been of balein, aan de wortel is
dezelve naauwlijks ééne lijn breed, en aan de zijden
geveezeld. De koleur hunner vederen is dikwerf
zo wel bij de mannetjens als bij de wijfjens verschil-
lende en verandert naar gelang van den ouderdom enz.
Het zijn dergelijke natuurlijke verscheidenheeden,
die aan meenig leerstellig natuur-onderzoeker gele-
genheid gegeven hebben, om dezelve voor bijzon-
dere zoorten aanteneemen.

1. R. Tucanus. De Toucan. Le Toucan à
gorge jaune. The Yellow breasted Tucan.

Kent. Het lijf zwartachtig; een geelachtige bek
met een zwarte streep aan deszelfs wortel of grond-
stuk; de streep die langs den buik loopt, geel.

[Seite 218]

VII. BUCEROS. (Hydrocorax). DE NEUS-
HOORN-VOGEL. Le Calao des Moluques.
The Indian Hornbill.
Der Nashorn.

Kent. De bek zeer groot, hol, en aan deszelfs
grondstuk naar het voorhoofd omgekromd; zij hebben

stap-pooten. (pedes gressorii)(*).

1. Buceros Rhinoceros. De éénhoornige
Rhinoceros-Vogel, de Jager-Vogel. Le Calao Rhi-
noceros. The Rhinoceros bird.

Kent. Een naar boven gekromd uitsteekzel van
den bek op het voorhoofd.

Zie de afbeelding bij haak te Leyden in fol. uit-
gegeeven.
Vergel. Houtt. I. D. 4. St. bl. 287.

Hij woont gelijk de overige Rhinoceros-Vo-
gels in de Oost-Indiën, voedt zich met krengen,
en geeft een walgelijken reuk van zich.

xxx

III. Orde. PICI. aaksters.

[Seite 219]

De Vogels van deeze Orde hebben korte pooten,
en meestal eenen regten, niet dikken en middel-
maatig langen bek.

VIII. PICUS. DE SPECHT. Le Pic.
The Woodpecher.
Der Specht.

Kent. Een veelkantige en aan de punt wigvormige
bek; de tong wormswijze rol-rond, zeer lang, ge-
spitst, en aan deszelfs punt gewapend met doornach-
tige steekels, welke agterwaards gekeerd staan.

Het geen bij de Spechten, omtrend het maakzel der
tong inzonderheid opmerking verdient, is, dat het
tong-been in twee lange veeder-vormige kraak-
beentjes eindigt, die van agteren na voren over de
geheele hersenpan onder de huid heenlopen, en zich
aan het voorhoofd, daar ter plaatze inplanten,
waar de bek begint; deeze kraakbeentjes zijn der-
halven veezelagtige spring-veeren, met welke deeze
Vogelen hunne draadvormige tong zeer schielijk
naar buiten duuwen, en daarmede insecten vangen
kunnen. De (pedes scansorii) of klim-pooten, die-
nen hun tot klauteren, de steevige staart tot leunen
en ter ondersteuning, terwijl de scherp toelopende
wigvormige bek, hun tot een werktuig verstrekt,
om de boomen, al hakkenderwijze, van hunnen
[Seite 220] schors te ontbloten, en de insecten, diedaar onder
schuilen, optezoeken.

1. P. Martius. De Kraaij-Specht, de zwarte
of gemeene Specht. Le Pic noir. The great black
Woodpecher.
Der Schwarzspecht/ die Hohlkrähe.

Frisch Tab. 34. fig. 1. Houtt. I. D. 4. St.
bl
. 375.

Deeze soort even als de volgende woonen in de
gemaatigde luchtstreeken van Europa. Inl.

2. P. Viridis. De groene Specht. Le Pic verd.
The green Woodpecher.
Der Grünspecht.

Kent. Het lijf groen; de kruin scharlaken-rood.

Nozeman en Sepp Nederl. Vogel. Pl. 22. Frisch
Tab. 35. Vergel. Houtt. I. D. 4. St. bl. 380.

Zij doen veel schaade aan de Bijën-Zwarmen.

3. P. Major. De groote bonte Specht. l'Epe-
che. The great Spotted Woodpecher
. Der grosze Bunt-
öder Rothspecht.

Kent. Het lijf is wit en zwart bont; het agter-
hoofd rood.

Nozeman en Sepp. Pl. 21. bl. 41. Frisch Tab. 36.
Vergel. Houtt. ib. bl. 389. Inl.

4. P. Minor. De kleine bonte Specht. Le pe-
tit Epeche. The lesser Spotted Woodpecher.
Der klei-
ne bünt- oder Rothspecht.

Kent. Wit en zwart bont; de kruin rood.

Frisch Tab. 37. Vergel. Houtt I. D. 4. St. bl. 391.

[Seite 221]

IX. JYNX of YUNX. DE DRAAI-
HALS.

Kent. De bek bijna rond en spits; de tong worms-
gewijze rolrond, bij uitstek lang en in een punt uit-
lopende.
klim-pooten. (pedes scansorii).

1. J. Torquilla. De Europische Draai-hals.
Le Torcol. The Wryneck. Der Drehhals/ Wendehals.

Kent. Een breed uitgebreide staart, met vier dwar-
se zwartachtige streepen.

Frisch Tab. 38. Buff. Hist. des Ois. T. VII.
Pl. 3. p. 84. Daubent. No. 698. Vergel.
Houtt. ib. bl. 370.

Zijn naam heeft hij bekomen van de ongemeene
buigzaamheid van zijne hals: hij behoort in Euro-
pa t'huis. Inl.

X. SITTA. DE GRAAUWSPECHT of
BLAAUWSPECHT.

Kent. De bek is priemvormig rondachtig, aan de
punt zamengedrukt; de bovenkaak iets langer dan de
onderste;
wandel-pooten. (pedes ambulatorii)(*).

1. Sitta Europæa. De gemeene of Europi-
sche Graauw-Specht. La Sittelle, le Torchepot.
The Nuthatch, the Wood-cracker.
Der Blauspecht.

[Seite 222]

Kent. Zwarte staart-pennen, waarvan de vier zij-
delingsche onder aan de punten wit zijn.

Frisch Tab. 39. fig. 2. Buff. Hist. des Ois. T. V.
Pl. 20. pag. 460. Daubent. Pl. 623. fig. 1.
Houtt. t. c. Pl. 35. fig. 10. bl. 396.

In Europa en Noord-Amerika.

XI. TODUS. DE TOMTIT.

Kent. De bek elsvormig, een weinig plat, stomp,
regt, en aan het grond-stuk met wijd uitstaande
haartjes bezet.
stap-pooten (pedes gressorii).

1. T. Viridis. De groene roodborstige Tomtit,
het Roodkeeltje. Le Todier. The green Sparrow.

Kent. Het lijf groen; de borst rood.

Buffon Hist. des Ois. Tom. VII. Pl. II. pag. 225.
Daubent. No. 585. Edward's Tab. 121.
Vergel. Houtt. ib. bl. 405.

XII. ALCEDO. DE YS-VOGEL.

Kent. De bek is driekantig, dik, regt en lang;
de meeste hebben stap-pooten. (pedes gressorii); en
kunnen den buitensten vinger voor- en agter-waards
bewegen.

1. A. Ispida. De gemeene Ys-Vogel. (Alcyon).
Le Martin pêcheur. The common Kingfisher. Der
gemeine Eisvogel.

Kent. Het lijf van boven blaauw; van onderen ros,
met een geele streep op zijde van den kop, en een
korte staart.

[Seite 223]

Nozeman en sepp. Pl. 156. bl. 285. Buffon
Hist. des Ois. ib. Pl. 9. pag. 164. Frisch.
Tab. 223. Daubent. Pl. 77. Vergel. Houtt.
ib. bl. 399.

Bijna overal in de oude Wereld, alwaar zij zich
zo wel aan de oevers der Zee, als aan vijvers en
rivieren ophouden: zij voeden zich met visschen,
van welke zij de graten uitbraken, in de gedaante
van ineengerolde ballen, op de zelfde wijze als de
Uilen dit de beentjes van Muizen en ander klein
gedierte doen. Inl.

XIII. MEROPS. DE BYEN-EETER.

Kent. De bek krom, zamengedrukt, gekield;
stap-pooten (pedes gressorii).

1. M. Apiaster. De gewoone Bijen-eeter.
Le Guépier. The Bea-eater. Der Bienenfresser.

Kent. De rug ijzer- of vaal-kleurig; de buik en
staart blaauwachtig-groen; de keel geel, met een
zwarte streep aan de zijden van den kop.

Buff. Hist. des Ois. T. VI. Pl. 23. p. 480. Dau-
bent
. Pl. 938. Frisch Tab. 222. Vergel.
Houtt. I. D. 4. St. bl. 409.

Een schoon Dier, dat in het Zuiden van Euro-
pa t'huis behoort, en niet dan slechts zeer zelden
tot in de Noordelijke oorden van zijn vaderland
afdwaalt. Tot voedzel aast hij op Spring-hanen,
vooral echter op Bijen, die hij in groote meenigte
wegvangt.

[Seite 224]

XIV. UPUPA. DE HOPPE.

Kent. De bek boogswijze gekromd, van boven ver-
heven rond, eenigei maate zamengedrukt en een weinig
stomp;
wandel-pooten (pedes ambulatorii).

1. U. Epops. De gewoone of Europische Hop-
pe. La Hupe. The Hoopoe. Der Europäische Wie-
dehopff
.

Kent. Een bonte kuif op den kop.

Nozeman en sepp. Pl. 66. bl. 119. Frisch Tab.
43. Vergel. Houtt. t. c. Pl. 36. fig. 6. bl. 415.

In Europa en de Oost-Indien: zij voeden zich
met Mestkeevers, Lijkbegravers en andere Insecten,
die zij uit den mest van het Vee opzoeken. Zij
maaken hunne nesten in holle boomen, meestal
op een bodem van menschen-drek. Inl.

XV. CERTHIA. HET BOOMKRUI-
PERTJE.

Kent. De bek boogswijze krom, dun, eenigzints
driekantig en scherp;
wandel-pooten. (pedes am
bulatorii
).

1. Certhia familiaris. Het gewoone of
Europische Boomkruipertje. Le Grimpereau. The
Creeper.
Die Baumklette.

Kent. Het lijf van boven grijs, van onderen wit;
bruine slagpennen; in den staart tien stuur vederen.

Nozeman Pl. 31. bl. 59. Frisch Tab: 39. fig. 1.
Vergel. Houtt. I. D. 4. St. bl. 425.

[Seite 225]

In Europa: zij klauteren even als de Spechten
rondom de stammen der boomen, om Insecten
en derzelver Poppen optezoeken enz. – Inl.

2. C. Muraria. De Muurkruiper, Muur-
Specht. l'Eschalette. The Wall-Creeper. Der klei-
ne Baumläufer/ Mauer Specht.

Kent. Het lijf aschgraauw; op de vleugels een
rood-geele vlek.

Buffon Histoire des Oiseaux T. V. Pl. 22. p. 487.
daubent. Pl. 372. Edwards Glean. Tab. 361.

In de warme streeken van Europa: alwaar hij
vooral oude muuren, torens enz. bewoont.

3. C. Coccinea. De Carmosinroode Boom-
kruiper.

Kent. De staart- en slag-pennen zwart; het ove-
rige van 't lijf carmosin-rood.

Een klein, allerschoonst, carmosinrood diertje, van
het voor Capitein Cook zo noodlottige eiland
Owaihi; waar de kunstrijke Inwooners met de
veertjens van deezen Vogel veelerlei in de daad
uitsteekend prachtige sieraaden, kleederen, hel-
men, ja zelfs geheele mantels enz. weeten te
overtrekken.

XVI. TROCHILUS. HET BLOEM-
ZUIGERTJE. Le Colubri. The Humming-
bird.
Der Colibri/ Honigsauger.

Kent. De bek als een els, draadvormig en lan-
[Seite 226] ger dan de kop. De onderkaak gelijkt naar eene buis
en wordt door de bavenste als in eene scheede omvan-
gen. De tong heeft de gedaante van een pijpjen; be-
staande uit twee bij elkander gegroeide draaden;

wandel-pooten (pedes ambulatorii).

De Vogelen die tot dit geslacht behooren, zijn
zeer klein, doch van eene schoonheid, die zo wel
al het kunst-vermogen, van het kragtigst penceel,
als de meest cierlijkste beschrijving verre overtreft.
Het groen, rood en blaauw hunner vederen is ge-
lijk ann de kleur van gevernisd goud, en doet in-
zonderheid wanneer het door de Zon bescheenen
wordt eene onbeschrijflijke werking. Deeze kleine
diertjens zijn teffens zo teder, dat zij zeer ligt een
prooi worden voor groote Bosch-Spinnen, en op
geene andere wijze kunnen worden gevangen, dan
door hen met water te besprengen, dewijl men hen
zelfs met het kleinste schroot of fijnste zand aan
stukken schieten zoude. Zij voeden zich grooten-
deels met het honig-zap der bloemen, hetwelk
zij al zweevende en vladderende, even schier als de
Kapellen, door middel van haar dun en pijpvor-
mig snafeltjen, weeten optezuigen. Het maakzel van
hunnen buk verschilt bij de onderscheidene zoorten;
zijnde of regt, of naar boven of wel nederwaards
boogsgewijze gekromd: voorts zijn deeze dieren
niet alleen in het Zuidelijk of warme gedeelte van
Amerika t'huis, maar ook gedeeltelijk in Califor-
niën, en één zoort zelfs in Nootka-zond.

1. T. Minimus. Het allerkleinste Bloemzuiger-
tje, het Vliegen-Vogeltje.

[Seite 227]

Kent. De bek regt; het lijf glanzig-groen, van
onder witac tig; de buitenste of zijlingsche staart-
pennen aan den buiten-rand wit.

Edwards Tom. II. Tab. 105. Vergel. Houtt.
I. D. 4. St. bl. 447.

't Is de kleinste van alle tot heden bekende Vo-
gelen weegende niet meer dan omtrent 30 greinen.
Zijn nest bestaat uit boom-wol, en heeft de groote
van een Okker-noot; zijne eieren zijn niet grooter
dan een zuiker-erwt.

2. T. Mosquitus. De Juweel-Colibriet,
de Roodstaartige-Colibriet. Le Rubis-topase. Der
Juwelen Colibriet.

Kent. Het lijf groenachtig; de kruin goud-kleu-
rig purper; de keel gloeiend-purper-rood.

Seba Thesaur. T. I. Tab. 37. fig. 4. Vergel. Houtt.
I. D. 4. St. bl. 441.

Een onbeschrijflijk prachtig diertje, waarvan
het voorste en opperste gedeelte van den kop,
als een Robijn, en de keel als gloeiend goud glin-
steren.

xxx

IV. Orde. CORACES. raven.

[Seite 228]

De Vogelen van deeze Orde, zijn van eene mid-
delmaatige groote, hebben eenen zwaaren boven-
waards verheven bek, en korte pooten. Zij leven
deels van graan- en andere-gewassen, van zaaden enz.,
deels van Insecten, en ook van aas. De meeste
hebben een naar wild gelijkend, doch onsmakelijk
vleesch.

XVII. BUPHAGA. DE OSSEN-
PIKKER.

Kent. De bek regt bijna vierkantig; beide de kaa-
ken gebuld, ongetand, buitenwaards meer verheven;

wandel-pooten (pedes ambulatorii).

B. Africana. De Afrikaansche Ossen-pikker.
Le Pic-boeuf. The beef-eater.

Latham vol. I. p. 1. Tab. 12. Vergel. Houtt.
I. D. 5. St. Pl. 48. fig. 4. bl. 478.

Op de kusten van Senegal enz.

XVIII. CROTOPHAGA. DE TEEK-
EETER.

Kent. Een zamengedrukte of aan de zijden platte
bek, die half eirond, boogs-witze gekromd, en bo-
ven op deszelfs rug kielvormig is; de bovenste kaak
[Seite 229] is op den rand aan weers-zijde hoekig; doorloopen-
de neusgaten.

1. C. Ani. De viervingerige Teek-eeter. Le
Bout de petun. The Razorbilled- or Savanna black-
bird
. Die Madenfresser.

Kent. Klim-pooten (pedes scansorii).

Latham T. c. Tab. 13. Daubent. Pl. enlum.
No. 102. fig. 2. Vergel. Houtt. I. D. 4. St.
Pl.
33. fig. 4. bl. 290.

In de West-Indien. Zij leeven bij benden in ééne
gezellige huis-houding, zo naamlijk, dat tegen de ge-
woonte van alle andere Vogels, een aantal wijfjens
zich bij elkander houden en te zaamen één gemeenschap-
pelijk nest bouwen, waarin zij alle broeden, en de
jongen onder elkanderen voeden en opkweeken.

XIX. CORVUS. DE RAVE.

Kent. De bek verheven rond en mes-vormig; de
neus-gaten met borstelachtige haairtjens als met een
kneevel bedekt;
wandel-pooten (pedes ambulatorii).

1. C. Corax. De Rave. Le Corbeau. The
Raven.
Der Kolk-Rabe.

Kent. Zwart, met een donker zwart-blaauwe
weerschijn op den rug; de staart rondachtig aan het
eind.

Buffon. Hist. des Ois. T. III. Pl. 2. p. 13. Frisch
Tab. 63. Houtt. I. D. 4. St. bl. 294.

Voorzeker in alle Wereld-deelen. Zij heeft
eenen bij uitstek scherpen reuk, doordien ze reeds
[Seite 230] op eene grooten afstand, de lucht van krengen die
in de digtsten struiken en bosschen verborgen liggen,
pewaar wordt. Het is een schadelijk dier, dat
Visschen, Kreeften, Eenden-kuikens, ja zelfs jonge
Haasen enz. weg rooft, en dievachtig van aart is,
steelende ook dingen die niet eetbaar zijn. – Inl.

2. C. Corone. De Kraaij, of Kraaij-Raaf.
La Corneille. The Carrion Crow. Die Raben-Krähe.

Kent. Het geheele lijf blaauwachtig-zwart; de
staart aan het einde rondachtig; de staart-pennen
scherp toelopende.

Buff. Hist. des Ois. T. III. Pl. 3. p. 45. Daubent.
Pl. 483. Vergel. Houtt. I. D. 4. St. bl. 303.

Dit zoort heeft een even zo wijd uitgestrekt Va-
derland als de Rave. – Inl.

3. C. Frugilegus. De Roek- of Rock-Rave.
Le Freux, la Frayonne. The Rook. Der Saat-Krä-
he/ der Karechel.

Kent. Zwart; het voorhoofd aschgraauwachtig;
de staart bijna rond.

Nozeman Pl. 103. bl. 199. Frisch Tab. 64.
Verg. Houtt. I. D. 4. St. bl. 305.

In Europa. Een uitsteekend nuttig dier, dat de
velden jaarlijks van eene ontelbaare meenigte veld-
muisen, Keever Wurmen, Gras-rupsen enz. zui-
vert. – Inl.

4. C. Cornix. De Bonte-Kraaij. La Corneil-
le mantelée. The Royston Crow.
Der Krähe/ Nebel-
krähe
.

[Seite 231]

Kent. Het lijf aschgraauwachtig; de kop, keel,
vleugels en staart zwart.

Buff. Hist. des Ois. Tom. III. Pl. 4. p. 61. Frisch
Tab. 65. Vergel Houtt. I. D. 4. St. bl. 306.

In de oude Wereld. Ook deeze is nuttig door
het verslinden van ontelbaar veel ongedierte. – Inl.

5. C. Monedula. De Kaauw. Le Choucas,
The Jackdaw
. Die Dohle.

Kent. Bruin; het agterhoofd grijs; het voorhoofd,
de vleugels en staart zwart.

Frisch Tab. 67. Vergel. Houtt. I. D. 4. St.
bl.
309.

In het Noord-Westelijke gedeelte van Europa. Inl.

6. C. Glandarius. De Meerkol, Vlaamsche
Gaaij. Le Jeay. The Jay. Der Holzheher/ Nutz-
beißer/ Marcolph.

Kent. De dekvederen der wieken blaauw, met
witte en zwarte dwarsch-streepen; het lijf roest-
bruin gemengeld.

Nozeman Pl. 1. bl. 1. Frisch Tab 55. Verg.
Houtt. I. D. 4 St. bl. 313.

In de gematigde streeken van Europa. 't Is een
zeer schoon dier, dat zeer ligt kan tam gemaakt
worden. – Inl.

7. C. Caryocatactes. De Nooten-kraaker.
Le Casse noix. The Nut Cracker. Der Nutzheher.

Kent. Bruin met witte stippen; de wieken en staart
[Seite 232] zwart; de staart-pennen aan het eind wit, de mid-
delste van deeze zijn aan derzelver punten afgesleeten.

Nozeman Pl. 3. bl. 7. Frisch Tab. 56. Verg.
Houtt. I. D. 4. St. Pl. 34. fig. bl. 317.

Hier en daar in het Noorden. – Inl.

8. C. Pica. De Aakster. La Pie. The Mag-
pye.
Die Aelster.

Kent. Het lijf wit en zwart bont; de staart wig-
vormig.

Nozeman en sepp. Nederl. Vogel. Pl. 2. bl 2.
Frisch Tab. 58. Vergel. houtt. I. D. 4. St.
bl
. 319

In Europa en Noord-Amerika. 't Is een zeer
schadelijk dier voor het Jonge huis-gevogelte op
de boere-werven – Inl.

9. C. Graculus. De Berg-Kaauw. Le Crave.
The Cornish Chough.
Der Waldrabe/ Alprabe.

Kent. Heit lijf violet-zwart; de bek en pooten
geel.

Gesner pag. 503. Vergel. houtt. I. D. 4. St.
bl.
311.

In het gebergte, (vooral op de Alpen) van het
Zuidelijke Europa, en van den Levant.

Vermoedelijk is deeze dezelfde als de raadselachtige
Corvus eremita linn. die tot heeden zo verre ik weet
nog door geen één kundig Vogel-kenner met volle
tekerheid gezien is. Zie C. Gesner pag. 337.

[Seite 233]

XX. CORACIAS. DE SCHARLAAR.

Kent. De bek mesvormig met een omgekromde
punt, doch zonder, veertjes of zogenaamde borstel-
haairtjes aan deszelfs grond-stuk;
wandel-pooten
(pedes ambulatorii).

1. C. Garrula. De duitsche Pappegaaij. Le
Rollier de l'Europe. The Roller.
Die Wandelkrähe/
Racke/ der Birkheher.

Kent. Het lijf blaauw; de rug rood; de roei-
pennen zwart.

Frisch Pl. 57. Buff. Histoire des Ois. Tom. III.
Pl. 10. pag. 135. Daubent. Pl. 468. Vergel.
Houtt. I. D. 4. St. Pl. 34. fig. 5. bl. 330.

In de gemaatigde streeken van Europa en Noord-
Afrika. Zij vertoonen zich troepsgewijze op de
velden, wanneer de vruchten beginnen rijp te wor-
den.

XXI. GRACULA. DE KAAUW. Le
Mineur. The Mino.

Kent. De bek verheven mesvormig, aan het grond-
stuk of wortel hier en daar naakt; de tong ongesplee-
ten, eenigermaate scherp en vleessig;
wandel-pooten
(pedes ambulatorii).

1. G. Religiosa. De Monnik-Kaauw. Le
Mainate. The Minor Grakle.

Kent. Het lijf zwart-violet; op de vleugels een
witte vlek; een kaale geele streep of band op het
agterhoofd.

[Seite 234]

Buffon Hist. des Ois. Tom. III. Pl. 25. pag. 416.
Daubent. Pl. 268. Vergel. Houtt. I. D.
4. St. bl. 339.

In Oost-Indien, Zij zingen fraai, en leeren bij
uitstek duidlijk woorden naspreeken.

2. G. Quiscula. De Purper-Kaauw. Pie de la
Jamaique. Dial Grakle.
Der Maisdieb.

Kent. Zwart-violet; de staart rondachtig.

Catesby Carol., vol. I. Tab. 12. Vergel. Houtt.
ib. pag. 343.

In Noord-Amerika: alwaar hij het nadeel dar hij
in de daad aan de Maijs of Turksche tarwe veroor-
zaakt, rijkelijk vergoedt, door het verslinden van
eene ontelbare rneenigte schadelijke Insecten, vooral
van Erwten-Keevers (Bruchus pisi linn.) e a.
Onvoorzichtig was het daarom, dat men nu, ruim 40
jaaren geleeden, in Pensylvanien, geduurende een zo
geruimen tijd, kleine belooningen zettede op elken
aangebragten kop van dit Vogel-zoort, tot dat het
bijna geheel was uitgeroeid; doordien van dien
tijd aan, het bovengenoemde ongedierte dermaate
de overhand kreeg, dat men blijde was, toen men
het aantal van deezen vermeenden schadelijken vo-
gel allenskens wederom zag toeneemen.

XXII. PARADISEA. DE PARADYS-
VOGEL. (Manucodiatta.)

Kent. Het grond-stuk van den bek met wollige
veederen bedekt; de zij-pennen langer dan het lijf;
in de staart zijn de twee bovenste stuurvederen naakt
en van een zonderling maakzel.

[Seite 235]

Dit gantsche geslacht, dat rijk in zoorten is,
heeft een bijzonder naauw beperkt Vaderland, als
horende alleen t'huis in Nieuw Guineé, van waar
deeze dieren als trek-vogelen naar de Molukische
en andere eilanden oversteeken. Ook thans nog,
snijden de Papoes den Paradijs-Vogelen, die om
hunne prachtige veederen in de Indiën tot cieraad en
opschik gedragen en door hun tot dit oogmerk ver-
kocht worden, de pooten af; waar aan dan ook
de dwaaling van veele ligtgelovigen in oude tijden,
als of deeze Vogelen geen pooten hadden, moet
worden toegeschreven, alhoewel zij door Ant. Pi-
gafetta(*) een togtgenoot van Magellaen reeds
beschreven zijn.

1. P. Apoda. De gewoone Paradijs-Vogel.
L'Oiseau de Paradis. Great bird of Paradise.
Der grosse Paradiesvogel.

Kent. Het lijf bruin, de veederen die uit de bei-
de zijden voortschieten zijn langer dan het lijf zelf;
de twee middelste stuur- of staart-pennen lang en
borstelachtig.

Buff. Hist. des Ois. T. III. Pl. 12. p. 151. Dau-
bent
. Pl. 254. Edwards Tom. III. Tab. 110.
Vergel. Houtt. I. D. 4. St. bl. 345.

[Seite 236]

XXIII. TROGON. DE COUROUCOU.

Kent. De bek korter dan de kop, mesvormig, en als
een haak omgebogen; de zijde van de kaaken zijn ge-
tand gelijk een zaag;
klim-pooten (pedes scansorii).

1. T. Viridis. De groene Couroucou. Grüne
Curucuru.

Kent. Het lijf groen-goudkleurig, van onderen
geel, de keel zwart.

Edwards Glean. Tom. III. Tab. 331. Buff. Hist.
des Ois. Tom.
VI. pag. 291. Daubent. Pl. 195.

In Guiana.

XXIV. BUCCO. DE BAARD-VOGEL.
Le Barbu. The Barbet.

Kent. De bek mesvormig, zijlings zamengedrukt,
deszelfs punt zo wel aan de boven- als ondernebbe
uitgerand, en wanneer deeze beide door den Vogel
van elkanderen verwijdert worden, strekt zig de daar
door gemaakte gaping, tot onder de oogen toe uit.

1. B. Capensis. De Kaapsche Baard-Vogel.

Kent. Het lijf ros; een geele streep over de schou-
ders, en eene zwarte langs de borst.

Buff. Hist. des Ois. Tom. VII. Pl. 4. p. 97. Dau-
bent
. Pl. 395. Vergel. Houtt. 4. St. bl. 353.

Het Vaderland van deezen Vogel, is even als dat
van den Couroucou in de West-Indien. De bo-
vengemelde gewoone benaaming van den Kaapschen
Baard-Vogel, hem door linneus gegeven, is der-
halven niet naauwkeurig.

[Seite 237]

XXV. CUCULUS. DE KOEKOEK.

Kent. De bek eenigzins rolrond; klim-pooten
(pedes scansorii).

1. C. Canorus. De zingende of Europische
Koekoek. Le Coucou. The Cuckow. Der Kuckuck.

Kent. De staart rondachtig, zwart en wit gestip-
peld.

Nozeman Pl. 62. bl. 117. Frisch Tab. 40. & volg.
Vergel. Houtt. I. D. 4. St. bl. 354.

In het Noordelijk gedeelte der oude Wereld,
alwaar men hem echter, alleenlijk van het midden
van April tot aan het begin van Julij aantreft. Hij
bebroeit de menigvuldige eieren, die hij ieder voor-
jaar legt, niet zelf, maar legt die van tijd tot
tijd in de nesten en bij de eieren der Grasmosschen
en Kwikstaarten, alwaar dezelve door deeeze klei-
ne diertjens, voor hem worden uitgebroeid. Op-
merkenswaardig is het dat de eieren van den Koe-
koek niet grooter zijn, dan die der zo even ge-
noemde veel kleinere Vogelen, en dat zij ook niet
langer dan deeze behoeven bebroeid te worden.
Daarentegen wordt de jong gebooren Koekoek spoe-
dig groot, en werpt de jonge Grasmosschen schoon
gelijktijdig met hem uitgebroeid, uit hun moeder-
lijk nest. Zijn winter-verblijf is nog niet volko-
men zeeker bekend. – Inl.

2. C. Indicator. De Honig-Koekoek. Der
Honig-Kuckuck.

Kent. De staart wigvormig, ros en wit gevlakt;
[Seite 238] de vleugels ros met geele vlakken; de pooten zwart.

Jo. Fr. miller Fasc. IV. Tab. 24.

In de Zuidelijke binnenlanden van de Kaap de
goede Hoop. Zijnen naam heeft hij bekomen van
de bekwaamheid, met welke hij even als de Honig.
Das (zie hier boven bl. 107.) zijn geliefste voed-
zel de wilde Bijen nesten naamlijk, weet opte-
zoeken. Dit doet hij vooral des morgens en tegen
den avond, en de Hottentotten zo wel als de daar
woonende Europeaanen bedienen zich van die ge-
legenheid, om met behulp van deezen Vogel ook
voor hun zelven den wilden honig intezamelen,
waartoe zij acht geeven op zijn geluid en dit door
hem na te fluiten beantwoorden; op deeze wijze
houdt het dier zich steeds in hunne nabijheid,
vliegt voor hun uit en leidt hen, ter begeerde
plaatzen voort.

XXVI. ORIOLUS. DE GEEL-VOGEL:

Kent. De bek kegelvormig, verheven rond, zeer
spits en regt; de bovenkaak een weinig langer dan de
onderde, en bovenwaards gerand;
wandel-pooten
(pedes ambulatorii).

1. O. Galbula. De Geel-Vogel, Wielewaal,
Goud Merel. Le Loriot. The Golden Trush. Die
Solddrossel/ Goldamsel/ der Kirschvogel/ Pyrol.

Kent. Het lijf geel; de pooten zwart; de buitenste
staart of stuurpennen geel van agteren.

Nozeman Nederl. Vogel. Tab. II. Frisch Tab. 31.
Buffon Hist. des Ois. Tom. II. Pl. 17. p. 554.
daubent. Pl. 26. Houtt. I. D. 4. St. bl. 332.

[Seite 239]

Overal in de oude Wereld. 't Is een uitnemend
schoon dier. De mannetjens zijn goudgeel en zwart;
de wijfjens olijfgroen. Het nest dat zij zich toebe-
relden is kunstig, napvormig, zeer vast in één ge-
werkt en tusschen twee takjes gevestigd. – Inl.

2. O. Persicus. De zwarte Geel-Vogel of
Jupujaba.

Kent. Het lijf zwart; het agterste van den rug,
zo wel als de vlek op de vlerk-dekken, benevens het
grondstuk der stuur- of staart-pennen geel.

Brisson vol. II. Tab. 9. fig. I. Houtt. I. D.
4. St. Pl. 34. bl. 336.

In Brasil enz. Zij bouwen zich gelijk meer ande-
re zoorten van dit geslacht, die in de warmste stree-
ken der beide wereld-deelen t'huis behoren, uit riet
en biezen(*) een lang zak- of beursvormig nest,
't geen zij met eene enge opening voorzien, en aan
her uiterste einde der boomtakken laaten afhangen,
door welke voorzorg zij haare jongen voor de aan-
vallen der Meerkatten en Slangen beveiligen.

V. Orde. PASSERES. Musschen.

[Seite 240]

Deeze Orde bevat kleine Vogelen, met korte,
dunne pooten en eenen kegelvormigen scherp-spits-
toelopenden bek, van verschillende groote en maak-
zel. Zij leeven paarsgewijze; voeden zich met
Insecten en de zaaden van Planten; hebben een
mals en smaakelijk vleesch; en zingen meeste alle.

XXVII. ALAUDA. DE AKKER-
LEEUWRIK.

Kent. De bek el wijze-rolrond, regt; de beide
nebben zijn even lang en van agteren aan derzelver
grondstuk gapende; de nagel van den agtervinger regt
en langer dan de vinger zelf.

1. A. Arvensis. De Veld- of Akker-Leeuw-
rik. l'Alouette des Champs. The Field-lark, the
Sky-Lark
. Die Feldlerche/ Himmelslerche/ Bardale.

Kent. De twee buitenste staart-pennen zijn aan
de buitenzijde in de lengte wit, de middelste aan den
binnenkant roest-bruin.

Nozeman Pl. 15. Frisch Tab. 15. fig. 1.
Houtt. I. D. 5. St. bl. 461.

[Seite 241]

Bijna overal in de oude wereld. Zij houden veel
van zich even gelijk de Hoenderen en veele andere
zogenaamde Scharl-Vogels (Aves pulveratrices) in
het zand te baden.

2. A. Cristata. De gekuifde Leeuwrik. Le
Cochevis, l'Alouette huppée. The Crested Lark.
Die
Haubenlerche/ Heidelerche.

Kent. Zwarte staart-pennen, de twee buitenste
aan den buitenkant wit; de kop gekuifd.

Frisch. Tab. 15. fig 2. Vergel. Houtt. I. D.
5. St. bl. 467.

In Duitschland en de daaraan nabuurige landen. Inl.

XXVIII. STURNUS. DE SPREEUW.

Kent. De bek priem- of els-vormig, hoekig-plat,
een weinig stomp; de boven-kaak geheel effen, of
ongekarteld, de randen een weinig gapende.

1. S. Vulgaris. De gemeene Spreeuw. l'E-
tourneau. The Stare, the Sterling.
Der Staar/ die
Spreche.

Kent. De bek geelachtig; het lijf zwart met witte
pijl-vormige stippen.

Nozemann Pl. 14. bl. 25. Frisch. Tab. 217.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 472.

Meest overal in de oude wereld. 't Is een nuttig
dier, dat eene ontelbaare meenigte van schadelijke
Insecten verdelgt en daarbij uitneemend leerzaam is,
zeer gemaklijk woorden leert naspreeken enz. – Inl.

[Seite 242]

XXIX. TURDUS. DE LIJSTER. Le
Grive. The Thrush.
Der Krammetsvogel.

Kent. De bek rondachtig mesvormig: aan de boven-
kaak eene neerwaards omgebogen en uitgerande punt;
de keel met stijve haairtjes bezet.

1. T. Viscivorus. De groote of gemeene
Lijster. La Draine. The Missel bird, The Shrite.
Die Schnarre/ Misteldrossel.

Kent. De rug bruin; de hals wit gevlekt; de bek
geelachtig.

Frisch. Tab. 25. Vergel. Houtt. 5. St. bl. 480.

Overal in de oude wereld. Hij voedt zich met
Lijster-besiën, die om deeze reden ook aanmer-
kelijk veel door hem voortgeplant worden. – Inl.

2. T. Pilaris. De Krams-Vogel. La Litorne,
la Tourdelle. The Fieldfare.
Der Krammetsvogel.

Kent. De stuur- of staart-pennen zwart: de
buitenste aan de binnenkant met witachtige stippen:
de kop en stuit grijs.

Nozemann. Pl. 121. bl. 235. & Pl. 13. bl. 23.
Frisch. Tab. 26. Vergel. Houtt. I. D.
5. St. bl. 482. volg.

Zij bewoonen het Noorden van Europa, maar
trekken naar de Zuidelijke streeken van dat wereld-
deel. Zij voeden zich voornaamlijk met de beziën
van den lenever-boom, die ook daarom Krams-
bessen genaamd worden. – Inl.

[Seite 243]

3. Turdus. De Koperwiek Lijster. Le Mauvis.
The Redwing.
Die Zipdrossel/ Rothdrossel.

Kent. De vleugels van onderen roestbruin; de
wenkbraauwen witachtig.

Nozeman Pl. 12. bl. 21. Frisch. Tab. 28.
Houtt. I. D. 5. St. bl. 484.

In de meest gemaatigde landstreeken van Europa.
Hij bestrijkt zijn nest met leen en verrot hout;
en daar dit laatste zomwijlen in het duister glimt,
zo is het mogelijk dat dit toevallig gelegenheid ge-
geven heeft tot het reeds oudtijds bekende vertelzel
van een Vogel, dien men in het Schwarze-wald
gezien had en die bij nacht licht van zich gaf. – Inl.

4. T. Musicus. De Zing-Lijster. La Grive.
The ThrostIe, the song Thrush.
Die Sangdrossel/
Weindrossel.

Kent. De vleugels aan 't grondstuk van binnen
roestbruin.

Nozeman Pl. 13. bl. 23. Frisch. Tab. 27. Vergel.
Houtt. I. D. 5. St. bl. 485.

Hij heeft genoegzaam het zelfde Vaderland als
de laatst voorige. Ook vindt men zomtijds onder
hun een bijzoort dat witgraauw van kleur is. – Inl.

5. T. Polyglottus. De Praater of groote
Spot-Vogel. Le Moqueur. The Mocking Bird.
Die Americanische Nachtigall/ Sinsonte.

Kent. Het lijf donker aschgraauw, van onderen
[Seite 244] witachtig, de vlekken boven op de kop, zo als ook die
der vleugels en staart wit.

Catesby Vol. I. Tab. 27. Vergel. Houtt. I. D.
5. St. bl. 488.

In Louisiana, Carolina ook op Jamaica enz.
Volgens zommige berichten zou hij geen bijzonde-
ren of hem alleen eigen zang hebben, maar de stem
van alle andere Vogelen, ja zelfs het lagchen en
schreien der menschen verwonderlijk nabootzen;
en daarbij zeer levendig van aart en in eene onop-
houdelijke beweging zijn.

6. T. Merula. De Merel of Maarl. Le Merle.
The Blackbird, Amzell.
Die Amsel/ Schwarzdrossel.

Kent. Geheel zwart, de bek en oog-leden hoog geel.

Nozeman Pl. 10. bl. 17. Frisch. Tab. 29. Ver-
gel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 492.

In de gematigde streeken van Europa. Hij leeft
eenzaam, voedt zich met Jenever-beziën, bezit een
sterk geheugen en onthoudt levenslang het geen hij
eenmaal heeft leeren fluiten. – Inl.

XXX. AMPELIS. DE BEEMER.

Kent. De bek regt, bol-rond: de bovenkaak die
langer is dan de onderste, eenigzints omgebogen en
aan beide de zijden buitenwaards gerand.

1. A. Garrulus. De gemeene Beemer, de
Zijdestaart, de Pest-Vogel. Le Jaleur de Boheme.
The Bohemian Chatterer.
Der Seidenschwanz/ Pfeffer-
vogel/ Sterbevogel/ Böhmer.

[Seite 245]

Kent. Een kuif op het agterhoofd; de tippen der
slag-pennen die op de grootste volgen,
scharlaken-rood
en plat.

Nozeman Pl. 104. bl. 201. Frisch. Tab. 32.
Vergel. Houtt. I. D. 4. St. bl. 223.

Hij bewoont het Noordelijkst gedeelte van Euro-
pa, maar koomt in zommige jaaren tegen den Herfst
(waarschijnlijk wanneer voor zijn Vaderland een
strenge winter op handen is) dikwerf naar Duitsch-
land: vooral in het Harzgebergte.

XXXI. LOXIA. DE KERNBIJTER.

Kent. De bek kegelachtig gebult, en bij deszelfs
grond-stuk naar het voorhoofd rondachtig gekromd.
de zijdelingsche rand der onder kaak omgeboogen.

1. L. Curvirostra. De Kruis-bek. Le Bec
Croisé. The Cross-bill, the Sheld-apple.
Der Kreuz-
schnabel/ Krünitz/ Tannenpapagey.

Kent. Een schaarvormige bek.

Nozeman. Pl. 114. bl. 221. Frisch. Tab. XI. f. 3 & 4.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 498.

In zwaare mast-bosschen van de Noorder-lan-
den. Wegens zijne schoone kleur, het gebruik
van zijnen bek en in het algemeen wegens zijne
gantsche levens-wijze heeft hij veel overeenkoomst
met den Papegaaij. Hat manne jen is rood, maar
wordt door den tijd, vooral wanneer hij opgesloo-
ten is, groen, gelijk het wijfjen. Het eerste leert
aartig sluiten en het laatse broelt midden in den
[Seite 246] winter op het einde van Januarij, en bestrijkt haar
nest met harst, om het teegen reegen en sneeuw
bestand te doen zijn. – Inl.

2. L. Coccothraustes. De Dikbek, Kern-
bijter. Appel-Vink. Le gros Bec. The Hawfinch.
Der Kernbeiszer/ Kirschfink/ Kirschknäpper.

Kent. Op de wieken één witte streep, de middel-
ste slag-pennen stomphoekig aan derzelver spitze; de
staart-pennen zijn aan de smalle of binnenzijde bij
hunne inplanting zwart.

Nozeman Pl. 71. bl. 137. Frisch. Tab. 4. fig. 2 & 3.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 500.

Hier en daar in Europa. Met zijnen sterken bek,
kan hij Karssen-pitten en Wal nooten kraaken en
zich zelfs teegen Honden en Katten verdeedi-
gen. – Inl.

3. L. Pyrrhula. (Rubicilla). De Goud-
Vink, Botvink. Le Bouvreuil. The Bulfinch. Der
Dompfaff/ Blutfink/ Rothfink.

Kent. Kop, vleugels en staart zwart: de dekvee-
ren van de agterste slag- en staart-pennen wit.

Nozeman. Pl. 69. bl. 133. Frisch. Tab. 2. f. 1 en 2.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 502.

In het Noordelijk gedeelte der oude wereld.
Een uitneemend gezellig en leerzaam dier, waar
van de mannetjens en wijfjens beide, behalven
hunnen gewoon eigen en zagtluidenden toon, ook
zeer gemaklijk leeren niet alleen deuntjes te fluiten,
[Seite 247] maar ook elkanderen hier in te accompagneeren,
ja, zelfs woorden uittespreeken. – Inl.

4. L. Cardinalis. De Cardinaal. Le Car-
dinal huppé. The red Bird.
De Indianische Hau-
benfink/ die Virginische Nachtigall

Kent. Een roode kuif: rondom den bek een zwarte
rand of muil-band: de bek en pooten bloedkleurig.

Frisch. Tab. 4. fig. 1. Buff. Hist. des Ois. Tom. III.
Pl. 28. p. 458. Daubent. Pl. 37. Vergel.
Houtt. I. D. 5. St. bl. 503.

In Noord-Amerika. Zij worden zeer geacht, zo
om de schoonheid hunner roode veederen als om
hun voortreffelijk gezang.

5. L. Oryzivora. De Rijst-Vogel. l'Oi-
seau de riz. The Rice bird.
Der Reis-dieb/ Padda.

Kent. Het lijf bruin: de zijden van den kop wit:
de bek rood.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom III. p. 469. Daubent.
Pl. 152. fig. I. Edwards Tab. 41. et volg.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 506.

Op de Rijst-velden in Oost-Indien, China enz.

6. L. Chloris. (Anthus, florus). De Groen-
ling. Le Verdier. The Green-finch. Der Grünfink/
Grünschwanz/ die Zwüntsche.

Kent. Het lijf geelachtig-groen: de buitenste slag-
pennen zijn van vooren; de vier zijdelingsche staart-
pennen bij hunne inplanting alle geel.

[Seite 248]

Nozeman Pl. 39. bl. 73. Frisch. Tab. 2. f. 3 et. 5.
Houtt. I. D. 5. St. bl. 510.

Hier en daar in Europa. – Inl.

XXXII. EMBERIZA. DE GEELGORS.

Kent. De bek kegelvormig; beide kaaken staan
benedenwaarts aan het grond-stuk iets van elkander:
de onderste is aan deszelfs zijden vernaauwd, ingebo-
gen en smaller dan de bovenste.

1. E. Nivalis. De sneeuw-Vogel. l'Ortolan
de neige. The snow Bunting.
Die Schneeammer/
der Schneevogel.

Kent. Witte slag-pennen, van welken de voorste
aan den buitenrand zwart zijn: de staart-pennen
zwart, waarvan de drie zijlingsche wit.

Frisch. Tab. 6. fig. 1 et 2. Buff. Hist. N. des Ois.
Tom.
IV. p. 329. Daubent. Pl. 497. fig. 1.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 518.

In het Noorden. Zomwijlen laten zij zich op
éénmaal in gantsch ontelbaare schoolen zien: gelijk
zulks in het jaar 1766 in den omtrek van Gottingen
en ook hier en daar in de Nederlanden is waarge-
noomen.

2. E. Miliaria. De graauwe Gors, de Gerst-
Vogel. Le Proyer. The Bunting. Die graüe Ammer.

Kent. Het lijf grijs, van onderen zwart gevlekt;
rosse oog-kringen.

Frisch. Tab. 6. fig. 4. Buff. Hist. N. des Ois.
Tom.
IV. p. 355. Daubent. Pl. 233. Vergel.
[Seite 249] Houtt. I. D. 5. St. bl. 520. door wien hij on-
der de benaaming van Emberiza Calandra beschree-
ven wordt.

Bijna door geheel Europa. – Inl.

3. E. Hortulana. De Ortolaan, Geerskneu.
l'Ortolan. Der Ortolan/ Kornfink/ die Fettammer/
Windsche Goldammer.

Kent. Zwarte slag-pennen, de drie eerste witachtig
aan den rand: de staart-pennen geheel, de twee
zijdelingsche alleen buitenwaards zwart.

Nozeman Pl. 75. bl. 145. Frisch. Tab. 5. f. 3 et 4.
Buff. H. N. des Ois. Tom. IV. Pl. 14. p. 305. Dau-
bent
. Pl. 247. f. l. Verg. Houtt. 5. St. bl. 521.

In de warmere streeken van Europa en het daar
aan nabuurig Asiën. – Inl.

4. E. Citrinella. De Geelvink, Geelgeerst,
Haverkneu. La Bruant. The Yellow Hammer. Die
Goldammer/ Gelbgans/ der Emmerling.

Kent. Zwartachtige staart pennen, de twee bui-
tenste, aan den binnenkant met eene scherp toeloopen-
de witte vlek geteekend.

Nozeman Pl. 61. bl. 115. Frisch Tab. 5. f. 1 en 2.
Buff. Tom. IV. Pl. 8. p. 340. Daubent Pl. 247.
fig. 2. Vergel. Houtt I. D. 5. St. bl. 522.

Bijna door geheel Europa. – Inl.

5. E. Paradisea. Het Weeuwtje. La Veuve
à collier a' or. Whidah-Bunting.
Die Wittwe.

Kent. Bruin, de borst rood: de vier middelste
[Seite 250] staart-pennen lang en puntig uitlopende, waarvan de
twee middelste uitermaate lang zijn: de bek rood.

Edwards Tab. 86. Buff. Hist. N des Ois. Tom. IV.
Pl. 6. pag. 155 Daubent. Pl. 194. Vergel.
Houtt 5 St. bl. 227.

Op de Kust van Angola enz. 't Is een vrolijke
Vogel die onze lugtstreek zeer wel verdraagt en
daarom ook dikwerf herwaards overgebragt wordt.

XXXIII. TANAGRA. DE TANAGRA.

Kent. De bek kegelachtig, puntig, uitgerand,
aan deszelfs grond-stuk bijna driekantig, de punt
nederwaards hellende.

1. T. Jacapa. De Jacopa, de zilver-bek.
Le Cardinal pourpré, le bec d'argent. The red-
breasted blackbird.

Kent. Zwart; het voorhoofd, de keel en borst
scharlaken-rood.

Edwards Tab. 267. Buff. Hist. N. des Ois. Tom. IV.
p. 259. Daubent. Pl. 128.

Op de Eilanden in de West-Indien en het daar
aan nabuurig vaste land van Amerika.

XXXIV. FRINGILLA. DE VINK.

Kent. De bek kegelvormig, regt, en puntig.

1. F. Cælebs. De Schild-Vink, de gewoone
Vink. Le Pincon. The Chaffinch. Der Vuchfink/
Gartenfink/ Rothfink/ Waldfink.

Kent. Vleugels en staart zwart; de slag-pennen
[Seite 251] wederzijds wit, de drie eerste ongevlakt; van de
staart-pennen zijn er twee in de schuinste wit.

Nozeman Pl. 73. bl. 141. Frisch Tab. I. f. 1 et 2.
Verg. Houtt. I D. 5. St. bl. 532.

Het gezang der Vinken is buitengemeen verschei-
den, zo dat men wel twintig van elkander verschil-
lende zoorten optellen kan, die van de Vogelaars
elk afzonderlijk benoemd en de eene meer dan de
andere geacht en gezogt worden. Meestal hebben
de Vinken in iederen omtrek van twaalf of meer
uuren in het rond, één en denzelfden zang of slag;
terwijl die in nabuurige Oorden weder eenen geheel
anderen hebben. Dikwils echter geeft de Vink drie-
tot vierderlei geluid, 't welk hij bij afwisseling hoo-
ren laat. – Inl.

2. F. Montifringilla. De Berg-Vink,
Bosch-Vink, Keep. Le Pincon d'Ardennes. The
Bramble.
Der Bergfink/ Tannenfink/ Rothfink/ Win-
terfink/ Rowert/ Segler.

Kent. Het grond-stuk of de wortel der vleugels
hoog geel.

Nozeman Pl. 116. bl. 225. Frisch Tab. 3. s. 1 et 2.
Linné. Fauna Suec. Tab. 2. fig. 198. Vergel.
Houtt. I. D. 5. St. bl. 535.

In het Noordelijke Europa. – Inl.

3. F. Nivalis. De Sneeuw-Vink, de Wit-
buik. Le Niverolle. The Snowfinch. Der Schneefink.

Kent. Bruin; van onderen sneeuwwit; de tweede
rei der slag-pennen gelijk ook de dekveederen wit.

[Seite 252]

Brisson Ornith. Tom. III. p. 162. Tab. 15. fig. 1.
Buffon Hist. N. des Ois. T. IV. p. 136.

Op den Caucasus, en de Europische Alpen. Voor-
naamlijk op den St. Gothard's- en de hooge St. Ber-
nard's-berg, alwaar zij in de gangen van het Hos-
pitaal-Klooster nestelen.

4. F. Carduelis. De Distel-Vink, het Put-
tertje. Le Chardonneret. The Thistlefinch, Goldfinch.
Der Stieglitz/ Distelfink.

Kent. Het voorhoofd en de keel scharlaken-rood;
De slag pennen aan de voorzijde geel; de twee bui-
tenste staart-pennen in het midden, en de overige aan
het einde wit.

Frisch Tab. 1. fig. 3 et 4, Buff. Hist. N des Ois.
Tom.
IV. Pl. 10. p. 187. Daubent. Pl. 4. f. 1.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 538.

Bijna in geheel Europa en de overige nabuurige
landen der oude Wereld. Wanneer de Distel-Vink
met het wijfjen van den Kanarie-Vogel paart,
koomen er vooral schoone bastaard-zoorten uit
voort(*). – Inl.

5. F. Amandava. De gestippelde Bengali,
de Bengaalsche Vink. Le Bengali piqueté. The
Amandavad Bird.
Der Finke von Bengalen.

Kent. Bruin en rosachtig wit gespikkeld.

[Seite 253]

Edwards Tab. 355. fig. 1. Buffon Hist. N. des
Ois. Tom.
IV. Pl. 2. fig. 1. pag. 96. Daubent.
Pl. 115. fig. 3. Houtt. I. D. 5. St. bl. 541.

In Oost-Indien. Een uitsteekend fraaije, kleine
Vogel, van welken men verhaalt, dat zijn gebeen-
te geelkleurig zijn zoude; doch het welk ik bij die
geene, in welke ik zulks heb kunnen onderzoeken,
niet hebbe bevestigd gevonden.

6. F. Canaria. De Kanarie-Vogel. Le Serin
des Canaries. The Canary bird.
Der Canarienvogel/
voorheen Zückervöglein.

Kent. De bek en het lijf witachtig geel; de slag-
en staart-pennen groenachtig.

Frisch Tab. 12. fig. 1-4. Vergel. Houtt. I. D. 5. St.
bl.
545. en Natuurk. Verhandel. III. D. 4 St. b. 668.

Dit Vogel-zoort schijnt in den aanvang der zes-
tiende eeuw uit de Kanarische Eilanden het eerst
naar Europa te zijn overgebracht; doch is reeds
omstreeks het einde derzelve in Duitschland en
ook hier in de Nederlanden gemeener geworden,
en zeedert dien tijd in veelerlei bijzoorten ontaart.
Die, welke bruinachtig groen zijn en op de Kana-
rische Eilanden in koude bergachtige Oorden aan
het water nestelen, schijnen eigenlijk het waare
stamras uittemaken. Onder de overige verdienen
voornaamlijk onze opmerking de zogenaamde
Kuif-Kanarien, welke een veerbos of kuif op den
kop hebben; gelijk ook die met roode oogen, wel-
ke Kakkerlak-Kanariën genaamd worden.

[Seite 254]

7. F. Spinus. (Ligurinus, acanthis). De Sijs,
het Sijsje. Le Tarin. The Siskin. Der Zeiftg/ Er-
lenfink
.

Kent. De slag-pennen in het midden geel, de
vier eerste ongevlekt; de staart-pennen bit hunne in-
planting geel, aan hunnen tippen zwart.

Nozeman Pl. 70. bl. 135. Frisch Pl. 11. f. 1 et 2.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 549.

Oorspronglijk is hij op de grenzen van het Noor-
den t'huis; en koomt alleenlijk om te overwinte-
ren in de gemaatigde streeken van Europa, waarom
ook zijn nest hier te lande zo bijzonder zeldzaam
gevonden wordt(*). Hij is zeer leerzaam, zo
dat men hem zelfs kan leeren deuntjens te fluiten,
en woorden natespreeken. – Inl.

8. F. Canabina. De Hennip-Vink, Riet-
Vink, Vlam-Sijs. La Linotte. The greater Linnet.
Der Hänfling/ Leinfink/ die Artsche.

Kent. De voorste slag-pennen zo als ook de staart-
pennen zwart, en aan weerszijden wit gerand.

Nozeman Pl. 82. bl. 157. Frisch Tab. 9. s. 1 et 2.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 551.

[Seite 255]

In Europa en Noord-Amerika. De bastaarden
die men van hem en het Kanarie-wijfjen trekt,
zijn tegen de gewoonte van andere bastaard-dieren
zomwijlen vruchtbaar. – Inl.

9. F. Linaria. De Vlas-Vink. Le Sizerin,
la petite Linotte. The lesser Linnet.
Das Citrinchen,
Gräslein/ Flachsfink
.

Kent. Slag-en staart-pennen bruin, aan de ran-
den vuil bleek, op de wieken één witachtige streep.

Frisch Tab. 10. fig. 3 et 4. Daubent. Pl. enl. 151.
fig. 2. Vergel. Houtt. 5. bl. 551.

In het gantsche Noorder Wereld-deel. Hij
heeft eenen zagten, aangenaamen zang en wordt zeer
tam. – Inl.

10. F. Domestica. De Huis-Musch, gewoone
Musch. Le Moineau. The Sparrow. Der Sparling/
Spatz/ Lüning.

Kent. Slag-en staart-pennen bruin; de keel
zwart; de zijden van den kop roest-bruin.

Nozeman. Pl. 43. bl. 77. Frisch Tab. 8. f. 1 et 2.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 554.

In geheel Europa en de nabuurige landen der
overige oude Wereld. In zwaare Mast-en Denne-
bosschen houden zij zich echter niet op. Over
het algemeen genoomen is de Huis-Musch als het
ware een huis-dier, dat zich even als de Muis
van zelfs naar de woonplaats van den mensch be-
geven heeft. Zij worden ongemeen tam, zijn zeer
geil van aart en broeden viermaal in één jaar.
[Seite 256] Voor den moes-tuin en het veld zijn zij schaade-
lijk, doch vernielen ook teffens eene ontelbaare
meenigte van ongedierte. Zomwijlen treft men
geheel witte Huis-Musschen aan(*). – Inl.

XXXV. MUSCICAPA. DE VLIEGEN-
VANGER. Le Gobe Mouche. The Flycatcher.

Kent. De bek bijna driekantig, aan weerszijde
uitgerand, de punt omgebogen: de knevel-haairtjes
naar de keel gericht.

1. M. Atricapilla. De zwartruggigeVliegen-
vanger, de Zwartkop. Le Gobe Mouche de Lorraine.
The Pied Flycatcher.
Der Fliegenschnäpper.

Kent. Het lijf van boven zwart, doch van onde-
ren, gelijk ook de riek op het voorhoofd, benevens
de zogenaamde Vleugel-Spiegel
(†), wit; de zijdeling-
sche staart-pennen buitenwaards ook wit.

Frisch Tab. 24 fig. 1. Linné Fauna suecica Tab. 1.
fig. 229. Buff. Hist. N. des Ois. Tom. IV.
Pl. 25 fig. 1. pag. 520. Daubent. Pl. 565. s. 2 & 3.

Hier en daar in Europa.

XXXVI. MOTACILLA. DE KWIK-
STAART.

Kent. De bek elsvormig, regt: de kaaken nage-
noeg gelijk van langte.

[Seite 257]

1. M. Luscinia. De Nachtegaal. Le Rossi-
gnol. The Nightingale.
Die Nachtigall/ Philomele.

Kent. Rosachtig-aschgraauw; met aschgraauwe
knie-ringen of zogenaamde kniebanden.

Nozeman Pl. 65. bl. 123. Frisch Tab. 64. bl 124.
fig. 1. et 2. Vergel. Houtt. I. D. 5 St. bl. 564.
& Natuurk. Verhandel. IV. D. bl. 163.

Dit door deszelfs gezang zo verrukkend dier is
een voorrecht der koelere en gemaarigdere land-
streeken van Europa en Asien, dat in April tot ons
overkoomt en waarvan de mannetjens meestal veer-
tien dagen vroeger aanlanden dan de wijfjens; deeze
laatste bereiden zich in schaduwachtig bosch, uit
verdord eiken-loof, boom bast enz. een ligt in
een gewerkt nest, en leggen vier olijfkleurige eieren,
doch broeden jaarlijks herbaalde reizen: omstreeks
het einde van Augustus trekken zij weder van ons
weg, werwaards weet men nog niet zeeker, doch ten
minsten zo veel tot heden bekend is, niet na Afrika.
Vergel. Natuurk. Verhand. IV. D. bl. 163. – Inl.

2. M. Curruca. De Gras-Musch. La Fauvet-
te babillarde. The hedge Sparrow.
Die Grasmücke.

Kent. Van boven bruin, van ondern wit; bruine
staart-pennen, de buitenste met esnen smallen witten
rand.

Frisch Tab. 21 fig. 3. Daubent. Pl. 580. fig. 3.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 570.

In de gemaatigde landstreeken van Europa. 't Is
door hun dat de meeste Koekkoeks-eieren uitge-
broeid worden.

[Seite 258]

3. M. Alpina. De Klip- of Rots-Leeuwerik.
La Fauvette des Alpes. Die Flüe- (d.h. Felsen-)
Lerche.

Kent. Bruinachtiggraauw; de keel wit en met bruine
maans-wijze vlekken; de zwartachtige dekveeren der
vleugels naar hun einde met een witte streep geteekend.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. V. Pl. 10. p. 156.
Andreä Br. Aus. der Schweiz. Tab. 13.

Dit aartig en door de Vogel-beschrijvers zo dik-
werf miskend(*) dier bewoont de bergachtige
oorden der middelste deelen van Europa en wordt
vooral in groot aantal op de vette Alpweiden ge-
vonden. Zijn zang is aangenaam en zijn vleesch
zeer smaakelijk.

4. M. Ficedula. De Vijgeneeter. Le Becfigue,
Epicurean Warbler.
Die Beccafige.

Kent. Bruinachtig; van onderen wit; de borst
aschgraauw gevlekt.

Frisch Tab. 22. fig. 3 et 4. Daubent Pl. 668. f. I.

In de gemaatigste en warmere streeken van Euro-
pa, voornaamlijk op het Eiland Cijprus, van waar
[Seite 259] zij weegens hun smaaklijk vleesch in groote mee-
nigte zeer verre verzonden worden.

5. M. Alba. De witte of gewoone Kwik-staart.
La Lavandiere. The white Waterwagtail. Das Acker-
männchen/ die weiße oder graue Bachstelze
.

Kent. De borst zwart; de twee zijdelingsche staart-
pennen schuins half wit.

Nozeman Pl. 62. bl. 119. Frisch Tab. 23. fig. 4.
Vergel. Houtt. 5. St. bl. 573.

Meest overal in de oude Wereld. – Inl.

6. M. Atricapilla. Het Zwart-Kapje. La
Fauvette à tête noire. The Black-cap.
Der Kloster-
wenzel/ Mönch.

Kent. Roodachtig; van onderen aschgraauw: boven
op den kop een donkere plek of zogenaamde muts.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. V. Pl. 8. fig. I. p. 125.
Frisch Tab. 23. fig. 1. Linnei Fauna Suecica
Tab.
1. fig. 256.

In de gemaatigste streeken van Europa. Hun gezang
koomt zeer nabij dat van den Nachtegaal. Inl.

7. M. Phoenicurus. De Muur-Nichtegaal,
de Roodstaart, het Paapje. Le Rosignol de mu-
raille. The Redstart.
Das Schwarzkehlchen.

Kent. De keel zwart; buik en staart ros; kop
en rug grijs.

Nozeman Pl. 45. bl. 83. Frisch Tab. 19. fig. 1.

[Seite 260]

Hij heeft het zelfde Vaderland als de Nachtegaal;
koomt en vertrekt met hun ter gelijker tijd; en is
ook bij uitstek aangenaam van zang. – Inl.

8. M. Rubecula. (Erithacus). Het Rood-
borstje, Roodbaartje. Le Rouge gorge. The Red-
breast.
Das Rothkehlchen/ Rothbrüstchen.

Kent. Graauwachtig; de keel en borst roestkleu-
rig.

Nozeman Pl. 48. bl. 87. Frisch. Tab. 19. f. 2.
Brisson Tab. 24. f. 3. Houtt. I. D. 5. St. bl. 584.

Meest overal in Europa. Hij overwintert ook
bij ons; is in 't geheel niet schuuw, maar mak en
moedig, doch vinnig van aart, zo zelfs dat men vol-
gens het latijnsche apreekwoord nimmer twee Rood-
borstjens in één boom vindt. Hij brengt ook an-
dere kleine Vogeltjens ligt om het leeven. – Inl.

9. M. Troglodytes. Het Winter-Koningje.
Le Roitelet. The Wren. Der Zaünkonig/ Schneekö-
nig/ Winter-König.

Kent. Grijs; de wieken zwart en aschgraauw ge-
golfd.

Nozeman Pl. 59. bl. 111. Frisch Tab. 24. f. 3.
Vergel. Houtt. 5. St. bl. 586.

In het Noordelijk wereld-deel. 't Is een vrolij-
ke klein diertje, dat zich in allerlei wind en weê-
der, ja zelfs bij scherpen vorst hooren laat, en
's winters in hagen en tuinen naar voeder zoekt
en de Rupsen-nesten vernielt. Hij maakt zich een
[Seite 261] warm, zacht en overdekt nest, bijna in gedaante
eenes bak-ovens(*) en legt zeer veel eieren – Inl.

10. M. Regulus. Het Goud-Haantje, het
Gouds-bloem of St. Martens-Vogeltje. Le Roitelet.
The Golden-Crested Wren.
Das Goldhähnchen.

Kent. De slag-pennen van den tweeden rang aan
den buitensten rand geel, in het midden wit: een saf-
fraan-kleurige kuif op den kruin van den kop.

Frisch Tab. 24. fig. 4. Buff. Hift des Ois. Tom. V.
Pl. 16. fig. 2. p. 363. daubent. Pl. 651. fig. 3.
Houtt. I. D. 4. St. Pl. 34. bl. 508.

In veele Oorden der beide Wereld deelen. 't Is
de kleinste van alle de Europische Vogelen. – Inl.

11. M. Sartoria. Het Snijders-Kwikstaartje.
The Tailor Warbler. Der Schneidervogel.

Kent. Geheet bleek geel.

Pennant's Indian Zoology Tab. 8.

In Indiën. Hij is kleiner dan het Winter-Ko-
ningje, en heeft zijn' naam ontleent van de be-
wonderingswaardige wijze, waarop hij uit twee boom-
bladeren zijn nest vervaardigt, door naamlijk een
dor aan een groen levend blad, 't welk aan het
uiterste eind van een tak hangt, als vast te naaijen,
zo dat beide deeze bladeren ééne holte van ge-
daante als een zogenaamd peperhuisjen vormen, het
[Seite 262] welk hij van binnen met zijne veertjens, als met
eene voering bekleedt(*).

XXXVII. PIPRA. DE MANAKIN.

Kent. De bek. korter dan de kop, aan deszelfs
grond-stuk bijna driekantig, nergens gegroefd of in-
gesneden, aan de punt krom:
gang-pooten (pedes
gressorii).

1. P. Rupicola. De Rots-Haan. Le Coq de
roche. The Rock Manakin.

Kent. De regt-opstaande kuif is oranje-kleurig,
met eene purpere rand: het lijf oranje-geel; de
dekvederen der slag-pennen geknot.

Vosmaer Beschrijv. en Afbeelding van den Ameri-
kaanschen Rots-Haan,
Amsterd. 1769. Edwards
Tab. 264. Buffon Hist. N. des Ois. Tom. IV.
Pl. 20. p. 432. Daubent. Pl. 39 et 747.

In Guiana.

XXXVIII. PARUS. DE MEES.

Kent. De bek nergens gegroefd of ingesneden,
aan het grond-stuk met borstelachtige veertjens bedekt.

1. P. Major. De Kool-Mees, Plakker. La
Charbonniere. The great Titmouse.
Die Kohlmeise/
Brandmeise/ Spiegelmeise/ Pickmeise.

[Seite 263]

Kent. De kop zwart, ds wangen wit, de nek
geel.

Nozemam Pl. 59. bl. 113. Frisch Tab. 13. fig. 1. et 2.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 593.

Meest overal in de oude Wereld. Een moedig
dier, dat Vogels veel grooter dan hij zelve aandoet,
andere kleine zang-vogelen den kop open pikt, en zom-
wijlen zelfs zich niet ontziet, om op de oogen van
slaapende kinderen al pikkende aamevallen. Bij dit
en andere 't onzent overwinterende zoorten van
dit Vogel-geslacht heeft men opgemerkt, dat het
hoorn van hunnen bek alsdan veel harder is dan
in den Zoomer, 't welk hun bij het oppikken van
hun voer, uit den hard bevrooren grond wel te pas-
koomt – Inl.

2. P. Coeruleus. Ds Pimpelmees, blaauwe
Mees. La Mesange bleue. The Nun. Die Blaumei-
se/ Pimpelmeise/ der Blaumüller
.

Kent. Blaauwachtige slag-pennen; die van den
eersten rang buitenwaards wit gerand: het voorhoofd
wit: de kruin blaauw.

Nozeman Pl. 24. bl. 45. Frisch Tab. 14. f. 1.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 596.

Zeer veel in Europa. 't Is een fraai en bij uit-
stek nuttig klein dier, dat jaar in jaar uit eene on-
telbaare meenigte insecten en derzelver eieren ver-
nielt. – Inl.

3. P. Caudatus. De Staart-Mees, de langstaart.
La Mesange à longue queue. The long-tailed Tit-
[Seite 264] mouse.
Die Schwanzmeise/ Schneemeise/ Woormeise/
der Pfannenstiel
.

Kent. De kruin wit: de staart langer dan het lijf.

Nozeman Pl. 26. bl. 49. Frisch. Tab. 14. f. 3.
Houtt. I. D. 5. St. bl. 598.

In Europa en West-Indien. Zij zijn dik be-
veedert; leggen twintig eieren; en bouwen zich
uit mos, wol en dergelijke stoffen een kunstrijk,
zakvormig nest, het welk zij om het te verber-
gen, van buiten met dat zelfde zoort van mos en
begroeisel bekleeden, waar mede die boom bewas-
sen is, in wiens stam zij het gebouwd hebben. Inl.

4. P. Biarmicus. Het Baard-mannetje. Le
Moustache. The bearded Titmouse.
Das Bartmän-
nchen/ der Indianische Sperling.

Kent. De kruin grijs: de staart langer dan het
lijf: aan weerszijden van den bek een kneevel.

Nozeman Pl. 47. bl. 85. Frisch Tab. 8. fig. 3.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St bl. 599.

In het Noord-Westen van Europa, Engeland
enz. – Inl.

5. P. Pendulinus. De Poolsche Hangmees,
Remitz-Mees. La Mesange de Pologne, Penduline.
The T'itmouse.
Die Beutelmeise/ Pendulinmeise/ der
Remitz/ Cottonvogel.

Kent. De kop eenigzints roestbruin: de oog-band
zwart: bruine wieken en staart-pennen welker beide
randen roestkleurig zijn.

[Seite 265]

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. V. p. 423. Daubent.
Pl. 618. fig. 3. & J. D. Titius Parus minimus
Remiz descriptus,
Lips. 1755. in 4. Tab. 1 & 2.

Hier en daar in Opper-Tralien, Poolen, Siberi-
ën enz. Zij bouwen zich uit de wol van den Po-
pulier-boom en dergelijke stoffe een orgemeen kun-
stig, beursvormig nest dat zij van eenen dunnen
boomtak laaten afhangen.

XXXIX. HIRUNDO. DE ZWALUW.

Kent. De bek zeer klein, krom, elsvormig en aan
deszelfs grond-stuk of wortel neergedrukt.

De Zwaluwen verschillen zeer van de overige
dieren deezer Orde, niet alleen in het maakzel van
hun lichaam, maar ook in hunne levenswijze enz.
Zij gaan zeer zelden op den grond, maar doen alle
hunne verrichtingen meestal vliegende of zittende.
Zij hebben eenen wijdgaapenden bek, en weeten
daar meede zeer juist en vaardig de over land- of
water-zweevende Insecten in de vlucht weg te hap-
pen. Het bekende geschil-stuk, over het winter-
verblijf onzer inlandsche Zwaluwen, vooral der
twee eerste zoorten, is naar al het geen daar
over geschreven is, echter nog niet volkomen be-
slist. Jammer is het, dar bij de waarneemingen,
ter verdeediging van het een(*) of ande-
[Seite 266] re(*) gevoelen aangevoerd, die zoorten, op welke
deeze waarneeminge genoomen zijn, niet naauwkeu-
rig genoeg worden opgegeeven. Inmiddels schijnt
in al dit twijffelachtige, de verhuizing derzelver
naar warmere landen op verre naa het meeste waar-
schijnlijk te zijn.

1. H. Domestica. H. Rustica linn. De
Huis-Zwaluw. l' Hirondelle de cheminée. The hou-
se-swallow, the chimney-swallow.
Die Rauchschwalbe/
Feuerschwalbe
.

Kent. De staart-pennen, (uitgezondert de twee
middelste) met eene witte vlek geteekend.

Nozeman. Pl. 17. bl. 31. Frisch. Tab. 18. fig. 1.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 603.

In de gantsche Noordelijke Wereld. De benaa-
mingen van deeze en van de volgende zoort, zijn
bij de Vogelbeschrijvers, die een vast leerstelsel
gevolgd hebben, op het zonderlingst door elkander
vermengd en verward. Deeze van welke wij thans
[Seite 267] spreeken met naakte onbeveederde pooten en witge-
vlekte staart-pennen, worat met recht de Stads-Zwa-
luw
genoemd, dewijl men haar meer dan de vol-
gende zoorten in de Steeden aantreft: zij bouwt
haar open nest aan de huis-gevels, stallen, schuu-
ren en op de dorpen in de voorhuizen en onder
de schoorsteenen. – Inl.

2. H. Agrestis. H. Urbica linn. De Boe-
ren of gemeene Zwaluw. l' Hirondelle de muraille,
Ie Martinet à cul blanc. The Martin.
Die Haus-
schwalbe/ Fensterschwalbe/ Spyrschwalbe.

Kent. De pooten ruig; de staart-pennen ongevlekt;
de rug blaauwachtig zwart; van onderen geheel wit.

Nozeman Pl. 18. bl. 33. Frisch Tab. 17. fig. 9.
Verg. HOUTT. I. D. 5. St. bl. 608.

Zo wel deeze als de volgende zoort hebben met
de voorige één en het zelfde Vaderland. Zij nes-
telen het meest op de Dorpen buiten de huizen
onder het dak, aan Kerk-vensters enz. Het nest
gelijkt veel naar een bakoven, van boven toegewelfd,
en de leemkluitjens waar uit het bestaat, zijn vrij
regelmaatig bijna als kleine vierkanten over elkan-
der gelegt – Inl.

3. H. Riparia. De Aard-, Strand- of Oever-
Zwaluw. l'Hirondelle de rivage. The sand Martin,
the shore bird.
Die Uferschwalbe/ Erdschwalbe.

Kent. Aschgraauw; de keel en buik wit.

Nozeman Pl. 19. bl. 35. Frisch Tab. 18. fig. 2.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 610.

[Seite 268]

Zij nestelen aan de oevers der rivieren, in leem-
groeven, zand-duinen enz. – Inl.

4. H. Esculenta. De Chineesche Zwaluw.
La Salangane. The Esculent Swallow. Die Salan-
gane
.

Kent. Alle de staart-pennen met eene witte vlek
geteekend.

Brisson Av. Tom. II. p. 510. No. 14. Tab. 46.
fig. 2. A. Verg. Houtt. I. D. 5. St. bl. 607.

Zo groot als het Winter-Koningje. Men vindt
hem op de Eilanden zo wel van de straat Sunda,
als van den Indischen Archipel tot aan Nieuw Gui-
née enz. Aldaar bouwt hij in de oever-en berg-
holen, de zo beroemde Indiaansche of Toukinsche
nesten, waarvan de stof, naar huizenblas gelijkt,
maar voor het overige nog niet naauwkeurig bekend
is. Er worden jaarlijks wel vier millioenen deezer
nestjens ingezameld, die voor het grootste gedeelte
na China verzonden en aldaar verkogt worden.

5. H. Apus. De Gier-Zwaluw, de langvleugel.
Le Martinet. The black Martin, the Swift. Die
Mauerschwalbe/ Steinschwalbe/ Thurmschwalbe
.

Kent. Zwartachtig; de keel wit; alle de vier vin-
gers voorwaards gestrekt.

Nozeman Pl. 20. bl. 37. Frisch. Tab. 17. fig. 1.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 611.

In alle drie de deelen der Noorder-Wereld. Zij
vliegen meest bij den avond en 's morgens vroeg,
[Seite 269] en nestelen gaarn in Toorens, op Koorn-zolders
en dergelijke eenzaame plaatzen. – Inl.

XL. CAPRIMULGUS. DE GEITEN-
MELKER.

Kent. De bek een weinig krom, zeer klein, els-
vormig, aan deszelfs grond-stuk plat of neergedrukt
en met stijve borstels als oog-haairen bezet en zeer
wijdgaapende: de middelste nagel aan de binnen-
zijde zaagswijze getand.

1. C. Europæus. De Europische Geiten-Mel-
ker of Dagslaap. l'Engoulevent. The Goatsucker,
Night-raven.
Die Nachtschwalbe/ der Ziegenmelker/
Tagschläfer.

Kent. De buisjes der neusgaaten als afgesleeten.

Nozeman. Pl. 21. bl. 39. Frisch. Tab. 101.
Vergel. Hout. I. D. 5. St. Pl. 49. fig. 7. bl. 615.

In de oude Wereld. Een schoon gemarmelde
Vogel, die alleen bij nacht op aas uitgaat, en ter-
wijl hij vliegt geduurig een snorrend geluid maakt.
Hij leeft van nacht-vlinders en andere Insecten:
het bekende oude spreukje, dat hij aan de Geiten
hunne melk zoude afzuigen, is van allen grond
ontbloot. — Inl.

xxx

VI. Orde. GALLINAE. Hoenderen.

[Seite 270]

De Vogels van deeze Orde hebben korte poo-
ten en eenen bollen en boven gewulfden bek, die,
aan zijn grond-stuk of wortel met eene vleesige
huid overtrokken is, en welkers bovenste helft aan
beide de zijden over de onderste heenrijkt. Zij
voeden zich voornaamlijk met de zaaden van plan-
ten, die zij in den krop (§. 65.) laaten week wor-
den: ze leeven in veelwijverij, leggen een groot aan-
tal eieren en leeveren het meeste huis-gevogelte op.

XLI. COLUMBA. DE DUIF.

Kent. De bek regt, aan het einde of de punt
neerdaalende.

a) Duiven mei een taamlijk effen staart.

1. C. Oenas. (Vinago, livia). De Blaauwe
Duif, de Hout-Duif, Veld-vlieger. Le Biset.
The Stock-Dove.
Die Haustaube/ Feldtaube/ Holztaube.

Kent. Blaauwachtig: de hak glansig groen, de
rug van agteren wit, de streep dar vleugels en de
punt van de staart zwartachtig.

Zij behooren het meest t' huis in alle Oorden
der oude Wereld. De Noordsche trekken in den
[Seite 271] herfst, naar eenigzints Zuidelijker geleegene streeken,
doch die welke meer gemaatigde landen bewoonen,
overwinteren integendeel bij gantsche schoolen in
de spleeten der rotzen, holle boomen enz. Het
wilde wijfje broeidt 's jaarlijks tweemaal, de Huis-
Duif daar en tegen wel negen- of tienmaal, zo dat
men van een enkel paar, binnen vier jaaren, 14762
duiven zoude trekken kunnen. De voornaamste
bastaard-duiven, waar van echter verscheidene voor
bijzondere zoorten aangezien worden, zijn de vol-
gende.

a) Dasypus. De Paggadet-Duif. Le Pigeon
pattu. The rough-footed Dove.
Die Trommeltaube.

De pooten mei lange veeren bezet.

Frisch. Tab. 145. Vergel. Houtt. 5. St. bl. 442.

b) Gutturosa. De Kropper-Duif. Le Pigeon
à grosse gorge, le grand Gosier. The cropper Pigeon.

Die Kröpftaube/ der Kröpfer.

Een zeer groote krop.

Frisch Tab. 146. Buff. Hist. Nat. des Ois. Tom. II.
p. 505. Pl. 17 et 18. Houtt. 5. St. bl. 439.

c) Turbita. De Meeuw-Duif, het Meeuwtje.
Le Pigeon cravate à gorge frisèe. The Turbit. Das
Möwchen
.

De borst-veeren gekroest of gekruld: de bek zeer
kort.

Frisch. Tab. 147. Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II.
Pl. 23. f. 513. Houtt. I. D. 5. St. bl. 440.

[Seite 272]

d) Gyratrix. De Tuimelaar-Duif. Le Pigeon
culbutant. The Tumbler.
Der Tümler.

De kop glad: de oog-kringen kaal en rood. In
hunne snelle vlucht kunnen zij zich geheel omwente-
len.

Frisch. Tab. 148. Buff. Hist. Nat. des Ois. Tom. II.
p. 517. Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 441.

e) Cucullata. De Kapper-Duif, het Kappertje.
Le Pigeon romain. The Iacobine. Die Schleiertaube/
Zopftaube
.

De voorvaards omgebogene veeren van het agter-
hoofd maaken een vederbos uit, die eenigermaate
naar een monniks-kap gelijkt.

Frisch. Tab. 150. Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II.
bl. 19.

f) Laticauda. De Paauwstaart-Duif. Le Pigeon
Paon. The Shaker.
Die Pfauentaube/ die Hühner-
schwanz.

Eene opstaande uitgebreide staart.

Frisch Tab. 151. Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II.
Pl. 22. p. 512. Verg. Houtt. I. D. 5. St. bl. 440.

g) Tabellaria. De Post-Duif, de Brieven-
draager. Le Pigeon messager. The Carrier Pigeon.
Die Posttaube/ Brieftaube/ Türkische Taube.

Zij hebben vleesige wratten rondom den bek en
de oogen, en zijn hunnen naam verschuldigd aan
het gebruik dat er in den Levant van hun gemaakt
wordt, tot het overbrengen van brieven; alwaar
[Seite 273] men naamlijk zulke Duiven uit hunne hokken,
naar afgeleegene oorden met zich voert en hun
dan een klein ligt briefjen onder de vleugels bindt,
met 't welke zij losgelaten zijnde, hun gewoon,
nest weder gaan opzoeken, en daar volgens affpraak
opgevangen en van den opgedragen last ontheven
werden.

2. C. Coronata. De Kroon-Duif, de Kroon-
Vogel. buffon's Faisan couronné des Indes. The
great crowned Indian Pigeon.
Der Kronvogel.

Kent. Blaauwachtig, boven aschgraauw: zwarte
oog-kringen: eene opstaande kuif: de schouders roest-
bruin.

Buffon Hist. N. des Ois. Tom. II. pag. 354 & 542.
I. F. Muller fasc. III. Tab. 16. Daubent.
Pl. enl. 118. Houtt. 5. St. Pl. 47. bl. 389.

Op nieuw Guinée en de nabuurige Eilanden.
Hij heeft bijna de grootte van een Kalkoen.

3. C. Palumbus. De Bosch- of Ring-Duif,
Kool-Duif. Le Pigeon ramier. The Ring-Dove.
Die Ringtaube/ große Holztaube/ Schlagtaube.

Kent. De staart-pennen van agteren zwart; de
voorste slag-pennen aan den buitenrand witachtig;
de hals wederzijds wit.

Nozeman Pl. 4 en 5. bl. 9. Frisch. Tab. 138.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 447.

Bijna overal in Europa. – Inl.

[Seite 274]

4. C. Turtur. De wilde Tortel-Duif. La
Tourterelle. The Turtle-Dove.
Die Turteltaube/
Wegetaube.

Kent. De staart-pennen aan de tippen wit; de
rug grijs; de borst vleesch-kleurig; de zijlingsche
vlek aan den hals zwart, met witte streepjens.

Nozeman Pl. 6. bl. 11. Frisch. Tab. 140. Ver-
gel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 453.

In de warme en gemaatigde streeken der oude
wereld. Het geen men van haare zo geroemde
kuisheid en huwlijks-trouw verhaalt, moet niet
alles voor waarheid aangenomen worden. – Inl.

5. C. Risoria. De Lach-Duif, de gekraagde
Tortel. La Tourterelle à collier. The Indian Turtle.
Die Lachtaube.

Kent. Boven geelachtig; een zwart maantjen in
de nek.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II. p. 550. Pl. 26. Dau-
bent
. Pl. 244. Frisch. Tab. 141. Vergel.
Houtt. I. D. 5. St. bl. 456.

In de gemaatigde streeken van Europa en in de
Oost-Indien.

b) Duiven met eenen langen wigvormigen staart.

6. C. Migratoria. De Trek-Duif. Pigeon
de passage.
Die Wandertaube.

Kent. Naakte bloedroode oog-kringen; de borst ros.

Frisch. Tab. 142.

[Seite 275]

In het Noord-Oosten van Amerika. 't Is een
trek-vogel, van welke omelbaare schoolen zoom-
wijlen het daglicht in den volden zin verduisteren.
Zij vallen dan in zulk eene meenigte op de boomen
needer, dat dikwils zeer dikken rakken van dezelve
affcheuren; wanneer zij door de Indiaanen ook bij
veele duizende gevangen, en versch of gerookt ja
ook gedroogd gegeeten worden.

XLII. TETRAO. HET BERKHOEN.

Kent. Een naakte, wratachtige tepelvormige vlek
aan de oogen.

1. T. Coturnix. De Kwartel, de Kwak. La
Caille. The Quail.
Die Wachtel.

Kent. De pooten naakt; het lijf grijs gevlakt;
de wenkbraauwen wit; de staart-pennen met roest-
bruine randen en maantjens.

Nozeman Pl. 74. bl. 143. Frisch. Tab. 117.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 422.

Overal in de oude Wereld; van Lapland af, tot
aan de Kaap. 't Is een trek-vogel, die zich troeps-
wijze, overal op de Eilanden der Middelandsche Zee
en het daar bij geleegen vaste land(*), en wel
zomwijlen in onoverzienbaare schoolen zien laat.
De Mannetjens-Kwartels zijn wegens hunnen slag
inzonderheid zeer getrokken in Italiën, waar men
[Seite 276] hun ook even als in China gelijk Kemp-Haanen
bij paaren tegen elkander vechten laat. – Inl.

2. T. Perdix. De gewoone Patrijs, de Veld-
Hoen. La Perdrix grise. The Patridge. Das
Rebhuhn/ Feldhuhn.

Kent. Naakte, gespoorde pooten: onder de oogen
eene naakte scharlaakenkleurige vlek: de staart roest-
kleurig: de borst bruin.

Nozeman Pl. 96 en 97. bl. 185 en 187. Frisch.
Tab. 114. Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 415.

In de middellanden van Europa en de gematigde
Oorden van Asiatisch-Rusland. – Inl.

3. T. Rufus. De roode Patrijs. La Perdrix
rouge, la Bartavelle. Greek Padridge.

Kent. De pooten naakt, gespoord en even als de
bek bloedrood: de keel wit, met een zwarte band die
wit gespikkeld is.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II. p. 420. Daubent.
Pl. 231. Verg. Houtt. 5. St. bl. 413.

In het Zuiden van Europa en in het Oosten.
Hij worde op de Eilanden van den Archipel als
huisgevogelte gehouden.

4. T. Bonasia. Het Hazelhoen. La Gélinote.
Hasel-Hen.
Das Haselhuhn.

Kent. Ruige pooten: aschgraauwe staart-pennen,
die zwart gestipt zijn en een zwarte streep hebben,
uitgezondert de twee middelste.

[Seite 277]

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II. Pl. 7. p. 233. Dau-
bent
. Pl. 474 et 474. Verg. Houtt. 5. St. bl. 410.

Zij leeven zeer een zaam in het Hazel-hout van
het middelste gedeelte van Europa.

5. T. Lagopus. Het Sneeuw-Hoen. La Ge-
linote blanche. The white Game.
Das Schneehuhn/
Rypen.

Kent. De pooten met wolachtige veeren bezet; de
slag-pennen wit; de staart-pennen zwart met witte
tippen; de middelste pennen geheel wit.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II. Pl. 9. pag. 264.
Daubent. Pl. 129 et 494. Frisch Tab. 110
et 111, Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 404.

Men vindt hem op de Zwitsersche-en Savoijsche
Alpen gelijk ook in de Noordelijkste landstreeken;
des Zomers is hij graauw, doch in den winter wit
van kleur.

6. T. Tetrix. Het Kor, Berk- of Moer-Hoen,
de Vork-Staart. Le petit Tetras. The black Cock.
Der Birkhahn/ deutsche Fasan.

Kent. De pooten ruig, de staart gevorkt; de slag-
pennen van den tweeden rang aan hunnen wortel wit.

Nozeman Pl. 85 en 87. bl. 165-163. Frisch.
Tab. 109. Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 397.

In het Noordelijk deel der oude Wereld. – Inl.

7. T. Urogallus. De Ouer-Haan. Le Coq
de bruyere, le Tetras. The Cock of the wood.
Der
Auerhahn.

[Seite 278]

Kent. De pooten ruig; de staart rondachtig; de
oxelen wit.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II. Pl. 5. pag. 191.
Daubent. Pl. 73 et 74. Frisch Tab. 107
et 108. Vergel. Houtt. 5. St. bl. 392.

In het Noorden van Europa. Zij hebben een aller-
scherpst gezicht en gehoor. De tong en het bovenste
strotten-hoofd liggen bij hun diep onder in de keel. Inl.

XLIII. NUMIDA. DE POELEPIN-
TADE.

Kent. Op den kop een hoorn; de hals zamenge-
drukt en gekoleurd; aan de zijden der beide kaaken
vleeschachtige kwabben.

1. N. Meleagris. Het Paarel-Hoen, de ge-
hoornde Poelepintade. La Peintade. The Guinea Hen.
Das Perlhuhn.

Kent. Op den bek een wasch-huid, die de neus-
gaten omvat.

Buffon Hist. N. des Ois. T. II. Pl. 4. p. 163. Dau-
bent
. Pl. 108. Frisch Tab. 126. Vergel.
Houtt. 1. D. 5. St bl. 378.

Als inboorling behoort hij in Afrika t' huis;
doeh thans teelt hij overal in Europa en in veele
oorden van Amerika verder voort.

XLIV. PHASIANUS. DE FAISANT.

Kent. De wangen overdekt met eene kaale glad-
de huid.

[Seite 279]

1. P. Gallus. De Huis-Haan. Le Coq. The
Cock.
Der Haushahn.

Kent. Een zamengedrukte vleesachtige kwab of
kam hoven op den kruin, twee dergelijke aan de
keel: naakte oor-openingen: de staart zamengedrukt
en schuins overeind staande.

De wilde Stam-Haan(*) behoort in Indiën
t' huis, alwaar dampier hem het eerst op Pulo
Condor ontdekt heeft. Hij is roodbruin van kleur,
en kenbaar door de vlakke hoornachtige blaadjes
die hij aan de punten der hals- en vleugel-veeren
heeft, en die de Cinnaber-roode vleugel-blaadjes
van den gemeenen Beemer (Ampelis Garrulus L.)
zeer gelijken. – De Huis-Haan in tegendeel is
thands bijna over de geheele wereld verspreid: al-
hoewel hij het eerst door de Spanjaarden naar Ame-
rika is overgebragt: terwijl hij daarentegen reeds bij
de ontdekking der Paasch-en andere in de Zuid-
Zee geleegene-Eilanden zo als op Tongatabou,
Owaihi enz. in grooten getale gevonden wierd.
Het Hoen is behalven het groot aantal eieren dat
het legt en deszelfs dikwerf herhaald broeden een
der allernuttigste dieren van deeze geheele classe.
Ook heeft men de dapperheid der Haanen in het
vechten, van ouds her tot vermaak doen dienen en
ten dien einde Haanen-gevechten als Schouwspee-
len gehouden.

[Seite 280]

Voorst zijn de Hoenderen even als andere huis-
dieren van tijd tot tijd zeer verbasterd, waarom
ook voornaamlijk de volgende verscheidenheeden
eenige opmerking verdienen.

a) De Engelsche Haan. (Gallus cristatus L.)
Met een' grooten veerbos op den kop.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II. p. 116. Dau-
bent
. Pl. 49. Frisch. Tab. 129 et 130.

b) De Persiaansche of staartlooze Haan. (Gallus
ecaudatus. L
.)

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II. Pl. 16. pag. 123.
Frisch. Tab. 131 et 132.

c) De gekrulde, wollige of ook Friesche Haan,
met gekroesde veeren. Gallus crispus. L.

Buff. Histoir. Natur. des Ois. Tom. II. p. 121.
Frisch Tab. 135.

d) Het Wol-Hoen uit Japan, China enz. (Gal-
lus lanatus. L.)

Zijne veeren hangen neer, bijna als sluik-haair.
't Is hier van daan ook dat het verdichtzel van
bastaard-zoorten die uit Konijnen en Hoenderen
zouden-voorteteeld zijn, ontstaan is.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II. p. 121. Daubent.
Pl. 98.

e) Het Neger-Hoen. (Gallus Morio. L.)

Dir draagt op dezelfde wijze als de Moriaan en de
Aegyptjsche Hond, ieder voor zich, de blijken van
den invloed der Guineesche luchtstreek en is zwart
[Seite 281] van huid. Voornaamlijk, zegt men, heeft dit plaats
aan het groene voorgebergte op St. Jago, alwaar
over het algemeen ook nog aan andere Vogelen
deeze bijzonderheid zou eigen zijn.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II. p. 122.(*).

2. P. Colchicus. De gewoone Faisant. Le
Faisan. The Pheasant
. Der Fasan.

Kent. Het lijf ros en bont, de kop blaauwachtig
groen: de staart wigswijze, de wangen met een kaale
wrattige huid bekleed.

Nozeman Pl. 83 en 84. bl. 159 en 161. Frisch.
Tab. 123. Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II. p. 328.
fig. II. Pl. enl. 121 et 122. Houtt. 5. St. bl. 381.

Hij heeft zijn' naam ontleend van de rivier Pha-
sis in Mingrelien, van waar de Argonauten hem het
eerst naar Europa gebracht hebben. Bij de Faisant-
Hennen heeft men zomwijlen, en nog meer bij de
Hennen der Paauwen verscheidene maalen de zo
zeldzaame verandering waargenoomen, dat zij naam-
lijk hetzelfde zoort van veêren als die der Haanen
gekreegen hebben.

3. P. Pictus. De Chineesche Goudlakensche
Phaisant. Le Faisan doré de la Chine. The Painted
Pheasant.
Der Chinesische Goldfasan.

[Seite 282]

Kent. Eene geele huif: de borst hoogrood: de slag-
pennen van den tweeden rang blaauw: de staart
wigvormig.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II. p. 359. Daubent.
Pl. 217. Edwards. Tab. 68 & 69. Vergel.
Houtt. I. D. 5. St. bl. 388.

4. P. Nycthemerus. De Zilverlakensche
Faisant. Faisan blanc de la Chine. The Pincilled
Pheasant.
Der Schinesische Silberfasan.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II. p. 359. Daubent.
Pl. 123 en 124. Edwards Tab. 66. Vergel.
Houtt. 5. St. bl. 389.

XLV. CRAX. DE PAAUWIES.

Kent. De bek aan den wortel in beide kaaken met
eene wasch-huid bedekt; de veêren van den kop om-
gekruld.

1. C. Alector. De Guajaansche Paauwies.
Le Hocco de la Gujane. The Crested Curassow. Der
Curasso.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. II. Pl. 13. p. 373.
Daubent. Pl. 86. Verg. Houtt. 5. St. bl. 345.

In Guiana enz.

XLVI. MELEAGRIS. DE KALKOEN.

Kent. De kop bedekt met sponsige knobbeltjens;
aan de keel eene in de lengte afhangende vliesachtige
kwabbe.

1. M. Gallopavo. De gewoone Kalkoen.
Le Dindon. The Turkey. Der Kalekuter/ Truthahn/
Wälsche Hahn.

[Seite 283]

Kent. Aan de borst van den Haan, een baard of
staartje van zwarte harde haairen.

Frisch. Tab. 122. Verg. Houtt. 5. St. bl. 336.

In het midden en Noordelijkste gedeelte van Ame-
rika, waar hij in groote schoolen zomtijds van eeni-
ge honderden, vooral op de hoogste boomen huis-
houdt. In 't Jaar 1530. wierd hij voor het eerst naar
Duitschland overgebracht, daar hij thans om zijn voor-
treffelijk vleesch onder het huis gevogelte gehouden
wordt, en in veelerlei verscheidenheeden van witte
en andere kleuren verbasterd is.

XLVII. PAVO. DE PAAUW.

Kent. De kop bedekt met omgekrulde veêren; de
staart-pennen zeer lang en met oogvormige vlekken
geteekend.

1. P. Cristatus. De gewoone Paauw. Le
Paon The Peacock.
Der Pfau/ Pageluhn.

Kent. Op den kop een platte en als zamengedrukte
kuif: enkelde spooren.

Vergel. Houtt. 5. St. bl. 327.

De Paauw behoort oorspronglijk in Oost-Indien
t' huis, en is zeedert den tijd van alexander den
Grooten
naar Europa vervoerd en voortgeplant. In
het bijzonder is het mannetjen wegens de onbeschrij-
felijke pracht zijner staart- of veel meer zijner rug-
veêren een der schoonste schepselen in de natuur:
deeze staart verkrijgt echter bij de jonge Paauwen
niet voor het derde jaar zijnen, volkomen groei; zo
[Seite 284] als ook dan eerst het vederkuifje op den kop voor
den dag koomt. Zontwijlen (doch in de daad zeer
zelden) tref men ook onder hun Hennen aan, die
dergelijke schoone veêren hebben als de Manne-
tjens-Paauwen(*).

Voorts ook is het bekend dat er onder de Paau-
wen eene witte bijzoort gevonden wordt(†).

XLVIII. OTIS. DE TRAPGANS.

Kent. De bovenkaak gewelfd: looppooten (pe-
des cursorii)
(§).

1. O. Tarda. De gewoone Trapgans. l'Ou-
tarde. The Bustard.
Der Trappe.

Kent. Het mannetjen heeft bij de keel aan weêrs-
zijden van den kop een baard of veêr-kneevel.

Buff. Hist. Nat. des Ois. Tom. II. Pl. 1. p. I. Dau-
bent
. Pl. 245. Frisch Tab. 106. Vergel.
Houtt. 5. St. bl. 287 en volg.

Deeze groote Vogel, wordt zeer zelden in ons Va-
derland gevonden, doch bewoont evenwel de gemaa-
tigde streeken der oude Wereld. Het mannetjen
weegt zoms wel omtrend 30 ponden en heeft voor
aan den hals eenen wijden verborgen zak, waarvan
de mond of opening onder de tong geleegen is.

VII. Orde. STRUTHIONES.
Struis-vogelen.

[Seite 285]

Groote Land-Vogels, met onvereenigde toonen
of vingers, en met korte, tot vliegen ongeschikte
vleugels zonder slag- of roei-pennen.

XLIX. STRUTHIO. DE STRUIS-
VOGEL.

Kent. De bek bijna kegelvormig: loop-pooten.

1. S. Camelus. De Struis-Vogel. l'Autruche.
The Ostrich.
Der Straus.

Kent. De pooten met twee vingeren, waarvan de
buitenste klein is en geen nagel heeft; aan iedere
vleugel twee hoornachtige doornen of spooren.

Buffon Hist. N. des Ois. Tom. II. Pl. 29. p. 398.
Daubent. Pl. 457. Latham vol II. P. I.
Tab. 71. Verg. Houtt. 5 St. Pl. 46. f. 2. bl. 299.

De grootste van alle Vogelen, die eene hoogte
van 8 tot 10 voeten bereikt, en wel 300 ponden weegt.
Hij is in Afrika t' huis, en heeft in verscheidene op-
zichten eenige overeenkomst met den Keemel; zo als
bij voorb. ten opzichte zijner eelt-knobbels, waarvan
hij er één aan de borst en één onder aan het agterlijf
[Seite 286] heeft, die hem bij het nederliggen, slaapen en zitten
tot steunzel dienen. Het onvermogen tot vliegen
van den Struis-Vogel, wordt hem door zijne onge-
looflijke snelheid in 't loopen, waarin hij gewis
alle andere dieren overtreft, vergoed. Hij laat zich
africhten om bereeden te worden, zo dat zelfs twee
volwassene persoonen op hem kunnen rijden. Voor-
naamlijk echter wordt hij om zijne veêren geacht.

2. S. Casuarius. De Kasuaris of Casuarius.
Le Casoar. The Galeated Cassowary. Der Casuar/
Emeu
.

Kent. De pooten drievingerig: de kam of helm en
de keel-kwabben kaal: de vleugels gespoord.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. I. p. 464. Daubent.
Pl. 313. Latham t. c. Tab. 72. Frisch
Tab. 105. Vergel. Houtt. I. D. 5. St. Pl. 46.
fig. 3 bl. 310.

In Oost-Indien. Hij kan gelijk de Struis-Vogel,
stukken metaal, gloeiende koolen en dergelijke din-
gen verzwelgen: In zijnen middelsten klaauw bezit
hij groote kracht, zo dat hij daar meede planken,
die eenige duimen dik zijn, door en door trappen
kan. Zijne veêren zijn hoornachtig, gelijken veel
naar Paarden-haair, en uit éénen enkelden veder-
schagt koomen de pennen altijd twee aan twee voor
den dag.

De zogenaamde Amerikaansche Struis-Vogel door
de Indiaanen Souri, Thoujou, door linneus Struthio
rhea
genaamd en in Chili t' huis behoorende, heeft
met hem zeer veel overeenkoomst.

[Seite 287]

L. DIDUS. DE DOD-AARS OF
WALG-VOGEL.

Kent. De bek in het midden met twee dwarsche
rimpels als ingetrokken of vernaauwd; beide de kaa-
ken aan de punt krom: het aangezicht tot boven de
oogen kaal.

1. D. Ineptus. De gekapte Dod-Aars. (Cy-
gnus cucullatus. Le Dronte. The Hooded Dodo.

Der Dudu/ Dronte/ Walghvogel.

Kent. Wandel-pooten; de staart ten uitersten kort;
de slag-en staart-pennen krom gebogen.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. I. p. 480. Latham
l. c. Tab. 70. Vergel. Houtt. 5. St. bl. 320.

Voorheen op de Eilanden Mauritius en Bourbon,
doch volgens de verzeekering van den Hr. morel,
die deswegens op de plaats zelf naauwkeurige na-
vorschingen gedaan heeft, wordt deeze Vogel er
thans niet meer gevonden. Het welk niet onwaar-
schijnlijk is, daar dit dier het zwaarlijvigste, en
traagste deezer gantsche Classe zijnde, gevolgelijk
ook ligt te vangen, en bovendien om zijn walche-
lijk vleesch van weinig nut was(*).

Dusverre over de Vogelen die op het Land
leeven: nu volgen de Water-Vogelen
in twee
orden. VIII. Orde. GRALLAE. Stelt-
loopers
.

[Seite 288]

Deeze Poel- of Moeras-Vogelen hebben eenen
rolronden bek van verschillende langte, lange pooten
en voor het grootste gedeelte ook eenen langen hals,
doch korren staart. Zij onthouden zich in moeras-
sige, turfachtige gronden, en leeven vooral van Am-
phibiën, Visschen, Insecten en water-planten; de
meeste nestelen op den grond of in het riet, en
zijn ons voornaamlijk door hun uitneemend sma-
kelijk vleesch en door hunne eieren nuttig.

LI. PHOENICOPTERUS. DE FLA-
MINGO.

Kent. Een naakte, en als 't ware geknakte,
omgekromde en getande bek: de pooten viervingerig.

1. P. Ruber. De roode Flamingo. Le Flamant.
The Flamingo.
Der Flamingo/ Schartenschnäbler/ Kor-
koire
.

[Seite 289]

Kent. Het lijf rood, de slag-pennen zwart.

Buff. Hist N. des Ois. Tom. VIII. Pl. 39. p. 475.
Daubent. Pl. 63. Catesby vol. I. Tab. 73.
sqq. Vergel. Houtt. 5. St. Pl. 42. fig. I bl. 162.

In de Zee-streeken der warmere landen van bei-
de Werelden. Bij een maatig groot lijf, maar ver-
bazend langen hals en pooten bereikt hij wel een
mans hoogte, en is overal van het schoonste car-
mosinrood.

LII. PLATALEA. DE LEPELAAR.

Kent. De bek horizontaal platachtig, met een breed
uitloopend, rondachtig, spatelvormig eind: halve
zwem-
pooten, (pedes Semipalmati) met vier vingers(*).

1. P. Leucorodia. De witte of Europische
Lepelaar. La Spatule. The Spoon-bill. Die Löf-
felgans/ die Löffelreiher.

Kent. Het lijf wit; de keel zwart; het agter-
hoofd eenigzints gekuifd.

Nozeman Pl. 89 en 90. bl. 171. Frisch Tab.
200. Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 168.

Hier en daar in het Westen der oude Wereld. Inl.

[Seite 290]

LIII. PALAMEDEA. DE PALAME-
DES-VOGEL.

Kent. De bek kegelvormig; de bovenkaak haaks-
wijze krom. De pooten viervingerig en gespleeten.

1. P. Cornuta. (Kamichy, Camoucle). De
gehoornde Palamedes-Vogel, de Anhina. The hor-
ned Screamer.

Kent. Kleine vleugels, die ieder twee doornen of
spooren hebben: op het voorhoofd een hoorn.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. VII. Pl. 18. p. 335.
Daubent. Pl. 451. Latham vol. III. P. I.
Tab. 74.

In het Oostelijke gedeelte van Zuid-Amerika.

LIV. MYCTERIA. DE SCURVOGEL.

Kent. De bek een weinig opklimmende en scherp;
de bovenkaak driehoekig en zeer regt: de onderkaak
driekantig gepunt en naar boven als opgewipt: het
voorhoofd kaal: de neusgaaten streepswijze: de poo-
ten viervingerig.

1. M. Americana. De Amerikaansche Scur-
vogel, De Jabiru. La Cicogne de Brasil. The Ame-
rikan Jabiru.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. VII. Pl. 13. p. 280.
Daubent. Pl. 817. Latham t. c. Tab. 25.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 173.

Hij heeft met den laatst voorigen Vogel, het
zelfde Vaderland.

[Seite 291]

LV. CANCROMA. DE KRABBEN-
EETER.

Kent. De bek bultig: de bovenkaak heeft de ge-
daante van een 't onderste bovenliggend schuitjen.

1. C. Cochlearia. De Lepelbek. La Cuil-
liere, le Savacou. The Boat-bill.

Kent. De kleur van den buik rosachtig.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. VII. Pl. 23. p. 443.
Daubent. Pl. 38. Latham l. e. Tab. 26.

Insgelijks in Brasiliën enz.

LVI. ARDEA. DE REIGER.

Kent. De bek regt, scherp, lang eenigermaate
zamengedrukt. De pooten viervingerig.

1. A. Grus. De Kraan-vogel. La Grue. The
Crane.
Der Krautch.

Kent. Het agterhoofd naakt en wratachtig; het
lijf aschgraauw; de vleugels van buiten zwart.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. VII. Pl. 14. p. 287.
Daubent. Pl. 769. Frisch Tab. 194. Verg.
Houtt. I. D. 5. St. bl. 183.

Hij bewoont het Noordelijke gedeelte der oude
Wereld; doch trekt in den Herfst bij groote schaaren
naar warmere Oorden.

2. A. Ciconia. De Oijevaar. La Cicogne.
The Stork.
Der Storch/ Hennotter/ Aehbähr.

[Seite 292]

Kent. Het lijf wit; naakte oogkringen: zwarte
slag-pennen: de bek, pooten en de huid bloedkleurig.

Nozeman Pl. 91. bl. 175. Frisch Tab. 196.
Vergel. Houtt. 5. St. bl. 192. & Uitgez. Ver-
handel.
II. D. bl. 260.

In de gematigste streeken van bijna de gamsche
oude Wereld. Hij vroedt zich niet slechts met Am-
phibiën, maar verslindt ook andere en wel nuttige
dieren, zo als bij voorb. geheele koppels jonge Pa-
trijzen enz. Niet zelden sleept hij ook lijnwaat, gaa-
ren en meer dergelijke dingen weg, om daar meede
zijn nest van eene zagte voering te voorzien. Inl.

3. A. Cinerea. De Blaauwe- of Aschgraauwe-
Reiger. In 't Fr. en Eng. Heron. Der graue Reiher/
Fischreiher.

Kent. Het agterhoofd glad zwart; de rug blaauw-
achtig: van onderen witachtig; op de borst langwer-
pige zwarte vlekken.

Nozeman Pl. 148. bl. 289. Frisch. Tab. 198.
Vergel. Houtt. 5. St. bl. 201.

Bijna doorgaands in de oude en nieuwe Wereld.
Het zijn schadelijke dieren, zo wel voor de Vijvers
in 't algemeen, als inzonderheid voor het jonge visch-
schot. Zij nestelen op de hoogste eiken. En het
zijn voornaamlijk deeze, hoewel ook nog andere,
zoorten van Reigers die met Valken gejaagd en ge-
vangen worden. – Inl.

4. A. Garzetta. De witte Reiger. L'Aigret-
te. The little Egret.

[Seite 293]

Kent. Een kuif op het agterhoofd: het lijf wit:
de bek zwart: de pooten en de streep tusschen den
bek en de ooren groenachtig.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom VII. Pl. 20. p. 372.
Daubent. Pl. 901.

In Persien enz. 't Is van deeze, dat de beroemde,
lange, zilverwitte, en zijachrige rug-veeren herkoo-
men, die door de Oosterlingen zo duur betaald en
op de Tulbanden gedraagen worden.

5. A. Stellaris. De Roerdomp, de Butoor.
Le Butor. The Bittern. Die Rohrdommel/ der Iprump.

Kent. De kop bijna glad: het lijf boven pan-rood
met dwarsse streepen; van onderen bleeker, met lang-
werpige bruine vlekken.

Nozeman Pl. 39 en 40. bl 75. Frisch. Tab.
205-207. Vergel. Houtt. 5. St. bl. 211.

In de gemaatigde streeken van het Noorder Wereld-
deel. 't Is een langzaam en traag dier, dat eene grove
zwaare atem heeft, die het vooral bij regenachtig,
weêder hooren laat. Inl.

LVII. TANTALUS. DE COURLY OF
NIMMERZAT.

Kent. De bek lang, elsvormig, een weinig spilrond
en eenigermaate boogswijze omgebogen: aan de keel
een kaale zak: de vier vingers zijn bij derzelver eerste
geleeding door een vlie; met elkanderen verbanden.

1. T. Ibis. De Ibis.

[Seite 294]

Kent. Het aangezicht rood; de bek geel: de poo-
ten grijs: de slag-pennen zwart: het lijf ros-wit-
achtig.

Buff. Hist. Nat. des Ois. Tom. VIII. Pl. 1. p. 14.
Daubent. Pl. 389 & Bruce Voyage etc. App.
Tab
. 35. Vergel. Houtt. 5. St. bl. 213.

Deeze is die beroemde Vogel, welke voorheen
op de oude ggdenkzuilen der Egyptenaaren aan de
onsterflijkheid toegewijd,(*) Goddelijk geëerd en
even als de lijken van menschen tot Mumiën prach-
tig gebalsemd,(†) en daarna in afzonderlijke ge-
welven bij groote meenigte begraaven en bijgezet
wierdt; doch thans, [ten minsten in Neder-Ægyp-
ten] vrij zelden voorkoomt.

Of de zware en een weinig kleinere Ibis-Vogel
een bijzonder zoort uitmaakt, dan wel alleenlijk
in ouderdom iets verschilt van den witte Ibis, die
ongeveer de grootte van den Oijevaar heeft, is nog
niet beslist.

LVIII. SCOLOPAX. DE SNIP OF
SNEP.

Kent. De bek een weinig rolrond, stomp en lan-
ger dan de kop; het aangezicht beveederd: de pooten

[Seite 295] met vier vingeren, waarvan de agterste verscheidene
geledingen heeft.

1. S. Rusticola. De Hout-Snep. La Be-
casse. The Wood-Cock
. Die Waldschnepfe.

Kent. De bek regt, aan het grond-stuk rosachtig:
aschgraauwe pooten, de dijen beveerd: over het voor-
hoofd een zwarte streep.

Nozeman Pl. 145. bl. 287. Frisch. Tab. 226. en
volg. Vergel. Houtt. 5. St. bl. 225.

In de warmere streeken der Noordelijke oude
Wereld. — Inl.

2. S. Gallinaco. De gewoone Water-Snep,
La Beccassine. The Snipe. Die Heerschnepfe.

Kent. De bek regt en geknobbeld: de pooten bruin:
op het voorhoofd vier bruine streepen.

Nozeman Pl. 120. bl. 233. Frisch Tab. 229.
Vergel. Houtt. 5. St. bl. 232.

Hij heeft een wijd uitgestrekter Vaderland dan
de Hout-Snip, en wordt zo wel in de oude als in
de nieuwe Wereld bijna overal gevonden – Inl.

LIX. TRINGA. DE STRAND- OF
MOERAS-LOOPER.

Kent. De bek eenigzints spilrond, zo lang als de
kop: aan de pooten vier vingers, waarvan de agterste
slechts uit één gewricht bestaat en den grond niet
raakt.

[Seite 296]

1. T. Pugnax. De Kemphaan. Le Combat-
tant, le Paon de mer. The Ruff.
Der Kampfhahn/
Renomist/ Hausteufel.

Kent. De bek en pooten rood: de drie zijdeling-
sche staart-pennen ongevlekt: het aangezicht met ge-
korrelde vleesige teepeltjes bezet.

Nozeman Pl. 16. bl. 29. Frisch Tab. 232-235.
Vergel. Houtt. 5. St. bl 238.

In het Noorden der oude Wereld. Zijn naam heeft
hij ontleend van de woedende en hartnekkige drift,
waarmeede vooral de mannetjens omstreeks den tijd
der paaring tegen elkander kamp-vechten. – Inl.

2. T. Vanellus. (Gavia vulg. klein). De
Kievit. Le Vanneau. The Lapwing. Der Kybitz.

Kent. Roode pooten: een afhangende kuif: de
borst zwart.

Nozeman Pl. 36. bl. 65. Frisch. Tab. 213.
Verg. Houtt. 5. bl. 240.

Ook de Kievit bewoont het Noorden der oude
Wereld. Men kan hem tam maaken, en met voor-
ded in de tuinen houden, die hij van aardwormen
en ander dergelijk ongedierte zuivert. – Inl.

LX. CHARADRIUS. DE PLEVIER.

Kent. De bek een weinig rolrond en stomp: streeps-
wijze neusgaten:
loop-pooten (pedes cursorii), met
drie vingers.

[Seite 297]

1. C. Hiaticula. De Piepert, de Zee-Leeu-
wrik. Le Pluvier à collier. The Sea-Lark. Die
Seelerche.

Kent. De borst zwart: het voorhoofd zwartachtig
met een wit streepjen, het agterhoofd bruin; de poo-
ten geel.

Nozeman Pl. 136. bl. 265. Frisch Tab. 214.
Vergel. Houtt. 5. St. bl. 254.

Men vindt dit overschoone dier niet alleen hier en
daar aan de rievieren van het Noorder Wereld-deel,
maar ook op de Sandwichs-Eilanden van den sti-
len Oceaan. – Inl.

LXI. RECURVIROSTRA. DE KLUIT.

Kent. De bek neêrgedrukt-plat, elsvormig, naar
boven omgebogen, met eene scherpe
buigzaame punt:
zwem-pooten(*) met drie vingers.

1. R. Avosetta. De gewoone Kluit. l'Avo-
cette. The Avoset.
Die Avozette.

Kent. Zwart en wit bont.

Nozeman Pl. 37. bl. 67. Buff. Hist. Nat. des Ois.
Tom
. VIII. Pl. 38. pag. 466. Daubent. Pl. 353.
Vergel. Houtt. 5. St. Pl. 45. fig. 1. bl. 264.

[Seite 298]

In de gemaatigde streeken der oude Wereld enz.
Hij voedt zich voornaamlijk met Water-Insecten,
die hij door middel van zijnen zonderling naar bo-
ven geboogen bek zeer vaardig weet te vangen Inl.

LXII. HAEMATOPUS. DE SCHOL-
AAKSTER.

Kent. De bek zamengedrukt en aan deszelfs punt
als een wigge;
loop-pooten (pedes cursorii), met
drie vingers.

1. H. Ostralegus. De Oester-vanger. l'Hu-
trier, Pie de Mer. The Sea-Pie, Oyster-catcher.

Der Austerdieb/ Austermann.

Kent. De bek en pooten rood.

Nozeman Pl. 27. bl. 51. latham vol. III P. I.
Tab. 84. Verg. Houtt. 5. St. Pl. 45. fig. 2. p. 266.

Hier en daar aan de Zee-oevers van alle de
Wereld-deelen. Zijn voedzel bestaat vooral in
Schulp dieren. – Inl.

LXIII. FULICA. HET WATER-
HOEN OF KOET.

Kent. De bek verheven rond, waarvan de boven-
kaak met deszelfs rand over de onderkaak gewelfd
heen sluit: het voorhoofd kaal: de pooten met vier
vingers, welke met een
vinachtig-vlies omzet zijn.

1. F. Atra. De gewoone zwarte Koet. La
Foulque, la Morelle. The Coot.
Das schwarze Blaszhuhn.

Kent. Het voorhoofd vleesch-rood: aan de dijen
geele kringen: het lijf zwartachtig.

[Seite 299]

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. VIII. Pl. 18. pag. 211.
Daubent. Pl. 197. Frisch. Tab. 209. Ver-
gel. Houtt. 5. St. bl. 270.

In het Noorder Wereld-deel. – Inl.

LXIV. PARRA. DE SPOORWIEK
OF CHIRURGIJN.

Kent. De bek een weinig spilrond en stomp, met
eironde neusgaten op deszelfs midden: gekwabde knob-
bels op het voorhoofd: de vleugels klein en gespoord.

1. P. Iacana. De Iacana, de bruine Chirurgijn.
Le Chirurgien, le Chevalier. The Chesnut Iacana.

Kent. Zeer lange agternagels; groenachtige pooten.

Buff. Hist. N. des Oif. Tom. VIII. Pl. 16. pag. 185.
Daubent. Pl. 322. Vergel. Houtt. 5. St.
Pl.
45, fig. 4. bl. 277.

In de West-Indien, Brasil enz.

LXV. RALLUS. DE RALL.

Kent. De bek is het dikst aan den wortel, za-
mengedrukt, boven op den rug naar de punt toe dun-
ner, zonder oneffenheeden en spits uitloopende: de
pooten viervingerig, en gespleeten.

1. R. Crex. (Ortygometra). De Kwartel-Ko-
ning. Le Râle de Genet. The Rail, the Daker-hen.
Der Wachtel-König/ Schnerz/ Wiesenschnarcher.

Kent. De vleugels ros-roestkleurig.

Nozeman Pl. 144. bl. 275. Frisch Tab. 210.

In de gematigde streeken der oude Wereld. De
[Seite 300] naam van Crex of Schnerz is hij aan zijn geduurig
geroep, die van Wachtel- of Kwartel-Koning mis-
schien verschuldigt aan zijne kleur, welke met die
der Kwartels veel overeenkoomt heeft, or ook wel
heeft hij die bekomen van net oude ongegronde
spreukjen, als of hij naamlijk hij het wegtrekken
der Kwartels zich voor aan hunne spitze als hun
hoofd of aanvoerder voegen zoude. Inl.

LXVI. PSOPHIA. DE TROMPET-
TER-VOGEL, HET KNARS-HOEN.

Kent. De bek cijlindrisch-kegelachtig, bol, eenig-
zints scherp: de bovenkaak langer dan de onderste:
de neusgaten eirond en wijd open: de pooten vier-
vingerig en gespleeten.

1. P. Crepitans. De Poepert, de Trompet-
Vogel. l'Oiseau trompette. Gold-breasted Trumpeter.
Der Trompete/ der Agami/ Mackukawa.

Kent. Het lijf zwart: de borst groenachtig-blaaw
en goud kleurig.

Vosmaer's Beschrijving en Afbeelding van den Ame-
rikaanschen Trompetter
, Amst. 1768. Latham
vol. II. P. II. Tab. 68.

In Zuid-Amerika, vooral veel aan den Amazoon-
rivier.

xxx

IX. Orde. ANSERES. Zwem-
vogelen
.

[Seite 301]

De Vogelen van deeze Orde zijn kenbaar, door
hunne zwempooten die bij hun meer naar het ag-
terlijf geplaatst zijn en daarom even als riemen wel
zeer geschikt tot roeien, doch ook tevens zo veel te
meer onbek waam tot gaan zijn. Zij hebben hierïn even
als in hunne levenswijze veel overeenkoomst met de
Palmata of zwempootige dieren der voorige classe.
Hunne bovenkaak eindigt meestal in een kort haak-
jen, en is zo wel als de onderste bij de meeden met
eene taaie huid overtrokken. Haare tong is vleezig
en haar verheemelte ruuw en steekelig; ook heb-
ben veele onder de mannetjens voor aan de lucht-
pijp eene bijzondere kraakbeenige of wel geheel
beenachtige hol e(*). In 't algemeen zijn de
Zwem-Vogels overdekt met digt op elkander staan-
de en vette veêren, welke geen water aanneemen
of doorlaaten, en waarop zelfs bij veele zoorten het
op hun afgeschooten schroot schadeloos afstuit. Zij
onthouden zich aan de oevers van de Zee, van
[Seite 302] Meiren, van Rivieren, gelijk ook op Eilanden en
klippen, ook in het riet en dergelijke plaatzen meer,
en leeven voor het grootste gedeelte in veelwijverij.
Zij leggen meestal slechts één of wel weinige eieren;
doch zijn vooral om hun vleesch, hun vet, hunne
veeren enz. van meenigvuldig gebruik.

LXVII. RHINCHOPS. DE VER-
KEERD-SNAVEL OF WATERSNIJDER.

Kent. De bek regt; de bovenkaak veel korter dan
de onderste, welke laatste aan deszelfs punt of eind
geknot is.

1. R. Nigra. De zwarte Water-snijder. Le
bec en Ciseaux. The Seacrow, the Cut-Water.
Der
Verkertschnabel
.

Kent. Zwartachtig, van onderen wit: de bek aan
deszelf grond-stuk rood.

Buff. Hist. Nat des Ois. Tom. VIII. Pl. 36. p. 454.
Daubent Pl. 357. Brisson Tom. VI. Tab. 21.
fig. 2. Vergel. Houtt. 5. St bl. 159.

In Noord-Amerika. De bovenkaak is korter
dan de onderste en ligt daar in, op de wijze van
een toegeslaagen knipmes.

LXVIII. STERNA. DE STERN OF
ZEE-ZWALUW.

Kent. De bek ongetand, elswijze, bijna regt,
scherp en aan de punt een weinig zamengedrukt: regte
of streeps-wijze neusgaaten, aan het grond-stuk of
agterste gedeelte van den bek.

[Seite 303]

1. S. Stolida. De Zot of Amerikaansche Stern.
Le Fou. The Noddy. Die Noddy.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. VIII. Pl. 37. p. 461.
Brisson Tom. VI. Tab. 18. fig. 2. Vergel.
Houtt. I. D. 5. St. bl. 154.

In alle de Zeeën tusschen de beide Keerkringen
geleegen. Hij heeft zijnen naam bekomen van de
onverschilligheid, waar meede hij zich, zelfs met
de hand grijpen en vangen laat.

2. S. Hirundo. De groote Europische Zee-
Zwaluw, de Spitstaart, het Vink-diefje. Grande
Hirondelle de Mer. The Sea Swalow.
Die Seeschwalbe.

Kent. De staart gevorkt; de twee buitenste slag-
pennen half wit en half zwart.

Nozeman Pl. 56 en 57. bl. 105. Frisch. Tab. 219.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. Pl. 41. fig. 3. bl. 155.

Overal aan de kusten van het Noorder Wereld-
deel. — Inl.

LXIX. COLYMBUS. DE DUIKER.

Kent. De bek ongetand, elsvormig, regt en scherp:
de pooten bijna aan het einde van het agterlijf, (pedes
compedes).

1. C. Grylle. De Groenlandsche Tortel-Dui-
ker. Le petit Guillemot noir. The Sea Turtle. Die
Grönländische Taube.

Kent. Drievingerige zwem-pooten: het lijf zwart;
de dekveeren der vleugels wit.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. IX. fig. 354. Dau-
bent
. Pl. 917. Frisch Tab. 185. Vergel.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 89.

[Seite 304]

Insgelijks aan de kusten van het Noorder We-
reld-gedeelte.

2. C. Troile. De Lom, de Zee-Hen. Le
Guilemot. The Guilemot or Sea-Hen.
Die Lumer.

Kent. Drievingerige zwem pooten: het lijf zwart-
achtig bruin, de borst en buik sneeuw-wit: de slag-pen-
nen van den tweeden rang aan de uiterste punt wit.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. IX. Pl. 25. p. 350.
Daubent. Pl. 903. Frisch Tab. 185. A.
Vergel. Houtt. 5. St. Pl. 37. fig. 4. bl. 88.

Aan de Noordsche Zee-kusten.

3. C. Urinator. De Duikelaar. La Grèbe.
Tippet Grebe.

Kent. De kop glad: het onderste ooglid geel: op
de vleugels een witte vlek.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. VIII. p. 227. Dau-
bent
, Pl. 941. Edward's Gleanings, Tab.
360. fig. 2.

In de warme deelen van Europa, vooral meenigvul-
dig op het Meir van Geneve. Zijn vel wordt tot
fraaije veere-moffen en dergelijken opschik verarbeid.

LXX. LARUS. DE MEEUW La Mo-
vette. The Gull.
Die Möve.

Kent. De bek ongetand, regt, mesvormig, aan
de punt schuins kromachtig afloopende: de onderkaak
beneden de punt bultig.

Zij onthouden zich het meest aan de kusten der
Noorder wereld, doch worden ook op de Zuid-Zee
[Seite 305] en wel in zulke ontelbaare schaaren gevonden, dat zij
opgejaagd zijnde schier het dag-licht verduisteren en
teffens haare vervolgers met hunnen drek geheel
bevuilen.

1. L. TRIDACTYLUS. De drievingerige- of
Winter Meeuw. The Tarrock.

Kent. Het lijf wit: de rug grijs-achtig; de pun-
ten der staart-pennen zwart, uitgenomen de buiten-
ste: de pooten drievingerig.

Daubent. Pl. enl. 387 Brisson Tom. VI. Tab. 17.
fig. 2. Vergel. Houtt. 5. St. bl. 143.

Aan den Noordelijken Oceaan, waar zij bij aan-
staand regen- of stormachtig wêder met een luid
geschrei langs de oppervlakte van het water heen
en weêr vliegen. Inl.

LXXI. PLOTUS. DE PIJLBEK, DE
VISCH-VANGER.

Kent. De bek regt, gespitst en getand: het aange-
zicht beveederd:
zwem-pooten, van welken alle vier
de teenen door eene zwemhuid met elkander vereenigd zijn.

1. P. Anhinga. De Anhinga, de Brasiliaansche
Pijlbek.

Kent. De buik wit.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. VIII. Pl. 35. p. 448.
Willoughby Tab. 72.

In Brasiliën enz. Hij is zo groot als een
Eend, maar heeft eenen zeer langen hals, dien
[Seite 306] men verhaalt dat hij spiraalvormig als 't ware oprollen,
en wanneer hij Visch vangen wil, zeer gezwinduitstee-
ken kan.

LXXII. PHAETHON. DE KEERKRING-
VOGEL.

Kent. De bek mesvormig, regt, spits en tot agter
de oogen gespleeten: de agterste vinger voorwaards
gekeerd.

1. P. Aethereus. De Phaëton, de Langveer.
La Paille en cul. The Tropic bird. Der Tropikvogel.

Kent. Twee bij uitstek lange staart-pennen: de
bek zaagsgewijze: de pooten in evenwigt, waarvan
de agtervinger gevliesd is.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. VIII. Pl. 28. p. 348.
Daubent. Pl. 998. Brisson Tom. VI. Tab. 42.
fig. 1. Vergel. Houtt. I. D. 5 St. Pl. 39.
fig. 3. bl. 129.

Hij leeft aan de oevers der opene Zee en wel bij-
na alleen tusschen de Keerkringen; waarom zijne ver-
schijning in 't algemeen bij de Zeevaarende als een
teeken wordt aangenoomen dat zij zich in derzelver
nabijheid bevinden. Hij aast het meest op den vlie-
genden visch.

LXXIII. PROCELLARIA. DE ON-
WEERS-VOGEL.

Kent. De bek ongetand, zijdelings een weinig plat
of zamengedrukt: de kaaken even lang, de bovenste
[Seite 307] met eene kromme, de onderste met eene zaamengedruk-
te gootwijze punt: de pooten zijn gevliesd, en hebben
in plaats van den agtervinger slechts een nagel.

1. P. Pelagica. De Storm-Zwaluw, het Rotje.
Le Petrel. The Storm-Finch. Der Sturm-Vogel/
Ungewitter-Vogel
.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. IX. Pl. 23. p. 327. Dau-
bent. Pl. 993. Linné Fauna Suecica, Tab. 5.
fig. 143. Vergel. Houtt. I. D. 5. St. Pl. 37.
fig. 5. bl. 92.

Zo wel in den Noorder- als Zuider-Oceaan. Hij
onthoudt zich meestal ver van het land, op de klip-
pen in de opene vrije Zee, en wordt wanneer hij zich
daar van verwijdert en op de Scheepen koomt vluch-
ten, door de Zeevaarenden als een voorteeken van
eenen aanstaanden storm gehouden. Hij is geweldig
vet, en de Inwoonders van Feroë enz. gebruiken dee-
zen Vogel in plaats van lampen, door hem slechts
aan eenen draad te rijgen en deezen aantesteeken;
wanneer de vlam door het vet, dat altemaal naar
binnen trekt, geduurende een' geruimen tijd onder-
houden wordt.

LXXIV. DIOMEDEA. DE DIOME-
DES-VOGEL, DE ALBATROS.

Kent. De bek regt; de bovenkaak aan de punt
haakswijze gekromd; de onderste geknot of stomp.

1. D. Exulans. De Albatros, de vliegende
Pinguin. The wandering Albatros. Der fliegende
Pengwin.

[Seite 308]

Kent. Zeer lange beveederde vleugels: de pooten
staan in evenwigt en hebben drie vingers.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. IX. Pl. 24. pag. 389.
Daubent. Pl. 237. Edward's Tab. 88. Ver-
gel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 99.

Zijn eigenlijk vaderland schijnt in het Zuiden en
Noorden buiten de keerkringen gelegen te zijn. Zijne
grootte is gelijk die van de Zwaan, beslaande hij,
met uitgerekte vleugels, wel de breedte van elf voe-
ten. Hij verwijdert zich wel 100. Duitsche mijlen
van het land, vliegende echter zelden hooger dan
10 tot 20. voeten boven de oppervlakte der Zee. Op
de verre tochten die hij binnen de Keerkringen doet,
voedt hij zich het meest met vliegende visschen(*).

LXXV. PELECANUS. DEKROP-GANS.

Kent. De bek ongetand, regt; de punt haakswij-
ze en genageld: de pooten in evenwigt, de vier toonen
altemaal door een vlies, tot zwempooten vereenigd.

1. P. Onocrotalus. De Pelikaan. Le Pelican.
The white great Pelican.
Die Kropfgans/ der Pelican.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. VIII. pl. 25. p. 282. Dau-
bent
. Pl. 87. Frisch. Tab. 186. I. ri-
dinger'
s Afbeelding, 1740. uitgegeev. Vergel.
Houtt. I. D. 5. St. bl. 104.

[Seite 309]

In de warmere Oorden der oude Wereld, doch ook
op nieuw Holland: zijnen Griekschen naam heeft hij
bekomen van zijne Ezels-stem, den Hoog-en Neer-
duitschen daar en tegen van zijnen grooten zakvormi-
gen krop, die van de onderkaak afhangt en zich der-
maate uitrekken laat, dat dezelve wel 30. ponden
water bevatten kan. Het bekende fabelachtige ver-
telsel van een Pelikaan, die zijne jongen met zijn
eigen bloed voeden zoude, is in de daad ontstaan
van de wijze waarop dit dier zijnen gedeeltelijk
bloedrooden krop-zak, waarin hij zijne jongen wa-
ter te drinken brengt, als dan tegen de borst drukt
en op die wijze ontleedigt. De Amerikaansche
Krop-Gans schijnt van deezen in soort onderschei-
den te zijn.

2. P. Aquilus. De Fregat-Vogel. Le Fre-
gatte. The man of War bird.
Die Fregatte.

Kent. Bij uitstek groote breede vleugels: de staart
vorksgewijze: het lijf zwart; de bek rood; de oog-
kringen zwart.

Buff. Hist. N. des Ois. T. VIII. Pl. 30. p. 381. Dau-
bent
. Pl. 961. Edward's Tab. 309. Vergel.
Houtt. I. D. 5. St. Pl. 38. fig. 2. bl. 111.

In gestalte en levenswijze heeft hij veel overeen-
koomst met den Albatros: zijne vleugels echter zijn
veel langer, zo dat dezelve wanneer ze geheel zijn
uitgespreid omtrend de breedte van 14 voeten be-
slaan, en aan dit dier, wanneer het vliegt, een zon-
derling voorkomen geeven.

[Seite 310]

3. P. Carbo. De Kormoran. In 't Fr. en Eng.
Cormoran. Die Scharbe.

Kent. De staart gerond, het lijf zwart, de bek
engetand; de kop eenigzints gekuifd.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. VIII. Pl. 26. pag. 310.
Daubent. Pl. 927. Frisch Tab. 187. Ver-
gel Houtt. 5. St. Pl. 39. fig. 1. bl. 115.

Meest in alle vijf de Wereld-deelen. Hij leeft
van visschen, die hij geheel inzwelgt, Waarom hij
ook (even als nog eenige aanverwante zoorten van
dit geslacht), in China en elders ter visch-vangst
afgericht wordt; doende men hem ten dien einde
en in dier voegen eenen ring om den hals, dat de
doorgeslokte visch voor denzelven zitten blijft en
den Vogel weder kan worden afgenoomen.

4. P. Bassanus. De Ian van Gent. Le Fou
de Bassan. The Gannet, the Soland Goose.

Kent. De staart wigvormig; het lijf wit; de bek
zaagswijze; de voorste slag-pennen zwart; het aan-
gezicht blaauw.

Daubent. Pl. enl. No. 278. Brisson Tom. VI.
Tab. 44. Vergel. Houtt. I. D. 5. St. Pl. 39.
fig. 2. bl. 121.

In het Noorden van Europa en Amerika; vooral
op de Schotsche eilanden en inzonderheid op dat
het welk in de golf van Edemburg ligt en Baff of Bas-
san genaamd wordt(*), van waar deeze Gans zijn
[Seite 311] bijnaam gekregen heeft. Hier beloert hij in den
zomer de bijéénschoolende Haringen, gelijk hij des
winters omstreeks Portugaal aan de Barbarijsche
Kust enz. de Sardellen doet. Op het bovengemel-
de Schotsche eiland, worden de jongen en de eieren
van deeze Vogels in eene ontelbaare meenigte ge-
geeten en daarom met een afgrijzelijk levens-gevaar
uit de nesten gehaald, die zij in de klooven der
rotzen maaken(*).

LXXVI. ANAS. DE EEND OF EEND-
VOGEL.

Kent. De bek plaatachtig getand, van boven rond
en stomp: de tong stomp en aan den rand ruig.

1. A. Cygnus. De Zwaan. Le Cygne. The
Swan, the Elk.
Der Schwan/ Elbsch.

Kent. De bek half rolrond, en zwart; de
Waschhuid geel; het lijf wit.

Frisch Tab. 152. Vergel. Houtt. 5. St. bl. 13.

Overal in het Noorder Wereld-deel. Hun voed-
zel bestaat in Kikvorschen, Water-planten enz. Men
vindt van hun twee verscheidenheeden, (die door
eenige Natuur-onderzoekers, voor verschillende
zoorten aangezien worden), waarvan de eene naam-
lijk de zogenaamde wilde Zwaan is, met eene geele
waschhuid aan het grondstuk of den wortel van
[Seite 312] den bek; en de andere de zogenaamde Tamme Zwaan
die eene zwarte waschhuid heeft. De eerste maakt
een hel, wijd klinkend en niet onaangenaam geluid,
het welk misschien ron het verdichte welluidende
gezang der stervende Zwaanen gelegenheid gegeeven
heeft. – Inl.

2. A. Cygnoides. De wilde Zwaan, de Zwaan-
Gans. l'Oye de Guinée. The Swan-goose, Chinese
goose.
Die Spanische oder Schinesische Gans.

Kent. De bek half rolrond: de waschhuid bul-
tig, de oogleeden dik en als opgezwollen.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. IX. Pl. 3. p. 72. Dau-
bent
. Pl. 374. Frisch. Tab. 153 et 154.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 23.

Hij houdt het midden tusschen de Zwaan en de
Gans, en behoort t' huis op Guinea, de Kaap, ook
in Siberien, China en zelts zo het schijnt op de
Sandwich-eilanden van den stillen Oceaan. Men
vindt onder hun verscheidene natuur-spelingen.

3. A. Anser. De Europische Gans. l'Oye.
The Goose.
Die Gans.

Kent. De bek half rolrond; het lijf van boven
aschgraauw
, van onderen bleeker; de hals gestreept.

Nozeman & sepp. Pl. 105. bl. 204. Frisch.
Tab. 155. Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 27.

Wild vindt men ben meest in alle vijf de We-
reld-deelen. Onder de tammen wil men opgemerkt
[Seite 313] hebben, dat wel dikwerf sneeuwwitte Mannetjens-
Ganzen, doch slechts zeer zelden gantsch witte
wijfjens voorkomen. – Inl.

4. A. Bernicla. De Rot-Gans, de Ringel-
Gans. Le Cravan. The Brent Goose. Die Baum-
gans/ Rothgans/ Schottische Gans.

Kent. Het lijf bruin: de kop, hals en borst zwart;
om den hals één witte kring, of zogenaamde hals-
band.

Nozeman Pl. 98. bl. 189. Frisch. Tab. 156.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 37.

In de koudste Landen der Noorder wereld zo
als bij voorb. op Nova Zembla, waar barends
hun broeden vondt. Zij komen alleenlijk om te
overwinteren naar Schotland en andere meer gemaa-
tigde oorden, alwaar zij zich onder anderen ook
voeden met het dier dat in de bijna eivormige Gan-
zen- of Eenden-mossel, (Lepas Anatisera) woont,
van waar de oude zonderlinge fabel ontstaan is dat dee-
ze Eend niet uit een ei, maar uit die bovengemel-
de schulpen zoude voortkoomen enz.(*).

[Seite 314]

5. A. Mollissima. De Eidervogel. l'Oye a
duvet. The Eiderduck, Cuthbert duck.
Der Eider-
vogel
.

Kent. De bek rolrond; de wasch-huid van ag-
teren in tweên gescheiden en gerimpeld.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. IX. Pl. 6. p. 103. Dau-
bent
. Pl. 208 en 209. Edward's Tab. 98.
Brunnichs N. H. des Eidervogels Tab I. u. f.
Vergel. Houtt. I. D. 5. St. bl. 40.

In de Noorder wereld; vooral meenigvuldig op
Ysland en Groenland. Haar vleesch en haare eieren
zijn zeer smakelijk; doch her geen hen nog meer
belangrijk maakt, is niet alleen hun vel of huid,
waarmeede men kleederen voert, maar ook de zach-
te pluim-veeren, die onder den naam van Eider-
dons bekend zijn.

6. A. Boschas. De gewoone tamme Eend.
Le Canard. The Duck. Die Ente.

Kent. De middelste staart-pennen (bij het man-
netjen) omgekruld; de bek regt.

Nozeman en sepp. Pl. 111 en 112. bl. 215.
Frisch. Tab. 158 et 159. Verg. Houtt. 5. St.
bl.
62.

Onder de wilde Eenden die overal in de oude
Wereld gevonden worden, treft men bij uitstek
schoone natuur-speelingen aan. De tamme Een-
den schijnen de grootste neiging tot onnatuurlij-
ke paaringen te hebben, zo dat bij voorb. de
Woerden uit geilheid steeds de gewoone Hoende-
[Seite 315] ren naarzitten en de Eenden de Kalkoensche Haa-
nen vrijen, om van hun getreeden te worden. Inl.

7. A. Clypeata. De Slobbe, de Breedbek.
Le Souchet. The Shoveler. Die Löffelente.

Kent. Het einde van den bek breed uitloopende en
toegerond en met een' krommen nagel voorzien.

Nozeman en Sepp. Pl. 130 en 131. bl. 253.
Frisch. Tab. 161-163. Vergel. Houtt. I. D.
5. St. bl. 46.

Zij hebben met het voorige zoort meest één en
het zelfde Vaderland. Inl.

LXXVII. MERGUS. DE ZAAGBEK.

Kent. De bek getand, priemvormig-rolrond, en
aan de punt haakvormig.

1. M. Merganser. De Duiker-Gans, de
Nonnetjens-duiker. l'Harle. The Goos-ander. Der
Kneifer.

Kent. Een in de lengte van den kop eenigzints
regt overeindstaande kuif: de borst witachtig en on-
gevlekt: de staart-pennen aschgraauw met eene zwart-
achtige schaft.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. VIII. Pl. 23. p. 26.
Daubent. Pl. 951 en 953. Frisch. Tab. 190.
Vergel. Houtt. 5. St. bl. 71.

In de gantsche Noorder wereld. Het is zo als
andere zoorten van dit geslacht een schadelijk dier
voor de visserijen, vooral in den reitijd.

[Seite 316]

LXXVIII. ALCA. DE PAPPEGAAIJ-
DUIKER.

Kent. De bek ongetand, kort, zamengedrukt,
verheven rond, overdwars gegroefd: de onderkaak
voor aan bij deszelfs wortel of groudstuk bultig.

1. A. Arctica. De Alk, de Groenlandsche
of Zee-Pappegaaij-duiker. Le Macareux. The Puf-
fin.
Der Papageyentaucher.

Kent. De bek zamengedrukt-tweesnijdend, met vier
vooren gegroefd: de oog-kringen en de lang-ronde
vlekken aan weerskanten der oogen wit; het bovenste
oog lid in eene scherpe vleesige punt eindigende.

Buff. Hist. N. des Ois. Tom. IX. Pl. 26. p. 358.
Daubent. Pl. 175. Verg. Houtt. 5. St-
Pl.
37. fig. 3, bl. 85.

Aan de Zee-kusten der Noorder wereld. Zij
nestelen in Konijnen-hoolen, of maaken zich ook
zelve al wroetende eene dergelijk onderaadsche
schuilplaats.

LXXIX. APTENODYTES. DE PIN-
GUIN, DE VETGANS.

Kent. De bek een weinig zamengedrukt, eenig-
zints mesvormig, en in de lengte schuins gegroefd:
de punt der onderkaak stomp: de vleugels ongeve-
derd, en naar vinnen gelijkende.

Onder deezen geslachts-naam heeft Doct. fors-
ter
de tot nog toe onder andere Vogel-geslach-
[Seite 317] ten verstrooide zoorten van Pinguins, zo als bij
voorb. de Diomedea, de Phaëthon enz. zeer voeg-
zaam bij een gebragt(*).

Hunne gladde en glansige veeren, haare naakte,
stompe, kleine vleugels, benevens hunne stijve en ge-
heel regt overeind gerichte gang, geven een zonder-
ling voorkoomen aan deeze dieren, die vooral tee-
gen den broeitijd in groote schoolen gevonden
worden, op de eenzaame eilanden der Zuid-Zee,
voornaamlijk ook in den omtrek van het Vuur-land enz.

1. A. Patagonica. De Patagonische Pinguin.
Le grand Manchot. The Patagonian Pinguin.

Kent. De bek en pooten zwart: een goudkleurige
vlek bij de oorklieren.

Buffon Hist. N. des Ois. Tom. IX. Pl. 30. pag. 399.
Daubent. Pl. enl. 975. I. R. forster in
Comment. Soc. Sc. Gotting. l. c. Tab.
II.

Aan de Straat van Magellaan, Zuid-Georgien enz.
gelijk ook op Nieuw-Guinée. 't Is de grootste
zoort van dit geslacht, meer dan drie voeten hoog.

2. A. Magellanica. De Magellaansche Pin-
guin. The Magellanic Pinguin.

Kent. De bek zwart, de pooten roodachtig; van
de twee witte streepen, omvat de eene de oogen en
de andere loopt bovenwaards langs de borst.

Forster. l. c. Tab. V.

Op het Vuur-Land, de Falklands-Eilanden enz.

ZESDE AFDEELING.
OVER DE AMPHIBIEN.(*)

[Seite 318]

LXXXI. De Zoogende Dieren en de Vogelen bei-
de onderscheiden zich van de Amphibiën en van
de Visschen, zoo door de warmte (§. 25 en 40.)
als door de meenigte van hun bloed; hebbende beide
deeze laatste dier-classen meestal slechts denzelfden
graad van warmte als de middelstoffe in welke zij
zich bevinden, en daarenboven veel minder bloed
dan de bovengemelde warmbloedige dieren.

§. LXXXII. De Amphibiën evenwel hebben met
de warmbloedige dieren daarin eenige overeenkomst,
en verschillen integendeel van de Visschen, vooral
hier door, dat zij naamlijk even als de warmbloedi-
[Seite 319] ge dieren ook nog door middel van longen ademen;
ofschoon deeze van veel sponsachtiger maakzel zijn
en hunne ademhaling veel ongewisser en als 't ware
onregelmatiger is, dan bij die beiden Classen van
dieren die warm bloed hebben. Zij kunnen het
ademhaalen ook langer ontbeeren dan deeze, veel
langer in het zoogenaamde luchtledige, of wel in
eene beslootene lucht (gelijk bij voorb. de Padden
in een naauw hol, in 't midden van boomstammen,
of van steen-klompen,) ja zelfs een' geruimen tijd
in eene damp-kring van vaste en gephlogistiseerde
lucht leeven, en verwonderlijke uitersten van hitte
en koude verduuren, zo dat men voorbeelden heeft,
van Water-salamanders en Kikvorschen die niet
alleen in de maag en darmen van menschen geleefd
hebben, maar die zonder aan 't leven schade te
lijden, geduurende eenigen tijd zelfs in harde ijs-
schotsen zijn vast gevrooren geweest.

§. LXXXIII. Daar derhalven de Amphibiën met
longen voorzien zijn, zoo zijn dezelve ook in staat
geluid te geeven: evenwel schijnen sommige (ge-
lijk bij voorb. onder de inlandschen de waare Sa-
lamander, de groene Haagdis, de Blindslang enz.)
geheel stom te zijn.

§. LXXXIV. Met opzicht tot het maakzel der
Amphibiën in 't algemeen, heeft er onder dezelve eene
dubbele verscheidenheid plaats, naamlijk, dat zij, of,
gelijk de Schildpadden, Kikvorschen, Haagdissen
enz. met vier pooten voorzien zijn; of wel, zo als
de Slangen een lang, uitgerekt, dun, rolrond lijf
hebben, dar alle zodanige uiterlijke werktuigen mist,
waarmede andere dieren zich beweegen en van
plaats veranderen.

[Seite 320]

§. LXXXV. De buitendte bekieedselen zijn bij
de Amphibiën meer verschillende dan bij de warm
bloedige dieren. Sommige immers zijn met een
beenachtig schild of schaale bedekt, anderen met
hoornaartige ringen of met veel kleine schildjens
of ook wel met schobbetjens omgeeven: terwijl noch
anderen eene naakte en slechts met slijm overtrok-
kene huid hebben. De meeste derzelven vervellen
van tijd tot tijd. Veele, gelijk bij voorb. de groene
Kikvorsch, en verscheidene Haagdisschen, inzonder-
heid de Kameleon, veranderen ook zomtijds plots-
ling van kleur. Over het algemeen genomen, vindt
men echter in deeze Classe tegen het gemeene vooroor-
deel aan dieren van de schoonste kleuren, gelijk
ook van den vrolijksten en onschadelijksten aart,
inzonderheid onder de Haagdissen en Slangen.

§. LXXXVI. Aan de meeste Amphibiën is ge-
lijk reeds de benaming der gantsche Classe aan-
duidt het water en het land tot gemeenschappe-
lijk verblijf aangewezen. Veele doch houden zich
willekeurig in beide deeze Elementen op, zoo wel
ter uitoeffening van hun huishoudelijk bedrijf, als ter
opsporing van hun voedsel; anderen daarentegen bren-
gen, of eenen bepaalden tijd hunnes levens, of wel
zekere getijden des jaars slechts in of op een van
beiden door. Eindelijk zijn er ook nog veele die of,
alleen voor het land, of alleen voor het water en
niet voor beiden te gelijk geschikt zijn.

Van de land-dieren die tot deeze Classe b hooren
leeven veele in eene dompige voc ige duisternis;
anderen daarentegen ook in vrolijke en door de Zon
[Seite 321] bescheene plaatzen, verscheiden zelfs op boomen enz.

§. LXXXVII. Veele der Amphibiën, inzonder-
heid die welken tot het geslacht der Schildpadden
en Slangen behooren, leeven van zeer verschillend
voedsel; andere integendeel gelijk de Groene- of
Boem-Kikvorsch, de Cameleon enz. zijn zeer be-
paald in de keuze hunner spijzen, vallende slechts le-
vende Insecten en wel maar eenige weinige en bepaalde
soorten aan. Voor het grootste gedeelte kunnen de-
zelve verwonderlijk lang vasten; zo dat ik zelf
bij voorb. Salamanders geduurende den tijd van
agt maanden zonder voedsel in het leven hebbe
gehouden, en evenwel niet konde bespeuren dat
zij daar door merkelijk waren afgenomen: ook weet
men, dat Schildpadden geduurende anderhalf jaar zon-
der eenig voedsel genooten te hebben in 't leeven
blijven kunnen.

§. LXXXVIII. Over het algemeen genomen,
schijnt de voeding der Amphibiën veel meer be-
perkt te zijn dan die der warmbloedige dieren;
ik ten minsten heb bij voorb. het nimmer zoo ver
kunnen brengen, om hen even als de Zoogende die-
ren en de Vogelen zodanig met Meekrap te voede-
ren, dat de beenderen daar door eene roode kleur
verkregen hebben.

§. LXXXIX. Dan zo veel te meer in het oog
loopende daarentegen is bij veelen Amphibiën de
uitneemende vaardigheid en sterkte van hun herstel-
lings-vermogen
(§. XVIII), een voorrecht, dat,
zo ik mij niet bedriege, in de hier bovengemelde
dikte hunner Zenuwen en de daarentegen betrek-
kelijke kleinheid hunner hersenen (§. XXVIII.) te
[Seite 322] zoeken is. Daar derhalven de eerste van het laatste
minder afhanglijk zijn; en over het geheel genomen
het gantsche werktuig wel eenen minderen graad
van beweegbaarheid, ook minder zamengevoel
(consensus) aanduidt, het gantsche leven der Am-
phibiën daar en boven ook eenvoudiger en meer
overeenkoomst met dat der planten schijnt te heb-
ben, dan de warmbloedige dieren, – maar daar inte-
gendeel de ledenmaten der Amphibiën meer met eene
hun bijzonder eigene en onafhanglijke levenskracht
voorzien zijn, en daar gevolglijk bij deeze meer
eigene en bijzondere levenskracht der verschillende
lichaams-deelen, door iedere prikkeling, die op een
enkel deel of bijzonder stelzel van deelen (zo als
bij voorb. van Zenuwén, bloed- of water-vaten
enz.) werkt, niet terstond andere deelen door
zamengevoel in gelijke werking gebracht worden,
gelijk zulks bij de warmbloedige dieren plaats heeft,
zo laat zich hier door het taaie leven der Amphi-
biën, over het geheel genomen zo verre wel ver-
klaaren, dat men daar uit reden geven kan, hoe
Kikvorschen, welken men het hart uit het lijf ge-
sneden heeft, nog heen en weer springen, en Schild-
padden, wien men de hersenen uit den kop heeft
weggenomen, nog maanden lang leven kunnen: hier
van daan misschien ook de aanhoudende beweging,
die in afgesnedene deelen der Amphibiën, zo als bij
voorb. in den staart van den Watersalamander, van
den Blindslag enz. nog zo lang daar naa wordt
waargenomen(*).

[Seite 323]

§. XC. Tot wapenen en verdeedigins-middelen
hebben veele Amphibiën, vooral onder het geslacht
der Slangen, hun gift of venijn; de Salamander, de
Vuurpad en anderen het melkachtig huidschuim, dat
zij in nood zijnde van zich afgeven; en veele an-
deren ook wel eenen bijzonderen reuk die zij ron-
dom zich verspreiden, en die vooral bij verschei-
dene Slangen, Padden, Water-Haagdissen, Croco-
dillen enz. wordt waargenomen.

§. XCI. De uiterlijke Zinnen schijnen bij de
meeste Amphibiën geene bijzondere fijnheid of scherp-
te te bezitten; doch onder de inwendigen onderscheidt
zich bij veelen het geheugen, door dien er voorbeel-
den zijn van Crocodillen en Padden, die hunne wel-
doeners hebben leeren kennen en tam gemaakt zijn,
en het eene bekende zaak is, dat veele Slangen
tot allerlei goochelarijën kunnen afgericht worden.

§. XCII. Ook schijnen de Amphibiën, eenige
soorten van Schildpadden misschien uitgezonderd,
geenen daagelijkschen verkwikkings-slaap nodig te
hebben. Daarentegen brengen alle deeze dieren zon-
der eenige uitzondering, de koudste wintermaanden
door in eenen staat van verstijving, en wel deels
ieder op zich zelven alleen, deels even zo als
onze inlandsche Kikvorsschen en Salamanders in
[Seite 324] groote hoopen. bij elkanderen, zoo dat zij slechts
als eenen klomp uitmaaken; evenwel kunnen ook
deeze, den winterslaap ontbeeren, en jaar uit, jaar
in, binnen 's huis niet alleen levend, maar ook wak-
ker worden overgehouden.

§. XCIII. Het voortteelings-bedrijf der Amphi-
biën heeft ongemeen veel zonderlings. Bij veelen
is de drift tot paaren zoo hevig, dat men zelfs
Kikvorsschen gezien heeft die bij mangel van een
wijfjen, andere Mannetjens-Kikkers of Padden, ja
zelfs doode wijfjens besprongen hebben. Bij de
meeste Kikvorschen en Zee-Schildpadden duurt de
paaring eenige dagen, ja zelfs weeken lang. De
Adders kronkelen zich als dan met het achterlijf op
het naauwste om elkander heen, terwijl zij met
gekromde halzen en het bijeenbrengen van den
bek, bij afwisseling hunne tongen daar in- en uit-
steeken. De Water-Salamanders daarentegen om-
vatten elkander in 't geheel niet, maar het man-
netjen zwemt in den paartijd slechts rondom zijn
wijfjen, en besproeit op eenigen afstand de eitjens
met zijn zaad, zoo dra dezelve door haar geloost
worden.

§. XCIV. De Amphibiën zijn (zeer weinige slechts
uitgezonderd) alle eierleggende dieren. Veele even-
wel vooral onder de Slangen, de Salamanders enz.,
loozen hunne eieren niet eerder dan wanneer het
daar in opgesloten jong voor 't grootste gedeelte zij-
ne volle gedaante bekomen heeft. De Pipa brengt
haare jongen uit den rug voort.

[Seite 325]

Aanm. I. Een Salamander, die ik van het einde des
zomers, ten minsten geduurende vier maanden, ge-
heel afgezonderd in een glas in 't leeven gehouden heb,
heeft vervolgens omstreeks Nieuwe-jaar, geheel onver-
wacht en binnen weinige dagen 34 jongen voortgebracht;
zoo dat gevolglijk hier eene voormaalige bevruchting
haare werkzaame kracht noch veel langer dan zulks bij
de Hoenderen plaats heeft moet behouden hebben.

Aanm. II. Hoewel mij in de geheele Classe der Am-
phibiën geen alzints zeker voorbeeld van eene bastaard-
teeling bekend is; zoo schijnt het mij evenwel toe,
dat eenige verscheidenheden van Water-Salamanders
voor bastaard-soorten zouden kunnen worden gehou-
den, die ik in de nabijheid der Stad Gottingen in
een stilstaand water, waarin de Lacerta lacustris en pa-
lustris
onder elkander leefden, gevonden heb, en die in
grootte en gedaante volkomen het midden scheenen te
houden tusschen deeze beide soorten.

§. XCV. De Kikvorschen en Haagdisschen, die
in het water geboren worden, komen niet terstond
in hunne volkomene gedaante ter wereld, maar
moeten vooraf alvoorens zij die bekomen en het
volle gebruik van alle hunne leden verkrijgen nog
eene soort van gedaante-verwisseling ondergaan. De
kleine Kikvorschen bij voorb. of de zoogenoemde
Vorschen-poppen of Donder-Paddetjens (Gyrini),
hebben kort na hunne geboorte noch geen pooten,
maar in derzelver plaats een' langen zwem-staart
en ook even als de pasgeboorene Salamanders eene
soort van Visch-Kieuwen (branchia) of geplooide
aanhangzels van Swammerdam, (appendiculae fim-
briatae)
achter de ooren; voorts hebben dezelve zom-
[Seite 326] tijds aan de onderlip eene kleine zuigbuis en der-
gelijke meer, welke deelen alleen voor deeze diertjens
in hunnen eersten en tederen staat bestemd zijn, en
met haaren toeneemenden wasdom allengs ver-
dwijnen.

§. XCVI. De opgroeing der Amphibiën gaat
langzaam voort, zoo dat bij voorb onze inlandsche
Kikvorschen doorgaans eerst in het vierde jaar ter
voortteelinge in staat zijn: en evenwel, bereiken
deeze niet meer dan 12 tot 16 jaaren, een ouderdom
die voorzeker niet zeer aanmerkelijk is, wanneer
men acht geeft op dit laat aankomend voorttelings-
vermogen. Daarentegen is het bekend dat Schild-
padden, schoon zelfs gevangen gehouden zijnde,
meer dan 125, jaaren geleefd hebben, zoo dat
hier naar willende besluiten, de Crocodillen, de
groote Slangen enz. eenen noch ongelijk hoogeren
ouderdom zouden moeten bereiken kunnen.

§. XCVII. Voor den mensch is het Nut der
Amphibiën vrij beperkt; doch voor zommige
landstreeken zomtijds van zeer veel aanbelang.
Vooral dat der Schildpadden en derzelver eie-
ren, gelijk ook dat van verscheidene soorten
van Kikvorschen, Haagdissen enz. De Schild-
pad levert door haar schild die stoffe op, waar-
van zoo veelerlei fraaie kunst werken gemaakt wor-
den. De bonte Slangen dienen de wilden in
Noord-America tot opschik, terwijl zommige Haag-
disschen, Adders enz. als artzenijen gebruikt wor-
den.

§. XCVIII. Schadelijk worden zommige schrik-
dieren deezer Classe zoo als bij voorb. de Croco-
[Seite 327] dillen, Waterslangen enz. door hunne grootte, en
andere vooral onder de Classe der Slangen door
hun venijn, dat in geene andere Dier-Classe zoo
gevaarlijk en hevig is.

Deeze geheele Classe wordt slechts in twee
orden verdeeld.

I. Reptiles. Gaande Amphibiën, met vier
pooten, zoo als de Schildpadden, Kikvorschen,
Haagdissen enz. (de viervoetige Eijerliggende die-
ren, quadrupeda ovipara
der ouden.) en

II. Serpentes. Kruipende Amphibiën, de
Slangen naamlijk zonder eenige uiterlijke bewegings-
werktuigen (§. LXXXIV.).

* * *

Onder de weinige bronnen of hoofdwerken over
de Natuur-goschiedenis der Amphibiën
zijn deeze weinige de voornaamste.

  1. A. Seba, Rerum naturalium thesaurus. Amst. 1734-65.
    in IV vol. fol. imper. (de twee eerste deelen handelen
    over de Amphibiën).
  2. J. N. Laurenti, Synopsis reptilium emendata, Vin-
    dob. 1768. 8vo.
  3. C. de la Cepede, Hist. Naturelle des Quadrupédes
    ovipares & des Serpens,
    Paris 1785. 2. vol. 4to.
* * *
  1. J. G. Schneider, Amphibiorum Physiologiae Specim.
    Traj. ad Viadr.
    1790. etc. 4to.
  2. R. Townson, Observationes Physiologicae de Amphi-
    biis,
    Gott. 1794. 8vo.

I. Orde. REPTILES. Gaande
amphibien
.

[Seite 328]

Alle de dieren deezer Orde zijn (ten minsten
wanneer zij haare volkomene gedaante verkreegen heb-
ben) met vier pooten, geschikt naar hunne verschil-
lende woonplaats, voorzien. Deeze pooten worden
onderscheiden in Vrije- of Los-Gevingerde (Pedes
digitati);
in Zwem pooten (Pedes palmati) waarvan
de vingers door een vlies mer elkander verbonden
zijn, en in Vin-pooten (Pedes pinnati) zulke
naamlijk waarvan de vingers als in eene Visch-vin
zijn te zamen gegroeid.

I. TESTUDO. DE SCHILDPAD. La
Tortue. The Tortoise
(*). Schildkröte(†)

Kent. Het lijf met een hoornachtig schild bedekt:
[Seite 329] de staart (bij de meesten) kort: de kaken naakt
en zonder tanden.

De meeste zochten vam Schildpadden zijn met
een breed, beenachtig, zeer hard schild of schulp
bedekt, van het welk 't bovenste deel met den rug-
graat en de ribben des diers, aan elkander gewas-
sen, en met hoornachtige schubben bedekt is, die
bij veele zoorten zoo sterk en schoon van kleur
zijn, dat zij tot veelerlei kunst-zaaken gebruikt wor-
den. Gewoonelijk liggen er 13 dergelijke schubben
in 't midden van dit schild en 24 rondom den rand.
Het onderste deel van het zelve of het buiklchild
is een weinig kleiner dan het bovenste, en voor
den kop, staart en pooten als uitgesneeden.

1. T. Memranacea. De Perkament Schild-
pad.

Kent. Gevliesde pooten met drie nageltjens; het
ruggen- of boven-schild kringvormig-eirond, vlies-
achtig, grijs gestreept en ruuw van oppervlakte.

Schneidher. l. c. Tab. I

In Guiana.

2. T. Imbricata, De Caret-Schildpad. The
Hawksbill turtle.
Die Carette.

Kent. De pooten als vinnen; het schild hartvor-
mig, een weinig gekield en aan den rand zaagswij-
ze getand; de schubben of schildjens liggen gelijk
kleine breede dak-pannen op elkanderen; de staart
geschubd.

[Seite 330]

Schoepff Hist. Testud. Tab. 18. A. & B. p. 72.
Bruce Voyage au Source du Nil. Append. T. XLII.
Vergel. Houtt. I. D. 6. St. p. 33

In de beide Indien; ook in de roode Zee. Zij
geeft het beste schildpad.

3. T. Mydas. (T. Viridis schneid.) De
groene Reusen of Mijdas-Schildpad. La Tortuefranche.
The green Turtle.
Die Grüne of Riesen Schildkröte.

Kent. De pooten als vinnen; de randen der kaa-
ken getand: het schild eirond.

Schoepff Tab. 17. f. 2. Vergel. Houtt. I. D.
6. St. p. 13.

Zij is de grootste en sterkste van alle de Schild-
padden; weegt soms wel 800 ponden(*), en kan
wanneer men haar een' last van 600 ponden en nog
meer op haaren vlakken rug legt, daar mede voort
kruipen. Haren gewonen naam heeft zij bekomen
van haare bleek-olijv-groene kleur en van haar
zonderling donker-groen smakelijk vet. Zij
onthoudt zich in Zee, doch koomt vooral in de
maand Junij aan land, het meest op onbewoonde
eilanden, zoo als bij voorb. op die in de West-In-
dien en in de stillen Oceaan (welke daar door ook
gedeeltelijk den naam van Schildpads-Eilanden
[Seite 331] bekomen hebben), om aldaar haare eieren te leggen,
waarvan het getaleenige honderden beloopt. Daar-dee-
ze soort alleen van Zee-wier en andere dergelijke
planten leeft, zoo hebben zij een uitneemend sma-
kelijk en geheel niet' traanachtig vleesch, het welk
zoo wel als haare eieren inzonderheid voor de be-
woners der kusten en eilanden, gelijk ook voor de
Zeevaarende, van groot aanbelang is.

4. T. Orbicularis. (T. Europaea schneid.)
De Rivier Schildpad. Tortue d'aigue. Die gemeine
Flusz schildkröte
.

Kent. De pooten gevliesd; de schulp rond en plat-
achtig.

Schoepff Tab. 1. p. 1. Houtt. 6. St. p. 36.

In het warmste gedeelte van Europa.

5. T. Carolina. De Karolinische Schildpad,
The Terrapin.

Kent. De pooten gevingerd, het schild bultig,
zonder staart.

Schoepff Tab. 15. p. 64. Edwards Tab. 205.
Vergel. Houtt. 6 St. bl. 57.

In Karolina enz. Over het geheel genomen le-
ven de Land-Schildpadden troepswijze bij elkande-
ren, en verscheidene van hun, gelijk bij voorb. op
Isle de France voegen zich des nachts in geheele
schaaren bij één, zoo dat de grond met dezelve als
't ware bevloerd schijnt, en men wel honderd schre-
den verre over dezelve in 't rond kan gaan, zon-
der dat men behoeft een voet op de aarde te zet-
ten.

[Seite 332]

6. T. Geometrica, De Geometrische of Ge-
sternde Schildpad.

Kent. Gevliesde agterpooten; de schubben van het
boven-schild verheven en stomp.

Schoepff Tab. 10. p. 43. Vergel. Houtt. 6. St.
bl.
59.

In Oost-Indien. Zij is omtrent zoo groot als
een vlakke hand, en heeft wegens haar regelma-
tig zwart en geel getekend, en teffens hooggewelfd
schild een zonderling aanzien.

II. RANA. DE KIKVORSCH.

Kent. Het lijf naakt; vier pooten, de agterste
langer dan de voorste.

De dieren, dit geslacht uitmaakende, zijn korter
van lijf en ook breeder en dikker van kop dan
de Haagdissen. Zij hebben (ééne enkele zoort uit-
genomen) geen staarten. Bij de meesten zijn de
vingers der voorpooten los en die der agterpooten
door een zwemvlies vereenigd(*).

1. R. Pipa. De Pipa of Amerikaansche Pad.
Crapaud de Surinam. Die Pipa/ Tedo.

Kent. Het lijf glad, de bek plat, als een schop-
jen; de voorste vingeren zonder nagels, doch viertan-
dig, de agterste genageld.

[Seite 333]

Seba vol. I. Tab. 77. fig. 1–4. Fermin Dévelop-
pement parfait du Mystere de la génération du fa-
meux Crapaud de Surinam.
Vergel. Houtt
4. St. bl. 187.

Dit dier, dat men in de wateren van Guiana vindt,
is zeer merkwaardig door deszelfs zonderlinge en
met den gewoonen regel geheel strijdige wijze, op
welke het wijfjen haare jongen voortbrengt. Het
mannetjen naamlijk smeert het schot, door het wijf-
jen te voren op de gewoone wijze geschoten, op
haaren rug, en bevrugt dit daarop met zijn zaad.
De Eitjens groeien daarnaa als 't ware aan de huid
der moeder vast, tot dat naa verloop van omtrend
drie maanden, de daarin schuilende gestaartte Kik-
vorsch-poppen of Donder-Padjens(*) rijp
zijn, om uittebreeken, en, na het allengs verdwijnen
hunner staarten en het daar voor in de plaats krij-
gen van vier pooten, den rug hunner moeder ver-
laaten kunnen.

2. R. Cornuta. De gehoornde Kikvorsch.

Kent. Kegelachtige uitpuilende oogleden.

Seba vol. I. Tab. 72. fig. 1 en 2. Vergel. Houtt.
6. St. bl. 233.

[Seite 334]

In Virginiën. Hij heeft wegens zijne groote
Sieren-oogen en de gedrochtelijke kegelachtige bo-
venste oog-leden een zonderling voorkoomen.

3. R. Ocellata. De geoogde Kikvorsch. The
Bull-frog.

Kent. Aan weerszijden der ooren een oogvormige
vlak; de pooten stomp.

Catesby vol. II. T. 72. Vergel. Houtt. 6. St.
bl.
233.

In Noord-America. Bijna zoo groot als een
Konijn. De Engelsche naam is ontleend van het
sterk geluid dat hij maakt, zijne kleur is morssig
groen, hier en daar met bruine vlekken gespikkeld.

4. R. Paradoxa. (bij zommigen Rana piscis).
De Visch-Kikvorsch.

Kent. Gestaart; de dijën van agteren schuins ge-
streept.

Seba vol. I. Tab. 78. Merian. Surin. T. 71. bl. 71.
Vergel. Houtt. 6. St. bl. 235.

In Zuid-America. Door zijnen sterken vleessi-
gen en aan de zijden plat gedrukten staart onder-
scheidt hij zich van alle de overige soorten van dit
geslacht, en krijgt tegen de wijze van andere Kikvor-
schen, voor dat hij noch zijne volkomene gedaante
bekomen heeft eene grootte van omtrent een span
in de langte: terwijl hij geduurende deeze tijd
verscheidenmaal vervelt en hier door aanleiding ge-
geeven heeft tor het oude sprookjen van Kikvor-
schen die in Visschen veranderen.

[Seite 335]

5. R. Bufo. De Pad. Le Crapaud. The Toad.
Die Kröte/ Quadüre/ Padde/ der Lork.

Kent. Het lijf gezwollen, wrattig, van eene vuil-
geele en bruine kleur.

Roesel Tab. 20 et 21. Vergel. Houtt. 6. St.
Pl.
53, fig. 1 2. bl. 194.

't Is niet waar, dat haare pis een hevig venijn
is, maar daarentegen onloochenbaar, dat men ver-
scheide maalen leevende Padden, middenin doorge-
zaagde boomstammen, zelfs in steen-klompen enz.
gevonden heeft(*). Inl.

6. R. Bombina. De Vuur-Pad. Die Fenerkröte.

Kent. Het lijf wrattig; de buik oranje en blaauw
gevlakt; de oogappel driehoekig.

Roesel Tab. 22. Verg. Houtt. 6. St. bl. 220.
(Rana rubeta).

Aan den buik, keel en pooten zeer schoon blaauw
en geel gemarmerd. Zij huppelt bijna als een Kik-
vorsch. Inl.

7. R. Portentosa. De stinkende Land-Pad.
Bufo calamita laurent. Die haus-unke.

[Seite 336]

Kent. Het lijf wrattig; de streep die in de lengte
over den rug loopt is bleek geel; die der beide zijden
rosachtig.

Roesel Tab. 24. Vergel. Houtt. 6. St. Pl. 225.
(Rana Gibbosa).

In vochtige kelders, in hoolen der oevers enz.
Zij koomt zelden te voorschijn; doch maakt een
haar alleen eigen dompig geluid, dat tot allerlei bij-
geloovige sprookjens heeft gelegenheid gegeeven. Inl.

3. R. Temporaria. De bruine Land-Kik-
vorsch. Der braune Gras-frosch/ Pogge.

Kent. De rug bruin-platachtig en eenigermaate
hoekig.

Roesel Tab. 1-8. Vergel. Houtt 6. St. bl. 242.

In Gras-landen en struiken waaruit de jongen naa
eenen warmen zomer-regen bij meenigte voor den
dag komen; van daar is het misschien, dat hunne
plotzelijke verscheining tot het oude belagchelijke
vertelsel van een' Kikvorsch regen kan hebben
aanleiding gegeeven. Zij teelen ongemeen sterk
voort, zoo dat zij zelfs zoms wel tot eene land-
plaag worden kunnen, en de Abderiten eens ten
tijde van cassander deswegens waarlijk Abdera
verlieten. Voor de tuinen zijn zij zeer nuttige
schepselen, doordien zij zeer veel op Slakken, venij-
nige Insecten, zo als bij voorb. op Spaansche Vliegen
en dergelijke meer aazen, en daarom met veilig
kunnen gegeeten worden. Inl.

[Seite 337]

9. R. Esculenta. De groene Water-Kik-
vorsch. Der grüne Wasserfrosch/ Röling/ Marxgöker.

Kent. Groen: het lijf hoekig: de rug over dwarsch
gebuld; de buik gerand.

Roesel Tab. 13-16. Verg. Houtt. 6. St. bl. 253.

In vijvers, slooten en moerassen. De mannetjens
kwakken hard, vooral des avonds bij schoon we-
der, en doen als dan agter de beide hoeken van
den bek twee groote blaazen naar buiten komen.
Zij zijn loos en moedig, aazen op Muizen, Mus-
schen, ja ook op jonge Eenden, Forellen enz. en
kunnen zelfs vrij groote Snoeken vermeesteren, doch
zijn zonder eenig gevaar eetbaar. Tegen den paar-
tijd krijgen de mannetjens van deeze en ook der
naast voorgaande soort zwarte wratachtige knobbels
aan de duimen der voorpooten, waarmeede zij zich
aan de borst van hunne wijfjens op het naauwst kun-
nen vasthechten. Inl.

10. R. Arborea. De Boomkikvorsch, (Cala-
mites. La Raine, Grenouille de St. Martin, le Grais-
set.
Der Laubfrosch.

Kent. Het lijf glad, van onderen met kleine knob-
beltjens bezet; de pooten ongevliesd, de toppen der
vingeren rondachtig gelijk eene linse.

Roesel Tab. 9–12. Verg. Houtt. 5. St. bl. 255.

Bijna in gantsch Europa doch niet in Engeland,
maar des te menigvuldiger in Italien, ook in Ame-
rika enz. De kleevige slijm waarmede zij even als
de Slakken overdekt zijn, dient hun om zich aan
[Seite 338] het loof der boom en te kunnen vasthechten. De
volwassene mannetjens, die aan hunne bruine keel
kenbaar zijn, hebben eene harde stem, die zij bij
verandering van weeder, en buiten dien ook in de
paartijd hooren laten, waartoe zij de keel in de ge-
daante van een bal opblazen, bijna zoo groot als
hun gantsche lijf. Inl.

III. DRACO. DE DRAAK.

Kent. Vier pooten: een staart en twee vleugels.

1. D. Volans. De vliegende Haagdis. Die flie-
gende Eidexe
.

Kent. De voorpooten zijn van de vleugels afge-
scheiden.

In Oost-Indien en Afrika. De zoogenoemde
vleugelen die dit kleine dier aan beide de zijden
van het lijf heeft, dienen hetzelve wel tot een val-
scherm, doch niet om eigenlijk te vliegen.

IV. LACERTA. DE HAAGDIS.

Kent. Het lijf in de lengte uitgerekt: vier even
lange pooten.

1. L. Crocodilus. De Krokodil. In 't Fr.
en Eng. Crocodile. Der Nil-Crocodil.

Kent. De kop met schilden bedekt; de nek gekield:
de start van boven met twee zijdelingsche kuiven of
kammen bezet.

Gesner. de Quadruped. oviparis. p. 8. Vergel.
Houtt. 6. St. bl. 77.

[Seite 339]

Deeze Krokodil is het grootste dier dat in zoete
wateren leeft, dat somtijds wel vijftig voeten lang
is(*) en voornaamlijk in den Nijl t' huis behoort.
Hij doodt menschen en grootere dieren, doch kan
evenwel jong gevangen zijnde, tam gemaakt worden.
Bij de paating gaat het wijfjen op den rug leggen,
legt daar naa omtrend 100. eijeren die naauwlijks
de groote van een Ganzen-eij hebben.

2. L. Gangetica. De Gangetische Krokodil.

Kent. De kaaken lang, spilrond-cijlinderach-
tig; op de staart twee kammen die in elkander loopen.

Edwards in de Philos. Transact, vol. XLIX. P. 2.
Tab. 19.

Vooral in de Ganges.

3. I. Alligator. De Kaijman. Der Kaiman/
Americanische Crocodil.

Kent. De kop met op elkanderliggende schilden be-
zet; de nek bloot; de staart is ruuw van oppervlakte-
en heeft van boven twee zijdelingsche streepen.

In het middelste gedeelte van Amerika. Het
wijfjen legt maar omtrend 30. eijeren enz.

4. L. Monitor. De Waarschouwer-Haagdis.
La Sauve-garde.

Kent. De staart gekield; het lijf ongewaapend,
met vlekken als oogjens getekend.

[Seite 340]

Seba vol. I. Tab. 94. fig. 1, 2, 3. Verg. Houtt.
6. St. bl. 98.

In beide de Indiën. Het is een uitneemend zui-
ver en regelmatig zwart en wit gevlekt dier, dat om-
trend anderhalf elle lang wordt, en dat dewaijl het zich
meest bij de Crocodillen ophoudt, door zijn piepend
geluid de aannadering van deezen zijnen geduchten
medgezel aankondigt.

3. L. Iguana. De Leguaan. Der Leguan.

Kent. Een lange spilronde staart; de rugge-naad
getand; de kam aan de keel met kleine tandjens bezet.

Seba vol. I. Tab. 95. seqq. Tab. 98. Verg. Houtt.
5. St. Pl. 52. fig. 2. bl. 168.

In de West-Indiën. Een fraai vlug dier, waar-
van het vleesch en de eijeren uitstekend smakelijk
zijn.

6. L. Chamæleon. De Kameleon. Le Cameleon.

Kent. Een grijpstaart: twee en drie vingeren te
zamen gehecht.

I. F. Miller fascie. II. Tab. 11. Verg. Houtt.
I. D. 4. St. bl. 131.

In Oost-Indiën, Noord-Afrika, en thans ook
in zommige deelen van Spanje. Het is een loom-
en traag dier, dat zich op boomen en in heggen
ophoudt, en van Insecten leeft, die het met zijne lan-
ge kleeverige tong zeer behendig weet te vangen.
Zijne longen zijn bij uitstek groot, vervullen het
grootste gedeelte van zijn lijf, en dienen hem der-
[Seite 341] halven om zich naar welgevallen op te blaazen
of dunner te maaken, waarvan daan vermoedelijk
dan ook het zeggen der ouden ontstaan is, dat de
Kameleon alleenlijk van de lucht leven zoude. De
oogen van dit dier hebben die gantsch bijzondere
en aan hetzelve alleen eigene inrichting, dat ieder der-
zelve afzonderlijk, of ook beide te gelijk naar ver-
schillende richtingen, het een bij voorb. boven-en
het ander agter waards en dat wel zeer snel kunnen
bewogen worden. De natuurlijke kleur van den
Kameleon is staal-graauw, zomtijds evenwel veran-
dert hij dezelve, vooral wanneer hij rood wordt enz.
De somwijlen bemerkte weerschijn van nabuurige
sterk gekleurde voorwerpen, op de glansige schub-
ben van het levende dier, heeft gelegenheid tot de
bekende fabel gegeeven, als of hetzelve zijne kleuren
willekeurig daar naa zou richten en veranderen kunnen.

7. L. Gecko. De Gekko (waarschijnlijk de
waare Stellio of Saurus der Ouden).

Kent. De staart spilrond, middelmatig van lengte:
de vingers ongenageld, en van onderen gebladerd: het
lijf wratachtig: de ooren hol.

Seba vol. I. Tab. 108. Vergel. Houtt. 6. St.
bl. 152. Pl. 51. fig. 6.

In Oost-Indiën, ook op de Zuid-Zee's eilan-
dan, en zelfs hier en daar in 't Zuiden van Euro-
pa, zo als bij voorb. in het Napelsche. Meest ech-
ter vindt men ze in Egijpten, alwaar zij zich gaarn
in de huizen onthouden en dikwijls gevaarlijk wor-
den. Doordien zij naamlijk een venijnig vogt, tus-
[Seite 342] schen de blaaderige vingers hunner pooten hebben,
her welk zich aan de eetwaaren waar over het dier loopt
mededeelt.

1. L. Stincus. (Crocodilus terrester). De
Schinck. Le Stinc marin.

Kent. De Staart spilrond, middelmaatig van leng-
te, aan het eind zamengedrukt plat: de klaauwen
ongenageld, kwabbig-geschubd en gezoomd.

Vergel. Houtt. 6. St. bl. 156.

In het steenachtig Arabiën, Egijpten enz. Wel
eer was dezelve als een versterkend middel van een
bijzonder soort beroemd; ook thans nog, wordt hij
ten minsten door de Oosterlingen tot dat oogmerk
gebruikt.

9. L. Agilis. De groene Haagdisch. Die grü-
ne- of Kupfer Eidexe.

Kent. De staart geringd, een weinig korter dan
het lijf, en met scherpe schubben bezet: onder aan
den hals maaken deezen schubben de gedaante van
ten halsband uit.

Rösel. Hist. Ranarum nostratium. (op de tijtelplaat)
Vergel. Houtt. 6. St. bl. 124.

In het warmere gedeelte van Europa, en zo als
het schijnt ook in de beide Indiën, en op de Ei-
landen der Zuid-Zee. Zij is even min venijnig
als alle andere inlandsche Haagdisschen. Haare
eijeren geeven in het donkere een tijd lang ligt
van zich af.

[Seite 343]

10. L. Palustris. De Water-Salamander.
Salamandre d'eau, The water Lizard. Die Sumpfeidexe.

Kent. De staart lancetvormig, en zo lang als het
lijf, 't welk effen is; de kop plat neergedrukt.

Laurentii Tab. 4. Fg. 2. Vergel. Houtt.
6. D. 5. St. bl. 101.

In de staande en onzoute wateren van Euro-
pa. Inl.

11. L. Lacustris. De Meer- of Water-Ha-
gedis. Der Wasser-Molch/ Wasser-Salamander.
Kent. De rug en de zijden met wratten bezet: de
kop dik en stomp; neerhangende wangen.

Laurenti Tab. 2 fig. 4.

Hij is veel grooter en dikker dan de zo even
voorgaande soort: en van eene donkergroene kleur.
De mannetjens krijgen in het voorjaar eene overeind-
staande getakte huid, die van den kop af, tot aan
den staart heenloopt. Van hun uitsteekend herstel-
lingsvermogen, zie hier boven bladz. 23. Inl.

12. L. Salamandra. De Salamander. Le
Sourd, le Mouron.
Der Molch/ Salamander/ die
Molle/ Ulme.

Kent. De staart spilrond, kort: de pooten ongena-
geld: het lijf geel en zwart gevlekt, bloot en ijl.

Rosel. Hist. Ran. (op de voorgrond der tijtelplaat.)
Vergel. Houtt. 6. St. Pl. 51. fig. 5. bl. 143.

Zwart en oranje-geel gevlekt, een span lang en
een duim dik. Dat dit dier venijnig zijn zoude,
in het vuur konde blijven voortleven enz. zijn fabe-
len. Inl.

II. Orde. SERPENTES. Krui-
pende amphibien
.

[Seite 344]

De Slangen(*) hebben in 't geheel geene poo-
ten, maar alleen een rolrond, lang, uitgestrekt lijf,
het welk zij golfwijze bewegen, en dat met schub-
ben, schilden of ringen bedekt is. Veelen derzel-
ven onthouden zich in het water, (als kunnende
door middel van haare uitnemend lange en deels
blaasvormige longen ligt zwemmen) andere leven
op de aarde, andere doorgaans op boomen. Meest
allen leggen zij eieren, die in eene vleesachtige en naar
eenen darm gelijkende buis beslooten zijn en agter
ieder eij schakelsgewijze toegeknepen is. De kaaken
der Slangen wervelen niet gelijk bij andere dieren
door een gewricht, maar zijn tot kaauwen geheel
ongeschikt, en kunnen zoo verre van elkanderen
verwijderd worden, dat zij andere dieren, die dik-
wils grooter dan zij zelve zijn, geheel en al kunnen
inzwelgen(†). Veelen zijn met een sterk gift in
bijzondere blaasjes der bovenkaak voorzien, het
[Seite 345] welk hun niet alleen ter bevordering der spijsver-
teering, maar ook tot het vangen van haaren prooij,
en tevens tot verdediging dient(*). Dit venijn
wordt in bijzondere klieren afgescheiden en door
afzonderlijke buisvormige gift-tanden, die alleen
staan en aan derzelver einde met eene lange ope-
ning voorzien zijn (als door een ontlast-buis) bij
het toebrengen van den beet in de wonde uitgestort.

[Seite 346]

V. CROTALUS. DE RATELSLANG.
Le Serpent à sonnettes. The Rattle-Snake. Die
Klapperschlange.

Kent. Buik-Schilden: schilden en schubben onder
aan den staart die in een
ratel eindigt.

1. C. Horridus. ♂ De Amerikaansche Ratel-
slang.

Kent. 167. buik-schilden en 23. staart-schildjens.

Seba vol. II. Tab. 95. fig. 1. Vosmaer's Beschrijv.
en afb. uitgeg.
1768. Vergel. Houtt. 6. St. bl. 309.

Vooral in de warmere deelen van Noord-Amerika:
zij wordt omtrend zes voeten lang en bijna een arm
dik. Het getal der leedjens van den Ratel stijgt bij som-
migen tot 48. enworden gezegd met de jaaren van het dier
toeteneemen. Dat kleine Vogels enz., welke op een
boom zitten, waar onder een Ratelslang op hen ligt
te loeren, aan deeze als van zelfs in den bek val-
len(*), wordt van geloofwaardige ooggetuigen ver-
zeekerd; doch is geene eigenschap die alleen aan dit ge-
slachtvan Slangen toebehoort, dewijl men het zelfde ook
van meer andere Slangen, zo wel der nieuwe als oude
[Seite 347] Wereld zegt te hebben waargenomen. De Ratel-
slangen zelfs worden het meest van. de Varkens en
Roofvogels, ja ook van veele Negers in Amerika
zonder eenig nadeel gegeeten; zij laaten zich ook
ongemeen mak en tam maaken.

VI. BOA. DE BOA OF REUS-SLANG.

Kent. Buik-en staart-schilden.

1. B. Constrictor. De Afgod-Slang, de
Knijper. Die Abgottsschlange/ Anaconda.

Kent. 240. buik-schilden, 60. staart-schildjens.

Seba vol. II. Tab. 98. seqq. merrem II. Heft
Tab.
1. Vergel. Houtt. 6. St. bl. 319.

In Oost-Indien en Afrika. Volgens het verhaal
van adanson wordt dezelve wel 40 a 50 voeten
lang. Zij kan de ribben en andere beenderen van
eenen levenden Tijger aan stukken drukken en naa
denzelve met eene lilachtige kwijl overtogen te heb-
ben geheel verworgen. Zij is echter gemaklijk tam
te maaken, en wordt even als de Brilslang door de
Oost-Indische Goochelaars tot het doen van al-
lerlei kunststukken afgericht.

De Zuid-Amerikaansche Amaru-Slang, die van
de Antis in Peru aangebeeden en ook wel 30. voe-
ten lang wordt, schijnt van deeze weinig te ver-
schillen.

Daarentegen is de zoogenaamde Juda-Slang, wel-
ke men op Guinea zoo heilig eert, waarschijnlijk
eene geheel andere soort, ook wordt zij maar om-
trend zes voeten lang.

[Seite 348]

VII. COLUBER. DE ADDER. Le
Couleuvre.

Kent. Buikschilden; Staart-Schubben.

1. C. Vipera. ♂ De Egijptische Adder. Le Vi-
pere. The Viper.
Die Viper.

Kent. 184 Buikschilden; 22. staartschubben.

Zie Houtt. 6. St. bl. 327.

De naam van Adder wordt aan verscheide Slangen
gegeeven, deeze door linnæus alzoo genoemd
hoord in Egijpten t' huis.

2. C. Cerastes. ♂ De gehoornde Adder. Die
gehörnte Schlange
(*).

Kent. 145. Schilden; 44. schubben.

Bruce Voyage au source du Nil, Append. Tab. 40.
Vergel. Houtt. I. D. 4. St. bl. 337.

Zij heeft hetzelve Vaderland als de zo even voor-
gaande, men wil volstrekt dat die ook giftig zij(†).

3. C. Berus. ♂ De Europische Adder. The
Adder.
Die Otter/ Viper.

Kent. 146. Buikschilden; 39. staart schubben.

J. D. Meyer. Vorstellungen allerhand. Thiere II. T.
15–18. Laurenti Tab. 2. fig. 1. Vergel.
Houtt. 6. St. bl. 341.

[Seite 349]

Deeze voorheen in de Apotheeken tot genees-
kundig gebruik gehouden wordende Adder is bruin-
achtig van kleur, en in de warmere deelen der oude
Wereld, gelijk ook reeds in Duitschland en Zwit-
serland t' huis. Haare beet veroorzaakt wel eene
hevige ontsteeking enz., doch is zelden doodelijk.
Ook wordt zij zonder schade te doen door de
Roofvogelen gegeeten. Het is dezelve soort, met
welke voorheen redi en onlangs fontana zoo
veele merkwaardige proeven gedaan hebben.

4. C. Natrix. De Ringslang. Couleuvre à Col-
lier.
Die Natter/ die Schnacke/ der Unk.

Kent. 170. Buikschilden; 60. staart-schubben.

J. D. Meyer. l. c. vol. I. Tab. 89. sqq. Vergel.
Houtt. 6. St. Pl. 55. fig. 3. bl. 375.

Staalkleurig met witte zijvlakken vooral op beide
de zijden van den hals. Men heeft er zelfs in Euro-
pa gevonden van meer dan tien voeten lang, die
dan ook wel voorheen aanleiding tot de zonderlin-
ge vertelsels van Lindwormen enz. zulleu gegee-
ven hebben. Inl.

5. C. Coccineus. De roode- of carmosin-
Slang. Die carmoisin-Schlange.

Kent. 175. Buikschilden; 35. staartschubben.

Voigt's Magazin 5ten band. 1stes St. Tab. I.

In Florida en Nieuw Spanje. Zij is uitneemend
schoon van kleur, geheel onschadelijk, een vinger
dik en omtrend 2 voeten lang, Langs den rug loo-
[Seite 350] pen in de twintig groote zeer regelmaatige carmosijn-
roode vlekken, die met zwarte randjens omgeven,
en deeze wederom met citroengeele dwarsstreepen van
elkander afgezonderd zijn. De Meisjens in Florida
dragen dit schoone dier tot cieraad als een hals-
band of in het haair gevlogten enz.

6. C. Naja. ♂ De Brilslang. (Cobra de Cabelo).
Die Brillenschlange.

Kent. 193. Buikschilden; 60. staartschubben.

Seba vol. II. Tab. 85, 90. etc. Vergel. Houtt.
6. St. Pl. 55. fig. 4. bl. 387.

In het Oosten. De huid is aan den hals zeer
rekbaar en agter aan den kop, met eene figuur naar
eenen bril gelijkende, getekend. Zij is een der ver-
giftigste dieren van dit geslacht, doch wordt van
den Ichneumon schadeloos gegeeten, en kan ook
ligt en zonder eenig gevaar tot allerlei goochelarijën
afgericht worden.

VIII. ANGUIS. DE SLANG.

Kent. Buik-en staartschubben.

1. A. Fragilis. De Blindslang. L'avoyne,
l'orvert. The Blind worm, the Slow-worm. Die

Blindschleiche/ der Haselwurm/ Hartwurm.

Kent. 135. Buikschubben, en even zo veel aan
den staart.

Laurenti. Tab. 5. fig. 2. Vergel. Houtt.
6. St. bl. 426.

In dompige, vochtige Oorden, oude muuren enz.
Zij breekt ligt aan tweeën, wanneer men ze aan-
[Seite 351] vat, en de stukken bewegen zich dan noch uuren
lang. Men vindt van hun veelerlei en daar onder
fraai getekende verscheidenheden. – Inl.

2. A. Platura. De Platstaart-Slang. ♂

Kent. De staart plat of zamengedrukt en stomp.

Vosmaer's Beschrijv. en Afbeeld. uitgeg. 1774.

In den Indischen Oceaan en de Zuid-Zee.

IX. AMPHISBAENA. DE TWEEKOP.

Kent. Het lijf en de staart geringd.

1. A. Fuliginosa. De zwartbonte Tweekop.
Kent. 200. ringen aan het lijf; 30. aan de staart.

Seba vol. I. Tab. 88. fig. 3 enz. Vergel. Houtt.
6. St. bl. 430.

In Amerika. Zwart en wit gevlekt.

X. CAECILIA. DE BLINDSLANG.

Kent. Het lijf en de staart gerimpeld; aan de
bovenlip twee voelertjens.

1. C. Tentaculata. De gespriete Blindslang.

Kent. 135. rimpels.

Seba vol. II. Tab. 25. fig. 2.

In Amerika. Zij heeft in 't geheel geen schilden
noch schubben, maar rimpelige ringen in de gladde
huid, bijna als een Pier of Regenworm.

xxx

ZEVENDE AFDEELING.
over de visschen.

[Seite 352]

§. XCIX. De Visschen zijn Dieren, die rood
doch koud bloed hebben, die zich door middel van
waare met graaten voorziene vinnen beweegen, en
die door waare en levenslang bijblijvende kieuwen
adem halen.

Aanm. Waare Kieuwen en waar Vinnen zeggen wij,
om dezelve te onderscheiden van de eenigzints daar aan
gelijkende werktuigen die men in de jonge Kikvorschen,
Salamanders enz., aantreft, zie (§. LXXXXV.).

§. C. Deeze Kieuwen (branchiae) dienen den
Visschen bijna in alles tot longen. Zij liggen aan
beiden de zijden agter den kop, meest onder één of
meer halve maans-vormige schubben, die daarom
ook Kieuw-dekzelen (opercula branchialia) genoemd
worden en in de meeste Visschen met de Kieuwen-
huid
(membrana branchiostega) verbonden zijn.
De Kieuwen zelve zijn met ontelbaare zeer fijne
bloedvaaten doorweeven, en op iedere zijde in vier
bladen verdeeld, welke veel naar den baard van eene
schrijfpen gelijken en bij derzelver inplanting of onder-
[Seite 353] ste gedeelte, door even zoo veel boog-vormige
graaten ondersteund worden.

§. CI. Het adem-haalen, dat door de Visschen
even zo weinig lang agter een kan gemist worden
als door andere dieren, die met longen voorzien
zijn, geschiedt bij hun, door de in het water ont-
bondene lucht langs den mond binnen de Kieuwen
te brengen, en als dan door eenen anderen weg, die
der Kieuw-gaaten (aperturae branchiales) naamlijk,
weder uittelaten; gevolgelijk niet, gelijk bij die dieren
die longen hebben en die door één en denzelfden
weg in- en uitademen.

§. CII. Daar den Visschen derhalven geen lon-
gen zijn gegeven, spreekt het van zelfs, dat hun ook
geene waare stem kan toegeschreeven worden, al-
hoewel eenige hunner, zoo als bij voorb, de Knor-
haan (Cottus),
de Weervisch (Cobitis fossilis) enz.
een zeeker geluid maaken kunnen.

§. CIII. Wat den lichaams-bouw der Visschen,
over het algemeen genomen, betreft; deeze is bij
hen ongelijk meer verscheiden, dan wel in beide
de laatst voorige Dier-Classen. Bij de meesten toch
heeft het lijf eenen lijnrechten stand; dat wil zeggen,
het is aan de beide zijden als zaamgedrukt, (corpus
compressum s. cathetoplateum);
bij eenige anderen
integendeel, zoo als bij de Roch (Raja) legt het
horisontaal, dat is, in de breedte als plat neerge-
drukt (corpus depressum s. plagioplateum); bij an-
deren wederom, zoo als in de Aal enz. is het meer
rondachtig; bij nog anderen, gelijk in den Pantzer-
Visch (Ostracion), drie of vierhoekig enz.

Bij allen echter ligt de kop en de romp onmid.
[Seite 354] delijk aan elkanderen, zonder door eenen eigenlijk
genaamden hals van elkanderen afgezonderd te zijn.

§. CIV. De Visschen (zeer weinigen op zijn
hoogst slechts uitgezonderd), zijn met schubben be-
dekt, die eene hun geheel eigene zelfstandigheid heb-
ben, en die in zommige soorten op allerlei wijzen
dikwerf uitmuntend schoon, zo van maakzel als teke-
ning, en met veelerlei kleuren van goud- en zilver-
glans vercierd zijn.

Van buiten worden zij nog daarenboven met een
bijzonder slijm overtogen, dat voor het grootste ge-
deelte schijnt afgescheiden te worden uit kleine
slijm-holen, die bij de meeste Visschen aan de bei-
den zijden van het lijf in de zoogenaamde zij-stree-
pen
liggen.

De meesten der zoogenaamde Kraakbeenige of
Knorbeen-Visschen zijn met schildvormige schubben,
of wel geheel en al met eene harde beenachtige
schaal als beharnast.

§. CV. De beweegings-werktuigen der Visschen,
de vinnen naamlijk, (in welke men onlangs een
merkwaardig herstellings-vermogen heeft waargeno-
men) bestaan uit dunne beenachtige- of kraakbeenige
graaten, die door eene bijzondere huid met elkander
verbonden, aan afzonderlijke beenderen vastgehecht
en door daartoe bestemde spieren bewogen worden.
Naar gelang hunner bepaalde ligging noemt men de
bovenste rugvinnen (pinnae dorsales); die welke
zijdwaards agter de kieuwen liggen, borstvinnen
(pinnae pectorales);
de aan den buik voor de ope-
ning van den aars staande, buik-vinnen (pinnae
ventrales
); die agter deeze opening geplaatst is, den
[Seite 355] sluit-vin, of aars-vin (pinna analis); en eindelijk
die welke aan den staart gevonden wordt den
staart-vin (pinna caudalis). De ze laatste is altoos
rechtstandig, en dient den Visch, als tot een roer,
ter wending enz.: terwijl daarentegen tot het eigen-
lijke voortroeien enz. de Borst-vinnen hun als rie-
men verstrekken.

De zogenaamde vliegende Visschen hebben zeer
lange en stroeve Borst-vinnen, zo dat zij zich daar
meede zelfs boven de oppervlakte des waters ver-
heffen, en bij kleine poosen voortvliegen kunnen.

§. CVI. Een ander hulp-middel ter beweeging
en wel bijzonderlijk tot hun opstijgen en nederzin-
ken in het waater (even als de zogenaamde Carte-
siaansche Duiveltjens), hebben de Visschen in haare
zwem of lucht-blaas, waar meede inzonderheid
die, welke in zoet waater leeven, voorzien zijn,
en die door middel van eene daar aan eigene buis
(ductus pneumaticus) meestal met de maag of slok-
darm gemeenschap heeft.

§. CVII. Ten opzichte van het verblijf der
Visschen, worden dezelve over het algemeen ver-
deeld in zulken, die de Zee, en in anderen, die zoete
wateren bewoonen Eenigen echter kunnen het ook
zomwijlen geduurende eenigen tijd op het droogen
uithouden, gelijk de gewoone Aalen, de Meer-Aalen
en a. zommige zelfs eenigermaate in warme mineraal-
bronnen(*).

[Seite 356]

§. CVIII. De meeste Visschen, inzonderheid
die in Zee leeven, zijn nacht-dieren (animalia noc-
turna)
, zulke naamlijk die des nachts haare bezig-
heden verrichten, en bij dag daarentegen zich meer
in de diepte stil houden; 't is ook daar van daan, dat
de van Visch-levende Eilanders en Kust-bewoonders,
het allermeest des nachts ter visch-vangst uitgaan.

§. CIX. Veele zoorten van Visschen veranderen
op vaste tijden des jaars van verblijf. Zo stijgen
bij voorb. zommige Zee-Visschen bij zekere vaste
tijden des jaars tot aan de monden en bochten der
Rivieren op, ter schieting van hun zaad; terwijl
verscheide anderen gelijk bij voorb, de Haaringen,
in den Noordelijken Atlantischen Oceaan, ook nog
buiten dien, op bestemde jaars-tijden en in onmeet-
baare schoolen, verdere tochten doen, tusschen de
kusten van het Westelijke Europa en die van het
Noord-Oostelijk Amerika(*).

§. CX. Voor het grootste gedeelte behooren
de Visschen tot de vleesch-eetende Dieren, en zijn,
schoon zij geene eigenlijke pooten hebben, om haa-
ren buit daar meede te varten, nochtans met ver-
scheide andere middelen om zich daar van mees-
ter te maaken voorzien. Zommige naamlijk heb-
ben aan den mond lange baard-draden (cirri) om
daar meede als door een lokaas, andere kleine
waater-diertjens te lokken en als 't ware daar
meede te hengelen, gelijk zulks plaats heeft in den
[Seite 357] Sterren-kijker (Uranoscopus scaber), de Kikvorsch-
visch
(Lophius piscatorius) enz. Anderen, gelijk
de Chaetodon rostratus, zijn met eene spuit-buis
voorzien om daar meede de over het waater-zwee-
vende Insecten schier als neer te schieten.

Noch anderen zijn, gelijk zulks onder de Zee-
Visschen bij het Dril-Rochjen, bij den Tetrodon
electricus,
en bij den Trichiurus indicus; als meede
bij de beide Rivier-Visschen, den Boef- of Dril-
Aal
en den Dril-Wels plaats heeft, met eene bijzon-
dere schokkende en verdoovende kragt voorzien.

§. CXI. Wat de uiterlijke zinnen der Visschen
aangaat, zo moet het reuk-vermogen bij veelen
ongemeen scherp zijn, doordien zij het verborgen aas
op eenen verren afstand kunnen gewaar worden.

Omtrend hun gehoor is men thans tamelijk zee-
ker, daar men weet, dat zij niet alleen ook dit
zintuig, en dat wel tot eenen uitstekenden graad van
scherpte, maar ook zelfs hier toe dergelijke werktui-
gen bezitten, als er in het binnenste van het oor, bij
andere roodbloedige dieren gevonden worden(*).

De meest aanmerkelijke bijzonderheden echter
vertonen zich bij de Visschen in het maakzel van
het oog(†), het geen bij voorb. geheel versto-
ken is van den zogenaamden straal-band (corpus
ciliare
) enz.

[Seite 358]

§. CXII. Wat de natuur drift en andere ziels-
vermogens
der Visschen aangaat, hieromtrend laat
zich voor als nog uit mangel aan goede waarnee-
mingen weinig zeggen. Intusschen weet men ech-
ter, dat veele gelijk bij voorb de Forellen bijzon-
der tam worden(*); anderen zoo als b. v. de oude
Karpers zeer loos, en doortrapt zijn enz.

§. CXIII. Omtrend haaren slaap geld meestal
dezelfde aanmerking, die wij (§. XCI.) betref-
fende de Amphibiën gemaakt hebben, naamlijk, dat
alle Visschen waarschijnlijk aan eenen Winter slaap
onderworpen zijn, en maar zeer weinige hunner da-
gelijksch eenen bestemden, geregelden verkwikking-
slaap houden: gelijk zulks bij voorb van den Goud-
Bratem of zogenaamden Goud-Visch verhaald wordt.

§. CXIV. Uitgenomen de weinige levend ba-
rende Visschen, tot welken de Aal, en zogenaamde
Moeder-Aal behoren, paaren misschien slechts wei-
nige Visschen met elkanderen; schietende bij de
meesten het wijfjen haare kuit nog onbevrucht uit,
waar naa het mannetjen daar op afkoomt, om de-
z
elve met zijne hom te besproeien.

Men heeft uit deeze inrichting geleerd voor de
land huishoud-kunde een wezenlijk nut te trek-
ken, doordien men waargenomen heeft, dat ook
door eene kunstige vermenging van de kuit en hom
der Forellen enz. jonge Visschen kunnen voortge-
teeld worden(†).

[Seite 359]

Aanm. Tot de verdere merkwaardigheden, de voort-
teeling der Visschen betreffende, behoord ook nog, dat
men meend onder dezelve enkele doch echter wezen-
lijke Man-wijven en ook daarentegen geheel geslacht-
looze(*) misgeboortens te hebben gevonden.

§. CXV. De vermenigvuldiging der meeste Vis-
schen is verbaazend groot, zoo zelfs dat, niettegen-
staande de eitjens der meesten naar gelang hunner lig-
chaams-groote ongelijk kleiner zijn, dan die van
eenige andere Dier-Classen, bij veelen echter de
eier-stokken grooter zijn dan het geheele overige lig-
chaam. Hier van is het ook, dat men bij voorb.
in den Haring tusschen 20 en 37,000, in den Karper
over de 200,000, bij den Zeelt 383,000, en bij
den Griet ruim een millioen eitjens telt(†).

§. CXVI. Zommige jonge Visschen hebben, zo
dra zij uit het eitjen kruipen, nog niet hunne
volkomene vorm; maar moeten, even gelijk veele
Amphibiën (§. XCIV.) vooraf eene zekere ge-
daantens-verwisseling
ondergaan, waardoor eerst
langzamerhand hunne vinnen en andere dergelijke
uitwendige deelen, het een naa het ander, volvormd
worden.

§. CXVII. In evenredigheid hunner lichaams-
groote worden de Visschen zeer oud. Zo weet
men, dat Karpets, Snoeken enz. tot honderd en
vijftig jaaren bereiken kunnen. Eenige kleine Vis-
[Seite 360] schen echter, gelijk bij voorb. de Stekelbaars en
anderen worden slechts weinig jaaren oud.

§. CXVIII. De nuttigheid der Visschen voor den
mensch is vrij eenvoudig, dienende zij meestal tot
spijze; dan, ook juist van dien kant deeze nuttigheid
beschouwende, is dezelve voor een groot deel van
het menschdom, hetwelk zomtijds bijna geheel en
al van deeze Dieren leeft, van het uiterst aanbelang.
Zelfs wilde volkeren, zo als bij voorb. de bewoon-
ders van Kamtschatska van Brasilien enz., kennen
de kunst om Visschen op de meest verschillende
wijzen, ja zelfs tot een soort van meel, tot koe-
ken enz. toe te bereiden: ook bij veelen hunner zo
als bij voorb. onder de Eilanders van den stillen
Oceaan, is de Visch-vangst baate hoofd-bezigheid,
en ten opzichte der ongemeen vindingrijke en tot
het oogmerk zo juist voldoende gereedschappen,
die zij zich daartoe hebben uitgedacht, maakt de
visch-vangst waarlijk een zoort van studie of we-
tenschap uit, die zeer veel overleg en nadenken te
kennen geeft. Dan behalven dit alles, is ook voor
een groot gedeelte der meer beschaafde volkeren de
vangst van eenige bijzondere zoorten van Visschen,
zo als bij voorb. der Haringen, Cabellauwen, Tho-
nijnen en dergelijken meer, een ten uiterst belang-
rijk onderwerp. De Traan van Haaijen, Harin-
gen, Kabellauwen e. a. wordt zeer veel in lampen
gebrand. – De oostelijkste kust-bewooners des
midden-deels van Arabien kleeden zich in ge-
touwde zalmhuiden: terwijl veele deelen van zom-
mige Visschen ook tot kunst-gebruiken en kunst-
werken
gebezigd worden; zoo dienen bij voorb de
[Seite 361] schubben van den Bleij of Witvisch tot het maaken
van glas-paarlen; de huid der Roggen en Haaijen
tot schuuren en glad maaken; de Huizenblasen tot
Visch-lijm enz.

§. CXIX. De meeste schaden doen de Roof-
visschen in de groote Zeeën, vooral de Haaijen,
en in de zoete wateren de Snoeken. – Ook zijn
zommige Visschen, ten minsten in zeekere stree-
ken, giftig, zoo dat hun gebruik tot spijze dood-
lijk worden kan, gelijk dit vooral in eenige zoor-
ten van den Tetrodon is waargenomen.

§. CXX. De leerstellige Rangschikking der
Visschen schijnt nog veelerlei verbeteringen nodig
te hebben. Intusschen kan men dezelve, over het
geheel genomen, zeer gevoeglijk in twee Hoofdver-
deelingen brengen: als zijnde naamlijk.

A. Kraakbeenige Visschen (Pisces car-
tilaginei
), die geene waare graaten hebben: of

B. Graat-visschen (Pisces spinosi), welke
de eigenlijk zoogenaamde of met graaten voorzie-
ne Visschen uitmaken.

De eerste of Kraakbeenige Visschen verdeelt men
in de twee volgende Orden, welke de Heer de
la cepede
naar het aanwezen of gemis van het
kieuwen-dekzel bestemd, en dien volgens de daar
onder behoorende Geslachten verdeelt: naamlijk in

I. Chondropterygii. Kraakbeen-vinnige
Visschen
, zonder Kieuw-dekzel.

[Seite 362]

II. Branchiostegi. Visschen met Kieuw-
dekzels.

De eigenlijk zoogenaamde Visschen echter heeft
linneus volgens het maakzel en den stand of
ligging der Buik-vinnen gerangschikt. Hij noemt
derhalven.

III. Apodes. Ongevinde Visschen, zulken die
in 't geheel geen Buik-vinnen hebben.

IV. Iugulares. Hals-vin-Visschen, zulke
bij wien de Buik-vinnen voor de Borst-vinnen
geplaatst zijn:

V. Thoracici. Borst-vin-Visschen. Zo-
daanige bij welken de Buik-vinnen juist onder de
Borst-vinnen gevonden worden.

VI. Abdominales. Buik-vin-Visschen. Zul-
ke naamlijk, welker Buik-vinnen agter de Borst-
vinnen liggen.

* * *

Hoofdwerken over de Natuur-geschiedenis
der Visschen handelende.

  1. Guil. Rondelet, De piscibus, Lugd. 1554. P. II.
    1554 fol. (het beste boek in dit vak, onder de
    oudere Schrijvers).
  2. Conr. Gesner, de Piscium et aquatilium animan-
    tium Natura, fig,
    1558. fol.
  3. Steph. a Schonevelde, Ichthyologia etc., Ham-
    burg 1624. 4to.
  4. F. Willughbeii, Historia Piscium ex edit. raii,
    Oxon. 1686. fol.
  5. Io. Raii, Synopsis Methodica Piscium, Lond. 1713. 80.
  6. Petr. Artedi, Ichthyologia, ex edit. c. linnæi,
    Lugd. Bat. 1738. 80. (een Classicq Boek).
  7. Laur. Th. Gronovii, Zoophylacium Gronovianum,
    Lugd. Bat. 1781. Pl. 1-3. fol.
  8. Ant. Gouan, Historia Piscium, Argent. 1770. 4to.
    cnm. fig. (Latijn en Fransch.)
  9. Du Hamel & de Marre, Histoire des Poissons,
    (traité des pêches etc.), Paris 1770. et seqq. 3 vol.
    fol.
  10. M. E. Bloch, Oeconomische Naturgeschichte der Fis-
    che Deutschlands
    / Berlin 1782. III. B. 4to.
  11. (een zo om deszelfs volkomenheid als voortreffelijke,
    naar de voorwerpen zelve gecouleurde afbeeldingen,
    en uitmuntende aanmerkingen voortreffelijk werk;
    het meest volleedige, dat tot heden over de Visschen
    geschreven is).
  12. Deszelfs N. G. ausländischer Fische/ ibid. zeedert. 1785.
  13. in IX. Deelen in 4to. Van beide deeze laatste
    hoofd-werken is niet alleen een Fransche text door
    den Schrijver zelve verzorgd; maar er is onlangs ook
    eene geheele nieuwe Fransche uitgave te Parijs in
    10 deelen in 120 met gekoleurde afbeeldingen in 't
    't licht verscheenen.
  14. La Cepède. Histoire Naturelle des Poissons, Par. zee-
    dert 1798. 4°.
  15. Al. Monro, Vergleichung des Baues und der Phy-
    siologie der Fische mit dem Bau der menschen und der
    überigen Thieren. – Mit vielen Zusätzen von
    p. cam-
    per
    und i. g. schneider, Leipz, 1787. 4°.
xxx

I. Orde. CHONDROPTERYGII.
Kraakbeenvinnige Visschen
.

[Seite 365]

De Kraakbeenachtige Visschen deezer orde
hebben geen Kieuw-dekzel, en bij de meesten
wordt ook de Bek of Muil aan de onderzijden van
den Kop gevonden.

I. PETROMYZON. DE LAMPREY,
PRIK, NEGEN-OOG.

Kent. Aan iedere zijde van den hals 7 lucht-ga-
ten: een buis in den kruin van den kop; noch borst-
noch buik-vinnen.

1. P. Marinus. De Zee-Prik. La Lamproye.
The Lampey.
Die Lamprete.

Kent. De bek van binnen met tepelvormige knob-
behjens bezet: de agterste rug-vin is van den staart
afgezonderd.

Bloch Tab. 77. Vergel. Houtt. 6. St. bl. 441.

In de Noordsche, Middellandsche en andere Zeeën;
Zij stijgen echter wel 8. en meer mijlen de Rivie-
ren op, en worden omtrend 3 voeten lang. Inl.

[Seite 366]

2. P. Fluviatilis. De Rivier Prik. Le
Lampreyon, Lamprillon. The Lesser Lamprey.
Die
Pricke/ Neunauge.

Kent. De agterste rug-vin-hoekig.

In groote Rivieren; slechts half zoo groot als de
voorige zoort. Inl.

II. GASTROBRANCHUS. DE BUIK-
KIEUWER. Bauchkieme.

Kent. Twee hieuw-lucht-gaten aan den buik; een
buis binnen den bek: noch borst- noch buik-vinnen.

Dit raadzelachtig Visch geslacht wierd voorheen
onder den naam van Myxine of Slijmvisch-Worm
tot de Wormen gebracht.

1. G. Coecus. De blinde Buikkieuwer. Der
Blindfisch/ Schleimaal
. (Myxine glutinosa linn.)

Bloch Tab. 413. Verg. houtt. 14. St. p. 127.

Aan de Kusten van den Noordelijken Atlanti-
schen Oceaan. Men zegt dat zij in het geheel geen
oogen hebben! Inl.

III. RAIA. DE ROCH. La Raie. The
Ray.
Die Roche.

Kent. Vijf lucht-gaten onder aan den hals; het
lijf neergedrukt plat: de bek onder den kop.

Een zonderling gevormd en zelfs in zommigen op-
zichten wonderlijk bewerktuigd Dier geslacht. Ver-
scheide soorten heeft men voormaals door allerhan-
[Seite 367] de kunstenarijen tot zoo gewaande Basilisken enz.
vervormd en gedroogd. Zommige schijnen ook bij
eenige gelijkenis, die het onderste gedeelte van hun-
nen kop met een menschen aangezicht heeft, tot
het sprookjen omtrend het bestaan van Sirenen iets
te hebben toegebragt(*).

Niettegenstaande zij maar een enkel Elteffens leg-
gen, zo teelen zij echter zoo sterk voort, dat de Zee,
in verscheidene streeken daar van als weemelt. De
eieren zelve hebben een hoornachtigen schaal of schil
die met vier punten of spitzen voorzien is, en wor-
den in de wandeling Zee-Muizen genaamd.

1. R. Torpedo. De Trilroch, de Kramp-visch.
La Torpille. The Crampfish. Der Zitterroche/ Kramp-
fisch.

Kent. Het lijf overal glad; op den rug 5 rondach-
tige vlekken.

Philos. Transact. vol. LXIII. Tab. 19. seqq. Natuurk.
Verhandel.
III. Deel. Pl. 11. bl. 316. en V. Deel.
bl.
372. Vergel. houtt. 6. St. Pl. 56. fig. 1.
bl. 455. en volg.

Vooral in de Middellandsche Zee. De meest be-
kende van die Visschen, welke eene Elektrike
kracht bezitten (§. CX.). Met dit al wordt hij in
zommige orden gegeeten.

2. R. Batis. De Vleet. La Raielisse. The Skate,
the Flair.
Der Glattroche/ Baumroche/ Flete/ Tepel.

[Seite 368]

Kent. Bont van kleur: de rug in 't midden glad:
de staart met ééne rij van stekels gewapend.

Bloch Tab. 79. Verg. houtt. 6. St. bl. 462.

In de Europische Zeeën. Hij wordt omtrend
200 ponden zwaar. Zijn vleesch is bij uitstek sma-
kelijk. lnl.

3. Pastinaca. De Pijlstaart-Roch. La
Pastenaque, la Tareronde, Raie bajonette. The
Sting-Ray.
Der Stachelroche/ Pfeilschwanz.

Kent. Het lijf glad; aan de staart een lange ste-
stel, die voorwaards op de zijden als een zaag getand
is: de rug ongevind.

Bloch Tab. 82. & Baster. Natuurk. uitsp II. D.
Tab.
B. fig. 5-10. Verg. houtt. 6. St. bl. 476.

In veele der groote Zeeën. Zijn staart-angel is
wel niet giftig; maar dient aan het Dier zelve tot een
wapen, waartoe ook zommige wilde volkeren den-
zelven gebruiken.

IV. SQUALUS. DE HAAIJ. Le Chien de
Mer. The Shark.

Kent. Vijf lucht-gaten aan de zijden van den
hals; het lijf langwerpig en een weinig spilrond; de
bek voor aan den kop.

1. Acanthias. De Doorn-Haaij. L'Aguil-
lat. The Picked Dogfish.
Der Dornhay.

Kent. Geen aars-vin; doornachtige rug-vinnen;
het lijf eenigzints spilrond.

Bloch Tab. 85. Vergel. Houtt. 6. St. bl. 486.

[Seite 369]

In de Europische Zeeën. Hij heeft drie reiën
tanden in iedere kaak. Inl.

2. S. Zycæna. De Kruis-Haaij, de Balans-
Visch. Le Marteau, le Pantouflier. The Balance
fish.
Der Hammerfisch/ Jochfisch.

Kent. De kop is zeer breed, ligt dwars en heeft
de gedaante van een haamer.

Bloch Tab. 117. Willougby. Icht. 55. Tab.
B. fig. 1. Vergel. Houtt. 6. St. bl. 495.

In de meeste groote Zeeën.

3. S. Carcharias. (Lamia, tiburo). De
Jonas-Haai, de Honds-Haai. Le Requin. The
white Shark.

Kent. De rug plat; de tanden zaagswijze inge-
sneden.

Bloch Tab. 119. Will. Icht. Tab. B. fig. 7. p.
47. Houtt. 6 St. bl. 514.

Vooral menigvuldig in den Atlantischen Oceaan.
Hij is zomwijlen omstreeks 10,000. ponden zwaar,
en in zijn maag heeft men wel eer geheele Paarden
gevonden. In zijne kaaken heeft hij zes reiën tan-
den, die (gelijk over het algemeen bij de meeste
Haaien) niet in de kaaken vast staan, maar als door
een soort van gewricht met dezelve verbonden zijn. De
voorste rei deezer tanden vormt het eigenlijke ge-
bit: de agterste liggen (ten minsten wanneer het
dier nog jong is) rugwaards gekeerd, en als ter
[Seite 370] voorraad, ten einde het toevallig verlies van die
der voorste reien daar door herhaalde rijzen zoude
kunnen vergoed worden.

4. S. Pristis. De Zaag-Visch, Zwaard-visch.
La Scie de Mer. The Saw-fish. Der Sägefisch/
Schwertfisch
.

Bloch Tab. 120. Vergel. Houtt. 6. St. bl. 521.

Onder anderen in den noordelijken Atlantischen
Oceaan. Het breede, zwaardvormige en dikwijls
verscheidene ellen lange verweerings-werktuig, dat
dit dier voor aan den kop heeft, is op den rand
van beide de zijden met 24 of meerder zwaare,
vaststaande tanden bezet.

V. LOPHIUS. DE ZEE-DUIVEL.
Le Diable de Mer. The Sea-Devil. Seeteufel.

Kent. De Borst-vinnen zijn op de zoogenaamde
armen of vleesige uitsteekels van deezen Visch vast:
agter iedere arm één enkel lucht-gat.

1. L. Piscatorius. (Rana piscatrix). De
Hoozen-bek. La Grenouille pecheuse. The Frog-
fish.
Der Froschfisch.

Kent. Het lijf plat: de kop rondachtig.

Bloch Tab. 87. Vergel. Houtt. 6. St. Pl. 56.
fig. 3. bl. 530.

Aan de Europische Kusten. De geweldig groote
kop, die de grootste helft van het gantsche Dier
uitmaakt, benevens de vleesige veezels of zogenaam-
[Seite 371] de hengel-draaden, die hij aan den muil heeft
(§. CX.), geven hem een verwonderlijk voorko-
men. Inl.

VI. BALISTES. DE HOORN-VISCH.

Kent. De kop zijdelings plat of zamengedrukt,
een opening boven de borst-vinnen: het lijf zamenge-
drukt: de schubben door een leederachtige huid met
elkanderen vereenigd: de buik scherp of gekield.

1. B. Tomentosus. De ruige of wollige
Hoorn-Visch. The little old Wife.

Kent. Op den kop een tweestraalige vin: het lijf
van agteren eenigermaate ruig.

Bloch Tab. 148. fig. 1. Vergel. Houtt. 8. St.
Pl. 68. fig. 1. bl. 454.

In beiden de Indien.

VII. CHIMAERA. DE ZEE-DRAAK.

Kent. Enkele lucht-gaten, die in vieren verdeeld
zijn, onder den hals; de bovenlip van den bek in
vijven verdeeld: in beide de kaaken twee voor-snij-
tanden.

1. C. Monstrosa. De Gedrochtelijke Zee-
Draak, de Pijl-Draak.

Kent. De bek van onderen met doorboorde plooijen.

Bloch Tab. 124. Willougby Icht. B. 9. fig. 9.
p. 57. Vergel. houtt 6. St. bl. 525.

In den Noordelijken Atlantischen Oceaan.

II. Orde. BRANCHIOSTEGI.
de met kieuw-dekzels voorziene
kraakbeen-visschen
.

[Seite 372]

VIII. ACIPENSER. DE STEUR.

Kent. Zijdelingsche, enkele, gestreepte lucht-ga-
ten: de bek, die onder den kop ligt, kan agterwaards
getrokken worden en is ongetand: onder den snuit vier
baard-draadjens, die voor den bek liggen.

1. A. Sturio. De Steur. l'Esturgeon. The
Sturgeon.
Der Stör.

Kent. Op den rug 11 schubben.

Bloch Tab. 88. Vergel. Houtt. 6. St. bl. 541.

In alle Europische Zeeën, ook in de Kaspische
enz., in de Wolga, in den Nijl enz. Deeze zo
wel als de overige zoorten van dit geslacht levert
voor veele volkeren, zo wel om deszelfs vleesch, als
om de Kaviaard, die uit de kuit bereid wordt, een
belangrijke visserij op, en kan omstreeks 1000 pon-
den zwaar worden. Dikwils trekken eene meenigte
hunner in smalle doch lange schoolen agter elkande-
ren, hetwelk misschien tot het fabelachtige sprook-
jen van geweldig groote Noordsche Zee-slangen
wel gelegenheid kan gegeven hebben. Inl.

[Seite 373]

2. A. Ruthenus. De Russische Steur. Der
Sterlet
.

Kent. Op den rug 15 schubben.

Bloch Tab. 89. Vergel. Houtt. 6. St. bl. 548.

Deeze uitneemend smakelijke Visch houdt zich
het meest op in de Kaspische Zee en in de rivier de
Wolga, doch wordt zelden meer dan 30 ponden
zwaar.

3. A. Huso. De Lijm-Visch, de Huizenblas-
Visch. Der Hausen/ Beluga.

Kent. Op den rug 13, op den staart 43 schubben.

Bloch Tab. 129. Vergel. Houtt. 6. St. bl. 553.

Hij heeft met den voorigen een en hetzelfde Va-
derland; en is voornaamlijk beroemd wegens den
Visch-lijm of Huizenblas, die men inzonderheid uit
deszelfs zwem-blaas bereidt, doch die ook, en uit
den gewoonen Steur en uit nog een ander zoort
van dit geslacht, naamlijk den gestarden Steur (Aci-
penser stellatus
), welke ook de beste Kaviaard ople-
vert, ja zelfs uit de zwemblaas van den Walvisch
getrokken wordt.

IX. OSTRACION. DE BEEN-VISCH.
Poisson coffre. Panzerfisch.

Kent. Het lijf met een geheel beenig bekleedsel
geharnast: geen Buik-vinnen.

1. O. Triqueter. De Strijkijzer-Visch, of
Driekantige Been-Visch.

Kent. Driekantig, ongewapend.

[Seite 374]

Bloch Tab. 130. Seba Thes. vol. III. Tab. 24.
fig. 6. & 12. Vergel. houtt. 8. St. bl. 468.

Deeze gelijk ook de volgende behoort in O. In-
dien t'huis.

2. O. Cornutus. De gehoornde Been-Visch,
het Zee-Katje, de Koffer-Visch.

Kent. Vierkantig; twee doornen op het voorhoofd
en twee dergelijke onder aan het lijf bij den staart.

Bloch Tab. 133 Vergel. houtt. 8. St. bl. 473.

Een ongemeen fraai klein dier, welks harnas ten
uiterste regelmatig, meest al metzes-hoeken, even
als de Cellen van eene Honig-graat, beschilderd is,
en in O. Indien t' huis behoort.

X. TETRODON. DE STEEKEL-BUIK.

Kent. Het lijf van onderen met stekelige punten
bezet: geen Buik-vinnen.

1. T. Lagocephalus. De Opblazer. Le
Poisson souffleur.

Kent. De buik van onderen met steekels of door-
nen bezet: het lijf glad; de schouders vooruitstekende.

Bloch Tab. 140. Seba. vol. III. Tab. 23. fig. 5.
Verg. houtt. 8. St. Pl. 69. fig. 2. bl. 480.

In het bijzonder zeer menigvuldig te Senegal.
Die, welke men aldaar boven in de Rivier land-
waards in vangt, leveren een zeer goed en gezond
voedsel op; die daarentegen, welke zich nabij de Zee
in den mond der Rivier ophouden, zijn zeer ver-
giftig.

[Seite 375]

2. T. Electricus. De Electrieke Stekel-buik.

Kent. Het lijf gevlekt: de vinnen groen.

Philos. Transact. vol. LXXVI. P. 2. Tab. 13.

Een der vijf tot heeden toe bekende Elektrieke
Visschen (§. CX.). In Oost-Indien aan het St.
Johanna's-Eiland.

3. T. Hispidus. (Orbis). De Kogel- of
Kloot-Visch, de Borstelige Stekel-buik. The
Moon-fish.
Der Kugelfisch.

Kent. Geheel ruig door borstelige teepeltjens.

Bloch Tab. 142. Vergel. Houtt. 8. St. bl. 488.

In de Roode Zee enz. Doch ook in de zoete
wateren der daar aan grensende landen.

4. T. Mola. De Klomp- of Molen-steen-Visch.
La Lune de Mer. The Sun-fish. Der Klumpfisch.

Kent. Het lijf glad en zamengedrukt: de staart
geknot: de rug-vin zeer kort en aan de aars-vin
vastgehecht.

Hamburg Magaz. 18. B. Tab. 1. Domsma
Beschrijving, ontleeding en afbeeld. van den Zon-
ne-Visch in de Haarl. Maatsch XII. D. bl. 413.
Vergel. Houtt. 8. St. Pl. 68. fig. 6. en 7. bl. 490.

Veel in de Middellandsche en Atlantische Zeeën.
Hij weegt zomwijlen omtrend 500 ponden. Zijnen
Hoog- en Neder-duitschen naam heeft hij van zijne
ongeregelde gedaante, en den Franschen zoo wel
als den Engelschen van den sterken Phosphorieken
glans bekomen, waarmeede de zijden en het onder-
[Seite 376] lijf van deezen Visch, wanneer hij leeft, glins-
teren.

XI. DIODON. DE EGEL-VISCH.
PENNE-VISCH.

Kent. Het lijf overal met scherpe, beweegbaare
steckels bezet: geen buik-vinnen.

1. D. Hystrix. De Lange Egel- of Penne-
Visch. The Porcupine-fish. Der Stachelfisch/ Guara.

Kent. Langwerpig: spilronde steekels.

Bloch Tab. 126. Vergel. Houtt. 8. St. Pl. 70.
fig. 3. bl. 502.

Voornaamlijk in den Atlantischen Oceaan; ook
wel op de Kusten van Noord-Amerika.

XII. CYCLOPTERUS. DE SNOTTOLF.

Kent. De kop stomp: de Buik-vinnen kringswijze
zamengegroeid.

1. C. Lumpus. De Lump. Le Lievre de Mer.
The Lump-Sucker.
Der See-Hase/ Klebpfost/ Hafpadde.

Kent. Het lijf hoekig, met beenachtige schubben
bedekt.

Bloch Tab. 90. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 249.

In de Noordelijke Zeeën der oude Wereld. Met
zijn geribd, vlak borst-schild hecht hij zich zeer
vast aan Klippen, Scheepen enz.

XIII. CENTRISCUS. DE SCHILD-
OF MES-VISCH.

[Seite 377]

Kent. De kop in een' zeer naauwen snuit uitlo-
pende: de buik gekield: de Buik-vinnen aan één
gegroeid.

1. C. Scolopax. De Schild-Snep-Visch. Die
Meer-Schnepse.

Kent. De oppervlakte van het lijf geschubd, en
ruuw of omffen: de staart regt uitsteekende.

Bloch. Tab. 123. fig. 1. Verg. Houtt. 8. St. bl. 463.

In de Middellandsche Zee enz.

XIV. SYNGNATHUS. DE NAALD-
VISCH.

Kent. De snuit rolrondachtig, de mond door een
klepjen, dat aan de zeer beweegbaare onderkaak vast
is, geslooten: het lijf met geledingen: geen Buik-
vinnen.

1. S. Acus. De zevenkantige Naald-Visch.
The Pipe. Die Meer-Nadel/ Sack-Nadel.

Kent. De aars-staart- en borst-vinnen ge-
straald: het lijf zevenhoekig.

Bloch Tab. 91. fig. 2. Verg. Houtt. 8. St. bl. 511.

In de Noord- en Oost-Zee enz. Inl.

2. S. Hippocampus. Het Zee Paardje. Le
Cheval Marin. The Sea horse.
Das See-Pferdchen/
die See-Raupe
.

Kent. De vierhoekige staart zonder vin: het lijf
zevenhoekig en geknobbeld.

Bloch Tab. 116. fig. 3. Vergel. Houtt. 8. St.
Pl.
70. fig. 6. bl. 517.

[Seite 378]

In de Middelandsche en andere Zeeën. Zijne be-
naamingen is hij verschuldigd aan de gelijkenis, die
men tusschen het voorste deel van dit diertje met
den kop en hals van een Paard, en tusschen deszelfs
achtereind met dat van eene Rups meent te vin-
den. Wanneer dit dier sterft, kromt het zich als
eene S, en gelijkt als dan naar den Springer of het
Paard in het Schaak-spel.

XV. PEGASUS. HET ZEE-DRAAK-
JEN, HET ZEE-PAARDJEN.

Kent. De mond aan het einde van den snuit, die
door het dier terug kan getrokken worden: de snuit
zelve loopt als een degen, lijnregt uit: het lijf met
beenachtige insnijdingen geleed en geharnast: de
buik-vinnen staan agter der kieuw-openingen.

1. P. Draconis. Het Zee-Draakjen. Der See-
drachte
.

Kent. De snuit kegelachtig.

Bloch Tab. 109. fig. 1. & 2. Vergel. Houtt. 8.
St. Pl. 70. fig. 7. bl. 522.

In Oost-Indien. Zijne groote, breede borst-
vinnen gelijken veel naar uitgespanne vleugels, en
hebben misschien wel tot zijne benaaming gelegen-
heid gegeeven.

xxx

III. Orde. APODES. Visschen
zonder borst-vinnen
.

[Seite 379]

Deeze en de drie volgende orden bevatten nu
de met graten voorziene of eigenlijk genaamde Vis-
schen; en wel in de eerste plaats die welke in het
geheel geen borst-vinnen hebben.

XVI. MURÆNA. DE AAL.

Kent. De kop glad: de neus-gaten pijpachtig:
10 straalen in de kieuwen-huid: het lijf eenig-
zints spilrond en glad: de staart-vin vereenigd met
de rug- en aars-vin: de lucht-gaten agter den kop
of borst-vinnen.

1. M. Helena. De Moeraal. La Murene. Die
Muräne
.

Kent. Geen Borst-vinnen.

Bloch Tab. 153. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 83.

Een zeer verslindende Roofvisch, in de warmere
Zeeën der beide wereld-deelen.

2. M. Anguilla. De Paaling. l'Anguille.
The-Eel.
Der Aal.

Kent. De onderkaak langer dan de bovenste: het
lijf eenkleurig.

[Seite 380]

Bloch Tab. 73. Vergel. Houtt. 7 St. bl. 91.

In de Rivieren der beide werelden. Zij begeeven
zich zomtijds op het land, op de weiden, in het
koorn enz. De Aal is zeer taai van leeven en zijn
uit het lichaam gesneeden hart behoudt nog wel 40
uuren daar naa deszelfs prikkelbaarheid. Volgens de
naauwkeurigste waarneemingen baaren zij wel zeeker
levende jongen. Inl.

XVII. GYMNOTUS. DE BLOOTRUG.

Kent. Aan den kop 2 zijdelingsche kieuw-dek-
zels: aan de bovenlip
2 voekertjes: 5 straalen in de
kieuwen-huid: het lijf zamengedrukt, van onderen
gekield door een Vin.

1. G. Electricus. De Beef-Aal, Tril-Aal,
Conger-Aal. l'Anguille Electrique. Der Zitteraal/
Zitterfisch/ Drillfisch.

Kent. Het lijf bloor: op den rug geen vin: de staart-
vin zeer stomp en aan de aars-vin vastgehecht.

Bloch Tab. 156. Uitgez, Verhand. III. D. Pl. 26.
fig. 8 bl. 464. Verg. Natuurk. Verh. III. D.
bl.
328. en Verhand. der Haarl. Maatsch. II. D.
bl.
372., VI. D. 2. St. in de Berichten bl. 87. en
XVII. D. 4. St. bl. 201. Houtt. 7. St. bl. 111.

Inzonderheid omstreeks Surinaamen en Caijenne,
waar van berkel(*) hem het eerst heeft bekend
gemaakt. Hij is bijna zoo lang, als een mans hoogte.

[Seite 381]

XVIII. TRICHIURUS. DE SCHERP-
OF DUN-STAART, DE RIEM-VISCH.

Kent. De kop in de langte uitgestrekt met zijde-
lingsche kieuwen-dekzels: Degenvormige tanden, waar
van de punten bijna de gedaante van een' pijl hebben
en de voorste de grootste zijn
: 7 straalen in de kieu-
wen-huid: Het lijf op de zijden zamengedrukt en naar
een deegen gelijkende: De staart elsvormig en ongevind.

1. T. Lepturus. De Dunstaart of scherp-
staartige Riem-visch.

Kent. De onderkaak langer dan de boovenste.

Bloch Tab. 158. Vergel. Houtt. 7. St. Pl. 57.
fig. 3. bl. 121.

In beide de Indien.

2. T. Indicus. De Oost-Indische Scherpstaart.

Kent. De kaaken even lang.

Willougby Append. Tab. 3. fig. 3.

In Oost-Indien. Ook een der Elektrieke Vis-
schen (§. CX.).

XIX. ANARRCHICHAS. DE ZEE-
WOLF-VISCH.

Kent. De kop stompachtig: in iedere kaak zes of
meer kegelvormige, van elkander afwijkende voor tan-
den-de kiesen der onder-kaak en van het ver-
hemelle rondachtig: in de kieuwen-huid
6 straalen:
het lijf eenigzints spilrond: de staart afzonderlijk gevind.

1. A. Lupus. De gewoone Zee-Wolf-Visch.
l'Anarchique. The Ravenous. Der Klippfisch/ Seewolf.

[Seite 382]

Kent. De Borst-vinnen breed en rondachtig.

Bloch Tab. 74. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 124.

Aan de Kusten van het Noordelijke Europa. Inl.

XX. AMMODYTES. DE SMELT.

Kent. De kop zijdelings zamengedrukt: de boven-
lip dubbeld: naaldachtige tanden: in de kieuwen-huid

7 straalen: het lijf spilrondachtig, de staart afzon-
derlijk gevind.

1. A. Tobianus. De Sand-Smelt. l'Anguille
d'arene. The sand launce.
Der Sandfisch/ Sandaal/
Tobiasfisch.

Kent. De onderste kaak langer dan de bovenste.

Bloch Tab. 75. fig 2. Vergel. Houtt. 7. St.
Pl.
58. fig. 6. bl. 129.

Ook in het Noorden van Europa. Inl.

XXI. OPHIDIUM. DE SLANGEN-
VISCH. Der Schlangenfisch.

Kent. De kop bijna naakt: tanden in beide de kaa-
ken, ook in het verhemelte en de keel: in het open-
staande kiewen-vlies
7 straalen: het lijf degenvormig.

1. O. Barbatum. De gebaarde Slangen-Visch.
La Donzelle.

Kent. Aan de onderkaak 4. baard-draaden.

Bloch Tab. 159. fig. 1. Verg. Houtt. 7. St. bl. 242.

In het Zuiden van Europa.

[Seite 383]

XXII. STROMATEUS. DE SPREIJ-
DEK- OF LEER-VISCH.

Kent. De kop zamengedrukt: tanden in de kaa-
ken en het verhemelte: het lijf elrond, breed en glad:
de staart in tweeën gespleeten.

1. S. Paru. De eenkleurige Spreij- of Dek-Visch.

Kent. Eenkleurig.

Bloch Tab. 160. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 139.

Aan de Kusten van Amerika.

XXIII. XIPHIAS. DE ZWAARD-
VISCH.

Kent. De boven-kaak eindigt in een' degenvor-
migen snuit: de bek tandeloos: in het kieuwen-vlies

8 straalen; het lijf spilrondachtig.

1. X. Gladius. De Zwaard- of Hoorn-Visch.
l'Epée de Mer, l'Empereur, l'Espadon. The Sword-
fish, Whale-Killer.
Der Schwertfisch/ Hornfisch.

Kent. De onderste kaak scherp en driehoekig.

Bloch Tab. 76. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 140.

Zo wel in de Noord- als in de Zuid-Zee. Hij
wordt (zijn zwaard meede gerekend) omtrend 18
voeten lang, en weegt omstreeks vijfhonderd ponden.

IV. Orde. IUGULARES.
Hals-vin-visschen
.

[Seite 384]

Zulke Visschen naamlijk, welker Buik-vinnen
voor de Borst-vinnen zitten.

XXIV. CALLIONYMUS. DE SCHEL-
VIS-DUIVEL.

Kent. De bovenlip dubbeld: digt aan elkander lig-
gende oogen: in het kieuwen-vlies
6 straalen; de ope-
ning ter lucht-inâdeming koomt in den nek met ver-
scheide gaaten uit: geslooten kieuwen-dekzels: het
lijf ongeschubd: de Buik-vinnen staan zeer ver van
elkanderen.

1. C. Lyra. De Lier van Harwich. Le Larcet.
The Piper.

Kent. De straalen van de voorste rug-vin zo lang
als het lijf.

Bloch Tab. 161. Vergel. Houtt. I. D. 7. St.
Pl. 58. fig. 5. bl. 247.

In den Atlantischen Oceaan. Inl.

XXV. URANOSCOPUS. DE STER-
REN-KIJKER. Der Himmelseher.

Kent. De kop plat neergedrukt, oneffen en groot
[Seite 385] naar gelang van het lijf: de snuit plat van neus:
de bovenkaak korter dan de onderste: in de kieuwen-
huid
5. straalen: de aars in 't midden van den buik.

1. U. Scaber. De gewoone Sterrenkijker. Le
Boeuf. The Star-gazer.
Der Sternseher.

Kent. Verscheide baard-draaden aan de onderkaak.

Bloch Tab. 163. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 151.

Vooral zeer menigvuldig in de Middellandsche Zee.

XXVI. TRACHINUS. DE PIETER-
MAN.

Kent. De kop enigzints oneffen en zijdelings za-
mengedrukt: in de kieuwen-huid
6. straalen: de aars
digt bij de borst.

1. T. Draco. De gewoone Pieterman. La
Vive. The Wever.
Das Petermännchen. (trachinus).

Bloch Tab. 61. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 156.

In de Middelandsche- en Noord-Zee enz. Inl.

XXVII. GADUS. DE KABBELJAAUW.

Kent. Het lijf glad: in het hieuwen-vlies 7. spil-
ronde straalen: de vinnen met eene algemeene huid
overtrokken: de borst vinnen spits uitloopende.

1. G. Æglefinus. De Schelvisch. The Hadock.
Der Schellfisch.

Kent. Drie rug-vinnen: gebaard: witachtig: de
staart-vin tweekwabbig: de boven-kaak langer dan
de onderste.

Bloch Tab. 62. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 165.

[Seite 386]

Overal in den Noordelijken Europischen Oceaan,
maar voornaamlijk op de Engelsche en Schotsche
Kusten. Inl.

2. G. Callarias. De Dorsch.

Kent. Drie rug-vinnen, gebaard en bont: de
staart onverdeeld; de boven-kaak langer dan de
onderste.

Bloch Tab. 63. Vergel. houtt. 7. St. bl. 167.

Hij heeft dezelfde verblijfplaats als de voorige soort.

3. G. Morrhua. (Asellus) De Kabbeljaauw.
La Morue. The Cod-fish. Der Kabeliauw/ Steinfisch.

Kent. Drie rug-vinnen: gebaard: de staart gelijk
stomp; de eerste graat van de aars-vin doornachtig.

Bloch. Tab. 63. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 183.

Onder deezen gemeenschaplijken naam worden ver-
scheidene aanverwante zoorten van dit geslacht van
Visschen begreepen, die wegens haare ongelooflijke
meenigte en om de meenigvuldige wijze van toe-
bereiding, zo als tot Stok-Visch, Laberdaan en
Klip-Visch, gelijk ook wegens hun lang goed blijven
voor den mensch van het uiterste aanbelang zijn. Zij
bewoonen de Noordelijke deelen zo wel van den
stillen als van den Atlantischen Oceaan, doch wor-
den het meest bij Labrador, Nieuw Foundland; ook
bij Ijsland en op de Noorder-Kusten van Groot-
brittannien gevangen(*).

[Seite 387]

4. G. Merlangus. De Wijting. Le Merlan.
The Whiting.
Der Witling/ Gadde.

Kent. Drie rug-vinnen, ongebaard, wit van
kleur, de boven-kaak langer dan de onderste.

Bloch Tab. 65. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 206.

In de Europische Zeeën. Inl.

5. G. Lota. De Puit-Aal. La Lote. The
Burbot.
Die Quappe/ Drusche/ Aalraupe.

Kent. Twee rug-vinnen: gebaard: de kaaken
even lang.

Bloch Tab. 70. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 217.

Vooral in de Meiren van Zwitzerland. 't Is een
der smakelijkste Visschen van Europa. Inl.

XXVIII. BLENNIUS. DE SLIJM- OF
SNOT. VISCH.

Kent. De kop schuins afhellende stomp en gedekt;
in het hieuwen-vlies
6. straalen: het lijf lancetvor-
wig: de aars-vin van de overige afgezonderd.

1. B. Viviparus. De Mag-Aal, Kwab-Aal,
Pilatusvischje. The Viviparous Blenny. Die Aalmutter.

Kent. Aan den bek twee baard-draadjens of voel-
lertjens.

Bloch Tab 72. Verg. Houtt. 7. St. Pl. 60. fig. 3. bl. 235.

In de Middelandsche Zee, de Noord Zee enz.
Zij werpt levende jongen. Inl.

V. Orde. THORACICI.
Borstvinnige
.

[Seite 388]

Zulke Visschen naamlijk, bij wien de Buik-vinnen
regt onder de Borst-vinnen geplaatst zijn.

XXIX. CEPOLA. DE BAND-VISCH,
RIEM-VISCH, SPITS-STAART.

Kent. De kop rondachtig, zijdelings plat: de bek
platneuzig: de tanden omgebogen en in eenen enkelen
rij staande: in de kieuwen-huid
6. straalen: het lijf
degenvormig, onbedekt: de buik naauwlijks zo lang
als de kop.

1. C. Taenia. De gewoone Band-Visch. Le
Ruban.
Der Bandfisch.

Kent. De staart-vin dun uitloopende: de kop zeer
stomp.

Bloch Tab. 170. Ionston Pissc. Tab. 6. fig. 2.

XXX. ECHENEIS. DE ZUIGER-VISCH.

Kent. De kop plat neergedrukt, van boven plat,
gerand, en over dwars gegroefd: in de kieuwen-huid
10. straalen.

1. Remora. De kleine Zuiger. Le Sucet. The
Sucking fish.
Der Saugefisch.

[Seite 389]

Kent. De staart gevorkt: op de kop 18. streepen.

Bloch Tab. 172. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 258.

Een zonderling Dier, dat zich door middel van het
dwarsgestreepte agtergedeelte van den kop, zo wel
aan Scheepen, als aan het Oever zeer kan vasthou-
den. Hier van daan het oude spreukjen, dat één
enkele Zuiger-Visch, een Schip in vollen vaart zou
kunnen tegenhouden.

XXXI. CORYPHÆNA. DE DORADE.

Kent. De kop stomp-afhellende: in het kieuwen-
vlies
5 straalen: de rug-vin zo lang als de rug zelve.

1. C. Hippurus. De Goud-Dorade. La Do-
rade. The Delphin.
Der Goldkarpfe.

Kent. De staart gevorkt: in de rug-vin 60 straalen.

Bloch Tab. 174. Vergel. Houtt. 7. St. Pl. 61.
fig. 1. bl. 266.

In de Atlantische Zee. Een uitsteekend schoon
glinsterend Dier.

XXXII. GOBIUS. DE GRONDEL,
OF GOVIE.

Kent. Tusschen de digt bij elkanderstaande oogen
2. gaaten, van welke het een meer voorwaards staat:
in het kieuwen-vlies
4 straalen: de buik-vinnen tot
ééne eironde vin te samengegroeid.

1. G. Niger. De zwarte Govie, het Goveke.
Die Meergrundel.

Kent. In de tweede rug-vin 14. straalen.

[Seite 390]

Bloch Tab. 38. fig. 1, 3 en 5. Vergel. Houtt.
in de Verhandel. der Holl. Maatsch. XX. D. 2. St.
bl. 316 en in zijne Natuurk. Hist. I. D. 7. St.
Pl. 61. fig. 3. bl. 279.

In de Noorder-, Middelandsche- en Chineesche
Zeeën. Inl.

XXXIII. COTTUS. DE KNORHAAN.

Kent. De kop breeder dan het lijf en met steekels
hezet: in het hieuwen-vlies
6. straalen.

1. C. Cataphractus. De geharnasde Knor-
haan, de Harnasman. The Pogge. Der Knurrhahn/
Steinpicker.

Kent. Geharnasd: aan den bek wratten die in tweeën
verdeeld zijn: de kop van onderen gebaard.

Bloch Tab. 38. fig. 3 & 4. Verg. Houtt. 7. St. bl. 293.

Aan de Noordelijke kusten van Europa en
Amerika, Inl.

2. C. Gobio. De Rivier Knorhaan, de Rivier
Govie. The Bull-head, the Miller's thumb. Die
Kaulkopf/ Rotzkolpe/ Gropp/ Kruppe
.

Kent. Het lijf glad: op de kop 2. doornen.

Bloch Tab. 38. fig. 1 & 2. Verg. Houtt. 7. St. bl. 300.

Een zeer gemeene Europische Rivier-Visch. Het
wijfje schraapt al haar geschootene kuit in eene hol-
ligheid of kuil, op den grond der Rivier te zamen,
en bewaakt dezelve op het zorgvuldigste, tot dat
de jongen zijn voor den dag gekomen. Inl.

[Seite 391]

XXXIV. SCORPAENA. DE ZEE-SCOR-
PIOEN-VISCH.

Kent. De kop groot en stekelig: de oogen aan el-
kander: tanden in de kaaken, het verhemelte en in de
keel: in het kieuwen-vlies
7. straalen.

1. S. Horrida. De Oost-Indische of wrattige
Zee-Scorpioen-Visch.

Kent. Met eeltachtige knobbeltjens bezet.

Bloch Tab. 183. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 307.

In Oost-Indien.

XXXV. ZEUS. DE SPIEGEL VISCH.

Kent. De kop zijdelings plat of zamengedrukt,
van vooren steil opgaande: de bovenlip met een dwars
vlies gewelvd: de tong elsvormig: in het kieuwen-vlies

7. loodregte straalen, waar van de onderste dwars ge-
rigt is: het lijf zijdelings plat of zamengedrukt.

1. Z. Vomer. Het Zilver-Vischje.

Kent. De staart gevorkt: een neerwaards liggende
graat voor de aars- en rug-vin.

Bloch Tab. 193. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 310.

2. Z. Faber. De Zonne-Visch. La Dorée.
The Doree, Dory.

Kent. De staart gerond: de zijden in het midden
met bruine ronde vlekken getekend: aan den aars twee
vinnen.

Bloch Tab. 41. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 313.

Beide in den Atlantischen Oceaan.

[Seite 392]

XXXVI. PLEURONECTES. DE PLAT-
VISCH. Le Sole. The Flounder. Butte/ Scholle/
Halbfisch.

Kent. Beide de oogen vooraan op ééne zijde van
den kop: in het kieuwen-vlies
4-7. straalen: het lijf
plat neergedrukt, waar van de eene zijde voor den rug,
de andere in plaats van den buik dient.

De Schollen zijn de eenige dieren in de Natuur,
die hunne beide oogen aan ééne zijde van den kop
hebben; liggende deeze naamlijk bij zommige zoor-
ten op den regter, bij anderen op den linker kant:
zeer zelden treft men onder hun misgeboorten aan,
die tegen den gewoonen regel, de oogen op de ver-
keerde zijde hebben. Ook liggen beide de neusgaten
eveneens dwars ter zijde. Zij zwemmen in eene
schuinsche rigting, en met de zijde waarop de oogen
gelegen zijn naar boven gekeerd.

1. P. Platessa. (Passer). De Schol. La
Plie. The Plaise.
Die Scholle/ Plateis/ Goldbutte.

Kent. De oogen aan de regter zijde: het lijf glad:
aan den kop
6. knobbeltjens.

Bloch Tab. 42. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 331.

Deeze en de volgende zoort onthouden zich vooral
in de Noorder Zeeën. Inl.

2. P. Flesus. De Both. La Plie, le Flez. The
Flounder.
Der Flunder.

Kent. De oogen aan de regter zijde: de zij-streep
ruuw, en doorntjens aan de vinnen.

Bloch Tab. 44. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 336. Inl.

[Seite 393]

3. P. Limanda. De ruuwe Schol. The Dab.
Die Glahrke/ Kliesche.

Kent. De oogen aan de regter zijde: de schubben
met haairtjens omzet: doorntjens aan den wortel der rug-
en aars-vinnen: de tanden stomp.

Bloch Tab. 46. Verg. Houtt. 7. St. bl. 341. Inl.

4. P. Hippoglossus. De Heil-Bot. Le Fle-
tang. The Holibut.
Die Heiligbutte.

Kent. De oogen op de regter zijde: het lijf overal
glad.

Bloch Tab. 47. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 324.

Zommige weegen vierhondert ponden. Men vinde
hen onder anderen in groote meenigte in den stillen
Noordschen Oceaan. Inl.

5. P. Maximus. De Tarbot. Fr. en Eng. Tur-
bot.
Die Steinbutte.

Kent. De oogen op de linker zijde: het lijf ruuw.

Bloch Tab. 49. Vergel. Houtt. 8. St. bl. 348.

Schoon zij volgens de Latijnsche benaaming de
grootste van die geslacht zijn zoude, is deze echter
veel kleinder dan de voorgaande. Inl.

XXXVII. CHAETODON. DE BAND-
VISCH, KLIP-VISCH.

Kent. De tanden (bij de meesten) borstelagtig, buig-
zaam, zeer digt bij elkander geplaatst, en in zeer
groot aantal: in het kieuwen-vlies
6 straalen: het lijf
gekleurd: de rug- en aars-vin vleesig en geschubd.

[Seite 394]

1. C. Rostratus. De langsnuitige Band-
Visch, de Langsnuit.

Kent. De staart ongespleeten: 9. rug-vins-door-
nen: een oogvormige vlek: de bek rolrond.

Bloch Tab. 202. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 360.

In Oost-Indien. De boven-kaak eindigt in eenen
snuit, waarmeede dit Dier de Insecten die op aller-
hande Water-planten zitten als bespuit, zo dat zij
daar afvallende aan hetzelve ten prooi worden moe-
ten.

2. C. Macrolepidotus. De groot schubbige
Band- of Klip-Visch.

Kent. De staart ongespleeten: 11. rug-doornen:
van de rug-vin is het
4. beentje draadvormig en zeer lang.

Bloch. Tab. 200. Vergel. Houtt. 7. St. Pl. 62.
fig. 3. bl. 364.

In Oost-Indien.

XXXVIII. SPARUS. DE ZEE-BRASEM.

Kent. Sterke snij- of voortanden: de kiezen stomp
en digt bij elkander staande: enkele lippen: in het
kieuwen-vlies
5. straalen: Het lijf zijdelings zamen-
gedrukt: de borst-vinnen spits of scherp uitlopende.

1. S. Aurata. De Goud-Braasem. Der Gold-
brasse
.

Bloch Tab. 266. Vergel. Houtt. 7. St. Pl. 62.
fig. 5. bl. 376.

[Seite 395]

Bijna in alle taalen is zijn naam ontleend, van het
goudkleurige halfmaantjen, dat hij voor de oogen heeft.

2. S. Sargus. De Sargus, de Geiten-Braasem.

Kent. Onder aan den staart een oogvormig vlekje:
het lijf zwart gestreept.

Bloch Tab. 264. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 381.

De mannetjens worden gezegd in den Rijtijd even
als de zogende Dieren en Vogelen zeer geil te zijn
en om de wijfjens heevig te vechten.

3. S. Pagrus. De roode Zee-Brasem. Le
Pagre. The Sea Bream.
Der See-Brachse.

Kent. Roodachtig: de huid is aan den wortel der
rug- en aars-vinnen als tot een holle sleut uitgerekt.

Bloch Tab. 267. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 390.

Een der meest algemeen verbreide Zee-Visschen.
Zomtijds giftig.

XXXIX. LABRUS. DE LIP-VISCH.

Kent. Scherpe tanden: dubbele groote lippen: in
het kieuwen-vlies
6. straalen: die van de rug-vin zijn
agterwaards verlengd met draadvormige byhangzels:
de borst-vinnen rondachtig.

1. L. Julis. De Jonker-Visch. La Girelle.
Der Meerjunker/ Regenbogen-fisch.

Kent. De zijde blaauwachtig van kleur: over de
geheele langte van het lijf loopt een goudgeele en we-
derzijds getande streep of band.

[Seite 396]

Bloch Tab. 287. Vergel. Houtt. 7. St. bl. 419.

In de Middellandsche Zee. Hij is slechts één vin-
ger lang, uitneemend schoon van kleuren, en voor
hun die zich in Zee baden hinderlijk: zijn beet ver-
oorzaakt een' gewaarwording van pijn, gelijk aan
die van een Muggen-steek.

XL. SCIÆNA. DE OMBER-VISCH.

Kent. De kop geheel met schubben bedekt; in het
kieuwen-vlies
6. straalen: de kieuwen-dekzels en
geheele Kop geschubd: op den rug een groefje tot
berging van de rug-vin.

1. S. Nigra. De zwarte Omber-Visch. The
Crowfish.
Der Meer-Rapp.

Kent. Geheel zwart: de buik witachtig bruin.

Bloch Tab. 297. Vergel. Houtt 7. St. bl. 437.

Even als veele andere zoorten van dit Geslacht in
de Roode-Zee.

XLI. PERCA. DE BAARS.

Kent. De kieuwen-dekzels geschubd, en zaagswij-
ze getand: in het kieuwen-vlies
7. straalen: het lijf
met doornachtige vinnen.

1. P. Fluviatilis. De Rivier-Baars. La Per-
che. The Perch.
Der Baarsch.

Kent. De rug-vinnen van één gescheiden: in de
tweede
16. straalen.

Bloch Tab. 52. Vergel. Houtt. 8. St. bl. 3. Inl.

[Seite 397]

2. P. Lucioperca. De Snoek-Baa s. Le Loup.
The Bar.
Der Zander/ Gandbarsch.

Kent. De rug-vinnen van één gescheiden: in de
tweede
32. straalen.

Bloch Tab. 51. Vergel. Houtt. 8. St. bl. 9.

Een zeer smakelijke Roof-Visch van het Noorde-
lijk Europa. Inl.

3. P. Crrnua. De Posch of Post. The Ruffe.
Der Kaulbatsch.

Kent, In de met elkanderen vereenigderug-vinnen
27 straalen en 15 doorns: de staart gevorkt.

Bloch Tab. 53. fig. 2. Vergel. Houtt. 8. St.
bl.
28. Inl.

XLII. GASTEROSTEUS. DE STEKEL-
BAARS.

Kent. In het kieuwen-vlies 3 straalen: het lijf bij
de staart wederzijds gekield: de buik-vinnen liggen
agter die van de borst, doch boven het borst-been.

1. G. Aculeatus. (Spinarella.) De drie
doornige Stekel-Baars. l'Epinard. The Stickleback.
Der Stichling.

Kent. Drie rug-doornen. Inl.

Bloch Tab. 53. fig. 3. Vergel. Houtt. 8. St. bl. 34.

XLIII. SCOMBER. DE MAKREEL.

Kent. De kop zijdelings zamengedrukt, onge-
schubd: in het kieuwen-vlies
7 straalen: het lijf glad,
de zijdstreep van agteren scherp gerand: dikwijls bas-
taard-vinnen nabij den staart.

[Seite 398]

1. S. Scomber. De gewoone Makreel. Le
Maquereau. The Mackrel.
Die Makrele.

Kent. Vijf bastaard-vinnetjens.

Bloch Tab. 54. Vergel. Houtt. 8. St. bl. 51.

In de Noord-Zee en in de Atlantischen Oceaan
enz. Deeze zo wel als de volgende is een gulzige,
maar zeer smakelijke Roof-Visch. Van beiden
maakten de Ouden een beroemd Garum. Zie hier
boven §. CXVIII. Inl.

2. S. Pelamys. De Boniet-Makreel.

Kent. 7. bastaard-vinnetjens van onderen; het lijf
aan weerszijden met
4 zwarte streepen geteekend.

In de warmere Werelddeelen.

3. S. Thynnus. De Thonijn. Le Thon. The
Tunny.
Der Thunnfisch.

Kent. Zo wel op den rug als naar den staart on-
der aan den buik
8 bastaard-vinnetjens.

Bloch Tab. 55. Vergel. Houtt. 8. St. bl. 58.

In de Noord- en Middellandsche-Zee, ook in
de Oost en West-Indien enz. Zij bereiken dik-
wils de lengte van meer dan zes voeten en weegen
dan wel omstreeks 500. ponden. Zomwijlen zijn
zij giftig(*).

[Seite 399]

XLIV. MULLUS. DE BARBEEL.

Kent. De kop zijdelings zamengedrukt, schuins
opgaande en met schubben bedekt: in het kieuwen-vlies

3 straalen: groote schubben op het lijf die er ligt af-
vallen.

1. M. Barbatus. De Haring-Koning. Le
Rouget barbé. The red Surmullet.
Der Rothbart/
die Meerbarbe.

Kent. Twee baardjens: het lijf rood.

Bloch Tab. 348. fig. 2. Vergel. Houtt. 8. St.
bl.
73.

Eén zeer schoone en bijzonder smakelijke Visch,
der Middellandsche Zee. Omtrend één voet lang.

XLV. TRIGLA. DE ZEE-HAAN.

Kent. De kop geharnast met scherpe streepen: in het
kieuwen-vlies
7 straalen: aan de borst-vinnen losse
vin-beentjens of zogenaamde vingeren.

1. T. Hirundo. De Zwaluw-Visch. La Ca-
bote. The Tubfish.
Die Seeschwalbe.

Kent. Drie losse vin-beentjes of zogenaamde vin-
gers; de zijdstreep met stekels bezet.

Bloch Tab. 60. Vergel. Houtt. 8. St. bl. 86.

2. T. Volitan. De gewoone vliegende Visch,
de vliegende Zee-Haan. Le Poisson volant. The
Flying fish.
Der fliegende Seehan.

Kent. Twintig vin-beentjens, door een vlies aan
elkanderen vereenigd.

Bloch Tab. 351. Vergel. Houtt. I. D. 8. St.
Pl.
63. fig. 5. bl. 89.

Deeze beide zoorten zijn vliegende Visschen.

VI. Orde. ABDOMINALES.
buik-vinnen
.

[Seite 400]

Visschen, waarvan de Buik-vinnen agter de Borst-
vinnen liggen. Grootendeels leven zij in zoete wa-
teren.

XLVI. COBITIS. DE MEER-SLANG.

Kent. De oogen in het bovenste gedeelte van den
kop: in het kieuwen-vlies
4-6 straalen: de staart bij
de staart-vin niet zeer naauw toelopende.

1. C. Anableps. De Hoogkijker.

Kent. Aan den bek 2 baarden: de kop plat neer-
gedrukt: eenigzints uitpuilende oogen.

Bloch Tab. 361. Vergel. Houtt. 8. St. Pl. 64.
fig. 1. bl. 92.

Omstreeks Surinamen. Zij baaren levende jongen
en zijn inzonderheid merkwaardig, zo door het
bijzonder en hun alleen eigen maakzel der oogen,
waarvan de hoorn-huid in twee gelijke deelen afge-
deeld is, als door de overige zonderlinge inrichting
van den oog appel zelve(*).

[Seite 401]

2. C. Barbatula. De gebaarde Meer-Slang,
het Bermtje. La Loche. The Bearded Loche. Der
Schmerling/ Grundel/ Bartgrundel
.

Kent. 6. baard-draadjens: de kop ongewapend
en plat zamengedrukt.

Bloch Tab. 31. fig. 3. Verg. Houtt. 8. St. bl. 94.

In verscheide bijzoorten, met en zonder baard-
draden enz. De grootste vindt men in de Rivier de
Aar in Zwitzerland. Inl.

3. C. Fossilis. De Modder-Meer-Slang, de
Modder-kruiper. Der Wetterfisch/ Peizker/ Schlamm-
belsker.

Kent. Aan den bek 8. baard-draaden: Eén doorn
boven ieder oog.

Bloch Tab. 31. fig. 1. Verg. Houtt. 8. St. bl. 97.

Hij kan even als de Knorhaan een geluid maaken.
Wanneer men hem houdt in een glas, waarvan de
bodem met zand overdekt is, dan wordt hij bij iede-
re aanstaande weers verandering onrustig, en is
steeds in beweeging. Inl.

XLVII. SILURUS. DE MEIRVAL.

Kent. D